• Vergeten dichters

    Als lezer trek ik springerige sporen door het landschap der boeken. Gister lag ik in bed met het laatste en een van de weinige interviews die de Duitse filosoof Martin Heidegger gaf aan Der Spiegel in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het ging over zijn flirt met het nationaal- socialisme in de jaren dertig waarvan hij nooit duidelijk afstand nam. Nu is de stijl van Heidegger vaak nogal ondoorgrondelijk, al zal hij dat waarschijnlijk als een bewijs zien van zijn theorie van het verlies van de grond van het leven – dat ik het contact met het Zijn kwijt ben.

    Eergisteravond lag ik te lezen in de verzamelbundel van Arnon Grunbergs pseudoniem Marek van der Jagt. Grunbergs pseudoniem lag al lang op de leesstapel. De voetnoot van Grunberg in de Volkskrant is elke ochtend weer een kickstart van de geest en zijn stijl en pointe zijn vrijwel altijd scherp. Totaal anders dan Heidegger, maar wel altijd smakelijke maaltijden van geestelijk voedsel bereidend. Zo veel boeken die ik wil lezen, op de trap naar boven ligt nog De ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, of de liefdesgedichten van Du Perron, Nietzsches De antichrist, enkele essaybundels van Piet Meeuse en van Rob Hartmans: Vaarwel dan! Intellectuelen en hun illusies.

    Ook lonkt weer een ander boek uit 2003 over (bijna) vergeten dichters van de letterkundige A.L. Sötemann: Dichters die nog maar namen lijken. Over onder andere Richard Minne, P.C.Boutens, Jan van Nijlen, Henriëtte Roland-Holst en haar neef, Adriaan Roland Holst, de Prins der dichters: ‘Eens en dat vele jaren liep deze dichter hoog te schrijden door de Nederlandse literatuur’ (Kees Fens). Van de week kocht ik ook nog een tweede boek van Joris van Casteren over dit thema, In de schaduw van de Parnassus. Gesprekken met vergeten dichters. Ik verheug me ook op deze interviews, hopelijk net zo ‘vermakelijk’ als zijn bundel over vergeten schrijvers, hoe melancholisch de teneur meestal ook is.

    Of misschien juist daarom wel. Ik houd me nooit zo bezig met bestsellers en net verschenen boeken. Zal vast door mijn beroepsdeformatie als antiquaar komen. Mijn begrip van tijd wordt meestal niet begrensd tot het hier en nu, maar gaat wel eens verder terug naar vroeger en soms ook wel eens in de vage dimensie van vergetelheid. In het land van een miljoen schrijvende mensen, is de zee van nietigheid een vol, warm bad van zwetende, tikkende lijven. ‘Toen hij eindelijk verkilde en zich neerlegde op het doodstil terras vlogen er meeuwen over zonder kreten. Zij vlogen over naar wat eenmaal was, naar lief en leed en naar voorgoed vergeten’ (A. Roland Holst, Voorlopig, 1976). Ik vergeet U niet hoor, Prins der Dichters.

     

  • Vergeet je jas niet

    ‘De Ark van Noach in Dordrecht biedt een leuk dagje uit voor jong en oud!’, wordt vermeld op www.arkvannoach.com. ‘U krijgt een indruk hoe het schip eruit heeft gezien en ontdekt hoe Noach en zijn gezin geleefd moeten hebben’. De site bevat een goede tip: ‘Het kan koud zijn op de Ark. Vergeet je jas niet.’

    De Ark is in historisch opzicht ver afgedreven. De oorsprong is het Bijbelverhaal van de zondvloed in Genesis, waarin Noach met zijn familie ontsnapt aan de verdrinkingsdood. En dan hebben we het alleen nog maar over onze christelijke versie. Een soortgelijke vertelling is ook te vinden in de Koran en in het Soemerische epos over Gilgamesj.

    Het schip ziet er in de iconografie niet altijd even patent uit. Maar dat hoefde ook niet. Het ging niet om de bewijsbare degelijkheid van het vaartuig maar om de redding van de goede mens. Eeuwenlang kozen kunstenaars ervoor de Ark af te beelden als symbool van die redding. Soms loerden uit alle ramen dieren, want Noach redde en passant ook de aarde. Maar die was niet te zien. De boot vulde het beeld. En het water.

    ark van noachMichelangelo introduceerde in de 16de eeuw een ander perspectief, dat van de afvaart. Bij hem geen solitaire boot als ‘save haven’, maar de angst en het lijden van de mensen die niet hebben weten te ontkomen en het nakijken hebben. Het tafereel is te zien in de Sixtijnse kapel. Op de voorgrond worstelen mensen om aan de ramp te ontkomen, terwijl de Ark verdwijnt in de achtergrond. Niet de geredden, maar zij die dat niet zijn vullen het fresco.

    In onze 21ste eeuw voldoet dit beeld niet meer. Het perspectief is opnieuw veranderd. De boot staat weer centraal. En dit keer komt hij aan. Op de voorgrond staan nu over elkaar buitelende ngo’s die de opvarenden opvangen. Maar de boot die aanlegt is niet een schip van hoop zoals de Ark ooit. Nee, het is de wanhoop die landt. Niet op de berg Ararat, verwelkomd door een duif met een palmtak, maar op Griekse en Italiaanse eilanden en – verder van ons – op de stranden van Thailand en Maleisië. En het schip als solitair symbool is er óók weer.

    Het icoon is sinds een paar jaar de foto van Massimo Sestini die in 2015 een World Press Photo-bekroning kreeg. Hij nam hem op 7 juni 2014 voor de kust van Libië waar de Italiaanse marine een boot vol drenkelingen redde van de ondergang.

    Foto: Massimo Sestini

  • Zkv op zondag

    Elke zondagochtend lees ik een zkv van A.L. Snijders dat via de mail binnenkomt. Koffie en een zkv, meer verlang ik niet op zondagochtend.

    Het laaste zkv ging over de warmste zondag van dit jaar en de Giro die over de provinciale weg tussen Lochem en Zutphen reed. De weg die 200 meter van zijn huis ligt, legde hij te fiets af. Hoe de mensen in meegebrachte stoeltjes langs de weg zaten, sigaretten rookten en met flesjes bier stonden te wachten. Snijders zelf leunde op zijn fietsstuur  en nam er notitie van.

    Diezelfde zondag reed ik van oost naar west met de zon in de rug. Tot Arnhem waren de wegen versierd. Er hingen roze fietsen in bomen en lantaarnpalen. Het was alsof de bewoners van de dorpen waar de Giro langs zou komen, zich voor het eerst sinds lange tijd weer hadden kunnen uitleven. Zwetend in een 2CV en met wapperende haren zag ik in de tuinen langs de weg biertenten verrijzen en een wegrestaurant dat van boven tot onder in de roze verf was gezet. En dat je je dan afvraagt hoe ze dat doen als de Giro voorbij is.

    Snijders noteerde dat de mensen aan de kant van de weg heel wat wisten over de renners voordat ze iets gezien hadden. Ze wisten dat een renner gewond was en dat de ambulance onderweg was. Ook kenden ze het precieze moment dat het peloton de standplaats zou passeren. Snijders mobiel is alleen om te ’telefoneren en getelefoneerd worden’ schrijft hij. Hij is zo iemand die zich er nog geregeld over kan verbazen dat er door een druk op de knop, licht ontstoken wordt. ‘Zo’n mentaliteit maakt het moeilijk bij de tijd te blijven,’ concludeert hij.

    Een onophoudelijke stroom auto’s, protserig hoog op dikke banden raasden van west naar oost. Ons Eendje wapperde dapper mee op elke luchtverplaatsing die passerende auto’s teweeg brachten. Veel auto’s hadden fietsen achterop. Altijd twee, nooit één. Ook nooit twee fietsen en een kinderfiets erbij. Wat uiteraard iets zegt. Het maakte me onbegrijpelijk chagrijnig.

    Ondertussen vloog er tussen Zutphen en Lochem met oorverdovend lawaai een helikopter over toen het peloton de plek passeerde waar Snijders, nog steeds over zijn fietsstuur geleund, naar boven keek. Naar die helikopter. Van de wielrenners zag hij uiteindelijk niets. Hij vertelde het niemand, want: ‘ik bleef ten slotte via de televisie op de hoogte van de prestaties van Tom Dumoulin, (…).’

    Soms vind ik zo’n zkv  zo mooi dat me bij de laatste zin een zucht ontsnapt. En dan klik ik op ‘reply’ en typ een woord, waarin de verzuchting van bewondering verscholen zit en waarvan ik me verbeeld dat die zucht ook  wordt overgebracht. Zoiets als: ‘Mooi!’

    Waarop ik een bericht terug ontving:

    het doet me genoegen dat je het mooi vindt.
    het blijft ten slotte altijd een raadsel welke snaren
    zullen trillen. vrgvvgvrgvgr

    Daar trilde ik even van. En met dat ‘vrgvvgvrgvgr’? Daar kan ik dagen mee voort om te bedenken wat daar de betekenis van is.

     

     

  • Dwarse rolstoel

    Al weken had ik naar dit concert uitgekeken. Naar de violiste, Viktoria Mullova die ik graag mag horen, en een symfonie van de door mij gewaardeerde componist Nielsen. Het orkest mag er ook zijn: het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Dmitri Slobodeniouk. ‘Mooi’, denk ik, als ik mijn plaats gevonden heb: twee stoelen vanaf het gangpad, net niet achter een pilaar.

    Ik sla het programmablad van Het Zondagochtendconcert om en lees de biografietjes van soliste, dirigent en orkest. Als ik mijn blik weer opsla, kijk ik recht in het vriendelijke gezicht van een oudere dame in een rolstoel. We zeggen elkaar gedag. Een man, die haar zoon blijkt te zijn, sjort net zolang aan de stoel totdat deze voor de hoekplaats in mijn rij staat. ‘Kun je zo wel wat zien, achter die pilaar?’ vraagt hij aan zijn moeder. ‘Ja’, antwoordt ze, ‘ik zie alles.’ Maar nu blijkt dat de stoel precies voor zijn toegewezen plaats staat. Hij begint opnieuw aan de rolstoel te sjorren. Als deze uiteindelijk schuin in het gangpad staat en de ingang naar de rij voor me belemmert, zegt de zoon: ‘Ach, ik zit naast die mevrouw.’ Dan klimt hij via de rij achter me naar zijn plaats naast mij. Waarom zou je het je makkelijk maken als het moeilijk kan?

    Inmiddels is het paar dat voor ons hoort te zitten gearriveerd: jonge mensen, voor de gelegenheid nonchalant-netjes gekleed. Ze kijken naar hun plaatsen, maar kunnen er niet bij, ‘tenzij’ zegt zij, ‘we eroverheen mogen klimmen.’ Ze bedoelt de rolstoel. Dat mag. Dan begint de zoon tegen ze: ‘In Rotterdam is het veel beter geregeld. Hier zijn maar een paar rolstoelplaatsen: bij deze pilaar en daar aan de andere kant.’ De vrouw voor ons zegt: ‘Wat seniel!’ Haar partner gaat er niet op in. ‘Houdt u niet van kritiek?’ vraagt de zoon. ‘Nee’, antwoordt hij, ‘ik kom hier om te genieten.’

    ‘Eén, twee, drie’, zegt de oude dame in de rolstoel en het concert begint. Nog één keer hoor ik haar tegen haar zoon fluisteren: ‘Mooi hè?’ Ze geniet zichtbaar. Ze kan alles zien en horen. Af en toe meen ik een soort gesnor op te vangen, als van een spinnende poes. Applaus – groot applaus na een indrukwekkende symfonie waarin inderdaad wel iets aparts te zien viel: namelijk een slagwerker die halverwege het werk de statige trap oploopt om zijn partij, blijkt, achter een deur te vervolgen.

    Iedereen staat op en applaudisseert nogmaals langdurig. Als we weg willen naar de garderobe, maakt de zoon geen  aanstalten het pad vrij te maken. Amsterdam is blijkbaar toch zo gek nog niet. Dan maar rechtsom de rij uit als het linksom niet gaat. Tot de man voor me opeens ‘Aso!’, zegt. Luid en duidelijk. Het concert is ten einde.

     

  • Bushalte

    Eerder schreef ik al over de bushalte voor mijn huis, op ongeveer 5 meter afstand van mijn bureau. En dat die 5 meter als zoveel meer meters aanvoelen. Zeker, toen een man aanbelde en vroeg of hij bij mij een kopietje kon maken van zijn paspoort. ‘Want ik zie een hoop boeken, dus ik denk dan kopieer je toch?’ Als een onbekende hier binnen stapt, voor een pakketje of een klusje, vraagt diegene onmiddellijk of ik nog wel eens een boek verkoop en of ik er van kan leven. Blijkbaar heeft de gedachte bij hen postgevat dat boeken nog geen droog brood op de plank brengt. Het fascineert me dat over de wereld der boeken zo in uitersten wordt gedacht. Ook hoor ik vaak, ‘Verkoopt het nog een beetje. Boeken?’ Of ze hebben een onrealistisch ontzag voor boeken en de halo van eruditie die erom heen hangt.  Als ik zeg dat ik er van leef, wordt ik meestal een beetje ongeloofwaardig aangekeken. Laatst was er iemand voor de montage van nieuwe sloten op de deuren die vroeg of ik er nog een baan bij heb. Bij mijn weten heb ik nog nooit aan iemand gevraagd of zijn werk genoeg geld oplevert. Ik hoop vooral dat men plezier van zijn of haar werk heeft. Wat je ook doet of bent. De meesten volgen het geld. En dus vragen ze anderen – mij incluis – ongegeneerd naar je inkomsten.

    Gisteren plofte er een brief van de gemeente Amsterdam in de brievenbus. Er wordt een opvang voor 800 vluchtelingen gebouwd op een sportterrein hier 500 meter vandaan. De migratiestroom door oorlog en conflicten is een fenomeen door de geschiedenis heen. Dat Nederland door oorlogsslachtoffers wordt gezien als een veilige haven is een prettige gedachte. Ik ben benieuwd door wie de bushalte voor mijn huis en werkplek over een tijd wordt gebruikt naast de Nederlanders die er nu staan. En hoe de buurt gaat reageren op dit feit. Want we leven in het land van de voldongen feiten (H.J.A. Hofland). Deze week is er op 20 mei een informatieavond, van inspraak is geen sprake. Ik ben sowieso voor opvang van kwetsbare mensen. Toch ben ik zeer nieuwsgierig naar hoe de wereld daar buiten – op 5 meter afstand – eruit ziet als de vluchtelingen er zijn. En hoe alle Nederlanders – van welke afkomst ook – zich hier gaan opstellen. Daarover later meer.

     

  • Voorstudies

    In het Londense Victory & Albert Museum keek ik enkele jaren geleden mijn ogen uit. Ik stond voor een paar kleine vitrines tjokvol eeuwenoude modelli van klei en bijenwas. Kleine driedimensionale schetsjes, waarin beeldhouwers hun eerste ideeën voor een groot beeld hadden uitgewerkt. De meeste kende ik in de definitieve uitvoering, waaronder de Roof van de Sabijnse Maagden (ca. 1580), een gigantisch metershoog wervelend marmeren beeld van Giambologna op het Piazza della Signoria in Florence. Twee kleine schetsjes ervan hebben de tand des tijds doorstaan, de ene twaalf en de andere veertig cm hoog. Ze bieden een fascinerend inkijkje in het ontwerpproces van de beeldhouwer. In het oudste model heeft Giambologna een man geschetst die een vrouw optilt. Mooi in was, maar onuitvoerbaar in marmer. Daarom voegde hij er in zijn definitieve ontwerp een derde figuur aan toe, zodat het beeld robuuster werd.

    In de geschreven kunst zijn dergelijke opeenvolgende voorstudies waarschijnlijk net zo waardevol als in de beeldende kunst. Maar je krijgt ze nog minder vaak onder ogen. Ik kan me in alle eerlijkheid niet herinneren er wel eens één gezien te hebben. Ik heb natuurlijk wel eens een manuscript gezien, maar dat gaat toch al weer een duidelijke stap verder dan die eerste schetsjes in was en klei. Nee, een literair equivalent van Giambologna’s modelli zie je niet snel. Waarschijnlijk moet je je daarvoor onderdompelen in de archieven van het Letterkundig Museum. En de tijd nemen om te lezen, want anders dan een driedimensionaal modelli kan je een geschreven voorstudie meestal niet in één oogopslag tot je nemen.

    Misschien is dat ook de reden waarom je ze zelden in de literatuur tegenkomt. Soms vang je er wel eens een glimp van op, als van een groot schrijver onaf werk wordt uitgegeven. Manuscripten die zijn achtergelaten omdat de schrijver vast zat of overleed, maar toch zijn uitgegeven. Zoals Dode zielen van Gogol, in 2014 verschenen in een prachtige nieuwe vertaling van Aai Prins. Op zich een feest om te lezen. Althans, het eerste deel, dat als enige echt is afgerond. Daarna beland je in een soort van literaire werkplaats waarin de tekst nog in de steigers staat. Sommige hoofdstukken zijn min of meer afgerond, andere ontbreken. En van sommige tekstpassages zijn verschillende varianten opgenomen. Het is lastig leesvoer, omdat je voortdurend schakelt maar zelden iets treft dat helemaal af is. Maar het is ook waardevol leesvoer, omdat je een inkijkje krijgt in Gogol’s schrijfproces. Wat net zo fascinerend blijkt als de modelli in de vitrines in het V&A.

     

     

     

  • Andere Kluger Hans

    Het scheelt nauwelijks een halve centimeter aan de zij- en bovenkant, maar toch, je ziet het. Hij is smaller. En dunner, veel dunner. Eens even tellen. Ja, de december editie bedroeg 70 pagina’s en deze, de voorjaarseditie 48 pagina’s. Dat maakt een flink verschil. Het ligt ook niet zo soepel in de hand. En waar is het stukje omslag van de cover gebleven waardoor het zo stevig oogde en aanvoelde? Ge-cut op de maat van de bladzijden. En er staan geen afbeeldingen in, op een enkele groene grafische krabbel na.

    Mijn handen herinneren zich een andere vorm. Het tijdschrift, dat ze met een driemaandelijkse regelmaat vasthouden, doorbladeren, het smalle ruggetje doorbuigen, kwam ze vertrouwd maar toch anders voor.Het was ook anders. Ik zelf had het niet direct in de gaten. Ik bladerde, las wat, probeerde het ruggetje te buigen, tot mijn handen me lieten weten dat het literaire boekje erg dun was, te dun om te buigen. Het zou kunnen scheuren!, dacht ik. Maar dat was een overdreven gedachte.

    Ik begon te onderzoeken wat er anders was en ontdekte het gemis van minder dan een halve centimeter en de afgesneden coverflap in vergelijk met de vorige edities. Nog meer wilde ik ontdekken en onderzocht bladzijde na bladzijde en vond geen enkele afbeelding, alleen die grafische krabbels, die ook wel iets hadden.

    Denk de afbeeldingen weg en wat je overhoudt is een tijdschrift vol tekst. Bladzijden vol woorden die hun eigen choreografie bepalen en dansend een verhaal neerzetten en rijen poëzie.

    Zoals de mooie prozastukjes van Xavier Roelens over onder meer, een pelgrim. ‘je zoekt zingeving in stof, maar stof toont alleen dat het leven al lang niet meer langsgekomen is.’ 

    De bladzijden steeds verwoeder openvouwend (pas op het scheurt!) lees ik het verhaal Bal, van Marijn Sikken. Over Joost, een gehandicapte buurjongen, Dirkje en een duif die zich kapot vliegt tegen een raam. Dirkje wil met gewone kinderen spelen maar die kinderen, die eerst wel om zijn anders zijn hebben kunnen lachen, krijgen al gauw genoeg van hem. “Later pas zou ik de woorden vinden voor wat ik toen al wist: dat mensen die anders zijn dan wij altijd maar voor even  leuk zijn. Dat ze daarna alleen maar vervelender worden.” Wat het beeld weergeeft dat in een leven niets op zijn plaats blijft, zelfs meningen en ideeën niet. Hier wordt aan de kern van de noodzaak tot het onhoudbare veranderen geraakt. Ach en wat zeur ik dan over formaat enzo, als de inhoud maar goed is.

    Poëtisch werk is er van Philippe Cailliau, Chris Ceustermans en J.De Vries. Van Jonas Beckers één kort gedicht:

    De hand van de meester

    Vraag aan de meester
    welke kleur hij ziet
    wanneer de nacht eindigt
    en de dag begint.

    hij zal een lichte streep trekken
    naast een donkere
    maar nooit zijn geheim prijsgeven.

    stel dezelfde vraag
    aan de knecht van morgen
    hij zal door een lensnaar de wereld kijken.

    in zijn graf rust geen geheim.

    Alles om gewenning tegen te gaan. Dit is een andere Kluger Hans met verrassende inhoud.

     

     

     

  • De literaire merel

    De merel broedt. Nadat het vorige broedsel tijdens de koude dagen na Pasen was verdwenen, is een nieuw nest gebouwd, op het warmste plekje van de tuin. Als dat maar goed afloopt! Telkens als de eksters, die ook moeten eten, hun duikvluchten uitvoeren, rent mijn vrouw naar buiten om ze met de Supersoaker, een Star Wars-achtig waterkanon, te verdrijven. De lente maakt me elk jaar blij en vitaal, maar achter de uitbarstingen van levensdrang en schoonheid gaat een slachting schuil.

    De merel is talrijk en geliefd. In de poëzie wordt hij overtroefd door nachtegaal en zwaan, althans in de ouderwetse, begrijpelijke gedichten waar ik van houd. Zou de Dichteres des Vaderlands ooit over de merel hebben geschreven?

    De literaire merel is in de Engelstalige poëzie onsterfelijk geworden door Wallace Stevens’ gedicht Thirteen Ways of Looking at a Blackbird. De eerste twee delen gaan zo:

    1.
    Among twenty snowy mountains,
    The only moving thing
    Was the eye of the blackbird.
    2.
    I was of three minds,
    Like a tree

    In which there are three blackbirds.

     

    De schoolmeester in me kan peinzen over het verschil tussen ‘a blackbird’ in de titel en ’the blackbird’ in de eerste observatie. ‘Nou jongens, waarom zegt de schrijver in regel 3 de merel?’

    De Engelstalige Welse dichter R.S. Thomas, tot zijn dood in 2000 de officiële Britse kandidaat voor de Nobelprijs, leende later de vorm van de door hem bewonderde Stevens voor Thirteen Blackbirds Look at a Man. Het staat niet in Collected Poems 1945-1990 maar de nummers 1 en 13 gaan zo:

    1.
    It is calm.
    It is as though
    we lived in a garden
    that had not yet arrived
    at the knowledge of
    good and evil.

    But there is a man in it.

     

    13.
    Summer is
    at an end. The migrants
    depart. When they return
    in spring to the garden

    will there be a man among them?

     

    Hier toont zich de drie-eenheid van Thomas’ poëzie: het christelijk geloof, de natuur en zijn pessimisme. Terecht niet opgenomen?
    ‘Jongens,wat bedoelt de dichter in het eerste deel met but?’ Dat ene woordje kondigt de zondeval aan. Zal Thomas’ taal nog lang worden begrepen? De kerken verkommeren. Andere vormen van bijgeloof floreren. Hoe lang nog tot niemand de christelijke verwijzingen meer herkent, laat staan snapt? Kees Fens werd er wanhopig van: álles moest hij zijn studenten uitleggen, niets hadden ze nog paraat. Karel van het Reve schreef eens over zijn studenten dat alleen het koningshuis en een paar strips nog als algemeen gedeelde kennis bestonden.

    Alles gaat voorbij en ieder jaar is het weer lente. De optimist houdt de moed erin, van je hela-hola, en de pessimist ziet bij het ontluiken van de bloesems al de worm in de appel. In een ander merelgedicht, A Blackbird Singing, constateert Thomas:

    A slow singer, but loading each phrase
    With history’s overtones, love, joy
    And grief learned by his dark tribe
    (…)

    But fresh always with new tears.

     

    Dit tranenrijke lied klinkt momenteel overal om ons heen, maar de merel broedt.

     

  • Intimiteit

    De zon schijnt ongenadig, terwijl het pas begin mei is. Het is de herdenkingsweek: geschiedenis, oorlog, vluchtelingen en herdenkingsplechtigheden vullen de dagen in officiële zin. Europa valt uit elkaar, maar de verpozende mensch gaat naar het strand, zet de barbecue aan of gaat naar buiten. Ajax kan vandaag kampioen worden, maar ik weet niet of me dat kan interesseren ook al ben ik lang voetballer geweest. De Giro d’Italia raast ook nog een dag door Gelderland. Ik ga daar woensdag heen om een collectie fotoboeken te bekijken en mogelijk te kopen. Ik ben graag binnen als het buiten te uitbundig zomer is.

    Binnen kijk ik naar mijn door de zon verlichte boekenkast en pak er een boek uit van een Nederlandse fotograaf en blader er door heen: gecraqueleerde foto’s van blote of halfnaakte jonge vrouwen. Hee, buiten is toch binnen gekomen. Ook al doen de foto’s niet zomers aan, niet zoals bij Helmut Newton, knallend van kleur en licht, maar eerder half verscholen achter vitrage, struik, boom of in de schaduw. Het boek heet dan ook In Search of Intimacy, van Henri Senders uit 2014. Fijn, deze geloken en half verscholen portretten van vrouwen, enigszins in de stijl van de jong gestorven Sanne Sannes en de zwervende fotograaf Gerard Fieret. Precies wat mijn gemoed, zoekend naar een lichte, lichtzinnige duisternis, nodig had. De dagen ervoor las ik Gerard Reve en zie nu, toevallig, enige verwantschap in de etherische, metafysische verering van de vrouw, de Moeder, de Maagd, Maria. Nader tot U.

    Ik zet een aantal boeken op de veilingsite Catawiki, kijk naar buiten en zie bij de bushalte voor mijn deur een selfies makend meisje, een beetje melancholisch hangend, in de schaduw, tegen het bushokje aan, voortdurend bezig met haar smartphone en heur haar. Ze zou zo voor de lens van Henri Senders kunnen plaatsnemen.

     

  • 421 jerrycans

    De cynicus in mij denkt dat de mensen op deze Afrikaanse vrachtauto het zo slecht nog niet hebben. Ze hebben tenminste allemaal een zitplaats. Dat kun je van NS-reizigers niet zeggen. Maar daarmee houdt mijn cynisme op. Ik ben onder de indruk van de foto. Bram Vermeulen, die voor de VPRO het programma De Trek aan het maken is, liet hem op 3 mei zien in DWDD.

    Zijn documentaireserie, die vanaf 6 november zal worden uitgezonden, gaat over migratie in Afrika. Niet uit oorlogsgebieden, maar uit landen met weinig toekomst voor hun bewoners.

    Op de vrachtwagen zitten geen vluchtelingen, maar arbeiders die dagenlang moeten rijden naar de mijnen waar ze werken. Aan de zijkant hangen zakken en jerrycans met eten en water. ‘Een soort Ark van Noach’ noemde Bram Vermeulen deze opeenstapeling van mensen. Een krachtige foto, die mij doet denken aan een installatie van Romuald Hazoumè, een kunstenaar uit Benin, die aansprekende verbindingen weet te leggen tussen het slavernijverleden en de migratiestromen van nu. Op de Documenta in Kassel in 2007 was van hem een boot te zien met op de achtergrond een foto van een paradijselijk Afrikaans strand: Dream.

    Romuald Hazoumé detail 1Hij was opgebouwd uit 421 oliejerrycans. Als je goed keek kon je door de manier waarop ze waren gemonteerd in elke jerrycan een Afrikaans masker zien. Gezichten van bewoners van een continent dat rijk is aan olie, maar daar zelf het minst van profiteert. De winsten gaan naar het Westen. Het afval blijft. Een tekst op de bodem verwoordt de uitzichtloosheid van de migranten:

    Damned if they leave and damned if they stay: better, at least to have gone and be doomed in the boat of their dreams”

    De installatie bezorgt je een stomp in je maag. Hij is een frontale aanval op de gemakzuchte gedachte dat economische vluchtelingen maar in eigen regio oplossingen moeten zoeken. Alsof het alleen hun probleem is.

     

    Over De Trek van Bram Vermeulen: http://www.vpro.nl/buitenland/programmas/de-trek.html

    Over Hazoumè en zijn installaties: http://www.octobergallery.co.uk/participate/downloads/hazoume.pdf

     

  • Ongebonden

    Wellicht een onbenulligheid, maar als iets me ontgaat waarvan ik geloofde de eerste te zijn die erover ingelicht zou worden, dan zie ik dat als een persoonlijk tekort. Zoiets als met een dierbare vriendin die jou niet laat weten dat ze op vakantie gaat omdat je  te lang geen aandacht aan haar hebt besteed. Dat je dan van een ander verneemt dat ze voor een maand naar Arizona is afgereisd. Dan voel ik me als een verlaten kind zonder afscheidsbriefje op de keukentafel.

    Deze week bleek er opeens een biografie van Josepha Mendels te bestaan, door Sylvia Heimans. Hoe had ik Josepha Mendels kunnen vergeten? Afwezigheid blijkt een eigenschap die erfelijk is. Ook mijn vader had er last van, of beter, wij als gezin hadden er last van. Mijn vader zat in de schaarse vrije tijd die hij had, of op de wc, of in zijn rookstoel te lezen in (bijna altijd) een uitgave van de Wereldbibliotheek of van Van Oorschot. Als dan mijn moeder, terwijl ze van haar kopje koffie genoot, bijvoorbeeld vroeg, ‘Heb je nu je manchetten gevonden?’ Reageerde hij verdwaasd opkijkend met een, ‘Huh,… wat is er meisje?’, en las weer verder. Wanneer er plotseling tumult in huis ontstond omdat het ene kind iets van het andere kind had gepakt en die eerste dat schreeuwend en stampvoetend terugeiste, sprong hij ‘Hoewatwiewaar!’roepend overeind. Waarop mijn moeder de boel suste door ons allemaal naar boven te sturen.

    In de jaren tachtig bracht Meulenhoff het LiterairMoment: ‘kwartaalkeuze voor de literatuurliefhebber’, uit. De uitgave betrof een roman van een schrijver die net als het Schwob ‘boek’ van nu waar een leesclub aan verbonden is, een herontdekking betrof van belangrijke auteurs mét informatieboekje over leven en werk van schrijvers als Philip Roth, Bernard Malamud, Ethel Portnoy, August Strindberg. Mooie uitgaven. Als wind en rook, (1950) werd achtendertig jaar later ook als LiterairMoment uitgegeven.

    Over de half-joodse vrouw Elisa, die in de jaren twintig een huwelijk aangepraat krijgt door haar vader met een veel oudere, orthodoxe jood. Zij wil haar man volgen in alle Joodse rituele gebruiken maar gaat zo gebukt onder zijn tirannie en bigotte geloof dat zij hem verlaat. Voor een vrouwelijke auteur in die tijd was dit een ongekende manier van schrijven over samenleven en (vrouwelijke) vrijheid. Ik herinner me nog de opluchting bij de passages, die zo invoelbaar geschreven waren als betrof het mijn eigen bevrijding, waar Elisa haar ‘confectie’ leven achter zich laat en erop uittrekt, een eigen leven tegemoet.

    Nu ik erover nadenk heeft deze roman een deel van mijn leven bepaald. Was het niet kort nadat ik Als wind en rook had gelezen dat Mijn Lief en ik uit elkaar gingen. Nou ja, voltrekking van een besluit berust nooit op één aanwijzing. Het leven is een samenspel van aanwijzingen en weten wat je te doen staat.
    Aan het einde van de roman laat Mendels de man, die de liefde van haar leven is, zeggen: ‘(…) en ik weet nu dat er maar één weg bestaat om gelukkig te zijn: die van de vrijheid.’ Nu eerst maar eens die biografie aanschaffen.

     

  • Vergetelheid

    Ik bladerde eerst goedmoedig, daarna las ik geboeid en later enigszins getormenteerd de portretten van vergeten schrijvers door Joris van Casteren (Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf, Prometheus, 2006). Sommige van hen hadden zich neergelegd bij hun vergetelheid, anderen klampten zich vast aan de ambitie en hoop ooit weer te mogen schitteren op de Parnassus. Ik voelde mee met hun teleurstelling en afkeer van hun lot. Want als blogger zonder publiek, op een enkeling na misschien, is het toch een lichte vorm van zelfkwelling om over de worstelingen van schrijvers te lezen die ooit wel een lezerspubliek hadden en nu niet meer. Of is dit juist helemaal niet erg? Waarom zou je een publiek moeten hebben? Is schrijven niet allereerst een egöistische bezigheid? En is het na je neergepende zelfbevrediging dan meegenomen dat er een aantal verdwaalde zielen je blogs lezen? Ja, vast wel, maar ongelezenheid maakt of houdt je ook weer autonoom. Niet gaan schrijven met Roderick en Annabelle – de lezende Henk en Ingrid – in het achterhoofd. Ik verkoop online en op boekenbeurzen af en toe debuten van schrijvers waarvan het oeuvre niet bepaald Mulischiaans van omvang gaat worden, maar stokt bij een of twee gepubliceerde romans. Jammer? Nee, ik vind van niet. Knap, denk ik dan, knap dat je een uitgever, een redacteur bereid hebt gevonden, tijd en geld in je te steken. En natuurlijk willen ze die investering tiendubbel dwars aan je terugverdienen, dat je bij De Wereld Draait Door mag aanzitten als Talent Van Het Jaar, maar de meeste debuten zijn als letters in het zand. Ik houd van dat idee. Maak iets moois, iets unieks, maar maak het voor het moment, of voor twee momenten misschien, maar dan, dan waait de wind je werk weg, als losse korrels de lucht in, neemt de zee je creatie weer mee terug in het amorfe en tijdloze van ons uitdijende universum tot alles weer ineenkrimpt en tijd en ruimte niet meer bestaan. En dan kun je dus terechtkomen in het boek van Van Casteren die het prachtige thema van de vergeten schrijver bedenkt en je interviewt en dat je dan kunt zeggen: ‘Ik ben een schrijver, of ik nu publiceer of niet.’ Amen.