• Voorbereiding op onheil

    Ik had vroeger een schoonvader die huisarts was geweest. Zijn vrouw, mijn vroegere schoonmoeder, vertelde me ooit dat ze zich altijd de vreselijkste dingen inbeeldde als hij ’s nachts moest werken. Hij kon overreden worden door een vrachtwagen, worden neergestoken door de agressieve echtgenoot van een van zijn zwangere patiënten, in slaap vallen achter het stuur en tegen een lantaarnpaal rijden. In de meeste scenario’s overleefde hij het niet en bleef zij achter met haar twee zoons. Ze zou gebeld worden door het ziekenhuis, of een politieagent zou langskomen om haar het nieuws te brengen. Ze zou de kinderen onder dak moeten brengen, naar het ziekenhuis gaan om hem te identificeren, de familie op de hoogte brengen, de kinderen troosten, de crematie regelen. Liggend naast een lege plek in bed bedacht ze tot in detail wat er zou gebeuren als die plek voor altijd leeg zou blijven.

    Om het leed nog erger te maken, was ze ook nog eens bang het onheil dat ze ’s nachts bedacht over zichzelf af te roepen door eraan te denken. Bovenop haar angst voor ongelukken kwam de angst voor haar gedachten, die ze desondanks niet kon tegenhouden. Maar haar man, de huisarts, stelde haar gerust. Hij zei: ‘Wees maar niet bang dat je onheil creëert door eraan te denken. Zoveel macht heb je niet. Zie het liever als een manier om je erop voor te bereiden, er klaar voor te zijn als het gebeurt.’ Nadenken over onheil als vooruitwerkende verwerkingsstrategie.

    In een verhaal dat ik ooit wil schrijven, verdwijnt mijn vader als ik zeven jaar ben. Dat wil zeggen, de vader van de zevenjarige hoofdpersoon die veel overeenkomsten vertoont met mijzelf op zevenjarige leeftijd, verdwijnt. Wat er vervolgens gebeurt is nog niet duidelijk, behalve dat mijn fictieve ik haar vader jaren later door de stad ziet fietsen en ze er alsnog achterkomt waarom hij haar heeft verlaten.

    Hoewel mijn vader niet met terugwerkende kracht op mijn zevende uit mijn leven kan verdwijnen, vind ik het eng om over een verdwijnende vader te schrijven die op mijn eigen vader lijkt. Net als mijn vroegere schoonmoeder ben ik bang om onheil over mezelf af te roepen. Want het verhaal is een moment van creatie. Wat ik me kan voorstellen, kan gebeuren. Zoals bij de man die schreef over een hoofdpersoon die naar een Oost-Europees land verdween en dat vervolgens zelf ook deed. Een handeling beschrijven en die vervolgens uitvoeren is natuurlijk wat anders dan een noodlot beschrijven dat je vervolgens ten deel valt, maar toch. Er overleed al eens iemand van wie ik hield aan kanker nadat ik een verhaal had geschreven over iemand die aan kanker overleed.
    Toeval natuurlijk. Ook ik heb niet zo veel macht. En wat ik ook denk of schrijf, hoogstwaarschijnlijk zal mijn vader ergens in de komende dertig jaar uit mijn leven verdwijnen. Mogelijk heb ik tegen die tijd een verhaal geschreven dat mij op dat onheil voorbereidt.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • De verhalen

    Niet lang nadat mijn eerste verhaal  Het verhaal werd gepubliceerd ontving ik een e-mail van ene Nathan. Hij schreef dat ik mijn verhaal van hem heb gestolen.
    Ik ben het niet met hem eens, maar het gaat er hier niet om wie er gelijk heeft – al heb ik alles verzonnen, dus heb ik gelijk. Nee, het gekmakende is dat we allebei gelijk hebben en dat dat niet op toeval berust. Er komen teveel details van zijn werkelijkheid en mijn verzinsels overeen.
    Ik verwacht niet dat u mijn verhaal heeft gelezen (ik kreeg er destijds één reactie op: de e-mail van Nathan), dus hier even in het kort: de al wat oudere redacteur Nathan (!) krijgt een manuscript toegestuurd, een verhaal dat hem direct in zijn greep neemt. Hij is niet zozeer onder de indruk van de kwaliteit; het is de inhoud die hem raakt, persoonlijk en diep. Het verhaal gaat over hem en zorgt ervoor dat zijn veilige leventje begint te wankelen…

    Het mooie aan mijn verhaal is dat ik onduidelijk laat wat er precies beschreven wordt in dat fictieve verhaal en er slechts subtiel naar hint dat het Nathan doet denken aan zijn zoon, met wie hij geen contact meer heeft. Ook wordt de suggestie gewekt dat de schrijver van het verhaal méér weet van deze tragische vader-zoonrelatie. Dat een collega van hem het geschreven heeft. Of misschien zelfs zijn verloren zoon. (Óf Nathan zelf – een erg vergezochte interpretatie die toch ineens een stuk aannemelijker werd sinds ik Nathans e-mail ontving.)
    Kortom, ik bood mijn lezers vele mogelijkheden te bepalen wat er nu precies aan de hand is. (Een zeer geslaagd verhaal, al zeg ik het zelf – zeker voor een debuut.)
    Goed. Terug naar de beschuldiging in mijn inbox. Het verhaal waarvan Nathan (de e-mailschrijver, niet mijn personage) zegt dat ik het van hem heb gestolen – nu komt het! – is niet het verhaal dat in De Gids heeft gestaan, Het verhaal; dát verhaal heb ik echt zelf verzonnen, daaraan twijfelt zelfs Nathan niet. Nee, het gaat om het verhaal dat mijn personage aantreft op zijn bureau, het verhaal-in-het-verhaal… Dát zou over hem gaan.

    Een grap, denkt u. (Ik hoopte het; het zou immers betekenen dat tenminste één van mijn vrienden mijn verhaal had gelezen.) Maar: hoewel het verhaal-in-het-verhaal, zoals ik al uitlegde, helemaal niet verteld wordt in Het verhaal, zag ik het als mijn plicht (als beginnend schrijver neem ik de boel misschien te serieus) zelf wél te weten waarover het gaat. Alleen zo, meende ik geloofwaardig te kunnen beschrijven hoe dat verhaal een heel leven kan doen wankelen.
    Welnu, het was mijn eigen leven dat wankelde toen ik Nathans e-mail las: daarin vertelde hij dit verhaal-in-het-verhaal, tot het allerlaatste (door mij verzonnen!) detail. Het was exact wat ik bedacht, maar nooit opgeschreven heb…

    Ik heb Nathan (de echte) aangespoord zijn verhaal naar een uitgeverij te sturen, maar hij reageert niet meer op mijn berichten. Zelf schrijf ik geen verhalen meer, ik verzin ze alleen nog.

     

    (‘Het verhaal’ in De Gids)

     


    Vincent Merjenberg (1983) studeerde Nederlands in Groningen, werkte bij een uitgeverij en woont met zijn vrouw en zoontje in Amsterdam. Hij publiceerde enkele verhalen (De Gids, Revisor) en werkt aan zijn eerste roman.
  • Vergeet de schoenen

    Nooit bij stilgestaan dat de kledingstijl van een schrijver een item kan zijn. Kledingstylist Arno Kantelberg deed er in de krant melding van dat schrijvers op dat gebied een slechte reputatie hebben. Hij bekeek dertig auteurs met zijn stylingsblik en schreef er een boek over. Ik vroeg me af wat er belangrijker is, de zeggingskracht van het werk van de schrijver of dat – zoals Kantelberg het stelt –  het voorkomen van de schrijver enigszins moet passen bij de stijl van zijn werk.

    Toen ik zkv-schrijver A.L. Snijders voor het eerst zag voordragen, werd ik afgeleid door zijn postuur (ruim 1.90) en zijn blauwe, spits toelopende schoenen. Ik had veel van deze schrijver verwacht: een uitgelubberde schipperstrui, een corduroy colbert, maar geen blauwe schoenen. In zijn werk lijkt Snijders een man zonder ambities. Die blauwe schoenen waren een teken van ambitie. Dat de rest van zijn kleding, zijn neerwaarts hangende wenkbrauwharen niet bij die schoenen paste, nam hem dan toch weer voor me in.

    Ik ben dan ook tegen de kledingstijl – door Kantelberg geprezen – van schrijvers als Tommy Wieringa, die zich bij de prijsuitreiking van de Bookspotprijs in driedelig pak hulde. Dat ie gelukkig wel compleet verrommelde toen hij, tastend naar een amulet van de heilige Rita dat achter zijn driedelig pak op zijn borst hing en hij wilde tonen als zijnde een geluksamulet. Op het laatst hing een slip van zijn overhemd buiten zijn broek, bovenste knopen van het overhemd lieten zijn borst bloot, stropdas scheef. Toen ging hij ook nog uitgebreid zijn vrouw zoenen voor de camera. Dat was een prachtig beeld en had gelukkig niks met stijl te maken.

    Ilja Leonard Pfeiffer wordt door Kantelberg, ‘de zigeunerkoning van Genua genoemd. Tijdens een schrijfbijeenkomst met Pfeiffer viel ook mij zijn kleding op. Morsige buikomspannende blouse, afzakkende broek met daaronder jawel: croqs. Die hele dag werd ik afgeleid door altruïstische ingevingen om deze schrijver financieel te ondersteunen. Omdat deze schrijfdag me was aangeboden door Querido, overwoog ik het bedrag dat voor de cursus werd gevraagd, alsnog cash aan de schrijver te geven. Wat ik niet deed. Wel las ik La Superba dat net verschenen was en dacht: Whatever, laat een goed schrijver zijn croqs.

    Hoe een schrijver zich hoort te kleden zorgde in 1991 ook voor ruzie tussen A.L. Snijders en zijn vrouw. Snijders smult van een brief met berichten uit Amsterdam van een vriend die Bernlef op een terras zag zitten. Bernlef droeg sandalen, wat niet kon volgens die vriend: ‘Een goede schrijver kan geen sandalen dragen.’ Die vriend bekent dat hij Hersenschimmen van Bernlef nooit gelezen heeft en voelt zich met terugwerkende kracht gerechtvaardigd in die weigering. Want een auteur op sandalen kun je niet serieus nemen. Snijders geeft de brief met een, ‘Goeie brief van Willem’ aan zijn vrouw. Zij ontsteekt in verontwaardigde woede: ‘Hersenschimmen is een prachtig boek, wat is dat voor criterium, sandalen?’ Na enig gebakkelei tussen de echtelieden ‘staat zij op en loopt driftig de kamer uit.’ Waarbij ik me voorstel dat er een deur knalde en de trap stampend betreden werd.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Mogelijkheid van genade

    Ineens was In ongenade overal: in een auteursgesprek raadde ik dit beroemde werk van J.M. Coetzee aan en nog geen uur later wandelde een collega, bij het gesprek afwezig, mijn kamer binnen om te vertellen dat hij het aan het lezen was. Daarnaast stond de titel al enige tijd op mijn lijst met te herlezen boeken. Toeval? Als tiener geloofde ik alleen in de volledige verbondenheid van het universum als ik verliefd was. Gelukkig was ik altijd verliefd – nog steeds eigenlijk. Thuis trok ik het boek direct uit de kast.

    ‘Ik werd er heel neerslachtig van,’ zei diezelfde collega een week later, hij zuchtte er zelfs bij. Dat gevoel herkende ik. In ongenade is een roman die je, na het dichtslaan, van je af moet ademen. Ik had het nog niet uit en toch kiemde die zucht al in mijn borst.
    Iemand anders moest drie dagen bijkomen van Mogelijkheid van een eiland. Hij las de roman van Houellebecq tijdens een strandvakantie met vrienden en, zijn woorden, het voelde als een emotionele kater. Vermoeidheid, ja, dat is ook wat ik aan dat boek overhield.
    In ongenade is een veelomvattende roman. Aan de hand van een weinig sympathiek personage, de gevallen professor Lurie, wandelt de lezer langs grote thema’s. Lust, schuld, ouderschap en familiebanden, ze worden alle bevraagd. Zowel voor Lurie als voor de lezer liggen er weinig antwoorden klaar: de schrijver reikt aan en de lezer kijkt wat hij kan met wat hij in zijn handen gedrukt krijgt. Dat kan per lezer en per lezing verschillen.
    De man die drie dagen moest bijkomen van Mogelijkheid van een eiland noemde In ongenade zonder twijfel zijn lievelingsboek.

    Waarom lees ik en herlees ik? Er is nooit een eenduidig antwoord op die vraag geweest. Soms is het slechts om mezelf te vermaken, dan weer om mezelf te inspireren, vaak lees ik om te kunnen schrijven. Sinds lezen mijn beroep is, begin en eindig ik de dag bewust met iets dat ik goed vind. Wat vind ik goed? Ook dat wisselt.
    Tijdens mijn vrije-tijdslezen denk ik – en ik merk dat ik enige schroom heb bij deze gedachte – dat ik hoop zoek – of, op zijn minst mededogen.

    De boeken die ik niet uitlees zijn vaak slecht getimed, niet wat mijn hoofd op dat moment behoeft, zijn slecht geschreven of ze zijn in de kern cynisch. In het dagelijks leven vind ik cynisme al lui, dus in een roman moet ik er helemaal niets van hebben. Laten zien dat iets lelijk is, daar is geen kunst aan. Laten zien dat er tussen allerlei ellende schoonheid te vinden is, vergt niet alleen mentale maar ook literaire kracht.
    Is In ongenade een cynisch boek? Je zou het bij aanvang kunnen denken, maar nee: hoe vilein en donker de toon en de ideeën van de verteller ook mogen zijn, cynisch zou ik het niet willen noemen. Opbeurend evenmin. Heeft David Lurie iets geleerd aan het einde van het verhaal, is hij veranderd? Geen idee. Maar ik wel.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Moraliteit van een boom

    Michael Powers is een Amerikaanse schrijver die praat als een evangelische dominee, langzaam, gedragen en met een zalvende intonatie. Zijn boodschap is eveneens evangelisch. Hij verspreidt het geloof in het respect voor de aarde. In een interview over zijn boek The overstory, naar het Nederlands vertaald als Tot in de hemel, tijdens het Crossing Border festival in Den Haag, vertelt hij dat hij de lezer het perspectief wil meegeven van wezens die de aarde veel langer bewonen dan mensen: bomen. Hij is blij dat er steeds meer boeken verschijnen die gaan over ‘iets groters dan mensen die niet goed met elkaar kunnen opschieten in hun huis’. Ook is hij anders gaan denken over moraliteit in boeken. Literaire boeken zijn meestal moreel ambigu: de slechterik is nooit helemaal fout; de goedzak nooit helemaal goed; de waarheid over wat juist is zweeft tussen de extremen. Terwijl er vanuit het perspectief van bomen wél een meer absolute morele waarheid te vinden is. Bomen vertellen ons wat juist is. En wat de mensen op dit moment doen met de bomen, is niet juist.

    Net als bij evangelische dominees vind ik de beweringen van Powers voor de helft inspirerend en voor de andere helft betwijfelbaar. Ten eerste wat betreft morele waarheden in literaire romans die geen bomenperspectief hanteren. Klopt het dat dit soort romans ons niets willen vertellen over wat juist is? Ik neem even de klassieker To Kill a Mockingbird van Harper Lee, die ik nu aan het lezen ben. Vanuit verschillende perspectieven zijn verschillende dingen juist. De vader van de vertelster vindt het onjuist een zwarte man te veroordelen voor iets wat hij niet heeft gedaan. Zijn dorpsgenoten vinden het onjuist deze zwarte man te verdedigen. De morele ambiguïteit zit er misschien in dat je al lezend ook begrip krijgt voor die dorpsgenoten. Maar dat betekent niet dat de roman geen beroep doet op de lezer om een bepaald moreel oordeel, namelijk dat van de vader, als juist aan te nemen. Ook zonder bomen kan een roman een morele waarheid tonen. In een verhaal waarin mensen schade toebrengen aan bomen, kan het perspectief van de boom daar misschien wel een ander licht op werpen. Maar of dat een absoluter licht is, weet ik niet.

    Ten tweede: waarom het perspectief van bomen genomen, en niet dat van iets nog groters, zoals het heelal waarin we leven? Het heelal staat waarschijnlijk onverschillig tegenover het leven en de vraag of dit langzaam of wat sneller van de planeet zal verdwijnen. Maar bomen zijn wezens waarmee de mensheid de aarde deelt, en onderdeel van ecosystemen die van belang zijn voor ons overleven. De keuze voor bomen als moreel ijkpunt verraadt nog steeds een grotere interesse in de belangen van de mens dan in de belangen van waterstof. En dat is niet erg, maar het leidt denk ik niet tot meer absolute morele waarheden. Schrijvers van de voorspelde golf van ecoromans zullen zich hopelijk blijven bedienen van een fijne literaire dosis morele eco-ambiguïteit.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Kieren van hoop

    Afgelopen seizoen ging het piccolo concert Solastalgia, van de Estse componist Erkki-Sven Tüür in première. Uitgevoerd door de piccolospeler van het Koninklijk Concertgebouworkest, Vincent Cortvrint met ‘zijn’ orkest. De titel verwijst naar het begrip ‘vervreemding’ dat de milieufilosoof Glenn Albrecht voor het eerst gebruikte en in de psychiatrie wordt gebezigd voor het gevoel dat de fysieke omgeving om je heen wijzigt, bijvoorbeeld door klimaatverandering. Het stuk kent mooie, zangerige en atonale melodieën, maar ook dreigende, sombere. Een loopje blijft hangen als een oorwurm. Op het eind sterft het langzaam uit. Je mag er zelf in horen waar dit op duidt.
    Op de een of andere manier voerde het stuk van Tüür mij naar één van de cursief gezette stukken in de roman Een dwaze maagd van Ida Simons, verschenen in 1959, hetzelfde jaar waarin Tüür werd geboren:

    ‘De bewoners waren gewaarschuwd dat de bedelaars zouden komen en voor alle ramen hadden ze de rolluiken neergelaten, maar hun angst siepelde door de kieren in de voortuinen waar de honden op wacht zaten (…). Honderden waren het: sommigen strompelden op krukken of sleepten met een houten been, anderen hadden een zwarte lap voor een lege oogholte. Ze schreeuwden dat ze honger hadden en schudden dreigende vuisten naar de gele huizen maar als een zich op de stoep waagde gromden en blaften de honden (…). Machteloos gevangen in honger en lompen moesten de bedelaars verder trekken, ze jouwden en tierden, maar tegen de honden konden ze niet op (…). Dan liep opeens de bedelaar in het zijden kleed voorbij. Van abrikooskleurige zij was het, even gescheurd en gehavend als de grauwe vodden van de anderen en veel minder warm … maar het glansde in de stralen van de dalende zon (…). Behaarde klauwen maakten eerst de scheuren in de verrotte zijde groter en daarna krabden ze de bleke huid eronder open. Toen hij, die een zijden kleed gedragen had, naakt en stil in de sneeuw lag liepen de anderen kalm en bijna gelukkig verder.’

    Het gedeelte is gebaseerd op een sprookje uit Moeder de Gans. En waar opende het concert van Erkki-Sven Tüür mee waarin het piccolo concert in première ging? Juist: met Ma mère l’oye van Maurice Ravel! En zo is de cirkel rond.

    Maar dat  is denk ik toch niet helemaal de bedoeling: moeten we die cirkel niet doorbreken? Mogen we wel kalm en rustig verder leven, zonder iets te doen, alsof er niets aan de hand is? Met het klimaat, met vluchtelingen? Die vraag, die waarschuwing ook, hoorde ik in Solastalgia van Tuür en las ik nog weer bij Simons. Door de kieren zou, als het goed is, geen angst moeten sijpelen, maar hoop. Alleen moet je daar wel wat voor doen, bijvoorbeeld muziek en oude verhalen nieuw leven inblazen en zo je leven veranderen. Ik heb de indruk die boeken en muziek op mij maakten de afgelopen tijd in deze columns willen doorgeven. Het woord is nu aan een andere columnist.

     


    Dit is de laatste column van Els van Swol. Els schreef vanaf 1 juni 2016 tweewekelijks een column voor Literair Nederland waarvoor wij haar zeer danken!

  • Roekeloos met boekenbonnnen

    Direct bij het verlaten van de boekhandel overvalt het me – of nee, eerder al, bij het afrekenen, het intoetsen van mijn pincode – alweer te veel contactloos betaald – ik heb het niet vaak maar nu is het onmiskenbaar aanwezig: naderende spijt en vragen. Ik kwam voor de lezingen van Toni Morrison, knipperde twee keer met mijn ogen en kocht de nieuwe roman van Sally Rooney erbij. Weken eerder, in een andere stad, overkwam me hetzelfde. Ineens stond ik buiten met Motherhood, het nieuwe boek van Sheila Heti.
    Sally en Sheila – ik haal ze, of eigenlijk hun eerdere boeken, altijd door elkaar. Wanneer ik Conversations with Friends en How should a person be las, moet ik opzoeken, de verhalen ben ik kwijt. Wel herinner ik me goed hoe beurs ik van die boeken werd, hoe vervelend ik die zelfgenoegzame toon vond. Toch doorgelezen, want niets zo lekker als een goede hateread van tijd tot tijd. Beide boeken haalde ik uit de bieb, ik wist op voorhand dat ik ze niet hoefde te hebben. Waarom dan nu geld uitgeven aan nieuw werk?
    (Simpele verklaring: boekenbonnen. Ik word roekeloos met die dingen op zak.)

    Opnieuw lijkt het mis te gaan. Telkens wanneer het in Normal people, Rooneys nieuwste, over Mariannes uiterlijk gaat – haar dunne polsen, de witte huid, het donkere haar of hoe Connell haar het bedachtzame van een hert toedicht – blader ik zuchtend door naar de auteursfoto. Ik weet niet helemaal wat het is, misschien het vermoeden dat de schrijver een interessantere versie van zichzelf heeft bedacht. Een eigen manic pixie dream girl alter ego creëerde, iemand die ze zelf had willen zijn – de angst ook, ik heb het nog niet gecontroleerd – of ik dat in mijn eigen debuut ook heb gedaan. Vast wel. In de flaptekst van een pas verschenen debuutroman werd melding gemaakt van een beeldschoon mager meisje, doodvermoeid legde ik het boek op de tafel.

    (Was het tienermeisje Emma in Rebecca Waits’ The view from the way down over wie er op zeker moment zoiets stond als: ‘Echt weer iets voor haar om op de verkeerde manier dik te zijn’? Zelden zo gelachen in een verder zo droevig boek.)

    Maar Normal people blijkt allesbehalve een hateread. Ingetogen, haast voorzichtig, onderzoekt de schrijver de relatie tussen twee mensen die duidelijk dol op elkaar zijn maar elkaar steeds net mislopen, elkaar wel aanraken maar ook, ongewild en onbedoeld, weer loslaten. De contrasten worden rustig op tafel gelegd: hij meent zich op de middelbare school redelijk zelfverzekerd te voelen, soort-van-thuis in de wereld, zij heeft dat bijna tijdens de studie, tot gebeurtenissen uit heden en verleden hun denkbeelden weer doen omkeren. Hij is arm maar komt uit een warm nest, zij is rijk maar van koude grond. Er zit veel mededogen in Rooneys beschrijvingen van Connells depressie en Mariannes destructiviteit, beide moeilijke (want platgetreden) karaktertrekken. En steeds komen ze net niet samen. Ik kan niet stoppen met lezen, dit keer om positieve redenen. Ontzettend zin in Heti hierna.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Personages als pannenkoeken

    Nu begint het ingewikkeld te worden. Het verhaal dat ik schrijf heeft een substraat in de werkelijkheid. Er zijn mensen, echte mensen, over wie ik heb gehoord en gelezen, die op een dag collectief hebben besloten om weinig tot niets meer te eten. Omdat ik wilde begrijpen waarom ben ik een roman over ze gaan schrijven. Ik ben nu een paar maanden bezig en ik heb intussen nog meer gelezen over hun voorgeschiedenis en beweegredenen, maar heb nauwelijks het gevoel dat ik ze ken. Ik ken ze niet zoals  de personages uit mijn verhalenbundel – de vrouw die een baby in een vriezer verstopt, het jongetje dat zichzelf met heet water wil verbranden, de man die op een spoorlijn gaat liggen om te ontdekken of hij zelfmoord wil plegen. In hen kon ik me verplaatsen, meer dan in de echte mensen over wie ik nu probeer te schrijven. De romanpersonages die ik van ze heb gemaakt zijn platter dan de pannenkoeken die ze van zichzelf niet mogen eten. Eentje is de hele tijd boos, de tweede de hele tijd onzeker, de derde extreem dominant en irritant en het karakter van de vierde, die in de roman dood is, heeft de vorm en inhoud van een zwart gat.

    Dus wat te doen? Ik kan A) proberen de echte mensen beter te leren kennen, of B) de echte mensen loslaten en echte romanpersonages van ze maken. Optie A is interessant omdat ik de roman besloot te schrijven omdat ik de echte mensen wilde begrijpen. Maar optie A is ook een beetje eng omdat ik denk dat die mensen echt een beetje gek zijn en ik niet weet of ik ze graag in mijn eigen echte leven wil toelaten. En optie A is ook niet helemaal toereikend omdat ik ook als ik de werkelijke versies van mijn personages beter leer kennen nog altijd niet precies alle details zal kennen van de dingen die ik in mijn roman wil beschrijven. Dus op een zeker moment zal ik, of ik de echte mensen nu wel of niet beter leer kennen, toch over moeten gaan op optie B en echte romanpersonages van de echte mensen moeten maken, inclusief door mijzelf verzonnen trauma’s, jeugdherinneringen en vreemde gewoontes. Ik zal ze mijn verhalenwereld in moeten trekken. En de logica van de werkelijkheid zal plaats moeten maken voor de logica van het verhaal dat ik over ze schrijf.

    Op dit moment neig ik naar een combinatie van optie A en B. En kom ik tot de voorlopige conclusie dat een écht waargebeurde roman schrijven eigenlijk niet kan. Ik begin zelfs te vermoeden dat dit in zekere mate geldt voor alle verhalen, ook die in de krant en in de geschiedenisboeken staan, omdat er altijd dingen zijn die we zelf moeten invullen, of erbij fantaseren. Waarmee ik niet wil zeggen dat de waarheid niet bestaat, denk ik, geloof ik.
    Ik schrijf er nog even over na.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Taal – Het Bildt

    Geke Postma-Postma heeft het Bildts dictee gewonnen, herinner ik me terwijl ik vanaf de Oude Bildtsedijk het land in kijk. Rechts een enorm gebouw met sierlijke letters op de gevel: ‘Openbaar Lager Onderwijs Anno 1898’. Wellicht leerden daar de kinderen het Bildts. Of juist niet, dat kan ook, wat je spreekt hoef je niet meer te leren. Geke had één fout. Haar naam is gegraveerd in de wisselbeker. Het eerste Bildts dictee was in 2017.
    De aandacht voor de Bildtse taal – de mensen die hier wonen heten Bilkerts – is plotseling toegenomen. Oude en Nieuwe Bildtzijl zijn verdwenen. Niet van de kaart natuurlijk en het blauwe naambord met witte letters, aan het begin van de dijk, blijft ook bestaan. Maar ze zijn gefuseerd met andere gemeenten. Gemeente Waadhoeke heet het nu. Hoek bij het wad, een mooie naam voor deze plek.

    De samenleving wordt groter en globaler en bijna als vanzelf vraag je je dan af hoe het kleine blijft bestaan.
    Waar een Bildts dictee is, wordt ook een Bildts woordenboek gebruikt. Jonge mensen app-en in het Bildts en er is een Bildtse krant met een hoofdredacteur die aanvankelijk een loopbaan bij de NRC of Volkskrant voor zich zag. Maar toen zijn grootvader stierf (de hoofdredacteur tot dat moment), nam hij uit volle overtuiging het stokje over.

    ‘Die taal maakt wie ik ben,’ zegt een oudere man. We staan op de brug over de sluis uit 1505. Hij neemt me mee naar een woonhuis – ooit een kerkje vermoed ik – en wijst naar een tekst op de gevel. ‘Zijt daders des woords en niet alleen hoorders’. ‘Dat nemen we hier letterlijk, meneer,’ zegt hij met een knipoog. Een vader en zoon rijden met een steekkarretje een wasmachine de dijk af, de zoon betrekt een huisje onderaan de dijk. Een ribcord fauteuil blijft verweesd achter op de aanhangwagen.
    De oudere man is me gevolgd. ‘Het is niet zomaar uit te leggen, meneer, u komt uit de grote stad, dat zie ik zo. Maar de taal is mijn landschap, mijn gebied. Daar hou je van, net als van je vrouw en kind. Da’s niet uit te leggen, da’s gevoel.’ Hij kijkt even weg.
    ‘Je woont niet in Het Bildt meneer, maar op Het Bildt. Dat hebben we te danken aan de slikwerkers.’

    Het woord Bildt is ontstaan uit opgetild, opgebild worden door slik uit zee. Die werkers kwamen uit alle streken en wat ze samen maakten was niet alleen nieuw land, maar ook een nieuwe taal. Een mengtaal. Als je die niet spreekt ben je geen echte Bilkert.
    ‘En weet u meneer,’ zegt hij terwijl ik in mijn camper stap,’ zonder de slikwerkers hadden wij hier niet bestaan en hadden er nu geen zesduizend Bilkerts gewoond. Dat moet u onthouden, meneer, dat moet u opschrijven in dat boekje.’
    Er hangt een lage mist. Voor mijn camper langs lopen twee jonge stellen met rolkoffers.
    ‘Niet tegen te houden, Airbnb,’ mompelt de man.
    Ik sluit het portier, doe het raam open en steek mijn hand op om hem te bedanken. ‘Vergeet dat monument niet, meneer, ter herinnering aan die slikwerkers. Hier gewoon rechtdoor en aan het einde links, en dan als maar, als maar rechtdoor.’

    In 1505 begonnen achthonderd slikwerkers hier te bouwen, ze groeven vaarten en legden wegen aan in een patroon dat gebaseerd was op de idealen van de Renaissance. Elk menselijk werkstuk of het nu een schilderij betrof of de inrichting van een stuk land moest voldoen ‘aan normen van gelijkmatigheid, symmetrie en harmonie, die gelijk richtsnoer waren voor het menselijk handelen.’ Het Bildt was het eerste grote polderwerk in Nederland waarbij dit nieuwe denken zichtbaar werd.
    Mooie woorden. De mist trekt op.

    Ik heb wel een uur op de dijk gestaan en gelopen, ik overdrijf niet. Uitkijkend over de Waddenzee en het terugtrekkende water. Het landschap laat je als vanzelf mediteren. In een langzame slingerbeweging gaat een geul de zee in. Dé geul, moet ik zeggen, want vanaf de 16eeeuw tot aan 1948 vertrok hier de boot naar Ameland.
    Een slikwerker in brons van kunstenaar Frans Ram staat onderaan de dijk. Eeuwen hebben ze hier gewerkt. Ik lees de tekst op de sokkel. ‘I hemne wel ’n standbeeld ferdiend.’

     

     

    Deze maand verscheen: Ofskaid en útsicht door Hein Jaap Hilarides bij uitgeverij Louise.
    Prijs: € 15,00


    Hans Muiderman bezoekt graag de eilanden en de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

     

  • Bovenburen en stilte

    De Wereldgezond- heidsorganisatie heeft helemaal gelijk: als je de bron van geluid vervelend vindt, ervaar je dat geluid ook eerder als storend. Ik kan het beamen. Het stoorde mij nogal dat de kinderen van mijn nieuwe buren er een genoegen in scheppen om op z’n tijd van de bank af te springen of met een skate board over de drempel op het balkon te belanden. Het is zoiets als met de bovenburen van Roos van Rijswijk zoals ze dat in De olifant van de bovenbuurman  beschrijft. Die bovenburen doen een stoelendans op polkamuziek waarvan ze ‘de klanken zo lekker op hun borstkas voelen’.

    Tot er opeens een meisje van een jaar of twaalf voor mijn deur stond met een vraag. We babbelden wat en nu ik de andere leden van het gezin, waaronder haar twee jaar jongere broertje ook ken, vind ik dat gespring of gebonk lang zo erg niet meer. Met een minuut of wat is het over. Laat ze. Het zijn kinderen.
    Sterker nog: ik werd nieuwsgierig. Met name naar hun muziekkeus. Waar zouden Syrische vluchtelingen naar luisteren? Op een dag hoorde ik muziek en spitste mijn oren. Het klonk als lichte muziek, met een vleugje traditionele klanken. Wat had ik dan verwacht? Syrische volksmuziek, zoals componist Merlijn Twaalfhoven die wel in zijn werk integreert? Ik sprak mezelf vermanend toe: wat een vooroordeel! Alsof ik dagelijks draaiorgel- of carillonmuziek afspeel, volgens een van de hoofdpersonages in de detective Startpunt Amsterdam van Helen McInnes, zo’n beetje het ergste wat je je kunt voorstellen.

    Misschien is de les die Roos van Rijswijk mij leerde, om met de oude man in Shakespeares Macbeth te spreken: Make good of bad and friends of foes. Als je dat doet, wordt niet alles beter, maar wel anders. Omdenken heet dat geloof ik. Gespring als een olifant betekent dan: we moeten onze opgekropte energie kwijt. Het gebonk met het skateboard over de drempel is trouwens voorbij, dat was té erg moeten ook mijn buren inmiddels gedacht hebben. Nachtmerries van het broertje, die mij wakker doen schrikken, betekenen wellicht: ik doorleef de ellende in Syrië weer alsof het hier-en-nu gebeurt. Maar dat is inlegkunde en hoeft helemaal niet zo te zijn. Geschreeuw tegen me van het oudste meisje, al bijna volwassen, kan ik niet plaatsen, maar zou ik wel willen begrijpen. Is het misschien een uiting van onmacht?

    Hoe dan ook, voor het vervolg moet ik het boekje Als stilte steekt van Désanne van Brederode er nog maar eens op naslaan. Zij is ervaringsdeskundige, ik nog maar een leek die graag wil leren én – vooral – afleren, dat in ieder geval. Misschien wordt deze column over vijfentwintig jaar net zo gelezen als het verhaal ‘Homo’ (1968) van Kees van Kooten (opgenomen in Van Kooten Sterk verdund): als een tijdsbeeld en voor alles als een beschrijving van gekoketteer, zoals de auteur het bij De Wereld Draait Door zelf omschreef. Wie zal het zeggen.

     


    Els van Swol leest wat los en vast zit en slaat geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

  • Wat dichters drinken

    Op een ochtend stond er een jonge vrouw tussen de boerenkoolplanten en de rode bieten in de voortuin. Ik zag haar door het keukenraam en wist: dit is een dichteres. Zij droeg een lange jas van een soepele groene stof, leren laarzen en een donkerrode hoed, waarmee zij naar mijn idee haar dichterschap op naïeve wijze wilde camoufleren. Ik speelde direct open kaart door te vragen of het dichterschap haar gelukkig maakte. Het was de enige vraag die zich aan me opdrong toen ik haar in mijn tuin zag staan. Ze zuchtte en zei dat als ze aan een gedicht werkte een aanval van migraine nooit ver weg was. Dat als woorden en regels zich niet zo wilden gedragen als zij voor ogen had, ze altijd overvallen werd door fysieke onrust waardoor ze het op een lopen zette. Zo kwam ze in mijn voortuin terecht.

    Ik weet wat ik met dichters aan moet en vroeg haar binnen. Zonder haar bestofte laarzen uit te trekken ging ze me voor naar de keuken. Ik vroeg niet wat ze wilde drinken want ik dacht te weten wat dichters zoal drinken en dat had ik niet in huis. Ik zette een glas water voor haar neer. Ze nam het van de keukentafel en dronk het in een teug leeg.
    Om deze jonge dichteres – die zichtbaar verdwaald was in haar dichterschap – tegemoet te komen, nam ik de Poëzie editie van Zuca-Magazine, die ik juist die week had ontvangen, van de keukentafel. Uit het werk van enkele van de drieëndertig daarin opgenomen Portugeestalige dichters, begon ik willekeurige strofen en regels aan haar voor te lezen. Als wilde ik haar laten zien dat ik haar begreep. Al begreep ik natuurlijk niets.

    -‘Het gedicht is een oefening in andersdenkendheid, een belijdenis / van ongeloof in de almacht van wat zichtbaar is, vastligt en   geleerd / wordt.’
    -‘Je zei dat een gedicht altijd tegelijk probeert / te laten zien en te verhullen’
    -‘hoe stop je de wereld / in een gedicht? vertaal je / zijn ruwe werkelijkheid, zijn / ongedurige lieflijkheid?’
    -‘Waaruit bestaan onze dagen? / Uit kleine wensen, / trage weemoed, / stille herinneringen.’

    Er verscheen een glimlach op haar gezicht en ze zei: ‘Andersdenkendheid, stille herinneringen, versplinterde schoonheid’.
    Ik vertelde haar ook nog dat A.L. Snijders eens schreef over een despotische kasteelheer en zijn vrouw die ‘onbegrijpelijke gedichten van Arthur Rimbaud’ las. Ze las Rimbaud volgens Snijders, ‘om voor zichzelf een plek te hebben die voor haar echtgenoot onbereikbaar was’. Dat is toch fantastisch’, bezwoer ik de dichteres, ‘dat een gedicht een schuilplaats kan zijn’.
    Evenals de aanname dat dichters drinkers zijn, kwam ik ook onder die andere aanname, dat dichters armoedzaaiers zijn, niet uit en moest ik haar deze editie van Zuca-Magazine – die haar duidelijk zeer beviel, wel meegeven.

     

    Zuca-Magazine, Portugeestalige Poëzie, Uitgeverij Koppernik: hier te verkrijgen.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Geloofwaardige toekomst

    De nieuwe roman van Rob van Essen, De goede zoon, werd in NRC bekroond met vier zeer terechte ballen. Leuk aan de bespreking van Judith Eiselin was bovendien dat ze het boek vergeleek met Ogen van tijgers, een toekomstroman uit 1982 van Tonke Dragt. Net als met naar de film gaan, waarin de trailers vóór de hoofdfilm mijn favoriete kijkmomenten zijn, kan ik het heerlijk vinden om tijdens het lezen over literatuur op andere boeken gewezen te worden.
    Ogen van tijgers, het vervolg op het al even magische Torenhoog en mijlenbreed (1969!), las ik als kind. Het stuk waarin Jocks schilderij door een piepkleine wijziging ‘af’ wordt, staat me nog zo bij. 
    Uit het niets een wereld opbouwen is altijd een krachtmeting van de eigen geest, maar ik kan me voorstellen dat de research die een schrijver doet voor een toekomstverhaal qua inzet niet onderdoet voor die van een historisch verhaal. Waar je bij die laatste bronnen tot je beschikking hebt (geschiedenisboeken, kranten, ooggetuigenverslagen) moet bij die eerste bijna alles uit je eigen hoofd komen. Het moet kloppen, maar wat? En hoe? Dat is moeilijk te toetsen.
    Als schrijver kun je prima een wereld bedenken waarin de volledige aardbevolking, ik noem maar wat, vegetariër is geworden, maar dan heb ik wel graag dat je hebt nagedacht over de economische gevolgen hiervan. Of die voor het milieu. Eigenlijk wil ik dat de schrijver al mijn vragen voor is. Hij/zij hoeft ze niet allemaal te beantwoorden, zeker niet, als-ie zich maar bewust is van welke vingers er eventueel opgestoken zullen worden. 

    Een van mijn favoriete toekomstverhalen is de film Artificial Intelligence (2001). Er is veel op de film aan te merken maar ik kan nog volschieten bij de scène waarin David, onder water, tot de Blauwe Fee bidt. Toen ik de film opnieuw keek in gezelschap van iemand die filosofie studeerde, werd het ingewikkeld. ‘Als wij deze film zouden behandelen in de lessen zouden we het over deze scène hebben,’ begon de student, terwijl Monica in haar hypermoderne automobiel het beeld uitreed. ‘Zoveel moderne gekke dingen maar auto’s rijden wel gewoon nog over asfaltwegen?’ Precies waar je op zo’n moment – het drama! – niet aan wilt denken.
    Op internet stuitte ik op een schitterend illustratie bij het sprookje van De kleine zeemeermin. Toch er was iets geks mee. Ineens zag ik wat er niet klopte: een zeemeermin schonk thee in een porseleinen kopje. Voor een verhaal erkende ik probleemloos het bestaan van een vrouwelijk wezen met een vissenstaart. Maar onder water thee inschenken? Nee, joh. 

    Het slagen van een verhaal zit hem niet in hoe een (fantasie)wereld is opgebouwd, maar in wat deze toekomst met de personages doet. Het zit in dat schilderij van Jock. Of, zoals in De goede zoon, niet in een autorit maar in wat deze rit met de verteller doet. Hoe aanwezig en ingekleurd ook, in beide boeken is de toekomst maar achtergrond – niet waar het om gaat. Dat maakt het zulke mooie boeken.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.