• Pessoa

    Soms kan ik niet op een woord komen. Dan dwing ik mijn gespreksgenoot te wachten door de ogen dicht te knijpen en dramatisch het hoofd te schudden, handen beelden uit. We wachten. Met wat geluk dient het woord zich aan, bevrijdend als een nies. Maar af en toe blijft het ergens plakken, in een verbaal voorgeborchte stel ik me zo voor want als ik het zo noem, heeft het tenminste klasse. Dan hoef ik me niet af te vragen of ik het woord even kwijt ben of voorgoed. Bovendien, iedereen mist weleens iets.
    Een paar maanden geleden zag ik de MRI scan van mijn eigen hersenen: een dwars doorgesneden bloemkool. Het zijn de vlekjes littekenweefsel her en der die ruis op de lijn kunnen geven. Ineens is het aanwijsbaar, waar de materie geestelijk wordt. 

     Ik hou van woorden, ik ben woorden. Dus leer ik de laatste tijd als een haas nieuwe, prop mijn hoofd overvol zodat het minder zal opvallen als ik er later een paar mis. Portugese woorden om precies te zijn, want mijn geliefde is Portugees. We spreken hoofdzakelijk Engels met elkaar, soms wat Nederlands maar af en toe breek ik mijn tong en haspel me door Portugese peuterzinnen. Over zijn en hebben, die kat en deze hond, brood eten en melk drinken. Niets mis met minimalisme, maar het gaat me natuurlijk allemaal veel te langzaam, ik verlang naar meer. Als stip op de horizon krijg ik een dichtbundel van Fernando Pessoa cadeau met zowel de vertaling als het Portugese origineel. Het is mooi, hoe de woorden in deze taal naar elkaar toebuigen, elkaars klank aannemen. Want het geslacht van het onderwerp doordesemt de hele zin, waardoor er zomaar vanzelf klankrijm ontstaat.

    Nogal pretentieus, om maar direct Pessoa te willen lezen en ik beken dat ik er inderdaad weinig van snap. De gedichten zijn, ook in vertaling, nogal ondoorgrondelijk. maar zijn streven spreekt me aan. Hij legt de lat hoog, wil datgene van de menselijke conditie vangen wat zich, tsja, moeilijk laat vertalen. En het vermoeden rijst dat het ook helemaal zijn doel niet was, begrijpen of begrepen worden. Dus ik probeer net als hij of zijn heteroniemen niet te denken, betekenis los te laten. En ik voel weer de roes van hoe het was om te jong ingewikkelde boeken te lezen of de kwelling het gezochte woord te proeven op je tong. Het is de bedwelming van schemertaal die blootlegt wat je nog niet kent. 

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (AtlasContact).

  • De V van Voskuil

    De dagen zetten zich steeds meer naar mijn hand. Voor mij mag het nog wel even zo blijven, dat thuisblijven. Dit weekend nam ik me voor de boeken op alfabet te zetten. De eerste boekenkast begint bij de P, van Marja Pruis, de tweede kast met de A van Pearl Abraham, Afstand van Amerika, op de voet gevolgd door Frits Abrahams, in de kasten daarna rommelt het wat aan. Hoe dat zo gekomen is, is niet meer terug te halen. Elk boek heeft iets te zeggen, moet gelezen worden, die komen op een aparte stapel. Die stapel wordt hoger en hoger, ik vrees dat ik ze later niet meer tussen de andere boeken krijg. Ruimte vrijlaten in een boekenkast is lastig. Ik schrijf de titels, bedoeld voor de stapel, op een papiertje. Dat werkt lekker door, van A t/m E hup, in de eerste kast en verder. Tot ik bij de V, Voskuil tegenkom. Vorige week kwamen de hoorspelen van Het bureau op podcasts al voorbij.

    J.J. Voskuil is veruit een van de meest fascinerende schrijvers. Zijn boeken zijn een minutieus verslag van het leven van een fijngevoelig man die al schrijvende greep op het leven probeert te krijgen. Elke voetstap geteld, elke opmerking beoordeeld, elk voorbijkomend geluid opgetekend. Lezen van Bij nader inzien is gewoon een 3D beleving op literair niveau. Maar Voskuil schreef niet voor ‘de litteratuur’, liet hij uitgever Geert van Oorschot in een gesprek weten. ‘Je schrijft zo’n boek om orde op zaken te stellen. Niet om een bijdrage te leveren aan de litteratuur.’ Nu was Van Oorschot al een tijdje erg happig op een vervolg van het 1200 pagina’s tellende Bij nader inzien dat hij had uitgegeven. Hij had een geweldige schrijver in huis gehaald, er moest meer komen. Maar Voskuil liet zich niet dwingen. Hij zou schrijven aan Binnen de huid, daarna zou hij wel zien of hij het wilde uitgeven.

    Waarop Van Oorschot de verzamelde gedichten van Van Nijlen uit de kast pakte en daar, naar ik aanneem lichtelijk geïrriteerd, met rode viltstift op het schutblad schreef, ‘Goed, dan maar geèn roman, geèn proza, maar een màn, compleet, oprecht, zonder zelfbedrog, zonder zelfbeklag, een man die geen litteratuur bedrijft. 28-11-1964.’ Waarmee hij de spijker op zijn kop sloeg.
    D
    it las ik in het boek Onder andere, Portretten en herinneringen van Voskuil, over het contact met Geert van Oorschot, begin en afloop van een vriendschap.

    Ach, en dat veelvuldig gebruikte borreltje in Voskuils boeken. ‘Wil je een borrel’, direct als er iemand binnenkomt. Of, ‘We zaten net aan de borrel’. En inzake Geert van Oorschot, ‘Schenk nog eens bij.’ Of ‘Schenk Geert eens een borrel in’. En voor er verder verteld werd, ‘Eerst nog een borrel.’ Daarvan krijg je verdomde trek in een borrel. Nu zitten we elke middag klokslag vijf aan de wijn, luisteren naar de podcast Het bureau. Er zijn honderden afleveringen, we hebben de tijd.

     

    Vrijdag 1 mei was de twaalfde sterfdag van J.J. Voskuil. Programmamaker Maarten Slagboom zette een uitzending uit 1999 van De Plantage online. Schrijver J.J. Voskuil was er te gast, wat een bijzonderheid was, de schrijver kwam niet graag in beeld, maar wat een mooie aflevering.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Beste opties

    Ik herken de vrouw op de achterflap niet. Natuurlijk weet ik wie het is, de boog van de wenkbrauwen, het bruine haar, prima blik voor een achterflap. Ik weet dat ik het ben die glimlacht naar de fotograaf – mijn redacteur destijds, Irwan Droog, ook de verantwoordelijke voor het mooie omslagbeeld. Toch zegt die griet me weinig. Dat lijkt erger dan het is. In zekere zin maakt het een en ander makkelijker, want afstand is precies wat ik nodig heb: ik herlees mijn eigen debuut. Sinds verschijnen deed ik dat nog niet, Probeer om te keren vierde onlangs haar derde verjaardag.

    In het ijzersterke Strovuur van Gerwin van der Werf denkt hoofdpersoon Fay – zeventien jaar ‘en een gaatje in mijn hart’ – aan het schip van Theseus, een gedachte-experiment dat draait om de vraag of dat schip hetzelfde schip blijft als alle originele onderdelen ervan zijn vervangen. Vanaf daar is het een kleine sprong naar het idee dat je lijf er zo’n zeven jaar over doet om al zijn cellen te vernieuwen. Volgens sommigen begin je dus iedere zeven jaar opnieuw.
    De jonge vrouw op de achterflap van mijn boek voelt lichtjaren van mij verwijderd. Ze schreef een roman over, onder meer, de zorg van een moeder voor een gehandicapte dochter. Ze weet nog van niets, die vrouw, niet dat ze een kleine poos later zelf moeder zal worden van een gehandicapt meisje – zo gehandicapt zelfs dat behoeden de beste optie is. De jonge vrouw, laat ik maar weer overstappen op de eerste persoon enkelvoud, kreeg gelukkig ook een fantastische baan, een andere burgerlijke staat, een gezonde en hard groeiende zoon. Maar het is niet overdreven om te zeggen dat ook ik een gaatje in mijn hart heb. In dat gaatje past precies mijn eerste kind.

    Vanaf mijn eerste publicatie nam ik me voor om nooit met schaamte naar eerder geschreven werk te kijken. Dat blijkt geen loos voornemen, want ik lees geregeld in interviews met schrijvers dat er boeken, verhalen of gedichten zijn waar ze amper aan durven terug te denken. In De Groene Amsterdammer worden 21 telkens overwegend dezelfde vragen aan schrijvers gesteld, een ervan is wat iemand zou veranderen aan eerder werk.
    Thomas Heerma van Voss, van wie je naast zijn verhalen en romans gerust ieder interview kunt lezen omdat hij niet alleen wijze maar ook aardige dingen zegt, geeft het antwoord dat ik zelf ooit hoop te geven: ‘Ik vind het oneerbiedig om tegen mijn jongere zelf te zeggen: wat een rare keuzes heb jij gemaakt, want toen vond ik dat echt de beste opties.’

    Herlezen dus. Mijn eigen stem herken ik. Een enkele keer moet ik hardop lachen om iets. En wat ik tijdens het lezen zie, zijn al die bewust gekozen beste opties. Of ik die nu ook zou kiezen maakt eigenlijk niet uit. Als ik het boek uit heb blijft er trots over. Werklust. En mededogen naar die jonge vrouw op de foto, die nog niet wist wat er zou komen – en dat het heel goed afliep.

     

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. Haar debuutroman Probeer om te keren verscheen in 2017 bij Uitgeverij Cossee.

  • Typisch

    Als een boek mijn aandacht trekt, bestel ik dat het liefst gelijk. Alsof er niet genoeg te lezen is in dit huis. En nee, ik zal niet vertellen hoe het is om bij een plaatselijke boekhandel een online bestelling te plaatsen. Hoe boeken uit winkelwagentjes verdwijnen, er geen zoekfunctie is, of winkelwagentjes waarin maar een boek past. Zo anders als bij die grote virtuele boekwinkel. Waar je je karretje vollaadt, het op een ander adres kan laten bezorgen, een boodschap bij kan schrijven, betalen eenvoudig is. Het maakt me tot onbetrouwbare klant van de echte boekhandel. Deze week gaf ik het twee keer op, verliet geagiteerd de online bestelpagina van een boekhandel. Maar daar zou ik het niet over hebben. Ik vroeg me af waarom er na het kijken van Mondo nooit een gedachte aan een boek dat ik zou willen lezen blijft hangen.

    Sinds ik iets mis inzake literatuur op tv, ging ik het boekenprogramma met Wim Brands terugkijken. Meteen begreep ik waarom het nieuwe programma waarvoor Boeken plaats moest maken, niet aanzet tot gretige boekaankopen. Mondo leidt tot ongemakkelijk schuiven op de bank. Kijkend naar een presentatrice die, omgeven door bewegende beelden, een oog dichtknijpt zogauw het gesprek interessant wordt, een soort knipoog (maar het is géén knipoog). Ik zie de prachtige haren die voor of achterlangs een oor gewerkt worden, het rechteroortje dat bevoeld wordt, het veelvuldig bewegende, knikkende, luisterhoofd. Als die buurvrouw, die met een soort gulzigheid de woorden uit mijn mond wil halen, die het al begrijpt nog voor ik uitgesproken ben. Knikkend beamend, door te vroeg gestelde vragen onderbroken, worden woorden van betekenis ontdaan. Door schaamte bevangen glijd ik van de bank. Vanaf de grond, frutsend aan mijn haar, zit ik het programma met geloken ogen uit. Mijn lief vindt dat iedereen een kans moet krijgen.

    Terwijl ik me verbeeld dat in de ogen van de genodigde schrijvers naast ontreddering een verlangen schemert. Verlangen naar een eenvoudige tafel met boeken, een glas water en twee stoelen, tegenover elkaar. Waar de enige afleiding bestaat uit een voorbijrammelende tram, of zicht op water, een haven. Zicht op iets dat geen bedoeling heeft.

    In een aflevering uit 2012 is Wim Brands in gesprek met de regisseur van de film En un Momento Dado, Ramon Gieling. Over zijn boek De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen. Brands stelt vragen die verhalen ontlokken aan de schrijver, tijd speelt geen rol. Hij lokt de schrijver met een,’Toe, vertel nu nog even hoe dat citaat van Luis Buñuel gaat dat voor in het boek staat. Kun je dat? Uit je hoofd?’ Want uit het hoofd, dan staat een tekst pas echt, wordt het een boegbeeld. En de schrijver kon dat, hij sprak: ‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik niet denken aan een wonder. Ik zou gewoon denken: Luis, daar heb je nou weer typisch iets wat je niet begrijpt.’
    Dit was dus zo’n boek dat ik moest hebben. Om de titel, het citaat van Buñuel, en dan die verhalen, schrijnend mooie verhalen, niet te filmen zo mooi.

     

    De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen / Ramon Gieling / Uitgeverij Augustus (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, bestelt boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Nederlands leren

    Twintig jaar geleden begon ik met les geven van Nederlandse taal aan vrouwen van  drieënvijftig verschillende nationaliteiten en dertien verschillende religies. De overheid had bepaald dat de participatiemaatschappij ook voor hen was bedoeld. Iedereen die een bijstandsuitkering had, of de partner, moest het huis uit om op de een of andere manier een bijdrage te leveren aan de samenleving. De vrouwen kwamen hierdoor niet altijd vrijwillig naar les. De meesten waren op latere leeftijd in het kader van  gezinshereniging naar Nederand gehaald, zonder dat ze zich een voorstelling van het leven hier hadden kunnen maken. Ze hadden inmiddels hun eigen netwerk opgebouwd met kinderen en kleinkinderen, buren en landgenoten. Velen van hen waren analfabeet, ook in de eigen taal, maar  konden zich goed redden. De behoefte Nederlands te leren was nauwelijks aanwezig. Dat te veranderen was mijn taak als lerares.

    Terugkijkend heb ik vermoedelijk net zo veel van mijn cursisten geleerd als zij van mij. De vele, vaak persoonlijke verhalen die los kwamen naarmate we elkaar beter leerden kennen. De sprookjes die we uitwisselden, de liedjes, het bijgeloof, de zeden en gebruiken van onze verschillende landen, ik zoog ze al die jaren op als een spons  en bleef me verwonderen over de verschillen maar vooral over de overeenkomsten tussen mensen en culturen. 

    Al lukt het neerhalen van de muren van onbegrip die soms tussen ons in bleken te staan niet altijd. In de gevorderde groepen begon ik elke les met het voorlezen van een gedicht. Die keer had ik gekozen voor M. Nijhoff:

     Het derde land

    Zingend en zonder herinnering
    Ging ik uit het eerste land vandaan,
    Zingend en zonder herinnering 

     Ben ik het tweede land ingegaan,
    O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Toen ik dit land ben ingegaan.

     O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Maar laat mij uit dit land vandaan,
    O laat mij zonder herinnering

     En zingend het derde land ingaan.

     Goede poëzie is meerduidig, iedereen leest een gedicht anders. Wat je eruit haalt, zit meestal in jezelf en als je eenmaal betekenis aan een gedicht hebt toegekend, verander je die niet meer zo gauw. Nooit had ik gedacht dat Nijhoffs spirituele gedicht zó letterlijk kon worden opgevat dat een Turkse cursist de handen voor haar ogen sloeg en in onstuitbare snikken uitbarstte. Het was voor de hele lesgroep een wat ongemakkelijke situatie. Maar het gedicht sloeg wel een bres in de muur waardoor we elkaar beter konden zien. 

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column.

  • Klein kunstproject

    Ik droomde dat er negen broden in de oven stonden. Door een tekort aan fabrieksbroodbakkers was ik tot buurtbakker uitgeroepen. Ik had nog nooit zoveel broden tegelijk gebakken. Het benauwde me, die broden moesten er nu wel een keer uit, maar ik was de oven kwijt. Ik dacht aan de geur van brood, hoe versgebakken brood ruikt. Ik dacht, dan weet ik waar de oven staat. Toen werd ik wakker, rook de geur van mest vanaf het land, ik moest eruit.
    Ik leef al dagen tussen koeienstal en woonwagen. Dat komt door het boek Pingping, van Mariët Meester. Over een jonge vrouw, Lily, die uit Amsterdam vertrekt en in een woonwagen bij een boerderij gaat wonen. Ze wil leven met minimale middelen. Ik fiets met haar mee over landweggetjes, gluur met haar door het raampje van de woonwagen naar buiten, sluit deuren tegen de kou, hoor de koeien in het weiland achter de woonwagen, steek de kachel aan. Leven zonder het snelle gemak van internet, zonder eigen toilet.

    Er ontwikkelt zich een bizar leven. De alleenstaande boerin, waarvan Lily het stukje grond voor haar woonwagen huurt, krijgt een relatie met een man die zomaar komt aanrijden. Hij heet Cor, Corrie voor vrienden, nou dan weet je het wel. Het loopt dan ook niet helemaal goed af, hoewel. Meester schrijft met oog voor het naïeve, het onbenullige in de mens, dat ergernis kan opwekken, tot het vertedert, komisch wordt. Het is een verhaal als een film, een slapstick. Zoals ze met een atletische jongeman in een rolstoel, op pad gaat. Hij had concertpianist kunnen worden vindt Lily (die zelf in Amsterdam telefoonhoesjes verkocht via internet), zo mooi bespeelt hij de vleugel. Deze invalide jongeman is zijn eigen hulpverlener, die moet je niet vragen of je hem even de stoep af zal helpen. Hij doet alles zelf, wat niet meevalt met een verlamd onderlijf. Zoals de mens zijn leven leeft, zo beschrijf Mariët Meester het in haar boek. De realiteitszin is sterk. Ik begon de geuren te ruiken die ze beschreef, koeiendrek, rook van houtvuur in je kleren.

    Lily zit graag met een boek, buiten of in bed. ‘Na middernacht was ze nog steeds bezig in De wand van Marlen Haushoffer, de laatste tijd las en herlas ze het liefst boeken waarin mensen in moeilijke omstandigheden hun waardigheid behielden en die omstandigheden zelfs in hun voordeel ombogen.’ Daar is over na te denken in deze tijd van stilstaande levens.

    Er zijn maar duizend exemplaren van deze roman gedrukt, een gebonden editie met leeslint, oranje kapitaalbandje. Een boek om je vingers bij af te likken. Binnenin, op het derde schutblad staat een vogel, een vinkje afgedrukt, met de hand ingekleurd. In een interview met het NRC zei de schrijver dat ze voor dit boek geïnspireerd was door Material Matters van Thomas Rau en Sabine Oberhuber. Over een wereld waarin niemand ergens eigenaar van is, enkel gebruiker, en doorgeeft wat je niet nodig hebt. Een boek niet als bezit, maar doorgeven aan een ander. Gemeenschapszin bevorderend, duurzame samenleving. Ik ben egoïstisch, want ik zal dit boek niet doorgeven. Het is een klein, mooi kunstobject.

     

    Pingping / Mariët Meester / 272 pag. / €29,90 / Vormgeving Jaap de Ruig / Uitgeverij Caprae


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft binnen en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Gouden tijd 

    ‘Het coronavirus slaat hard toe’; ‘Intensivisten in de frontlinie van de strijd tegen het coronavirus’; ‘Sluipmoordenaar steekt opnieuw de kop op’. De koppen in de media zijn als even zovele uitdrukkingen van angst. Maar ook zit er spanning, avontuur in. Elke dag opent het journaal met de feiten: hoeveel  doden vandaag, hoeveel doden totaal, hoeveel nieuwe IC-opnames. De getallen worden gevisualiseerd in grafieken en staafdiagrammen. Schijnbaar onweerlegbare bewijzen van ons vermogen de natuur onze wil op te leggen. Maar de cijfers kloppen niet. En dat niet alleen, we weten dat ze systematisch veel te laag zijn, dus nepnieuws.

    En toch blijven ze dit nieuws presenteren, want meten is weten. Ons geloof in statistieken is absoluut. Journalisten vragen elke dag opnieuw om harde uitspraken, wanneer is het omslagpunt, wanneer is het vaccin klaar, wanneer mogen we uit quarantaine en kan het gewone leven weer beginnen. Niemand die het weet. Het wordt allengs duidelijker dat het leven waaraan wij gewend waren niet meer terugkomt. De ‘anderhalvemetermaatschappij’ is een krankzinnige gedachte. Virussen muteren voortdurend en volgens virologen liggen er nog hele families van veel gevaarlijker virussen op de loer. De risico’s op uitbraken met mondiale gevolgen nemen door de globalisering en wereldwijde bevolkingsgroei alleen maar toe. Hoe gaat ons leven er uitzien als we niet langer van economische groei kunnen uitgaan. Moeten we naar oplossingen zoeken op internationaal niveau of juist meer nationaal. Of zijn dat begrippen uit de oude doos en moeten we zoeken naar locale, regionale en nationale oplossingen binnen internationale kaders. 

    Hoe valt dit alles te rijmen met waarden als democratie, volkssoevereiniteit, privacy. Lieve help, wat een vragen. Mogen we deze vragen eigenlijk wel stellen. En als ze gesteld worden, mogen we dan zeggen, ‘Nee, dank u, niet aan mij graag. Ik ben niet geïnteresseerd.’

    Het is een gouden tijd voor schrijvers en cineasten. De schrijver hoeft alleen nog maar achter zijn bureau plaats te nemen om in alle rust van de quarantaine zijn boek te schrijven; een beschouwend werk met diepgang, een spannend jeugdboek, een thriller, een persoonlijk drama of wellicht een sprookje met kleurrijke, huiveringwekkende prenten. Angst is een voedingsbodem voor prachtige boeken, bijvoorbeeld over die dekselse jongens van de TU Delft, die er in geslaagd zijn in drie weken tijd een beademingsmachine te bouwen. Jongens van Jan de Witt, iconen van Hollandse vindingrijkheid. Lieve mensen, kunnen wij eigenlijk wel ontsnappen aan dit soort framing?

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • Wieringen


    Glooiende wegen, kronkelpaden, aan alles is te merken dat dit een eiland was. Een oud landschap met een dijk van zeewier in het oosten en op de westpunt werd ooit de post per schuit bezorgd. Daar loopt nu een smalle weg. ‘Dam’ heet die, langs de kust verandert de naam in ‘Quarantaineweg’. Onderaan de dijk een bakstenen gebouwtje met een metalen windvaan, ‘1919’ staat erop. Op de gevel zijn de uit steen gehakte letters RIJKSPEILSCHAAL nog net te lezen. Hier werden met een ingenieus apparaat, de maregraaf, de standen van eb en vloed geregistreerd. Een door de tijd onaangetaste plek.
    Een volksliedje zal hier gezongen zijn.

    Wie wil er mee naar Wieringen varen,
    ’s morgens vroeg al in de dauw,
    met een mooi meisje van achttien jaren,
    dat zo graag naar Wieringen wou.
    Schipper ik hoor de hanen kraaien,
    schipper ik zie de vlaggetjes waaien.
    Stuurman laat je roer maar gaan,
    Dan zullen we spoedig op Wieringen staan.

    Een liedje uit de tijd van peilschaalwachters, allemaal in dienst van de rijksoverheid. Ze zouden zich verbazen over het definitief drooggevallen wad op deze westpunt. De Noordzee heeft het hier opgegeven.
    Als je van mediteren houdt, moet je op deze plek gaan zitten. In de verte Den Helder waar in 1811 Napoleon even kwam buurten en op zijn initiatief werd de stad een marinehaven. Achter mij was zijn vriendelijke broer Lodewijk Napoleon actief. Je doet  de ogen dicht en de chalets van zomergasten veranderen in barakken die daar tijdens zijn koningschap werden neergezet. Als zeelui besmet waren met een onbekende ziekte gingen ze hier in quarantaine. [Ik was hier voordat het virus uitbrak en toen was ‘quarantaine’ niet meer dan een woord. Bijzonder toch hoe het heden het verleden van betekenis voorziet.]

     

     

    Via een slingerweggetje naar Stroe, vanuit de verte zie je dat dit dorp hoger ligt, ga ik naar het Wieringer Museum. Er is een tentoonstelling over rouw en kleding. Vrouwen mochten aanvankelijk niet op de begrafenis van mannen komen, later werd dit onder restricties toegestaan. Alleen de ogen mochten zichtbaar zijn. Ze zijn op foto’s afgebeeld met wat we nu een nikab noemen.
    Een man vertelt me dat veel mensen die voor het eerst op Wieringen komen het ervaren als een onbekende wereld, alsof ze in een andere tijd zijn aangekomen. En staand voor de vitrine met de foto’s van de vrouwen concluderen we dat met de tijd de cultuur verandert. En dat dit per plek verschilt. Zaken die we eerst verbieden staan we later toe en andersom. Net als bij de inrichting van het landschap, wat we mooi of lelijk vinden wijzigt met de tijd. ‘God’ wordt niet meer met een hoofdletter geschreven. Goed en kwaad blijkt relatief.
    Een groep jongeren uit deze streek neemt dat laatste heel letterlijk.
    Zo wordt de  familie Schmidt uit Hippolytushoef, de ‘hoofdstad’ van Wieringen, al jaren uitgescholden. Eieren worden tegen de ramen gegooid en wanneer zij hun Joodse feestdagen vieren, wordt hun huis beklad met hakenkruizen.

    Ik rijd de provinciale weg op – de ‘Korte afsluitdijk’ wordt deze dam genoemd – en besef hoe vaak je onderweg geen tijd neemt voor een afslag. Haastig aan een plek voorbij gaat waar de tijd heeft stil gestaan. En ik besef ook dat ‘het stil staan van de tijd’ zowel een romantisch beeld is als een somber.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde.

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Meebewegende taal

    Na de onrust in de eerste week, de feiten in de tweede en de ernst van dit alles in de derde week, wordt er nu teruggeblikt. Het aantal besmettingen, hoeveel er overleden zijn, alles in statistieken opgenomen. De kansberekeningen opnieuw bijgesteld. Nieuwe feiten naar boven gehaald, oude weerlegd, waarna alles strakker aangetrokken wordt en een heldere overzichtelijkheid overblijft, (overzicht en helderheid zijn deze dagen belangrijke woorden). Er komen steeds meer verhalen van hoe er gestorven is, hoe snel het ging, hoe er geen afscheid genomen kon worden. Het verhaal van een vader en een moeder die met een korte tijdspanne ertussen samen ziek werden, samen stierven. Het kenmerk van hun relatie was, vertelden de kinderen, dat ze alles samen deden, zag je de een, dan zag je de ander. Tot aan het ziek worden en sterven toe. Er was een vrouw waarvan haar man in het ziekenhuis overleed en zij thuis in quarantaine moest, alleen. Haar zoon kon haar niet omarmen, alles op afstand. Je hoopt op iets waarin het afscheid dat nu geen afscheid is, nog plaats kan vinden.  

    En het is waar, alles wat ooit geschreven is en nu gelezen wordt, blijkt een nieuwe betekenis vrij te geven. Alsof taal meebeweegt, zich opnieuw zet naar de omstandigheden. In De twaalfjarige bruiloft van Maeve Brennans (ja, opnieuw Maeve Brennan) lees ik een van haar lange meanderende zinnen die me treft, ‘De doden werden met dezelfde stem vermeld als de levenden, zodat vaders en zusters en neven die al tientallen jaren dood waren en masse door het huis en de boomgaarden en tuinen hadden kunnen rondlopen en zichzelf thuis zouden voelen, net zoals altijd, en ze konden er zelfs op rekenen hun eigen namen en hun eigen gezichten aan te treffen die nauwgezet geregistreerd waren ergens te midden van de generaties die hen opgevolgd waren.’ Het lijkt me opeens van groot belang over de gestorvenen te spreken met dezelfde stem als over de levenden, ze  met je mee te laten lopen door hun namen te noemen, hun namen door te geven.

    Want alles zal weer gewoon worden, toch? (waarop ik vervolgens wilde schrijven, ‘net zoals het nu gewoon is binnen te blijven’ maar dat is niet zo, het wil maar niet gewoon worden). Ze zeggen dat het ergste nog moet komen. Daarmee wordt de economie bedoeld, of iedereen wel uit het dal zal komen waarin we zitten. Of gebeurt, zoals een stem op de radio zei: ‘dat we voor de boodschappen die we nu gewoon zijn te halen, een exceptionele prijs moeten betalen’. Dat we niet meer weten hoe we rond moeten komen, dat we failliet gaan, allemaal. Gelukkig kwamen toen deze dichtregels van F. Starik voorbij: ‘Alles komt goed. Tijd gaat voorbij met een vloek / en een zucht. Wat nieuw is zal oud zijn. Waar je / naar zocht raakt toch zoek. Wat dicht leek kan open. / Donker bleek licht. Blijf hopen. / Alles komt terug.’
    En dat geloof ik maar al te graag. Vrolijk Pasen.

     

    ______________________________________________________________________________

    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en denkt na over een buitenleven. 

  • Overlevers en anderen

    Ergens, diep in de Chinese bossen, vieren de civetkatten feest. Het zal een tijd duren voordat de mensen weer op ze durven te jagen. Ze vormen de mogelijke bron van de huidige corona-pandemie. Zij, of een dromedaris. Ik google afbeeldingen van de civetkat, een middelgrote alleseter met een onsympathiek spitse snuit en een wat gluiperige lichaamshouding. Niet iemand die ik graag tegenkom in het donker. Toch is het niet zijn schuld of van die brave dromedarissen, dat de hele wereld binnen zit, bang, ziek of beide.

    De boeken die ik weken geleden van de bieb leende, hoeven niet terug. De bieb is dicht. Gestaag lees en blader ik mij door de stapel, tot ik uitkom bij de klassieker Zwaarden, paarden en ziektekiemen van Jared Diamond, die ik aanvankelijk om heel andere redenen leende. Maar inderdaad: ziektekiemen. Absurd toeval, maar er is al zoveel absurd. En het is ook niet de schuld van de kippen, de geiten en de ratten die ons al eeuwenlang griep, koorts en pest geven. Het is simpelweg een gegeven. Sinds wij boeren werden en zo’n zesduizend jaar geleden dieren domesticeerden. Sinds dat intieme verbond delen we alles met elkaar: voedsel, arbeid, onderdak en troost. Maar ook elkaars ziektes, zoönosen, zoals dit corona-virus, dat van dier op mens oversprong. Waren we maar jagers en verzamelaars gebleven. Om de romantici onder ons meteen uit de droom te helpen: terugkeren naar deze leefstijl is geen optie, het ‘wilde’ voedselaanbod is al heel lang niet meer toereikend om zoveel mensen monden te voeden en kijk anders bij twijfel de film Into the wild.

    Wat rest? Fictie, om de absurde realiteit te stoven in zijn eigen vocht. Ik lees Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz, dat ik direct na de laatste regels herlees. Om de lucide taal, scherp en soms geestig, om de overlevings-adviezen van het oma-personage, voortkomend uit een Indisch verleden, adviezen tussen twee haakjes die subtiel het zwijgen over oorlogstrauma en het loodzware gewicht van die geheimen lijken te benadrukken, generatie op generatie doorgegeven. Er volgt geen makkelijke oplossing of antwoord. Er zijn overlevers en anderen. Toch stijgt de schrijver, en de lezer met haar, soms boven de prangende situaties uit. Laat de civetkatten maar feest vieren, deze bundel geeft lucht.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap(Atlas Contact).

  • Eigenaardigheden

    Ik ga naar buiten om zeven sprintjes rond het huizenblok te trekken. Wacht de postbode op achter de deur, als hij het pakje op de stoep legt, kom ik naar buiten. In huis ren ik de twee trappen op en af, op en af, ren twintig rondjes om de bank die in het midden van de kamer staat. We moeten blijven bewegen. Daarna zet ik koffie. En nee hoor, ik voel me niet belachelijk wanneer ik dit doe. Astrid Roemer schreef Over de gekte van een vrouw, ik las het voor het eerst midden jaren tachtig. Een heftig boek, veel vrouwenbloed, waanzin en onbestemde gevoelens van de jonge Surinaamse vrouw, Noenka. Het hele boek is een onbesuisde zoektocht naar eigenheid, eigenheid van alle vrouwen. Het verhaal drijft op de emoties van Noenka. Negen dagen na haar trouwdag verlaat ze haar man, hij verkrachtte haar tijdens de huwelijksnacht. In het dorp kan ze niet blijven, er wordt geroddeld, je verlaat je man niet. Als onderwijzeres komt ze niet meer aan het werk. Bezwerend proza, woekerend. 

    Als haar moeder ziek is gaat Noenka naar haar toe, ‘Zo dichtbij ontmoette ik de dood dat ik haar koele omarming voelde. Ik gooide de bloemen weg die ik meegenomen had. Ook de paternoster en de zilveren trommel met zandkoekjes. Een zuster stond bij haar bed. Ze groette. Ik knikte niet terug. Ik wilde stappen achteruit doen, mijn ogen dichtknijpen, mijn neus, maar een magnetische kracht rukte al mijn zintuigen open. “Mama”, riep ik door het doffe dreunen heen. Ik wilde haar tegenhouden, terugroepen, want ik zag dat ze zich ergens anders bevond dan ik. Ergens waar mensen niet worden toegelaten. Daar waar geen grond is voor de voeten, geen hemel voor het hoofd. Ik pakte haar vast: haar lichaam tegen mij aangedrukt, zacht, teer, licht en koel, als een ruiker bloemen, zonder takken en zonder groen.’

    Deze maand zou Astrid Roemer als eerste de serie ‘Grote schrijvers interview’ in De Balie openen. Ianthe Mosselman, organisator van deze serie zou haar interviewen. Daarom was ik opnieuw begonnen met lezen van Over de gekte en Olga en haar driekwartsmaten. De titel alleen zet al aan tot nadenken. Ik had me verheugd Roemer te horen spreken over haar werk, te ontdekken wat haar gedreven heeft. Over vrouwen die zich een weg banen naar zichzelf, over vrouw zijn. Heftige brokken proza die door alle gelaagdheden heen, iets raken, betekenis vrijgeven. Maar goed, alles is afgezegd, uitgesteld.

    Roemers laatste roman Gebroken wit, werd vorig jaar door Persis Bekkering besproken. Bekkering schreef dat het soms leek of Roemer ‘elke poging tot redactie moet hebben geweigerd’. Die gedachte komt onverwijld als je haar werk leest. Maar ook ‘dat je iets mist als je daar te lang bij blijft hangen’. En ja, het zijn deze eigenaardigheden die het lezen van haar boeken tot een ongekend avontuur maken. Daar moet je je aan overgeven om tot enige essentie te kunnen doordringen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Leeslijst

    Als tiener was ik altijd verliefd. Dat zeg ik nogal vaak, realiseer ik me, terwijl niets in mij terugverlangt naar de puberteit. Sterker nog, toen iemand eens zei dat je middelbare schooltijd de mooiste tijd van je leven is, sprak ik dat tegen met de kracht van een norse tiener. Ik had het niet slecht op school maar als dit al het hoogtepunt was, zou de rest van het leven nog wel erg lang kunnen duren.
    De middelbare scholieren hier in huis hebben het, zolang ze niet te veel huiswerk moeten maken, behoorlijk naar hun zin. Verliefdheden zijn verboden onderwerpen, al verschijnen er soms mysterieuze lachjes. Maar wanneer ik de oudste hoor zuchten en denk: ‘O hemel, dat is een verliefde zucht’, dan blijkt het vooral zijn frustratie over het saaie boek te zijn dat hij nu weer moet lezen. Theo Thijssen, De gelukkige klas – nee, niets voor hem.

    Zelf was ik verliefd op zeer onbereikbare mensen: de Kurt Cobainachtige jongen uit de brugklas; de frontman van Rammstein; een grappige leraar, een bloednerveuze gids bij een buitenlandse reis, enzovoorts. De paar jongens die mij wel zagen staan, stopte ik metersdiep in de friend zone. Het ging dan ook niet echt om iemand willen, eerder om het verlangen. Naast onbereikbare mansmensen was ik altijd verliefd op boeken – personages, verhaallijnen, zomaar mooie zinnen.
    Verlangen is de schitterende drijfveer van alles. Ik zie het aan de irritante bamboestruiken in de tuin: verlangen te overleven; aan dementerende ouderen die ineens weer naar een knuffel grijpen, of naar elkaar: het verlangen vast te houden en vastgehouden te worden. Ik zie het aan de katten, die ’s avonds een voor een op bed druppelen; aan de dreumes, die telkens een lapje voor zijn gezicht houdt en het dan weer wegtrekt, schaterlachend opkijkt: een groot verlangen naar contact.

    De oudste puber slaat zijn boek dicht. Eventuele leesliefde is afgesneden door een verplichte lijst die niet aansluit bij zijn wereld en de dingen waarnaar hij verlangt. De gelukkige klas komt uit 1926. Zelf lees ik Karakter van Bordewijk, eerste druk 1939. Ik loop over van enthousiasme, ben verliefd op de taal en de personages (die moeder!). Maar had ik het op zijn leeftijd moeten lezen, onvoorbereid en met tegenzin, was de kracht ervan volledig aan me voorbijgegaan. Naar sommige dingen moet je groeien, leren verlangen. ‘Het interesseert me echt helemaal niets,’ zegt puber over het boek. Of de middelbare schooltijd de mooiste van zijn leven is, ik weet het niet – ik hoop het niet. Laat het mooiste vooral nog komen, zeker wat lezen betreft.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.