• Een daad van verzet

    Op de foto droeg ze een scheefgezakte kroon en keek ze met een opgetrokken wenkbrauw in de camera. Ik kende haar niet, en toen ik de foto zag, op het affiche van de Victoriefonds Cultuurprijs, waarvoor ik was genomineerd in de categorie Letteren, dacht ik dat ze een man was. Maar ze was geen man, ze was Elly de Waard. Op de middag van de prijsuitreiking werd ze geïnterviewd door Ronald Giphart, die eind jaren tachtig als jonge student Nederlands in de Grote Zaal van Vredenburg in Utrecht had gezeten toen zij met haar dichteressengroep De Nieuwe Wilden de strijd aanbond met de mannen van de Maximalen. Een poëtische strijd, was de bedoeling, maar toen aan het eind van de avond witte duiven in de zaal werden losgelaten om de avond in vrede af te sluiten, ging het mis. Enkele duiven vlogen zich dood tegen het plafond, een vrouw die hoorde bij de Maximalen schold Elly de Waard uit voor dierenbeul, de zus van Elly de Waard pakte daarop een microfoon om de scheldster met een versterkte klap op het hoofd te slaan en dat was het startsein voor een veel minder poëtisch gevecht. ‘Heel vervelend,’ zei Elly de Waard. ‘Die jongens hadden allemaal veel te veel gebruikt. Dus dat was eens maar nooit weer.’

    Dat waren nog eens tijden, dacht ik, braaf klappend voor Elly de Waard, braaf mijn stukje voorlezend toen ik aan de beurt was om aandacht te krijgen, braaf de vragen van Ronald Giphart beantwoordend, braaf de bloemen in ontvangst nemend, braaf klappend voor de andere genomineerden, braaf de uiteindelijke winnaar feliciterend en braaf lachend en poserend voor de fotograaf van de Alkmaarsche Courant. Dat waren nog eens tijden, toen er nog echt gekke dingen werden gedaan. Toen er nog werd gevochten, de vrouwen tegen de mannen. Dat heb ik toch maar mooi gemist, al stond ik in die tijd al wel mijn vrouwtje als we jongens- en meisjespakkertje speelden op het schoolplein. En ik kreeg zin om te gaan vechten, of een duif los te laten, of een kroon op te zetten en scheef te laten zakken en mijn linker wenkbrauw op te trekken. Ik zon op een daad van verzet, al wist ik nog niet precies waartegen.

    Maar ik verzette me niet. Ik dronk een biertje, praatte wat na en ging samen met mijn moeder iets eten in het mooie plaatsje Bergen. Thuisgekomen aaide ik de kat en bekeek foto’s die een huisgenoot gemaakt had van mensen in Portugal die door bosbranden hun huis hadden verloren. Daarna zat ik nog een tijdje te praten, buiten op het balkon, gewoon omdat het nog kon.

    Ik zin op een daad van verzet.

     

     


    Gerda Blees schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Wedstrijdje?

    Anna Blaman, Anton Coolen, Max Dendermonde, Henriëtte van Eyk, Hella Haasse, Alfred Kossman, Adriaan van der Veen en Simon Vestdijk: samen schreven ze de roman De doolhof.
    Hun namen staan in alfabetische volgorde op de titelpagina. Allemaal schreven ze één hoofdstuk en de goede verstaander – de lezer met ‘kennis van de huidige Nederlandse literatuur’ – maakte kans op een mooie prijs als hij in staat was de schrijvers aan hun hoofdstukken te koppelen: ‘zend Uw oplossingen vóór 31 Januari 1952 per briefkaart onder vermelding van “prijsvraag” en naam en adres van Uw boekhandel aan N.V. Int. Uitg. Mij “Het Wereldvenster”, Heerengracht 433, te Amsterdam.’*

    Ik vond De doolhof vorige week in een antiquariaat en kocht het bij wijze van curiositeit. Acht schrijvers van naam die samen een roman schrijven, dat is zoiets als vijfentwintig leerlingen die tijdens de lessen Nederlands moeten voortborduren op de woorden van een klasgenoot, maar dan van een andere literaire orde. De vergelijking met De schrijver: een literaire estafette gaat minder mank. Ook aan De schrijver schreven acht auteurs, maar hun namen – Harry Mulisch, Gerrit Komrij, Adriaan van Dis, Maarten ’t Hart, Remco Campert, Marga Minco, Hugo Claus en Joost Zwagerman – staan vermeld bij hun respectievelijke hoofdstukken.

    Deze laatste acht zijn gevrijwaard van eventueel gezichtsverlies. Of die andere acht reputatieschade opliepen door hun anonieme bijdragen aan De doolhof of in het kader van hun ‘teamwork’ juist genoten van het feit dat de één regelmatig voor een ander aangezien werd, vertelt het verhaal van de prijsvraag niet.
    Ik neem tenminste aan dat dat – ondanks al die in de toenmalige Nederlandse literatuur ingevoerde lezers – het geval was. En wat vond Simon Vestdijk er dan van als zijn werk voor dat van Anna Blaman of Hella Haasse gehouden werd? Dat zou ik wel willen weten.

    Stijl is waarmee de ene schrijver zich van de andere onderscheidt. Maar hoe herkenbaar is de stijl van een schrijver nog als een lezer geen idee heeft wie hij voor zich heeft? Ik vrees dat ik gigantisch door de mand zou vallen. In het geval van De doolhof kan ik me er nog vanaf maken door te zeggen dat ik het werk van de schrijvers niet goed genoeg ken, maar die vlieger gaat voor de schrijvers van De schrijver niet op. Hun werk ken ik al mijn hele lezersleven, maar toch ben ik er niet zeker van dat ik ze allemaal herkend zou hebben als de uitgever er ook hier een wedstrijdje van gemaakt had.

    Maar ja: je moet me ook niet vragen om de ingrediënten op te sommen die verwerkt zijn in een verrukkelijke maaltijd. Ik kan smakelijk eten, zonder precies te weten wat.
    Om te genieten van een boek is het niet altijd nodig om te ontleden hoe een schrijver doet wat hij doet. Pas als hij helemaal geen stijl heeft en een schrijver zich naar het einde hakkelt, haak ik af.

     

    * De volgorde van opkomst bleek: Van Eyk, Dendermonde, Blaman, Haasse, Kossman, Coolen, Van der Veen en Vestdijk.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Nalatenschap

    Toen ik bij de bibliotheek van Muziek Groep Nederland werkte, zat er  op een dag een rijzige, grijze dame een stapeltje partituren te bekijken. Ik vroeg nieuwsgierig aan een collega of hij  wist wie dit was. Zij bleek een componist te zijn die zat te jureren voor een compositiewedstrijd. Ik kende haar naam, omdat we haar composities uitgaven als bladmuziek en als uitvoeringen op compact disc.
    Niet lang daarna ontvingen we het bericht dat zij was overleden. Haar laatste wil was, zo deelde haar partner per brief mee, dat wij alles wat met haar composities te maken had, vernietigd moest worden.  De afdrukken van haar werk in de bibliotheek, opnamen in het geluidsarchief, foto’s in het fotoarchief, recensies in de componisten documentatie en ga zo maar door. Een grote en vooral droevige bezigheid. Het kwam in niemand op om de rol van Max Brod op zich te nemen, die de handschriften van Franz Kafka tegen diens wil, voor het nageslacht bewaarde.

    Toch zijn de documenten op een of andere manier ‘gered’ en worden allemaal bewaard bij het Nederlandse Muziek Instituut in Den Haag. Ze zijn prachtig om te zien, zo mooi gekalligrafeerd. Het zijn geen zogenaamde grafische partituren, maar het komt wel in de buurt. Je zou het ogenmuziek kunnen noemen.
    Tijdens een orgelconcert in de Haarlemse Grote- of St. Bavokerk afgelopen zomer, moest ik er opeens aan denken. Organist Theo Jellema, die ik uit mijn Friese tijd ken, speelde er onder meer de Poème en forme d’une improvisation die Rolande Falcinelli – een Franse componist, organist van de Parijse Sacré-Coeur – schreef naar aanleiding van haar verloving, in 1953. Jellema vertelde in het hoogkoor ter inleiding dat alle werken van Falcinelli tijdens haar leven waren uitgegeven, behalve dit ene stuk dat zij, nadat haar verloving was verbroken, had achtergehouden.

    Na haar dood in 2006 werd het in haar nalatenschap gevonden en alsnog gepubliceerd. Een heidens moeilijk stuk, begreep ik. Net zoals het werk van de rijzige, grijze dame bekend stond als moeilijk.
    Je kunt stellen, dat het dankzij Max Brod is dat we Kafka’s werk hebben leren kennen, maar dat het wél verwerpelijk is dat hij in diens teksten heeft huisgehouden. Misschien was dat de angst van de componist wier werk wij moesten vernietigen: dat als ze niet meer was, zij niets meer kon verduidelijken over de uitvoering van haar hondsmoeilijke werk. Falcinelli had daar minder problemen mee, gezien het feit dat er al zo’n tachtig stukken van haar op de markt waren en haar stijl inmiddels wel bekend was. Daarom rest alleen het op z’n tijd met respect uitspreken van de naam van die rijzige, grijze dame: Margriet Hoenderdos. Haar naam houdt de herinnering aan haar levend. En inherent daaraan ook aan haar muziek.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

     

     

  • Ongelezen en Castduinen

    Levensmiddelen en boeken hebben een ding met elkaar gemeen, ze worden beide aangeschaft vanuit een niet te stuiten gretigheid: een behoefte, een smaak, een prikkel, een nooit genoeg van kunnen krijgen. Van beide wordt altijd meer in huis gehaald dan er geconsumeerd kan worden. Levensmiddelen die over datum zijn, verdwijnen in de vuilnisbak. En daar begint het wringen. Boeken kennen geen houdbaarheidsdatum, zeker ongelezen boeken niet. Ongelezen mogen ze de boekenkast niet in, bang als ik ben dat ze vergeten worden; dat wat je niet kent onthoud je niet. En ik wil de verhalen, de levens, de drama’s, de ontwikkelingen van al die schrijvers kennen, en onthouden. Ik heb ze niet voor niks in huis gehaald! Ik nam ze omdat ik er over gelezen had, iemand me erover tipte, omdat ik over een schrijver of thema meer wilde weten. Om te lezen, jawel.

    En dan begint de aanwezigheid van al die boeken, waar ik maar niet aan toe komt om te lezen, aardig op mijn gemoed te werken. Je vraagt je af of jij daar alleen last van hebt, die druk van ongelezen boeken. Het was een verademing toen ik op de podcastserie ‘Castduinen’, door radio- en podcastmaker Maarten Westerveen stuitte. Een reis langs boekenkasten bij lezers (meest schrijvers) thuis, op zoek naar enige orde, een systeem.

    Dat boekenbezit zwaar kan wegen, getuigt de actie die onderzoeksjournaliste en schrijfster Linda Polman ondernam. Nogal stoer zegt ze: ‘Ik heb alles weggeflikkerd. Boeken die me twintig jaar aanstaarden.’ Driekwart van haar boeken gewoon ‘weggeflikkerd’. Alsof ze een minnaar – (ook minnaars hebben een houdbaarheidsdatum) die haar teveel met een soort van ‘onvermogen’ confronteerde, bij het grof vuil had gezet. Wat een bevrijding.
    In de podcast met Cees Nooteboom zegt de schrijver over zijn boekenbezit: ‘Het is vreselijk, we [zijn vrouw en hij] worden er helemaal krankzinnig van.’ Negentien dozen vol heeft hij laatst laten afvoeren.

    De mooiste podcast is die met Asis Aynan. Hij heeft één boekenkast waar de boeken ongeordend zijn ingelegd. Een stapel boeken van ongeveer 1.60 m hoog staat ernaast. Westerveen lijkt geschokt: ‘Ik kan de kaften niet eens zien, de ruggen niet eens.’ Dan vertelt Aynan dat hij, afstammeling van een duizenden jaren oud geslacht, de eerste in zijn lijn is die een boekenkast bezit. ‘Ik weet niet goed hoe een boekenkast werkt.’

    Aan het eind van de podcast vertelt hij over de betekenis van het boek Hongerjaren van Mohamed Choukri, de eerste schrijver in Marokko die over de realiteit schreef. Een oerboek noemt hij het. ‘De Marokkaanse literatuur ging altijd over rozen, over tuinen’, zegt Aynan, ‘niet over dood en armoede’. Hij zegt de eerste zin van de roman die in zijn hoofd gebeiteld lijkt te staan: ‘Tussen de andere kinderen in zit ik te huilen om de dood van mijn oom.’
    Een zin als een mantra om te weten waar het allemaal begon. Ik weet dat ik dat boek ergens heb liggen.

     

    Kies je eigen podcast bij SLAAcast.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over over boeken en ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Burhan Sönmez vertalen via een omweg

    Omdat Burhan Sönmez er in Istanbul, Istanbul blijk van geeft de stad die in zijn roman zo’n voorname rol speelt nogal goed te kennen, lag het voor Petra Stienen – vorige maand moderator van dienst tijdens PEN Spreekt: Turkish Writers in Exile – voor de hand de vertaler, te vragen of een reis naar die stad onderdeel uitmaakte van de voorbereidingen van zijn vertaling.
    Hij, René van Veen, reageerde nogal ongemakkelijk toen Petra Stienen hem die vraag stelde. Van Veen zat in de zaal en was duidelijk niet voorbereid op een actieve rol tijdens het gesprek. Hij antwoordde desondanks en met zijn antwoord verbaasde hij Petra Stienen. René van Veen bekende namelijk nog nooit in Istanbul geweest te zijn.

    Nog voordat Van Veen vertelde dat hij het wel heel graag gewild had: naar Istanbul gaan, leek Petra Stienen haar belangstelling voor hem verloren te hebben. Toen ook nog eens bleek dat het boek niet van de voor haar voor de hand liggende uitgever was, spoedde zij zich terug naar haar gasten op het podium. Van René van Veen wilde ze niets meer weten.

    Ik vond het eerlijk gezegd niet zo gek dat René van Veen nog nooit in Istanbul geweest was. René van Veen heeft geen bijzondere band met Turkije en/of de Turkse literatuur. Hij vertaalde Istanbul, Istanbul niet uit het Turks, maar uit het Engels.
    Dat moet Petra Stienen geweten hebben – het stond duidelijk in het colofon – en daar had ze een vraag over moeten stellen.

    Waarom koos uitgever Orlando ervoor om Istanbul, Istanbul via een omweg te laten vertalen? Was er geen vertaler beschikbaar die het boek op korte termijn uit het Turks kon vertalen; wilde de uitgever de kwaliteit van de vertaling kunnen controleren en was het Engels als afgeleide brontaal handiger of gaf de schrijver wellicht zelf de voorkeur aan het via-via vertalen?
    Ik had ook wel willen weten wat Hanneke van der Heijden, vertaalster van Turks proza (zij zat naast Burhan Sönmez en de naar Nederland uitgeweken schrijfster Çiler Ilhan op het podium) en/of eventuele andere in de zaal aanwezige vertalers van Turkse literatuur vonden van de keuze voor een vertaler die het Turks niet machtig is.

    Daar ging het die avond in de Balie natuurlijk niet over, en dus was het heel verstandig van Petra Stienen om niet door te vragen. Vragen naar het waarom van het niet rechtstreeks uit de brontaal vertalen, zou een discussie op zich geworden zijn en afgeleid hebben van waar het die avond echt over ging: wat het voor een Turkse schrijver betekent om in ballingschap te leven en te werken?
    Maar dat René van Veen de roman uit het Engels vertaalde, dat had wel vermeld moeten worden. Niet alleen was het dan minder gek geweest dat hij nooit in Istanbul was, het had veel meer recht gedaan aan alles wat er daarvoor en daarna gezegd werd over de netelige positie waarin ook vertalers zich in Turkije bevinden.

     

    foto: still uit de stream

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Achtergrond doet ertoe

    Diep in de Nacht van de Poëzie kwamen we opnieuw te spreken over het belang van de biografie van de schrijver. Degene met een voor dichters bijzondere biografische achtergrond vond het vervelend dat ze voortdurend over haar biografie werd bevraagd, er zelfs op werd aangesproken, alsof ze een representant was van een bepaalde groep mensen en voor die hele groep kon, of moest, spreken. Dat wilde ze niet. Ze wilde voor zichzelf spreken, via haar poëzie, zonder voortdurend dingen te moeten uitleggen over wie zij was en wat dat met haar poëzie te maken had.

    Over dit onderwerp had ze brieven geschreven met een dichter die een voor dichters gebruikelijke achtergrond had. Hij was het roerend met haar eens geweest: de achtergrond van de schrijver moest er niet toe doen, het was het werk dat telde. Maar voor hem is die positie waarschijnlijk makkelijker vol te houden dan voor haar. Als hij schrijft over een koe, zijn boekenkast, zijn dronkenschap, zijn huiskat of zijn echtelijk bed, dan kan hij denken dat dit universele ervaringen zijn die de menselijke conditie illustreren, en zullen er niet veel lezers zijn die vragen naar de rol die de middelbare mannelijke Groningse identiteit heeft gespeeld bij de vorming van zijn dichterschap. Terwijl de dichteres die de menselijke conditie met beelden van zinderende eilanden schrijft, als exotisch wordt gelezen, en de vragen over haar jonge vrouwelijke Antilliaanse identiteit haar om de oren vliegen. Hij heeft de luxe te denken dat zijn achtergrond er niet toe doet, zij niet.

    Voor mij doet hun achtergrond er wel toe, en die van mezelf trouwens ook. Als schrijver maak ik gedichten en verhalen op basis van mijn individuele, subjectieve ervaring van de werkelijkheid. En als lezer hoop ik iets mee te krijgen van de individuele, subjectieve ervaringen van andere mensen met andere levens. En daarom ben ik blij dat er van steeds meer verschillende mensen gedichten gelezen kunnen worden. In die zin doet de identiteit van de dichters ertoe. Waarmee niet gezegd is dat je een dichter zou moeten reduceren tot representant van een bepaalde groep mensen. Dan ontneem je haar haar individualiteit.

    De dag na de Nacht las ik op weg naar huis de bundel Gedichten met een Mazda 626 van Jonathan Griffioen. Hij schrijft: ‘je kunt hoogopgeleiden niet verplichten je gedichten te waarderen / maar je bent wel de bedoeling (…)’

    Wat me eraan deed denken dat dichters net als Tweede Kamerleden gemiddeld tamelijk hoog opgeleid zijn. Dat mag ook wel wat diverser. In Gedichten met een Mazda 626 komt een jongen met PDD / NOS aan het woord. Heeft de schrijver zelf ook PDD / NOS? Dat weet ik niet helemaal zeker, maar zijn achtergrond is zodanig dat hij mij een ander, verrassend perspectief op de wereld biedt.

     


    Gerda Blees schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Anna Karenina lezen

    Ik las Anna Karenina voor het eerst toen ik op mijn vijftiende in het ziekenhuis lag voor een blindedarmoperatie. Samen met Alleen op de wereld was Anna Karenina wel zo ongeveer het dikste boek dat ik op die leeftijd las. Al begreep ik later dat de uitgave die ik toen las, een verkorte versie van 459 pagina’s was (werkelijke omvang is meer dan het dubbele), in vertaling van Halbo C. Kool en uitgegeven door Bigot en Van Rossum.

    Beide boeken wakkerden in mij een theatraal verlangen aan naar groots en meeslepend leven. Te vondeling gelegd te zijn zoals Remi, dan had je je klasgenootjes nog eens wat te vertellen, of reden om je in een geheimzinnig stilzwijgen te hullen. Dat Remi uiteindelijk zijn echte moeder vindt, een echt lieve moeder, vond ik toen en nog steeds een teleurstellend einde. Er bleef niets over van het drama en heimelijke verlangens; het was af, klaar, uit. Toen ik Anna Karenina las, leed ik aan onmogelijke verliefdheden en ontbeerde ik net als zij, enige erkenning voor wat je verlangens zijn. Om diezelfde reden beviel later Madame Bovary me zo goed. Anna Karenina sterft, Madame Bovary sterft, het smachten van de lezer blijft.

    De laatste weken gonsde het in Utrecht van de literatuur. Er was een voorleesmarathon waar duizend vrouwen aan meededen. Meedoen was een daad van liefde. Liefde voor de Russische literatuur, voor Tolstoi, voor een vrouw als Anna Karenina, voor het hardop voorlezen, liefde voor duizend vrouwen. Ik was een van die vrouwen. Ik had fragment nummer 428 via de mail ontvangen. Dat begon zo: ‘De hele landbouwsector en de verbetering van de levensomstandigheden van het hele volk verdienen een radicaal andere insteek.’ Het fragment gaat over Ljovin, als hij weer terug is op zijn landbouwbedrijf nadat de liefde van zijn leven, Sjerbatskaja, hem heeft afgewezen. Zij wacht op een aanzoek van Graaf Vronski, die had haar, als een echte charmeur, het hof gemaakt. Maar zo gauw Vronski haar oudere zus, Anna Karenina ziet, wil hij haar hebben. En Anna, die leed aan een kil huwelijk, kan hem niet weerstaan en zo begint een dramatisch Russisch liefdesverhaal.

    Ik had mijn fragment uitgeprint en las het in de trein naar Utrecht aandachtig door. Ik prevelde zacht de namen Sjerbatskaja, Strjomov en Ljovin voor me uit. Hopende dat mijn tong niet zou vastlopen in de opeenhoping van medeklinkers wanneer ik voor publiek stond. De marathon had wel iets van een estafette; de vrouwen gaven steeds een zin aan elkaar door. De laatste zin van een fragment, was de beginzin van het daaropvolgende fragment. Het verbond de teksten met elkaar en daarmee de vrouwen die het voorlazen. De laatste zin van mijn fragment was: ‘Laska, die bij zijn voeten lag, rekte zich uit en kwam ook overeind, met een vragende blik op haar baasje: waar gaan we heen?’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Voor anker

    Het moet een drukke internationale plek zijn geweest in Denemarken, een echte haven met daaromheen kroegen en op straat zeelui en de vrouwen van lichte zeden. Als het een plek van de zonde was, zou er ook wel een plek voor vergeving zijn. Er moet nog een kerk staan. Hviding, lees ik op een oude landkaart. Het was in de middeleeuwen een van de belangrijkste havenplaatsen van Ribe, de oudste stad in Denemarken. Daar staat mijn camper, het is dan nog geen vijftien kilometer fietsen, schat ik.

    Maar de plaatsnaam Hviding is misleidend, na een fietstocht met flinke tegenwind kom ik terecht in de gemeente Egebaek-Hviding. Lange straten met goedkope vakantiewoningen kruisen elkaar. Het is opvallend stil. Niets doet denken aan een plek van levendige handel. Ik ben teveel landinwaarts gereden, moet meer in de richting van de zee.
    Ik vraag de weg. Behulpzaam maar onzeker legt een vrouw mij uit dat ik eerst helemaal rechtdoor moet en dan helemaal rechtsaf en dan weer helemaal rechtdoor. Na drie kwartier, vaak staand op de trappers om een kerktoren in het landschap te kunnen zien, spreek ik een hardloper aan. Buiten adem zegt hij dat het nog wel even fietsen is, tussen Råhede en Enderup moet u linksaf. Råhede, Enderup, repeteer ik. Ze zullen toch niet de grote kerk van Vester Vedsted bedoelen? Dat is ‘m zeker niet. Ik weet niet hoe het eruit ziet wat ik zoek. Misschien een kapel, denk ik.

    En ineens, toch nog onverwacht, alsof het verstoppertje met me speelde, zie ik een kerkdak. Het is moeilijk de afstand in te schatten, om te beoordelen of de kerk dichtbij is of ver weg. (Misschien heeft juist daardoor dit beeld zoveel indruk op me gemaakt, omdat ik niet wist of die kerk groot of klein was). Een kwartier later fiets ik door een straat die Gammle (=oude) Hviding heet. Ik sla links af. En daar staat de kerk, sterk en eenzaam. Ooit had ze twee torens die je vanaf zee kon zien.
    Op het kerkhof rond de kerk zuigt een tuinman met een apparaat met brede buizen de blaadjes aan de randen van de graven op. Hij doet het met overgave, kijkt niet op of om. Met oordopjes vanaf zijn smartphone luistert hij naar muziek. Je zou op deze plek ‘Erbarme dich’ van Bach verwachten maar als ik naar het ritme van zijn hoofdbewegingen kijk, is het meer in de trant van ‘I love you in the morning, I love you in the evening’ met bijbehorende beat.
    Maar helaas, de kerk is gesloten. Op een stenen bank schrijf ik in mijn notitieboekje ‘het gaat niet om het doel, maar om de weg er naar toe.’ Wat een cliché, ik zit hier een beetje voor boeddhist te spelen alleen maar om mezelf te troosten dat ik niet naar binnen kan.

    Een auto stopt. Drie Deense vrouwen stappen uit en lopen rechtstreeks naar een graf. Ze lijken op elkaar, misschien zijn het drie zussen. De tuinman heeft zijn machine uitgezet. Het valt me op dat ik alleen het ruisen van de bomen hoor. Ik kan naar binnen, de tuinman heeft de deur geopend voor de Deense vrouwen.
    Eeuwen stap ik terug in de tijd. Prachtig grijsgroen geschilderde kerkbanken met deurtjes en houten klossen om ze te sluiten. Ik ga zitten. Direct naast mij op de muur een ontroerend naïeve fresco van een kogge. In de 13eeeuw werd die hier getekend. Vanaf deze plek kon je de Noordzee op, het Kanaal door in de richting van het Romeinse Rijk. Maar deze boot hier naast mij is niet vertrokken. Hij is juist veilig aangekomen, zie ik. Het zeil is opgehaald, het roer staat recht. Het anker uitgeworpen in Gods haven.
    De Deense vrouwen schuifelen weer naar buiten. De tuinman kucht en steekt alvast de sleutel in het slot.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Een leven tevergeefs beschreven

    De gebiografeerde was het eens met de inhoud en er waren naar verluidt al zevenduizend exemplaren gedrukt, maar het boek komt er definitief toch niet. Terwijl een jaar geleden nog sprake was van uitstel omdat zij zich helemaal op de Olympische Winterspelen van Pyeongchang wilde richten, neemt Ireen Wüst nu de mensen in haar nabije omgeving in bescherming. Ze wil niet dat zij gekwetst worden door dingen die zij in alle openheid met sportjournalist Nando Boers gedeeld heeft.
    Omwille van haar familie wilde Wüst nog het één en ander aanpassen, maar zij en de schrijver van het boek dat als haar autobiografie aangekondigd werd kwamen er niet uit.

    Hij wilde het hele verhaal – dat was de voorwaarde waarop hij met Ireen Wüst in zee ging – en je vraagt je af wat in dat hele verhaal zo aanstootgevend was, dat het alsnog niet geschikt is voor publicatie. Heeft Ireen Wüst, die tot nu toe de indruk wekt open en eerlijk te zijn, toch iets te verbergen? Wat is ‘erger’ dan biseksualiteit en toegeven dat je op doktersvoorschrift een schildklierhormoon gebruikt dat naar nu blijkt een prestatieverhogende bijwerking heeft?

    Hoedt u voor schrijversweduwen was lang het devies. Schrijversweduwen hadden, volgens de overlevering, de neiging om over de postume reputatie van hun man te waken, waarbij natuurlijk ook hun eigen respectabiliteit in het geding was. Maar dat was in de tijd dat een gebiografeerde dood en begraven moest zijn voordat iemand het waagde een leven onder de loep te nemen om het vervolgens tot in de kleinste details te beschrijven.
    Die tijd is al even voorbij. De (auto)biografie is een lucratief genre en welke gebiografeerde wil daar niet bij leven van meeprofiteren.

    Dat ‘dood’ niet langer een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor een biografie heeft grote gevolgen. De gebiografeerde is niet langer het lijdend voorwerp. Hij ondergaat niet, maar werkt in het gunstigste geval mee aan de reconstructie van zijn/haar leven. Daarbij is het niet uitgesloten dat hij bewust of onbewust de regie overneemt.
    Wie zich waagt aan het leven van iemand die er nog is, moet alleen daarom al stevig in zijn schoenen staan. Hij moet weten wat hij niet wil en welke kant een verhaal niet op moet.

    Ik probeer me voor te stellen hoe het gegaan is in het geval van de al geautoriseerde autobiografie van Ireen Wüst. Vier jaar lijkt er geen vuiltje aan de lucht en werken de schaatsster en de journalist eendrachtig samen aan wat ‘de best mogelijke autobiografie’ moet worden. En dan gooit de familie roet in het eten.
    Ik moet aan Wim Hazeu denken, die tot vlak voor het verschijnen van Marten Toonder: biografie het oordeel van de erven moest vrezen en aan Nop Maas die Joop Schafthuizen op zijn pad vond toen hij het derde deel van zijn Reve-biografie Kroniek van een schuldig leven klaar had.
    Het zal je maar gebeuren… Bij Hazeu en Maas liep het met een sisser af, maar Boers heeft definitief het nakijken.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Een brief die wel aankwam

    Op 21 september kwam  bij een Amstelveens postzegelveilinghuis de wellicht laatste brief aan Otto Frank gericht onder de hamer. Het is een dikke brief met een postzegel van vijf cent erop. Hij komt uit de nalatenschap van een in 2013 overleden verzamelaar en lag onder in een doos. Ongeopend. De veilingmeester speculeert in een kort interview waarom deze brief ongeopend zou kunnen zijn gebleven. Het kan volgens hem zijn, dat de brief over het hoofd is gezien. Maar het kan natuurlijk net zo goed, dat de filatelist het een te beladen object vond om te openen. Otto Frank was immers de vader van Anne. Bovendien is het stempel op de brief al schrijnend genoeg: ‘Terug afzender’, evenals het er met de hand bijgeschreven ‘Onbekend’. De brief bracht € 9.500 op.

    Tijdens mijn middelbareschoolperiode luisterde ik naar een lp waarop twee piepjonge violisten elk een Romance van Beethoven spelen. Ik kon de diepte van Beethovens beide Vioolromances nog niet vatten. Het was als een brief die aan mij was geadresseerd maar die ik niet open wilde of kon maken.

    Jaren later duiken de Vioolromances opeens weer op. Ik bereid een middag voor van een muziekclubje in een verzorgingshuis, dat een keer in de maand samenkomt om naar muziek te luisteren. Ik vertel er wat bij en we praten erover. Op verzoek van een van de deelneemsters had ik gekozen voor de muziek die Beethoven rond 1800 schreef, ‘de tijd van gisting’ zoals de Vlaamse dirigent en musicoloog Jan Caeyers het in zijn mooie biografie over Beethoven noemt.
    Als ik tijdens die middag de Tweede romance draai, vertel ik erbij dat Beethoven toen hij dit werk schreef, zich ervan gewaar werd dat hij doof aan het worden was. Caeyers noemt het stuk in zijn boek een vorm van escapisme. Beethoven vluchtte in deze delicate, jeugdige muziek die suggereert dat alles goed is, en vond er troost in.

    Een van de deelneemsters uit het groepje merkt op, nadat we stil hebben zitten luisteren, dat een vriendin van haar deze muziek vaak wilde horen toen ze op sterven lag. ‘Het gaf haar troost’. Deze  woorden raken me, ik die eerst niets met deze muziek kon of wilde en nu met de neus wordt gedrukt op het feit wat die muziek eigenlijk heeft te zeggen. Beethoven wist, zelf gebukt gaande onder narigheid, als geen ander dezelfde snaar van troost bij een ander te raken. De deelneemster uit het muziekclubje boog haar hoofd – om twee zinnen uit Anna Enquists roman Want de avond te parafraseren – in figuurlijke zin over de brief en schreef door die houding het antwoord. Ik mocht meelezen.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

  • Beste boek voor jongeren

    Beide boeken die dit jaar werden uitgeroepen tot het ‘Beste Boek voor Jongeren’ liggen hier in huis. Wij zeggen hier niet halfbroer werd gelezen door mijn man en zijn oudste zoon. Hardop moesten ze om het boek van Henk van Straten lachen, er werden stukken uit voorgelezen, anekdotes naverteld bij het avondeten alsof het hun eigen verhalen waren. Mijn man is een echte lezer – zoon is dat niet, maar Wij zeggen hier niet halfbroer vond hij te gek.
    Natuurlijk ben ik geneigd om, na een keer raak schieten, meteen door te pakken en het volgende boek aan te reiken. Het is net een gokmachine en minstens zo gevaarlijk: voor je het weet verander je voor zo’n puber in de personificatie van de leeslijst. En deze stiefmoeder heeft soms best aardige ideeën (Schuddebuikjescupcakes, Heavy Rain op de PS4) maar de dingen waarover ze echt lyrisch is, moet je over het algemeen maar wantrouwen, aldus de jongens. 

    Op een enkele uitzondering na, geef ik dan ook geen actieve boekentips meer aan ze. Wel laat ik af en toe nonchalant een Stephen King slingeren in de hoop dat iemand het oppikt. Soms gebeurt dat: ik blij en hoopvol – zou het dan toch lukken van die onwillige wezens, die lange puberlijven, echte lezers te maken?
    Intussen is het promotiefilmpje van de ‘Boekenweek voor Jongeren’, de organisatie die ook verantwoordelijk is voor het ‘Beste Boek voor Jongeren’, op sociale media geweigerd: te grof gevonden. In de verhalen van Tim Hofman, Nhung Dam en Raoul de Jong, uitgegeven in een 3PAK dat speciaal bedoeld is voor scholieren, wordt kennelijk gretig in gezichten gespoten en met kanker gescholden. Is dat hoe we jongeren aan het lezen krijgen? Man, wat vermoeiend. 

    En daar steekt, als een molletje, Ronald Giphart zijn kop op uit de grond van mijn geheugen: toen ik jaren na mijn eigen middelbare schooltijd Ik ook van jou herlas vond ik het flauw en afgezaagd, de taal en de seks. Destijds had ik er plezier van. Ligt deze ommekeer aan het kunnen van de schrijver of ben ik zelf veranderd? En als ik dan ben veranderd, door de jaren en boeken heen, heeft Ik ook van jou dan niet gewoon bijgedragen aan de lezer die ik nu ben?
    Misschien gold dit werk als overgangsliteratuur, een boek dat ik nodig had op weg naar waar ik nu sta. Op die manier kan ik het werk van Ronald Giphart koesteren voor wat het is: treetjes op een lange, veelzijdige ladder. 

     De jongste zoon, lezer van John Flanagan en weinig anders, vertelt tussen neus en lippen door dat hij al twee boeken voorloopt met leesdossier. Ik temper mijn enthousiasme. Op zijn nachtkastje ligt The hate u give, de andere prijswinnaar van het ‘Beste Boek voor Jongeren’. Na De Grijze Jager-reeks is dat weer een treetje hoger op zijn leesladder. Ik zal dat 3PAK eens nonchalant in huis laten rondslingeren. Wie weet wat er nog te ontdekken valt – al was het maar voor mijzelf.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Stadsschrijvers

    Redmond O’Hanlon was de derde writer in residence in Almere. Stephan Sanders en Renate Dorrestein gingen hem voor. In De groene stad doet hij op voor zijn volgers vertrouwde wijze verslag van de drie jaar durende reis door de stad in wording die Almere na ruim veertig jaar nog altijd is. Na Sanders’ memoir – Iets meer dan een seizoen gaat behalve over Almere ook over Anil Ramdas – en Dorresteins dystopische, maar ondanks dat hoopgevende roman – Weerwater is een echte Dorrestein – voegt O’Hanlon een reisverhaal toe aan de serie Almere Verhalen. Daarmee draagt hij bij aan wat de initiatiefnemers voor ogen staat: ‘op literaire wijze reflecteren op de stad en bewoners’.

    Net als in beide voorgaande ‘gevallen’ stelde de PVV ook naar aanleiding van O’Hanlons gastschrijverschap schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders. Kritische vragen, want de PVV vindt Almere Verhalen een belastinggeldverslindend ‘onzinproject’.
    Stephan Sanders werd voornamelijk verweten ondermaatse kwaliteit te leveren en van Renate Dorrestein kon men zich niet voorstellen dat zij na haar ‘boude uitspraken’ over Almere in staat zou zijn op positieve wijze bij te dragen aan de beeldvorming over de stad. Dezelfde kritiek gold Redmond O’Hanlon, terwijl de PVV daar eenvoudiger had kunnen scoren: O’Hanlon schrijft niet in het Nederlands, en dat is een voorwaarde die aan de writer in residence gesteld wordt.

    Zoals het een keurig college betaamt, beantwoordde ook het huidige alle door de PVV gestelde vragen zo serieus mogelijk. Nee, de mening van de PVV mening werd niet gedeeld, al verbaasde de kritiek van O’Hanlon het college wel, ‘omdat hij eerder in de media juist erg positief was over de stad’.
    Dat Renate Dorrestein Almere ‘een spuuglelijke stad’ vond en Redmond O’Hanlon met ‘by far de lelijkste stad ooit gebouwd’ nog een stap verder ging, was hun goed recht en valt onder de vrijheid van meningsuiting.
    Aan een oordeel over de kwaliteit van de afzonderlijke Almere Verhalen wensen de diverse colleges zich niet te wagen. Zij huldig(d)en het Thorbeckiaans principe ‘dat de overheid geen beoordelaar van kunst is of hoort te zijn. Iedere stap die ons verder weg brengt van dit principe is een bedreiging voor onze vrijheid’.

    Ik weet niet wat ik gewaagder vind: een schrijver die zich voor het karretje van een stad laat spannen of een stad die denkt via een writer in residence ‘literatuur, als onderdeel van de Nederlandse cultuur, letterlijk en figuurlijk dichter bij Almere en de Almeerders te brengen’.

    Literatuur en lezers onttrekken zich aan de wetten van citymarketing. Hoe prominent de rol en/of hoe positief het beeld van een stad in een literair werk – fictie of non-fictie – ook is: een lezer stapt als het boek uit is niet onmiddellijk in de auto of de trein om de stad te bezoeken.
    Omgekeerd kan ik me in het geval van Almere ook niet voorstellen dat wie nauwelijks leest naar de boekwinkel gerend is om Iets meer dan een seizoen, Weerwater of De groene stad te kopen.

    Dat vooraanstaande schrijvers hun naam aan een stad willen verbinden, dat is waar een stad goede sier mee kan maken. Dat moet voor bestuurders en volksvertegenwoordigers voldoende zijn.

     

    Illustratie: het schiereiland Utopia in het Weerwater

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.