• De ster

    Vannacht is de ster terechtgesteld. Zijn laatste wens – te mogen sterven met het hem zo kenmerkende rode sjaaltje om – is ingewilligd, en tot het allerlaatste moment prevelde hij de namen van zijn slachtoffertjes voor zich uit. Alleen mijn naam noemt hij twee keer, aan het begin en aan het einde.
    Ook ik heb de ster nagedaan, net als alle andere jongetjes in die tijd. Eindeloos oefende ik zijn danspasjes voor de tv en ik had bijna altijd een rood sjaaltje om.

    De ster werd gearresteerd in Bogota, waar hij zou optreden in een uitverkocht voetbalstadion. In een van zijn huizen, dat ook wel ‘het kasteel’ werd genoemd, waren eerder die dag de alkoven aangetroffen.

    In zijn twee jaar geleden verschenen en in de gevangenis geschreven autobiografie wijdt de ster weinig woorden aan de jongetjes. Hij vertelt alleen over hen in relatie tot zichzelf: ze hielpen hem zich levend te voelen, schrijft hij, en omdat hij zelf nooit kinderen heeft gehad, voelde hij zich genoodzaakt bezit te nemen van de jongetjes.

    Wij, de jongetjes van dit land, droegen sjaaltjes. Onze moeders kochten stukken stof voor ons op de markt. De vierkante rode lap vouwde je diagonaal dubbel en het was belangrijk dat de knoop iets scheef zat, dus niet precies midden in je nek, maar wat naar voren geschoven, aan de linkerkant.

    Ik won de imitatiewedstrijd en werd ontboden op het kasteel. Mijn ouders was verteld dat ik een van de vijftien winnaars was, maar nadat ik afscheid van hen had genomen en het toegangshek vol camera’s was doorgelaten, bleek ik de enige te zijn. De metershoge voordeur werd opengedaan door een soort butler, die, zo herinner ik het me nu, zijn best deed oogcontact te vermijden.
    Hij bracht me naar boven en aan het einde van een lange gang met trofeeën aan de muur liet hij me een kamer binnen. Daar lag de ster op de grond, in het midden van een groot rood kleed, hij zei dat ik langzaam en dansend naar hem toe moest komen.

    Keer op keer bekijk ik de korrelige opnames van zijn executie die een van de bewakers met zijn telefoon gemaakt moet hebben. Net als vroeger kijk ik telkens een stukje, zet de opname op pauze, oefen een paar keer, spoel iets terug, en beweeg dan met hem mee.
    Hebben de andere jongetjes ook onder het sjaaltje mogen kijken? En waarom liet hij mij gaan? Was ik niet goed genoeg, of zag hij in mij juist iets speciaals en heeft hij me daarom gespaard?

    De opname duurt iets minder dan drie minuten en ik heb al zijn bewegingen bijna onder de knie. Ik kleed me uit, doe mijn sjaaltje om, en scroll naar het begin van het filmpje. Nu moet het in één keer goed gaan.
    Ik ben ouder geworden, en veel minder lenig, maar het imiteren gaat me nog altijd goed af.
    Dansen is moeilijker dan doodgaan.

     


    Vincent Merjenberg (1983) werkt aan een roman. Eerder publiceerde hij verhalen in De Gids en Revisor. In het verleden werkte hij bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam

     

  • Vooruitgang

    Ik moest aan Honder jaar eenzaamheid denken. Dat kwam door de toestand in Venezuela waar ze het al dagen zonder elektriciteit moeten stellen. In Trouw stond een artikel Langzaam rot alles weg in Venezuela. De verslaggever merkt op dat vlees, vis en andere bederfelijke waar niet meer verkrijgbaar zijn. Winkels en markthallen zijn onverlicht. Er wordt geplunderd, de plunderaars worden gewelddadig gestraft. Door hyperinflatie werden er voor de stroomuitval al geen bankbiljetten meer gedrukt, door de stroomstoring is pinnen niet meer mogelijk. Een man die een tros bananen koopt (‘een beetje groene’) moet beloven dat hij het eens zal betalen. Venezuela krult zich gedeeltelijk om Colombia, waar de schrijver Gabriel García Márquez vandaan komt en er begin jaren zestig Honderd jaar eenzaamheid schreef.

    Ik ben aanhanger van de gedachte dat afhankelijkheid eens bekocht moet worden. Als er één radartje uitvalt van het systeem waar we ons dagelijks leven op bouwen, zakt de boel in elkaar. Zoals een brug het niet lang houdt zonder die ene moer die het lostrillen van onderdelen moet tegengaan.
    Ik pak het boek erbij. ‘Vele jaren later, voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendia denken aan de lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs dat de verrotting van bederfelijk voedsel zou tegengaan.’ Deze openingszin deed me toen beseffen dat een ijskast ooit een toekomstdroom was. De derde zin, ‘De wereld was nog zo jong dat vele dingen nog geen naam hadden en om ze te noemen, moest je ze aanwijzen met je vinger.’ verleidde me onherroepelijk tot doorlezen. Nog steeds, als ik deze zin lees, scherpt het mijn blik, alleen nu meer op het verleden waar het voorheen op de toekomst was gericht.

    De geschiedenis als tijdsbubbel waarin alles aanwezig is dat nodig is om het leven in beweging te brengen, ten goed of ten kwade. Waar soms wat van zolder wordt gehaald dat er eerder (ongewenst geacht of uit de mode) naartoe was verbannen maar toch weer dienst kan doen. In Honderd jaar eenzaamheid herhaalt de geschiedenis zich voortdurend zonder werkelijke vooruitgang of verbetering. De eerste generatie Buendia begint met Kolonel Aureliano, die na de dood van zijn grote liefde, de oorlog ingaat en tijdens zijn omzwervingen zeventien vrouwen zwanger maakt. Alle zeventien bevallen ze van een zoon, Aureliano genaamd. Vijf generaties later verliest de laatste Aureliano zijn vrouw tijdens de geboorte van hun zoontje. Hij raakt aan de alcohol en verwaarloost zijn zoontje, dat sterft. Daarmee eindigt het verhaal.

    Het artikel in de krant eindigt met de observatie van een vrouw die een paar zakjes ijs voor drie dollar per stuk koopt bij een vrachtwagen. Door gebrek aan functionerende ijskasten deden ijsblokjes bijeen gehouden in een zakje, het weer goed. De vrouw kan, dankzij het geld dat familie haar vanuit het buitenland stuurde, een paar zakjes kopen. Onder de verzuchting ‘Net de Middeleeuwen’ loopt ze ermee weg. In Venezuela bijt de vooruitgang zichzelf in de staart.

     

    De 73e druk van Honderd jaar eenzaamheid verscheen in 2017 bij uitgeverij Meulenhoff, vertaling Mariolein Sabarte Belacortu en C.A.G. van den Broek.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Een lorriewagen door het landschap

    Ik weet niet wat ik zie. Het lijkt een boomgroep met wat huizen eromheen die in de verte als een schip voor anker is gegaan. En links daarvan een oude treinrails op een dam vol kweldergras die ergens oplost in de zee. Achter mij gaat die roestige rails de dijk op om op het vaste land (Festland, noemen ze dat hier) zijn begin- of eindpunt te vinden, afhankelijk van of je vertrekt of aankomt.
    De boomgroep in de verte is een Hallig, lees ik later. De Halligen is een groep eilanden die geen natuurlijke bescherming hebben. Geen breed strand, geen duinen of een rotskust die het water keert. Het huis, de kerk, de boerderij is op een terp gebouwd en bij hoogwater loopt de omgeving onder. Landunter, heet dan het land.
    Als je op de Hallig Oland woonde kreeg je de beschikking over een lorrie (een hoge kist op wielen met twee bankjes) en met een zwengel kon je die kist via de dam op de rails naar Dagebüll rijden, achter de dijk waar ik nu zit. Zo was het. Dacht ik.

    Hoe bepaal je op zo’n enorme vlakte of er iets beweegt? Ik vergelijk twee punten met elkaar. Een witte paal op de kwelderdam, vanaf hier gezien de grootte van een lucifer en daarnaast een minuscuul zwart blokje.
    Gezichtsbedrog? Nee, verdomd. Zie ik het goed. Op de vlakte wordt de afstand tussen paal en blokje groter. Er beweegt iets. Een lorriewagen op de rails? Misschien komt de tijd van toen naar mij toe.
    De kist wordt groter, ik hoor de wielen bonken op de rails. Het wagentje heeft zelfs een dak, ik zie vier hoofden. Iemand zwaait naar me, steeds sneller komen ze mijn kant uit. Ik zwaai terug. De lorrie klimt de dijk op. Ik ren langs de rails, de kist passeert me.
    In een rommelige ruimte vind ik het eindpunt, er staan nog meer lorries. De mannen stappen uit en tillen zware tassen. Ik besluit dat ik alleen van deze plek vertrek als ik in die lorrie mee naar Oland kan.

     

    Een man – kalend, brilmontuur met gouden randen, een gepensioneerde internist, zoiets – maakt aanstalten om met de lorrie terug te keren. Ik begin een praatje. Hij heeft op Oland een huis gekocht en opgeknapt. Het is bijna klaar en hij heeft de werkers naar het Festland gebracht. Of ik met hem mee terug mag, vraag ik, even maar. Hij knikt vriendelijk maar weigert. ‘We willen sinds jaren geen bezoekers meer.’ Hij benadrukt het woordje ‘we’. Hij woont er nog maar net maar spreekt namens de anderen alsof het zijn beste vrienden zijn. Ik herhaal mijn verzoek niet, probeer hem af te leiden. Hij vertelt over de geschiedenis van de Halligen. ‘Ons erfgoed,’ zegt hij. ‘Als Halligers strijden we (toe maar) bij het Bundesland voor geld voor onderhoud. Het is immers een verdedigingslinie voor het vaste land vooral nu het klimaat verandert. In feite een wereldwonder…’

    Ik vertel hem dat ik publiceer over de wadden en dat ik graag zijn Hallig zou bezoeken. Hij kijkt omhoog, lijkt voors en tegens af te wegen. ‘Er komt een fotografe mee,’  zeg ik. Hij ziet zich staan voor zijn huis, een mooie foto van onderaf genomen. Afgedrukt in een glossy tijdschrift, dat achteloos op zijn salontafel ligt. Kan hij dat maken naar de andere bewoners die er al generaties wonen?
    ‘Nee,’ zegt hij te resoluut, ‘dat doen we niet.
    ‘Vanaf Schlüttsiel gaat er één keer per dag een veerboot naar de Halligen Hooge en Langeneβ. Als u langs de dijk fietst ziet u vanzelf de haven.’

    Met een flinke tegenwind ben ik na drie kwartier in Schlüttsiel. Een haventje, een restaurant, een openbaar toilet en dicht bij het water een wit hokje. ‘Tickets WDR’ staat erop een bord. Het is hier doodstil.
    Ik kan een kaartje kopen voor morgenochtend, de enige afvaart. Maar de dame achter het loket raadt het me af. Wellicht is er een plotselinge getijdeverandering of onverwachte storm, dan varen we niet uit, zoiets zegt ze, maar dan heeft u wel betaald. Ik weet niet of ik haar goed begrijp en krijg ineens ontzettende trek in een koud glas bier. Nee, ik koop nú een kaartje. Ze trekt haar schouders op.
    Bij het restaurant lees ik op de deur: ‘We zijn geopend van 11.30 tot 21.00 uur’. Op de deurpost een sticker: ‘Diesen Unternehmen sichert Qualität durch Ausbildung.’ Dat belooft wat, ik zie de tweede pils al voor me.
    Het is 17.30 uur. De deur is op slot.

    wordt vervolgd


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde maar heen en weer springend.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Plusjes en minnetjes

    Er was weer tijd om over de liefde na te denken. Ik dacht: wat is het toch verschrikkelijk hoe ik mijn geliefden beoordeel, hun plusjes en minnetjes tegen elkaar afweeg op criteria als intelligentie, daadkracht, enthousiasme voor het leven, enthousiasme voor mij, zelfstandigheid, emotionele stabiliteit en schoonheid. Hoe ik mijn ideale geliefde samenstel uit de positieve eigenschappen van alle geliefden die ik heb gehad. Wat intellectualiteit van A, aangevuld met het praktische inzicht van B en de algemene gezelligheid van C. Alsof het gebruiksvoorwerpen zijn in plaats van mensen.

    Er was ook weer tijd om te lezen. Ik las het enige door een vrouw geschreven literaire boek dat ik had kunnen vinden in de AKO op Schiphol: The Ministry of Utmost Happiness van Arundhati Roy. De achterkant, de binnenkanten en de eerste paar pagina’s stonden vol met lovende citaten uit Indiase, Engelse en Amerikaanse tijdschriften en kranten. En de recensieschrijvers hadden gelijk. Het was een bijzonder goed boek. Het had een mooie taal, een wervelend verhaal, intrigerende hoofdpersonen, scherpe maatschappijkritiek en verrassende vormen van vriendschap en liefde. Het was een boek dat ik zou willen kunnen schrijven, maar het was te boeiend om me daar tijdens het lezen druk over te maken. Ik kon het niet meer wegleggen.

    Pas op twee derde van het verhaal bleef ik ergens haken, bij een passage over oorlogsstrategie, maar dat lag aan mij, dat wist ik, want dat heb ik altijd bij boeken waar oorlog in voorkomt. Als het over strategie gaat, ga ik uit. Mijn brein kan zich er niet mee verbinden. Ik ben ook niet goed in schaken, dat heeft denk ik dezelfde oorzaak. Een hiaat in mijn begripsvermogen. Hoe dan ook, ik kon het het boek niet kwalijk nemen, en bovendien was ik op dat punt al zo gehecht aan het verhaal dat het me er niet meer van kon weerhouden verder te lezen.

    Toen het boek uit was, had ik opnieuw tijd om over de liefde na te denken. Ik dacht: je zou een geliefde misschien wel met een boek kunnen vergelijken. Daarmee zou je de geliefde niet beledigen. Een boek is geen gebruiksvoorwerp, het is veel meer dan dat. Het heeft minstens, als het een goed boek is, zo veel eigenheid en diepgang als een mens. En ik stelde me een geliefde voor als een boek dat je niet weg wilt leggen, bij wie je vergeet om plusjes en minnetjes uit te delen. Eentje met lovende citaten op zijn voorhoofd. En dat je als je het saaie, vervelende stuk tegenkwam zeker wist dat het aan jou lag en niet aan hem. Dat je dan, hoe dan ook al te gehecht aan hem was om hem nog weg te willen leggen.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Saffraanperenboom

    De tuinbonen staan te weken op het aanrecht. Het weekwater haalde ik gisteravond uit de regenton achter het huis. Vijfentwintig gerimpelde, tot in hun kiem verdroogde tuinbonen schudde ik vanuit een zakje in mijn hand en liet ze in het bakje glijden waar ze zich lispelend en knisperend volzogen met minuscule waterelementen. Straks gaan ze de grond in, vijf centimeter diep. Terwijl ik de tuin inloop denk ik aan de schrijfster wiens boek Moord op de moestuin diezelfde avond bij dwdd tot ‘Boek van de maand’ werd uitgeroepen. De boekverkoopster die het mocht onthullen liep over van enthousiasme: ‘het sleurt je naar binnen…, een whodunit…, droogkomisch…, met vaart…’, en eindigde tenslotte met: ‘Ik heb zó genoten jonge.’ (inderdaad zonder ’n’). En ik, die altijd geërgerd de stickers van gelauwerde boeken afpeuter, voelde geen aversie tegen dit Himmelhoch bewonderen.

    De karakters in Moord op de moestuin zijn, zoals in de Engelse detectiveserie Midsomer Murders, vormvast in hun handelingen. Met hier en daar een kleine afwijking in hun gedrag waardoor ze (oh heerlijke suspense) voor even de mogelijkheid van verdachte claimen. Er is een dertig jaar oude vermissingszaak en er vallen doden, al dan niet door moord. Bijzonder is de rol van een honderdjarige saffraanperenboom, de enige in zijn soort in Nederland. Ik had er geen weet van en zocht het op. In 1652  liet Jan van Riebeeck in Zuid-Afrika een park aanleggen voor groente en fruit om de VOC-schepen te kunnen voorzien van vers voedsel om scheurbuik te voorkomen. Anno 2019 staat er in het Van Riebeeckpark in Zuid-Afrika de oudste saffraanperenboom ter wereld, die blijkt uit Nederland afkomstig.
    Het voortbestaan van de saffraanperenboom in het moestuinencomplex is aanleiding tot een van de moorden.

    In de ik-figuur Judith is (voor wie de Faxen aan Ger gelezen heeft) de schrijfster te herkennen. Als de vrouw die zwijgen kan wanneer dit nodig is maar die, als ze spreekt, op het puriteinse af eerlijk is. Ook als Judith een herinnering wil delen en de anderen roepen: ‘Dat weten we al uit je boeken!’, is zo’n mooie verwijzing.
    Wanneer halverwege het boek de ontwikkelingen opeens wel erg snel gaan, deelt ze met onderstaand fragment een knipoog uit aan de lezer.
    ‘Tante Lidewij stierf nog diezelfde dag. Volgens Cora was zij over het hek rond haar bed geklommen omdat in haar verwarde geest toch iets was blijven hangen van de terugkeer van haar man [de schedel van haar vermiste man was gevonden]. Ook haar dood konden we hieraan toe schrijven, ze had gewacht tot hij terugkwam en toen het leven eraan gegeven.
    Het klonk allemaal wat al te mooi en ik zag dat Thijs bedenkelijk keek, maar het was toch troostrijk.’

    Ik stel me zo voor dat de man van de schrijfster, die in het boek de rol van Thijs kreeg, haar eerste lezer is. Dat hij bij deze passage de wenkbrauwen fronste en vroeg: ‘Is dit niet wat al te mooi?’ En inderdaad, dat is het. Maar door de manier waarop het er staat, wordt het Meesterlijk.
    Nu wil ik dus ook die dwdd sticker op mijn boek.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Ansichtkaarten

    Het was niet te doen, het was werkelijk niet te doen, alleen achterblijven in de stad terwijl de anderen waren weggegaan, in de bus gestapt, het vliegtuig, teruggevlogen naar huis, terwijl ik nog een dag moest wachten, overnachtend in een kleine hotelkamer zonder daglicht, zonder liefde, zonder de anderen, met alleen een kleine waterkoker op een plastic voet met twee precies in de gaten van de voet passende plastic theekopjes om me te troosten.

    Het was niet te doen, op een trapje zitten in het drukste stukje van de haven, kijkend naar de schommelende boten, de verkopers van spullen op kleden, de skaters, de muziekluisteraars, de wandelmensen, de gezinnen, de stellen, het veel te hard blaffende hondje, de groepen vrienden en de mensen in zakenkleding die bijna thuis waren, met alleen een pen en een paar ansichtkaarten die bedoeld waren om naar de anderen te sturen, maar die nu bij gebrek aan notitieblaadjes werden gepromoveerd, of gedegradeerd, tot dagboekpagina’s, dagboekpagina’s van één euro twintig per stuk, en dat met een stroom van gedachten die met een gewone pen niet bij te houden was, maar gelukkig was er ook nog het zakje van de kaarten, dat had geen geld gekost, het was bij de prijs van de kaarten inbegrepen geweest en het had een voorkant, een achterkant en twee binnenkanten die konden worden beschreven, meer dan genoeg ruimte voor uitingen van eenzaamheid, want dat was het centrale probleem waarover moest worden geschreven, over de afwezigheid van iemand om mee te praten, aan te raken, vast te houden of te slaan, en het enige wat hielp om het gebrek aan deze persoon of personen weg te nemen was om het naar het papier te verplaatsen, desnoods papier op ansichtkaartformaat van één euro twintig per stuk, desnoods papier dat bedoeld was als kaartenzakje, desnoods met het risico dat ik de zon niet zou zien ondergaan boven de haven omdat ik naar beneden aan het kijken was, als het verlangen naar de anderen maar kon worden opgeschreven, zodat het niet zo in mijn hoofd hoefde te blijven hangen, en in mijn armen en mijn benen en het stuk dat ertussen zat, als het maar naar het papier kon verhuizen, of als dat niet kon, als het papier dan straks in ieder geval maar van het verlangen kon getuigen, en van het feit dat het niet te doen was, dat het eigenlijk niet kon, alleen achterblijven in een stad terwijl de anderen al bij hun eigen mensen en hun eigen boeken en hun eigen bedden waren, helemaal alleen met het vooruitzicht op een kleine warme hotelkamer zonder daglicht, een pen, een paar ansichtkaarten in een zakje en een ondergaande zon boven de haven.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Mijn zoon

    Mijn zoon is zes maanden oud en kan al heel behoorlijk praten. Als hij honger heeft zegt hij dat hij melk wil – ‘warm, maar niet heet’ – en als hij moe is vraagt hij of ik hem zijn slaapzakje wil aantrekken en in bed wil leggen.
    Soms zegt hij dat hij zich ‘een beetje zwaar’ voelt en moet ik hem troosten.

    Steeds vaker vraagt hij hoe het met mij gaat. Hoe mijn dag is geweest en wat voor boek ik lees, of hoe het nieuwe vaderschap me bevalt en of het wel goed gaat met zijn moeder en mij; het moet toch zeker een hele aanslag zijn op een relatie, het krijgen van een kind. Waren wij eerst niet altijd met zijn tweeën? En hadden wij niet kortgeleden nog maar alle tijd voor elkaar?
    Ik probeer hem dan zo eerlijk mogelijk antwoord te geven – ik vind eerlijkheid belangrijk in de opvoeding – en verbaas me er telkens weer over hoe wijs hij dan reageert, begripvol ook, en op zulke momenten moet ik mezelf er echt aan herinneren dat hij nog maar zes maanden oud is. Dat zijn leven nog altijd korter is dan (bijvoorbeeld) de reizen die zijn moeder en ik vroeger hebben gemaakt.
    ‘Pappa’, zegt hij dan, ‘ik denk dat mamma het niet zo slecht bedoelt wanneer ze je voor gek verklaart. Voor haar is het ook een hele omschakeling en ze heeft natuurlijk veel aan haar hoofd, zeker nu ze weer begonnen is met werken. Echt, ze komt heus weer terug, en je moet erop vertrouwen dat ze nog altijd hartstikke trots is op jou en veel van je houdt,’ en vervolgens geeft hij een opsomming van alles wat ik in zijn ogen goed doe.

    Met voorlezen neemt hij al een tijdje geen genoegen meer, en op die momenten zie ik een heel andere kant van mijn zoon. ‘Verzin zelf eens wat,’ zegt hij dan, ‘leg de lat nou eens wat hoger.’
    Maar ook als ik hem vervolgens mijn eigen verzinsels vertel is hij meedogenloos: ‘clichématig’ zegt hij dan verveeld, of hij haalt zijn neus op, letterlijk, en begint met een van zijn speeltjes op de rand van de box te slaan.
    Een keer las ik hem een verhaal voor dat ik net had afgemaakt en toen ik klaar was zei hij eerst een hele tijd niets. Toen draaide hij zich naar me toe en met een uitdrukkingsloos gezicht poepte hij zijn luier vol. Zo liet hij me het verhaal telkens weer herschrijven en pas toen het in zijn ogen perfect was sprak hij weer: ‘Mooi,’ zei hij, ‘je beste tot nu toe.’

    Met vallen en opstaan leert hij nu zelf schrijven. Hij verkiest, gek genoeg, de pen boven het toetsenbord en hoewel zijn verhalen soms nog wat onbeholpen zijn herken ik in zijn stijl – die tegelijkertijd sinister en warmbloedig is – een groot talent. Ze gaan allemaal over zijn moeder.

     


    Vincent Merjenberg (1983) werkt aan een roman. Eerder publiceerde hij verhalen in De Gids en Revisor. In het verleden werkte hij bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam.

     

  • Een tirade van…

    Het leek een leven geleden dat ik me onder flanerende wandelaars en fietsers bevond. Met geknepen ogen tegen het zonlicht fietste ik over de dijk. Halverwege knoopte ik mijn jas open, trok de sjaal los van mijn hals. Wat een lentedag. In de bocht van een landweg zat een zilverreiger in de berm. Toen ik dichterbij kwam, vouwde de reiger zich in een oogwenk om tot een liggende witte steen. Nu zag ik meerdere witte stenen, om een bocht in de weg te markeren. Een waarneming voor een gedicht. Het zou ‘origami’ kunnen heten. Maar ik ben geen dichter, wel een lezer van gedichten. In die hoedanigheid las ik een Tirade van eind vorig jaar. Lang voor de ‘Week van de Poëzie’ begon, was deze Tirade geheel gewijd aan poëzie. Je moet niet overal op in willen spelen zullen de makers van het blad gedacht hebben.
    In de laatste rubriek van het blad, ‘De tirade van…’ – waarin een schrijver zijn hart inzake de literatuur mag luchten – schrijft Alfred Schaffer ‘Poëzie mag best een beetje moeilijk zijn’.

    Schaffer gaat tekeer (nouja, tekeer,… hij is verongelijkt) tegen al diegenen die poëzie niks vinden. In het bijzonder tegen muzikante Eefje de Visser. Hij verwacht van Eefje – gezien haar teksten – enige affiniteit met poëzie te hebben. Dat heeft ze niet. Ze is oprecht wars van poëzie. Terwijl haar teksten pure poëzie zijn, meent Schaffer. Maar Eefje zou ze niet gedrukt willen zien, ze gelooft niet dat iemand dat wil lezen: poëzie. ‘Poëzie kan ik heel goed verdragen als het in popmuziek is verwerkt, maar poëzie lezen in een bundel vind ik maar zelden zeer interessant.’ Een opmerking te eenvoudig om je lang druk over te maken. Eefje is een niet-lezer van dichtbundels. Daar valt niets mee te beginnen als je het over poëzie wilt hebben.
    Zoals bij elke goede tirade, komt pas halverwege de aap uit de mouw, datgene waar het ten diepste om gaat.

    Bij Schaffer gaat het om de verwachting dat poëzie leesbaar en begrijpend moet zijn. Hij vindt dat poëzie niet alleen gericht op ‘directheid, verstaanbaarheid en instemming’ moet zijn. Dit onderstreept hij met een citaat van de Amerikaanse dichteres Dorothea Lasky: ‘Poets should get back to saying crazy shit. All of the time.’ Wat hij een (bijna) cliché vindt, maar ook: ‘clichés zijn waar’. Ik had nog nooit van Lasky gehoord, ook dit citaat was me onbekend. Als een gedicht teveel van me vraagt, blader ik door. Uit luiheid. Daar schaam ik mij nu wat voor, nu ik Schaffer over poëzie heb gelezen. En dan nog die laatste regels, waarin hij aanhaalt wat een leraar eens tegen dichteres Maud Vanhauwaert zei: ‘Maak jij maar iets waar niemand op wacht.’ Schaffer gunt iedereen zo’n leraar.
    Wie nu deze Tirade (nr. 473) in handen krijgt: lees eerst Alfred Schaffers tirade en dan de gedichten in het nummer. Want in het licht van Schaffer spelen er krachten mee die dwingen verder te kijken. Dan ga ik op zoek naar iets moeilijks, iets van Dorothea Lasky.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Polonaise

    Nergens aan de Duitse waddenkust heeft de mens zo duidelijk zichtbaar ingegrepen.
    Vanaf de 12e/13eeuw was ‘Wer nicht will deichen, der muβ weichen’ hier in Ditmarschen, ten noorden van de Elbe, het motto. De polders dragen namen van prominenten uit de geschiedenis. Kaiser Wilhelmkoog, Kaïserin Auguste Viktoriakoog en wat nu de Dieksanderkoog heet was ooit de Adolf Hitlerkoog. Toch, – ik sta nu op de dijk bij Warwerort -, is dit een plek waaraan de vooruitgang lijkt voorbij gegaan. Deze Duitse dijk – tot nu toe zag ik ze als strak, schoon en sterk – blijkt een gezellig rommeltje. Het gras is hoog, dat krijgen de schapen hier niet weg en de dijk zit vol kale plekken. Een bankje, hét uitzichtpunt op de horizon vol avondrood, staat stijf van de hard geworden meeuwenpoep.
    De eigenaar van de bistro/camping onder aan de dijk heeft op een strook krantenpapier mijn naam geschreven en mij de sleutel voor het toiletgebouw overhandigd. Die ouderwetserigheid bevalt me wel. Een vrouw met stok wandelt kromgebogen tussen dijk en bistro heen en weer, misschien is dat zijn moeder. Seeschwalbe heet het hier.

    De volgende ochtend tref ik de eigenaar in een wit astronautenpak, hij spuit met hogedruk de groene aanslag van de muren van de bistro. ‘Frühlingfertig machen?’ vraag ik in mijn beste Duits. Hij lacht. Ik schat hem even in de zestig, altijd in een goed humeur, vermoed ik.
    Achter de dijk fiets ik naar Büsum – ooit een eiland, nu een havenstadje. Onderweg stap ik af bij een strand aan de dijk. Het gras is hier met een handschaartje geknipt, strandstoelen in strak gelid, aan een lantarenpaal een houder met plastic zakjes met daarop ‘Hunde-Kot-Beutel’. Beneden aan de dijk een douche, een bankje en een kraan. Aan alles is gedacht. Twee vrouwen ondersteunen elkaar giechelend als ze hun voeten wassen.

    Om het strand op te gaan moet je een kaartje kopen. Ik vertel de man achter het loket (beambte heet dat hier, denk ik) over mijn bezoek aan het eiland Just*. ‘U heeft toch niet per ongeluk met uw handen in de zeeklei van Just gegraven?’ vraagt hij vanonder zijn morsige baard. ‘En onder uw nagels een stukje van ons beroemde erfgoed meegenomen? Pas op! Straks hebben wij niets meer op trots op te zijn…’

    In het museum van Büsum zie ik de werkelijke trots van deze streek: foto’s van dijkenbouwers en garnalenvissers. Ik leer dat ‘Krabbe’ niet ‘krab’ betekent maar Noordzeegarnaal, dat de Weinachtsflut uit 1717 een straf van God was, en dat de overlevenden zich verzamelden op de Kretjenkoog omdat daar de dijk het hield. Het is de plek waar nu mijn camper staat.
    Ook in Büsum ontstond de badcultuur. Hier werd een Kurhaus neergezet en het wadlopen ontdekt. Vanaf het einde van de 19eeuw wordt dit begeleid door een muziekensemble, jaarlijks wordt een Waddenburgemeester benoemd en dansen de Duitsers de Waddenpolonaise. De volgende is in augustus op het wad vlakbij camping/bistro Die Seeschwalbe, lees ik.
    In mijn camper lees ik ’s avonds De Wadden in gedichten, een bloemlezing van Henk van Zuiden. Morgen reis ik weer verder.
    Bij mijn vertrek betaal ik in een hokje aan de zijkant van de bistro. Daar zit de vrouw die ik kromgebogen met een stok zag lopen toen ik hier aankwam. Ze is niet de moeder van de eigenaar maar zijn vrouw. Ze heeft haar heup gebroken, ‘maar straks kan ik weer dansen’, zegt ze. Aan haar oogopslag zie ik dat ze hier de baas is, niets ontgaat haar.
    Als ik wegrij zie ik haar voor me op het wad, met haar man in dat witte astronautenpak. De waddenburgemeester geeft het sein. Het orkest zet in. Ze dansen.

    *) zie blog Kunsterzieher


     

    Hans Muiderman bezoekt graag de eilanden en de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

  • Gedroomde eindes

    Ik vraag me af of ik aan het dromen ben. Niet omdat er iets geks gebeurt, ik zit gewoon te schrijven op de bank, maar ik heb gelezen dat je lucide dromen kunt krijgen door je overdag regelmatig af te vragen of je droomt. Een dezer nachten hoop ik te beseffen dat ik droom, zodat ik de droom naar mijn hand zal kunnen zetten.
    Deze bijvoorbeeld, die regelmatig terugkeert: ik ben weer samen met een van mijn minder fijne exen en ik besef dat ik de relatie wil beëindigen, maar ik doe het niet. Ik zeg tegen mezelf dat ik het straks wel zal vertellen, maar dat ik nu het spelletje nog even meespeel, en ik blijf meespelen tot de droom voorbij is.

    In de verhalenbundel Dingen die we verloren in het vuur van de Argentijnse Mariana Enriquez ontmoette ik een personage dat me aan mijn droom deed denken: een vrouw die ‘veel te snel’ getrouwd is en een enorme hekel aan haar man heeft. Ze besluit hem mee te nemen naar haar oom en tante, in de hoop dat vreemde ogen hem leuker zullen maken. Het omgekeerde gebeurt: ze ziet nu echt in dat ze genoeg van hem heeft, en haar familieleden zien het ook. Desondanks neemt haar nicht het echtpaar mee op een reisje van Argentinië naar Paraguay. Op de terugweg krijgen ze autopech. Ze worden opgepikt door een vrachtwagen en overnachten in een truckershotel, waar de hoofdpersoon tot diep in de nacht aan de bar blijft hangen om te luisteren naar horrorverhalen over verdwijningen. De volgende ochtend blijkt dat haar echtgenoot weg is, zijn bed onbeslapen, zijn bagage verdwenen – opgelost in het niets.

    Ook in de andere verhalen hebben de personages van Enriquez geen enkele moeite zich van ongewenste geliefden te ontdoen. Eentje laat haar vriend op straat liggen tijdens een paniekaanval door een verkeerde dosis drugs, een ander ruilt haar man in voor een op straat gevonden schedel die de liefkozende naam Delletje draagt.
    De hoofdpersonen zelf komen er trouwens ook niet altijd goed vanaf. Een vrouw die lichtelijk in de war is, wordt verlaten door haar vriend omdat hij denkt dat ze spoken ziet, en inderdaad, ze ontdekt een klein monsterachtig kind met vlijmscherpe puntige tanden in het huis van haar buurman. Het verhaal eindigt in haar eigen slaapkamer, met het kind dat op haar afkomt en de gedachte dat ze weet dat ze niet droomt, omdat je in dromen geen pijn kunt voelen.

    De eindes van Enriquez zijn nachtmerrieachtiger dan mijn engste dromen. Ik was blij het boek dicht te kunnen slaan met de gedachte dat het maar verhalen waren. Dus als ik straks wakker word in een droom ben ik niet van plan hem in een nachtmerrie à la Enriquez te veranderen. Maar een klein beetje meer in de geest van haar verhalen dromen lijkt me wel wat. Misschien kan ik de volgende keer als mijn ex in mijn droom verschijnt, zeggen dat ik helaas verliefd ben geworden op een schedel.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Iets ongemoeids

    Een druilerige zondagmiddag dient om te lezen, boek op bank. Al wordt het steeds moeilijker onbevangen te lezen. Het gebeurt te vaak dat in één week een boek en zijn schrijver op radio/tv èn in de opiniebladen breeduit besproken wordt. Dat er nog andere boeken bestaan buiten die uitzonderlijk lovend en doorbesproken boeken, lijkt nauwelijks een mogelijkheid. De veelheid aan reacties op de nieuwe roman van Pfeiffer maakte mij uiteindelijk leesdoof (de betekenis kon ik niet zo gauw vinden maar het is zoiets als wanneer de inhoud van een boek zo vaak en meerstemmig geduid is, dat je niet meer kunt horen wat de schrijver vertelt). Ik zocht dus iets ongemoeids, een boek waarnaar niemand nog taalde.

    Vanaf de bank tuurde ik naar de stapels boeken op de grond, (de bank een boot, de boeken het water waarop ik drijf), en zag De wateraap. Een witte cover waarop een dierlijk schepsel met een vogeltje op zijn puntige oor op de rug van een goudbruine vis met kippenpoten zat. Wezens van een ander land. Een debuutroman van een mij onbekend auteur. Er zijn schrijvers die in hun proza lijken te roepen ‘kijk mij, kijk naar mij!’ En er zijn schrijvers die zich verbergen voor de lezer, die lijken van geen lezer te weten. Zoals het werk van Minke Douwesz en Miek Zwamborn, daar moest ik aan denken toen ik in De wateraap begon te lezen:
    ‘Naar de slapenden kijk je niet, naar de doden wel. Zonder schaamte. We vonden hem ’s ochtends, liggend in een krul alsof hij sliep, zomaar een ding geworden. Ko legde haar hand op haar smalle keel, alsof ze de groeven en plooien wilde beschermen, en zei dat het nu begonnen was. Ik keek weg. Ze zei het tegen zichzelf, niet tegen mij.’

    Die ‘mij’ is Elke, student biologie, die haar afstudeeronderzoek richt op het fruitvliegje en zijn alcoholadaptatie. ‘Waar het op aankwam was steeds maar weer bewijzen dat de evolutietheorie klopte.’
    Wat daar ligt, ‘in een krul’, is een dode vos. Ko is een zelfvoorzienende oudtante en woont in een huisje onderaan de dijk bij de IJssel. De vos, Ko en de rivier zijn de peilers in deze roman waar de wateraap zich omheen slingert.
 Elke logeert veel bij Ko en helpt met de groentetuin. Elke is zoekende, naar een huid waarin ze past, een identiteit, een oorsprong die haar ruggensteun geeft. Ze gelooft in de hypothese van de wateraap. Een hypothese die aanneemt dat onze voorouders lange tijd in water hebben geleefd. ‘…hoe hij ooit door het water had gewaad, rechtop, met trage passen, hoe zijn handen tot de polsen in het water hingen, de vingers gespreid,…’.

    Elke verlaat Ko en gaat op reis naar Wenen, waar ze de schrijfster van haar lievelingsboek over de wateraap zal ontmoeten. Het wordt een enorme deceptie, die het boek naar een intens mooi beschreven einde leidt.

    Daarbij heb ik nog nooit in de literatuur zo’n mooie echo van Rutger Kopland horen weerklinken als in De Wateraap:
    ‘Ik verzweeg hoe het was om op je knieën sla te oogsten. Wanneer je met een blikkerend mes de krop van de aarde lossneed, bleef het bittere melksap nog even doorstromen, de voldongen feiten tartend. Maar het was vooral de aanblik van een leeg geoogst bed dat ik slecht verdroeg.’
    Een boek om stil van te worden. Laat Mariken Heitman de lezer vergeten en verder schrijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Rol

    Een verhaal van mij, over een mislukte acteur, zou verfilmd worden en de regisseur vroeg mij de hoofdrol te spelen. Hoe acteer je een acteur, was de eerste vraag die ik mijzelf stelde, en omdat ik überhaupt nog nooit geacteerd heb, vroeg ik me onderweg naar L.A. nog wel méér af.

    Ze hadden mijn hele verhaal gereconstrueerd: in een gebouw dat er van buiten uitzag als een hangar was een theater nagemaakt. In het midden bevond zich een podium, het was net echt, en daaromheen stonden stoelen van rood pluche, op sommigen zaten figuranten. Ze waren van vlees en bloed maar leken op mijn personages. In mijn verhalen beschrijf ik personages met slechts één uiterlijk kenmerk, maar desalniettemin (of juist daardoor) staan ze mij en mijn lezers altijd zeer precies voor ogen. Het was dan ook vreemd ze zo te zien zitten, precies zoals ik ze bedoeld had. En gek genoeg keken zij mij ook vreemd aan toen ik door het gangpad naar het podium liep: alsof ze in mij hun schepper herkenden.

    Theater heb ik altijd verafschuwd. Je hebt film en je hebt literatuur. Dus waarom is er theater? Om te klappen voor iemand die een kunstje doet?

    Deze opvatting vormde het uitgangspunt van mijn verhaal over de middelmatige acteur, en dat ik hier nu stond – op een podium, in een theater, in een studio in de schijnwereld van Los Angeles – kwam op een vreemde manier op mij over als een zoete wraak van mijn verhaal op mijzelf; je kunt een verhaal immers zien als een acteur die geregisseerd is door zijn schrijver, nietwaar, en mogelijk had ik het mijne gekwetst.

    Dus daar stond ik dan, op mijn zelfverzonnen podium – met ‘middelmatig’ zou je mij als acteur te veel kwaliteit toekennen. Ik had mijn kostuum al aan en samen met alle anderen – velen van hen professioneel acteur, vermoed ik – wachtte ik op de regisseur.
    We hadden al eens gefacetimed, dus ik dacht te weten hoe hij er uitzag, maar dat bleek niet het geval: door de lichtgevende kier die piepend groter werd tussen de enorme loodsdeuren betrad een vreemd mannetje de set. Zijn schaduw was enorm, hijzelf minuscuul, en zijn gezicht – dat ik inderdaad al kende van onze digitale kennismakingen – vloekte zo met zijn lichaam dat zijn voorkomen in het geheel me als volstrekt onbekend voorkwam.
    Hij nam plaats op een klapstoeltje helemaal vooraan dat buiten beeld moest staan; hij trok zich niets aan van de camera’s die om hem heen zwierden, en ook nadat de kleine lichtjes net naast de lenzen rood opgelicht waren, bleef hij druk gebaren. Hij beeldde uit hoe ik mijn eigen verhaal moest vertolken. Hij schreeuwde zinnen die ikzelf geschreven had.
    Ik bracht er helemaal niets van terecht, het leek allemaal nergens op. Toch stond de regisseur na een paar uur ineens op vanuit zijn stoel en riep opgetogen ‘cut!’.

    Iedereen in de hangar begon te klappen, en ik deed ook maar mee. Diezelfde dag nog vloog ik weer naar huis, vreemd voldaan.

     


    Vincent Merjenberg (1983) werkt aan een roman. Eerder publiceerde hij verhalen in De Gids en Revisor. Eens werkte hij bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam.