• Klaploper

    Als iemand tegen me aan staat te praten zonder een weerwoord te verwachten, kan ik het niet laten een citaat te parafraseren of uit andermans werk te putten. Zo verbleef ik eens op een feestje in Londen waar oudste Zoon me mee naar toe had genomen. Langs drie smalle trappen kwamen we  op de bovenverdieping van een bouwvallig huis. In de kleine woonkamer werd gedanst. In het wat rustiger portaal tussen badkamer en woonkamer raakte ik in gesprek met een Griekse, naar overgewicht neigende jongeman die op het punt stond zijn relatie te verbreken.

    Zijn vriendin was een schoonheid. ‘Everything will all past’, was iets waarmee hij, blijkbaar nogal melancholisch aangelegd, zijn meningen lardeerde. Heimwee had hij. Naar de blauwe zee, zijn moeder, naar de manier van leven die zo eenvoudig was ‘You know’. Al was hij vijf jaar geleden om diezelfde dingen naar Londen, ‘The place to be’, gekomen.
    Met benevelde woorden, die verhalen een filosofische diepgang geven die door de toehoorder uiterst serieus genomen dient te worden, probeerde hij zijn levensverhaal in een mythe te gieten. Waarop ik, sprakeloos, mijn favoriete citaat van Jeroen Brouwers in nogal knullig Engels voor hem parafraseerde; ‘Everything has to do with everything’. Door de muziek konden we elkaar niet helemaal verstaan maar er was wel degelijk sprake van a positive vibe tussen ons.

    In de woonkamer zette Phil Collins jengelend en schurend ‘I can feel it coming in the air tonight’, in toen  de Griekse jongeman me ernstig aankeek en zei, ‘You are such a good listener’. Hij schonk zich nog een whisky in en ik knikte. En knikte nog eens. Aangemoedigd nam ook ik een whisky, vergetend dat ik dat nooit drink. Het werkte bevrijdend en ik zei, ‘You know, there was a little boy’ die voor het eerst naar de kapper ging.

    Het was een Chinese kapper die zijn hoofd met zachte, doch dwingende hand beroerde. Het jongetje voelde de haarlokken langs zijn hals en nek naar beneden vallen, hoorde het knipknip van de schaar. Van waar hij zat had hij hij uitzicht op de zee. Toen de Chinese kapper na het knippen het tere nekje van het jongetje schoonblies met zijn zachte adem en hem een spiegel voorhield, wist het jongetje niet wie hij zag. Wel zag hij dat de kapper zijn krullen bijeen veegde en ze in een luikje in de vloer liet vallen waar een stroom water het mee naar zee nam. ‘Ergens in de zee zakt mijn haar naar de bodem’, dacht het jongetje. At the bottom of the sea, vertelde ik, ligt een tapijt van haren van miljarden mensen, waarin, als je erover zou lopen ‘your footprint’ achterblijft.
    De Griekse jongeman knikte, knikte nog eens en zei, ‘Man is the measure of all things’ wat een eeuwenoud Grieks gezegde is. En ik voelde me een klaploper van de literatuur, al bedoelde ik het goed.

     

    De Chinese kapper en het jongetje is ontleend aan De zondvloed / Jeroen Brouwers.
    Het laatste citaat is van de Griekse filosoof Protagoras (c. 490 – c. 420 v. Chr.).


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Noten leren lezen

    Het was alsof de duvel er deze zomer mee speelde. In het ene na het andere boek werd ik door de auteur naar een notenapparaat verwezen. De meeste schrijvers dwongen mij tot bladeren. Tot het verlaten van de tekst om ergens achterin op zoek te gaan naar de verantwoording van wat ik net gelezen had. Slechts een enkeling was zo vriendelijk een voetnoot te plaatsen, zodat ik in een oogopslag kon beoordelen of ik die noot wel het lezen waard vond. Sommige schrijvers maken het namelijk heel bont. Soms staat er achter bijna elke zin zo’n naar een noot verwijzend cijfertje gesuperscript.

    Mijn frustratie over al dat vergeefse geblader ebde weg naarmate ik weer meer romans ging lezen. De kans dat je daarin een noot tegenkomt, is relatief klein. Gebruikt een schrijver er toch één, dan maakt het bijna altijd onderdeel uit van het spel dat hij speelt. Dat ik op de tweede pagina van De vos van Dubravka Ugresic een voetnoot aantrof, stoorde me dan ook allerminst. Ook aan de noten die daarna nog volgden, ergerde ik me niet. Het scheelt natuurlijk dat het allemaal voetnoten zijn. Bovendien bevestigen ze mijn gelijk: De vos is eigenlijk helemaal geen roman. Het is een fascinerend, en goed, boek, met een hoog verhalend gehalte, maar geen roman. Althans niet in de traditionele zin van het woord.

    Inmiddels ben ik weer in een boek bezig waarin ik flink heen en weer moet bladeren, maar dit keer wil ik geen noot missen. Nu ik weet dat de eerste versie van zijn toch al veelbesproken Wolkers-biografie door de promotiecommissie niet wetenschappelijk genoeg bevonden werd en Onno Blom zich gedwongen zag het nodige te herschrijven en in zijn proloog nog eens extra benadrukt dat alles wat hij schrijft terug te voeren is op bronnen, ben ik meer dan gemiddeld nieuwsgierig naar de manier waarop hij zich in Het litteken van de dood verantwoordt.

    Ik maak er een sport van om te raden welke bron er schuilgaat achter een noot. Neem nou de zin waarmee het eerste hoofdstuk opent: ‘Op 26 augustus 1944 bloeiden zwanenbloemen in de sloten en kleurden paardenbloemen de weilanden om Oegstgeest felgeel.(1)’ Of deze, dertig bladzijden verder: ‘Als een van de kinderen sigaretten voor vader moest kopen bij een winkel aan de overkant, moest hij of zij goed uitkijken tot de tram voorbij was.(108)’ Ik zat er in beide gevallen naast.
    Nadat mijn opwinding over de oorsprong van deze zinnen gezakt was, vroeg ik me a) af of dergelijke zinnen een bronvermelding nodig hebben, en b) of Onno Blom zichzelf een wetenschappelijk dienst bewijst met deze verantwoording van de feiten.
    De vraag stellen is hem beantwoorden. a) Bloeiden die bloemen dat jaar alleen op 26 augustus? Moeten kinderen niet altijd uitkijken als ze een straat oversteken? b) Weet Onno Blom zeker dat Jan Wolkers dit 35 jaar na dato zeker wist? Hoe relevant is een bron die iets alleen van horen zeggen heeft?

    Noten moet je leren lezen, en noten schrijven is ook een vak apart.

     

    1 Dagboek, 30-8-1979. Archief Wolkers, Texel.
    108 Gesprek Karina Wolkers, 17-3-2014.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Vogelenzang

    Toen Tom Lanoye in ‘De Wereld Draait Door’ een stukje uit zijn solo Ten oorlog voorlas, dacht ik: O nee hè, niet wéér zo’n over de top Shakespeare-achtig stuk à la die andere Vlaamse voorstelling, Risjaar Drei, door Toneelhuis Olympique Dramatique. Niets was minder waar, gelukkig zaten er ook verstilde momenten in. En belangrijker nog: de insteek was uiterst origineel. In drie achtereenvolgende ‘afleveringen’ schetste Lanoye een evolutie van de taal, beginnend bij de vijfvoetige jambe van de vroege Shakespeare (daar zit meer swing in dan in het Franse alexandrijn, aldus Lanoye) en eindigend met Richard III (inderdaad, weer Risjaar Drei) die spreekt ‘in de wegwerptaal van de razendsnelle beeldcultuur’, aldus het programmaboekje.

    Tegen het eind van de voorstelling zegt Lanoye, en het wordt voor de duidelijkheid nog even geprojecteerd op een doek achter op het podium:

    bevrijd van taal
        nachtegaal

    Even later komt er nog een leeuwerik voorbij. Respectievelijk een vogel die prachtig zingt en eentje die bij onweer omhoog vliegt en daarmee al eens eerder symbolisch werd opgevoerd in een onvergetelijke cabaretvoorstelling door Sito en Marijke Hoving.

    Wanneer het er écht om draait, laat taal ons in de steek. Uitten koningen als Richard III en regeringsleiders zich alleen maar in gebral, in nietszeggende, zichzelf vrij pleitende uitspraken als ‘Met de kennis van nu’ of – zoals de solovoorstelling eindigt – met een kinderliedje: Een, twee, drie vier, hoedje van, hoedje van …., waarbij Lanoye – ook al weer heel symbolisch – ‘papier’ onuitgesproken liet. En de zaal, die het begreep, ook. Wat rest is vogelgezang of woordloze muziek, of een combinatie van beide zoals in de muziek van Olivier Messiaen.

    Die twee vogeltjes, de nachtegaal en de leeuwerik, parachuteerden mij vanuit de Amsterdamse Stadsschouwburg tientallen jaren terug, naar een concert in het kader van het Festival Religieuze Muziek in Maastricht. Een uitgelezen gezelschap met, als ik me goed herinner, George Pieterson (klarinet), Vera Beths (viool), Anner Bijlsma (cello) en Reinbert de Leeuw (piano) speelden er op een avond Messiaens Quatuor de la fin du temps. De componist schreef dit stuk in 1941 tijdens krijgsgevangenschap in Görlitz (Silezië). Het is de klarinet die in het deel L’abîme des oiseaux vogelzang imiteert. Of liever misschien: een vogel is, vrij vliegend in de lucht, zoals de vlinders die kinderen in Theresienstadt tekenden en waarover Pavel Friedman in 1942 dichtte:

    Zo’n schittering van geel,
    Vloog onbelemmerd de hoogte in,
    Weg, ik weet het zeker, omdat
    Hij onze wereld vaarwel wilde kussen.

    Messiaen kuste de gevangenen toen, en de mensen van nu in een tijd van onzekerheid. Woordloos.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Kikvors

    Onlangs las ik een zeer kort verhaal (zkv) van de schrijver A.L. Snijders over hoe de schrijver op een ochtend zijn deur opent en daar een kikvors aantreft die ‘groter is dan een kleine hond’. Zulke kikvorsen bestaan niet wist de schrijver. Toch zat er een voor zijn deur. Ook de kikvors schrok van de schrijver en maakte zich met sprongen van drie meter, waarna hij even omkeek en weer drie meter verder sprong, uit de voeten. Gelukkig kwam daar de postbode aan, die zou kunnen bevestigen dat de schrijver niet gek was. Hij moest de kikvors ook hebben gezien. De schrijver klampte hem aan en vroeg: ‘Wat moeten we doen met deze kikvors.’ De postbode meende dat het geen kikvors was maar een haiku, een Japans gedicht van zeventien lettergrepen.

    Toen A.L. Snijders dagelijks zkv’s schreef, vertelde hij in Nooit meer slapen (2015) aan Pieter van der Wielen, begon hij deze stukjes gaandeweg via de mail te versturen. Eerst naar zijn kinderen en later naar vrienden en bekenden. Met het gevolg dat er, om deze gretig gelezen stukjes te kunnen bundelen, een uitgeverij voor zijn zkv’s werd opgericht. Ondertussen zijn er meer dan tien bundels met zkv’s gepubliceerd. In de serie Op het nachtkastje (2014 VPRO) vertelt de schrijver – tijdens een zeer ontwapende ontmoeting met kunstenaar Joost Conijn – dat meer dan 1700 mensen op zondag een zkv van hem ontvangen. Dat er soms iemand, soms twee personen daarop reageren. Ik dacht te weten dat ik die ene of tenminste een van die twee was.

    In de ‘Kikvors’ kwamen de postbode en de schrijver niet tot een eenduidig oordeel over wat het was dat zij beide hadden zien wegspringen. Het ging van kikvors naar haiku, heen en weer als een kaatsbal. Was de  postbode aan gooi was het een haiku, kaatste de schrijver de bal terug, was het kikvors. Ik vond het een fantastisch verhaal, vooral op het moment dat de haiku zijn intree deed, dat van die kikvors zou nog wel eens waar kunnen zijn. Dat liet ik de schrijver weten.

    Een uur later ontving ik nog een zkv, ‘Zoon’. Ik voelde me aangemoedigd. Nadat ik ‘Zoon’ gelezen had, waarin de schrijver als een ongelovige priester door een ondiepe poel waadt, vanwaar hij een strofe uit een gedicht  van de Perzische filosoof en dichter Omar Khayyam, waar ik nog nooit van had gehoord (er is wel meer waar ik nooit van gehoord heb), naar ‘onzichtbare mensen’ schreeuwde. Daarna gaat de schrijver naar huis en wacht op zijn zoon die na afloop van een reünie van zijn lagere school bij hem zal overnachten. Het stormt die nacht. Zijn zoon moet vijftien kilometer ‘onder brekende takken’ door het bos naar huis fietsen. De schrijver blijft tot diep in de nacht op, tot zijn zevenenveertigjarige zoon ongedeerd thuiskomt.
    Ook dit zkv  was in alle betekenissen van het woord, verrassend en fantastisch. Toch waagde ik het niet de schrijver dit te laten weten omdat ik vreesde dat we de hele dag op elkaars mails zouden blijven reageren.

     

    Hier het Auteursportret A.L. Snijders met Joost Conijn.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en teksten als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • William Shakespeare kan er helemaal niets aan doen

    Losbandig. Die indruk kreeg de tiener Osama Bin Laden van de Britten tijdens zijn wekelijkse bezoeken aan het geboortehuis van William Shakespeare in Stratford-upon-Avon: ‘We went every Sunday to visit Shakespeare’s house. I was not impressed and I saw that they were a society different from ours and that they were a morally loose society.’ Deze woorden tekende Bin Laden vlak voor zijn dood op in een schriftje dat deel uitmaakt van de recent door de CIA vrijgegeven documenten die de Navy Seals tijdens de inval in het huis van Osama Bin Laden in Abbotabad aantroffen.
    Weliswaar maakt de volwassen Bin Laden enig voorbehoud: ‘I got the impression that they were a loose people, and my age didn’t allow me to form a complete picture of life there’, maar dan nog…

    Net als ik die ene keer dat ik het geboortehuis van Shakespeare bezocht – op 15 juli 1992: ik heb dan wel geen dagboek, maar ik kocht er een kaart met de tekst: ‘So I haven’t written much lately! So what? Neither has Shakespeare’, en heb het bonnetje bewaard – moet Osama Bin Laden zich gerealiseerd hebben dat hij bij het betreden van dat huis een flinke stap terug in de tijd deed. Als hij daar als veertienjarige niet bij stilstond, moet dat besef er toch geweest zijn op het moment dat hij het opschreef?
    Misschien vond hij – ik laat in het midden welke Bin Laden: de veertienjarige of zijn volwassen versie – elke week op zondag gewoon te veel van het goede? Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Zelfs als je in Groot-Brittannië bent om de taal te leren, is elke zondag op de koffie bij een dode dichter een beetje overdreven.

    Zonder dat de context van die paar regels uit het opschrijfboekje van Osama Bin Laden over de bezoeken die de jongen die hij was bracht aan het huis in Henley Street precies duidelijk is – of waarschijnlijk juist daarom – koppen sommige sensatiebeluste kranten dat de weerzin van Bin Laden tegen het westen begonnen is tijdens de bezoeken aan het huis van Shakespeare. Daarmee toch ook suggererend dat een man die inmiddels al vierhonderd jaar dood is – dat werd vorig jaar nog uitgebreid herdacht – medeverantwoordelijk kan zijn voor de radicalisering van Bin Laden en daardoor misschien ook wel een beetje schuldig is aan 9/11.
    Hallo… Hoe vanzelfsprekend is het dat Bin Laden in 2011 nog precies wist wat hij in 1971 vond? Is er dan niemand op de gedachte gekomen om het geheugen en de bedoelingen van Bin Laden in twijfel te trekken?

    Ik wil heus wel weten wat Bin Laden, die zelf van goeden huize kwam, zo decadent en losbandig vond aan Groot-Brittannië, maar misschien is dat allemaal toch te vergezocht. Misschien stond de Shakespeare-cultus hem gewoon tegen. Meer niet.
    Ondertussen is William Shakespeare, die op een steenworp afstand van zijn geboortehuis begraven ligt, zich van geen kwaad bewust. Zijn hoofd over deze kwestie breken kan ook niet meer: honderdvijftig jaar geleden werd zijn schedel uit het graf geroofd. Zegt men.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • 99 stories

    Met twee dezelfde boeken sta ik in de boekhandel – of nu ja, het ene exemplaar is onvertaald en het ander net uitgekomen in het Nederlands, twee keer zo dik en met onbegrijpelijke opmaak, want alle verhalen beginnen op de rechterpagina en ja, zo kom ik ook wel aan de 212 bladzijden. Toevallig sta ik ook voor de kassa. Ik kan me voorstellen hoe het personeel me moet zien: een jonge vrouw, diep in gedachten verzonken – kijk, ze maakt een foto van een bladzijde uit een van de boeken, waarom kijkt ze zo bijzonder boos?
    Het heeft nooit wat willen worden met mijn pokerface.

    Waar het om gaat is verhaal 92 uit de bundel 99 stories of God van Joy Williams. Het is een van de kortste uit een bundel waarin de verhalen toch al met grote regelmaat niet langer bedragen dan een enkele alinea. Onvertaald heet het Distinction: ‘I have never known an insane person, he said. But I have known people who later became dead.’
    Schitterend, wat mij betreft. In Onderscheid, de vertaling, gaat het zo: ‘Ik heb nooit iemand gekend die krankzinnig was, zei hij. Maar ik heb mensen gekend die later dood werden.’
    Stukken minder schitterend.

    Van vertalen weet ik weinig. Wat ik wel weet is dat sommige dingen me eerder opvallen in mijn moedertaal. Zo kan ik stapelgek worden van de overdreven manier waarop veel Nederlandse acteurs hun teksten articuleren. Ik denk niet dat deze acteurs dit meer doen dan anderstalige acteurs, wel denk ik dat ik die nuance mis in het Engels en Duits en in het Frans helemaal.

    Mijn probleem zit hem in het ‘dood werden,’ zo lelijk en weinig treffend vind ik dat. Vertalen is keuzes maken, zegt Jan van Mersbergen in een blog waarin hij zijn liefde voor vertalingen uitlegt: ‘Mijn spreektaal schuurt langs de vertalingen. Ik heb altijd opmerkingen over de woordkeuzes van de vertalers, ik ben altijd blij dat ik die keuzes kan zien. In het Nederlands moet ik die keuzes ook maken. In het Engels lees ik over de keuzes heen, in die taal is er voor de meeste zaken wat mij betreft één woord. Uitdrukkingen staan daar nog los van, die ken ik helemaal niet.’

    Mooi en waar. Ik lees in het Engels om mezelf af te remmen. Om diezelfde reden eet ik sushi met stokjes: ik moet mezelf ervan weerhouden alles in een keer in mijn mond te stoppen. Nu durf ik voorzichtig te beweren dat mijn Engelse leesvaardigheden beter ontwikkeld zijn dan mijn hand-oogcoördinatie. Toch zal ik, net als Jan in zijn blog uitlegt, heel wat missen, simpelweg doordat Engels niet mijn moedertaal is.
    Dood werden – misschien is het niet zo’n groot probleem. Misschien is het een opvatting, zoals de keuze van Erik Bindervoet om Joyce’ Dubliners te vertalen als Dublinezen een opvatting is. Maar ik deel die opvatting met Marianne Gaasbeek, vertaler van 99 stories of god, niet. Dus trek ik mijn gezicht in een plooi, leg de vertaling terug en reken volkomen tevreden de originele bundel af aan de kassa.


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Rechte pad

    Het 13e nummer van Terras ‘China’, is net verschenen maar de voorgaande editie houdt me nog steeds bezig. ‘Catacomben’ met 265 mooie pagina’s tekst die, als was het een doktersvoorschrift, maandelijks, soms wekelijks herlezen moeten worden. Teksten als een mantra, teksten die gekraakt dienen te worden. De dagen moe en de geest verpieterd door virale rellen waar ik niets mee te maken had – maar toch. Met Terras #12 ondergronds, op zoek naar woorden die gevoelens van oprechtheid, van waarde en stevigheid teweeg brachten. Want god, wat is het moeilijk niet mee te bewegen met de stroom zo sterk als een modderstroom. Mijn laptop leek besmet met een ziekte, iets slijmerigs. Angst deze te openenen; één klik en de virale wereld stroomde over het toetsenbord uit.

    Lees dan Nuttige metalen van de Franse schrijfster Caroline Lamarche nog maar eens. Een verhaal waarbij elke lezing andere indrukken teweeg brengt. ‘De ketting die u als ijskoud water over mijn lendenen laat glijden, voordat u hem strak om mijn boevenlijf gordt (…) die ketting dompelt me in een wonderbaarlijk zachte slaap.’ Waarvan je je afvraagt of dat is wat het is? Is hier sprake van liefde of wordt iemands geest onderdrukt?

    Dan De taal van thuis is goede wil  van de Tsjechische schrijfster Kateřina Tučkov waarin haar moeder een definitie van ’thuis’ geeft: ‘Thuis, dat zijn deze vier muren en een deur met een veiligheidsslot, waarvan alleen de gezinsleden een sleutel hebben.’ Daar is geen speld tussen te krijgen, zo benauwend. Geen ongewenst bezoek. Wie weet brengt die ongewenste bezoeker de hoognodige lucht en ruimte tussen de familiebanden en neemt daarmee de geschiedenis een andere loop.

    De definitite van de dochter, Kateřina Tučkov, van ’thuis’ zijn woorden. Met taal een thuis creëren dat nooit op slot hoeft. Ze houdt van de volkstaal – het ‘hantec’ – een mengeling van Duits, Jiddisch en Tsjechisch. Elk woord uit het hantec heeft zijn eigen verhaal waardoor de taal leeft, omhulling geeft. Dat is voelbaar als je dit leest.Voor Tučkov is taal het middel waarmee ze haar huis maakt. Het hantec had een vulgair tintje, schrijft ze, maar het drukt voor haar het best het gevoel van thuis uit.

    Een zin als: ‘Naar verluidt staan elk jaar op de wereld een vijftigtal talen op punt van uitsterven. Het hantec is aan het eind van de Tweede Wereldoorlog gesneuveld.’, markeert dan een stilvallen in de tijd.

    Moeder is blij dat het hantec is uitgestorven, dochter betreurt het. Moeder noemt het hantec geen taal maar een ‘misbaksel’. Moeder voert als argument aan dat ze elkaar nu tenminste kunnen verstaan. Dochter bevestigt dat ze elkaar verstaan maar niet begrijpen. Dat elkaar begrijpen geen kwestie van taal is, maar van goede wil. En dat – beste mensen – houdt me op het rechte pad.


    De taal van thuis is goede wil
      van Kateřina Tučkov werd vertaald door Edgar de Bruin.
    Nuttige metalen werd vertaald door Nathalie Tabury.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en teksten als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Zoet en zout

     


    Inversiewegen. Prielen. Die woorden hoor ik voor het eerst. De campingeigenaar is kunstenaar, inclusief alpinopet. Hij is in het westen geboren maar al zijn hele leven, zo zegt hij dat, Noord-Groninger. Hij vertelt me in hoog tempo over kleideeltjes, slikken, krekenstelsels en beddingen. ‘Zo ontstonden hier die prachtige kronkelweggetjes…’
    Ik ben geen geoloog, weet niet of ik hem goed begrijp en vergelijk zijn uitleg – dat geeft me wat houvast – met het ontstaan van mijn geboortestad Den Haag. Lange wegen die de stad van noord naar zuid doorsnijden ontstonden op duinranden. Daar bouwde je een hut, zo hield je droge voeten. De natuur bepaalde de structuur van de stad.

    Een uur later sta ik aan de Dollard op de Punt van Reide, als ik het land inkijk zie ik dijk na dijk na dijk. Eeuwenlang was het hier de mens tegen het water. De scheiding tussen land en water verschoof steeds meer naar het noorden, het mensenwerk was letterlijk grensverleggend. Als je er doorheen fietst lees je de jaarringen van Noord-Nederland, hoe dichter bij de kust hoe jonger. Met als sluitstuk de zeedijk, sinds 1991 op Deltahoogte.
    Maar toch, ik kijk nu vanaf de zeedijk uit op de Breebaartpolder. En wat ik zie is: water. Je zou toch maar de boer zijn of zijn kind die het hier in 1979 heeft drooggelegd met hulp van slecht betaalde slikwerkers. Je bent nog maar net klaar of iemand graaft achter je rug een gat in de dijk. Ineens sta je tot de knieën in het water. Terwijl ‘ze’ beloofd hadden dat juist buitendijks weer land gewonnen zou worden. Op de Punt van Reide zag je nog lange tijd de gaten in het landschap waar sluizen zouden komen. Maar dat plan voor landaanwinning werd afgeblazen.
    Voor de boer voelt water in de Breebaartpolder als verraad. Voor de bioloog een kans en met steun van Rijkswaterstaat stak die een gat in de dijk. In werkelijkheid een vlotter die er voor zorgt dat ook binnendijks de getijden terugkeerden.
    Ik kijk vanuit de hoge zeedijk nogmaals naar de polder. Water langs kronkelende beddingen met riet, vogels op eilandjes.

    In het informatiecentrum vertelt een man me over de gevaren van ‘die absolute grens tussen land en water.’ Hij wijst naar de dijk. ‘Een te sterke scheiding tussen zoet en zout betekende hier bijna het einde van de paling.’ De man komt dichtbij mij staan, als ik praat kijkt hij naar mijn mond. Zijn stem is luid, ik vermoed dat hij wat dovig is.
    ‘Die paling is eerst een aaltje dat vanuit de Sargossazee in de Golf van Mexico, met een duwtje in de rug van de Warme Golfstroom, hier naar toe komt.’ Hij wijst weer in de richting van de dijk. ‘Daar bij de Dallingweersterdijk is nu een vispassage. Het zijn twee buizen en een pomp, het zoete water stroomt naar buiten en lokt de aal naar binnen. Die wordt hier een volwassen vis. Zonder dat gat in de dijk, was er hier geen broodje paling meer te koop.’
    Hij praat zachter, alsof hij me in vertrouwen wil nemen. ‘Ik ben voor openheid meneer, openheid in de natuur. Ze komen van zesduizend kilometer ver, stelt u zich dat eens voor, dat komt hier aangezwommen. Je kan toch ons hele land niet dichtgooien met dijken alleen maar omdat je denkt dat het land wat je ooit zelf hebt gemaakt voor altijd van jou kan blijven?’


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

  • Pleisters plakken

    Veel meer dan een titel en een toepasselijk plaatje had ik niet voor ik aan het schrijven van deze column begon. Ik wilde het per se hebben over Harnas van Hansaplast van Charlotte Mutsaers. Dat haar nieuwe roman zo zou gaan heten, maakte zij – of was het haar uitgever – al een tijd geleden bekend. Een prachtige titel waar ik me niets bij voor kon stellen. Toen kwam het boek met een ontroerend poppetje van Hansaplast op de cover, dat het ‘stroeve zelfportret’ van Barend, de broer van Charlotte Mutsaers, blijkt te zijn. De schrijfster treft het aan op een dwarsbalk op de zolder waar haar broer eenzaam en alleen de dood tegemoet getreden is.

    Ik was nog aan het bedenken welke kant dit stuk precies op moest, toen er een bom ontplofte. Naar aanleiding van een interview in de Volkskrant over haar nieuwe roman werd Charlotte Mutsaers van alles verweten, maar vooral dat zij en haar zus een opkoper lieten komen voor de (kinder)porno die ze aantroffen tijdens het ruimen van het huis van hun broer. Er waren zelfs mensen – waaronder nota bene collega-schrijvers – die graag zouden zien dat dit de zussen formeel ten laste wordt gelegd. Waarop de schrijfster zich genoodzaakt voelde om te verklaren dat zij en haar zus nooit – ‘nog geen snipper’ – kinderporno hebben doorverkocht. Terwijl het haar eigenlijk om iets anders ging: Charlotte Mutsaers ergerde zich aan het weer eens op één hoop gooien van feit en fictie.

    Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: hoe autobiografisch een roman ook lijkt, neem nooit zomaar aan dat iets waargebeurd is. Sara Berkeljon van de Volkskrant weet dat en had daar in haar vraagstelling blijk van moeten geven. Wie het betreffende deel van het interview leest, krijgt de indruk dat roman en werkelijkheid probleemloos over elkaar heen kunnen schuiven. Charlotte Mutsaers laat dat zo. Zij voelt zich, het gehengel naar wat waar is en wat niet meer dan beu, niet geroepen duidelijkheid te verschaffen. Een roman is een roman is een roman. Daar heeft ze groot gelijk in.

    Dat is zelfs haar goed recht, maar daar wringt wel de schoen. Sara Berkeljon en Charlotte Mutsaers praten tijdens het interview langs elkaar heen. Sara Berkeljon is journalist. Het gaat haar om de feiten, maar ze realiseert zich niet dat waar ze mee bezig is – een roman terugbrengen tot een verzameling autobiografische feiten – pijnlijk is. Dat Charlotte Mutsaers, die toch al een haat-liefdeverhouding heeft met het interview – omdat een ander de vragen stelt en daardoor het gesprek stuurt: daar verandert de vrijheid van antwoorden niets aan – met haar antwoord een statement maakt en stelling neemt, ziet ze niet.

    Zover ben ik als ik opnieuw word ingehaald door de actualiteit. Charlotte Mutsaers vertelt in De wereld draait door hoe het zit. Ze legt uit dat ze doorgaans heel open antwoordt op vragen. Dat ze niet hoort bij de schrijvers die er in een interview op los fabuleren, omdat ze een interview zien als het verlengde van hun oeuvre. Ze maakt daarop één uitzondering. ‘Als ze aan mijn boek komen, zeg ik het gewoon zoals het in mijn boek staat.’ Opnieuw neemt ze de roman die haar aan het hart gaat in bescherming. Ten koste van zichzelf.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Zoete en stoute kinderen

    ‘Ik weet niet of de kinderen ons ooit zullen begrijpen’ zegt de moeder van regisseur Aliona van der Horst in haar documentaire Liefde is aardappelen. ‘Ons’, dat wil zeggen de mensen in het vrije westen. En ook, ‘het’ ooit zullen begrijpen, waarmee ze de ontberingen tijdens het communistische regime in de Sovjet-Unie bedoelt.
    Toch heb ik het gevoel dat je er soms, even dichtbij kunt komen. Of op z’n minst het verlangen naar licht kunt begrijpen dat er moet zijn. Bijvoorbeeld tijdens het concert dat het Boedapest Festival Orkest onder leiding van Iván Fischer onlangs gaf in het Amsterdamse Concertgebouw. Gespeeld werd het twintigste pianoconcert in d kleine terts KV 466 van Mozart, met Emanuel Ax en zijn fluwelen toucher als solist.

    Vanuit de zaal zag ik tussen de openstaande klep van de vleugel en achter de eerste violen de contrabas sectie van het orkest. Enorme contrabassen waren het, met vijf snaren en de klankkast dieper dan gebruikelijk. Barokinstrumenten waren het, die het orkest ook gebruikt als ze die muziek spelen. De klank was anders dan we van Nederlandse orkesten kennen. Voller, als droegen de bassen de rest van het orkest op handen.
    Maar wat vooral opviel, was dat de bassisten niet leken te strijken, maar te vegen. Zoef, zoef. Zoals de losse toets van een schilder als Frans Hals die zijn verf in vegen op het doek aanbracht, zoals op Portret van een man dat momenteel in Amsterdam tijdens de tentoonstelling Hollandse Meesters uit de Hermitage valt te zien. Dit geeft een bepaalde lichtheid en biedt troost die door alle donkerte te zien is of doorklinkt.

    Is dat een al dan niet symbolische interpretatie, iets dat ik er maar inleg? Niet helemaal of helemaal niet. Mozarts concert geeft er op z’n minst alle aanleiding toe: hij eindigt het in een blijmoedig D grote terts. De film van Van der Horst eindigt ook zo, wanneer op het eind de winter met z’n diepsneeuw plaatsmaakt voor de lente. Zij heeft het bewust gedaan, zei ze in een interview in het Amsterdamse Rialto, net zoals Mozart heel goed wist wat hij deed.
    Natuurlijk hebben wij weet van de zandman Klaas Vaak die zoete kinderen (het regime in het voormalig Oostblok welgevallige mensen) mooie dromen voorschotelt, en stoute kinderen (dissidenten) nachtmerries toewenst, maar zonder mooie dromen over een toekomst zonder dictators, hongersnood en martelingen en zonder hoop valt niet te leven:

    de droom hangt in het raam, kom maar
    als hij deze dag inluidt, is het weer en zo
    niet dan trekt hij zijn regenjas aan, herfst
    komt spoedig, hij heeft een theepot nodig
    hij loopt de straat uit, en fluit zijn liedjes

    (Albertina Soepboer, Zandman’ in: bezonken)

    Liedjes zonder woorden zijn het. Van Mozart of – zoals in de film – van bijvoorbeeld Elmer Schönberger. Met bij Mozart contrabassen o zo mooi. Zoef, zoef. Ze wissen hopelijk de tranen van mensen als Aliona van der Horsts moeder.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waarbij zij in haar observaties het publiek niet vergeet  waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Carmiggelt in een glossy

    Het was een regenachtige maandagmiddag. Ik zat in de overvolle wachtkamer van het streekziekenhuis. In wachtruimtes op luchthavens, bij de tandarts of dokter, lijkt veel er niet meer toe te doen. Bladerend door tijdschriften die voorhanden zijn als Voetbal, Quote en De Linda vergaat de tijd. Gedachten aan okergele schoenen en dat ik mijn broer eens moet opzoeken krijgen de ruimte. In een wachtkamer komen goede voornemens bij me op als op een oudjaarsavond. In deze wachtkamer waren alle tijdschriften in gebruik. Twee stoelen links van mij zat een vrouw die met haar man was meegekomen. Had iets onbekommerds van, ‘mij scheelt niks’. Ze bladerde in een tijdschrift, een glossy. Ik keek van terzijde mee en zag Carmiggelt voorbijkomen, en dacht, wat is er met Carmiggelt?
    Mompelde binnensmonds, ‘blader even terug’ maar de vrouw bekeek uitgebreid de woninginrichting van een BN’er, met tafelbladen van de doorsnee van een tachtigjarige eik, de schors nog langs de tafelranden.

    In mijn hoofd raasde het, ‘is er een herdruk van een van zijn gebundelde kronkels verschenen, is er een Carmiggelt feest opkomst een herdenking of een “Wie schrijft de beste Kronkel” wedstrijd’? Ik schoof op mijn stoel heen en weer, er werd een naam afgeroepen, de bladerende vrouw zei: ‘Jij bent aan de beurt.’ ‘Ja’, zei de man en stopte het puzzelboekje waarin hij niet gekeken had, in haar tas. De vrouw legde achteloos het tijdschrift terzijde. Ik pakte het blad (Hollands Glorie; wat in vredesnaam!), op en zocht Carmiggelt. Een artikel over zijn leven, met zwart/wit foto’s en waar eigenlijk niets instond wat ik nog niet wist, maar las het desondanks gretig (een gretigheid van lezen die bij een wachtkamer hoort). Over zijn verloren broer Jan in de oorlog, zijn rol als meest getrouwde man van Nederland, over Tiny zijn vrouw, de affaire met Renate Rubenstein en zijn journalistieke loopbaan. In een kader dacht ik de aanzet tot dit stuk te vinden. Een aankondiging van S. Carmiggelt, Een levensverhaal door Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh.

    Ik nam later de bus naar de eerste de beste boekwinkel. Vroeg de doorgewinterde boekverkoopster terstond naar deze biografie. In de winkel – oh schande – stond ie niet. Op internet niets te vinden. Ik zag de blinde hoeken van de uitgeverswereld waardoor deze biografie ongezien voorbij was gegaan. Hoe was dit mogelijk! De doorgewinterde boekverkoopster kon zich niets herinneren van Witteman en Carmiggelt. Ze twijfelde aan de computer, aan zichzelf. Nam plaats achter een andere computer, die evenmin iets opleverde. Hoe-is-dit-mogelijk! We werden speurders in boekentijd toen opeens bol.com met resultaat kwam. Tweedehands (want uit 1998) was het nog te verkrijgen. Onthutst namen de doorgewinterde boekverkoopster en ik afscheid van elkaar: dat we dit gemist hadden! Thuis heb ik het direct besteld en lees opnieuw over zijn leven en ben verkocht aan zijn cursiefjes die  nog steeds ongelofelijk leesbaar zijn en uitermate geschikt voor in de wachtkamer.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Jan Wolkers & Zonen

    Ik zie ze daar nog staan. Bob en Tom, de tweelingzonen van Jan en Karina Wolkers. De een staat met zijn jas in de hand, de ander tilt zijn tas uit de kofferbak van de auto die hen naar het ouderlijk huis heeft gebracht. Ze weten wat de wereld nog niet weet: hun vader is stervende. Haast om het huis te betreden, hebben ze niet. Ze zijn in gedachten verzonken.
    Ik zie ze in het voorbijgaan. We zijn op weg naar een kop koffie met een Juttertje. We hadden ook een andere weg kunnen kiezen, maar kozen de Rozendijk. Als altijd kijk ik ter hoogte van Pomona even opzij en zie ik ze.

    De dagen voorafgaand aan de dood van Jan Wolkers was ik op Texel om met een hoogbejaarde moeder de verjaardag van een afwezige dochter te vieren. Een van die dagen was ik getuige van de thuiskomst van Bob en Tom.
    Vanaf het moment dat ik Onno Blom op de plek waar zij een paar dagen daarvoor stonden de dood van Jan Wolkers wereldkundig zag maken, heeft het beeld van jongens die op het punt staan hun stervende vader te begroeten zich in mijn hoofd genesteld. Zo staan ze al tien jaar in mijn geheugen gegrift.
    Volkomen ten onrechte blijkt na het bladeren en verkennend lezen in Het litteken van de dood: de biografie van Jan Wolkers van Onno Blom.

    In het slothoofdstuk van zijn biografie beschrijft Onno Blom de laatste dagen van Jan Wolkers. Wolkers wordt op 3 oktober 2007 in het ziekenhuis opgenomen. De operatie waarvoor hij komt, verloopt succesvol, maar de artsen constateren dat zijn lever niet meer werkt. Jan Wolkers is doodziek.
    ‘De volgende ochtend, op dinsdag 16 oktober, werd hij met een ambulance teruggebracht naar het eiland. Tom hield hem gedurende de rit gezelschap’, schrijft Onno Blom, en dat maakt het uitermate onwaarschijnlijk dat ik de zonen van Jan Wolkers voor de deur moed heb zien verzamelen. Onno Blom bevestigt wat ik eigenlijk al weet: het is ondenkbaar dat de tweeling zich pas op het laatste moment bij hun zieke vader voegt. Daarvoor is het gezin waar zij deel van uitmaken te hecht.

    Anders dan Jan Wolkers heb ik mijn leven niet nauwkeurig gedocumenteerd. In mijn agenda staat alleen dat ik in die periode op Texel was. Op welke dag ik in een bleekgeel Dafje via de Rozendijk naar De Dennen tufte, heb ik niet genoteerd, maar ik weet zeker dat ik toen een man met een jas en een man met een tas bij de familie Wolkers op de stoep heb zien staan.
    Dat ik daar na de dood van hun vader Bob en Tom van gemaakt heb, kan eigenlijk maar één ding betekenen: ik wilde met terugwerkende kracht getuige zijn van een bijzonder moment in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Zodat ik zou kunnen zeggen: ik was er bijna bij toen Jan Wolkers overleed. Zoiets moet het geweest zijn. Met het liegen van de waarheid heeft het niets te maken. Voor zover ik weet.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.