• Romantiek

    Verhuizen is wel een ding. Achttien keer trok ik van het ene naar het andere adres, bewoonde kamers, appartementen, huizen. Soms voor de duur van een jaar, een half jaar, vaker zeven of drie jaar. Tegenwoordig zegen ik mezelf in stilte, we wonen al acht jaar (acht jaar!) in hetzelfde huis. Hardop zeg ik, ‘Nee hoor, wij zitten hier goed, wij blijven hier tot het einde der dagen’. Als was ik het verhuizen moe. Toen hoorde ik over een koetshuis aan de rand van het dorp, dat te huur staat. Ik ging er wandelen, liep achterlangs, keek over de heg, liep voorlangs, keek de oprit langs. En zag mogelijkheden. Ik ken het huis, alle dagen dat ik naar de stad fiets kom ik er voorbij. Met ruimte voor aanleg van een moestuin, het houden van kippen, stond in de annonce. Het huis met koetshuis deed zich anders voor nu ik mezelf er zag rondlopen, door openslaande tuindeuren het terras betredend. De verhuur is op basis van gunning, hoofdbewoners en huurders moeten elkaar liggen. Daarvoor dient een aanbevelingsbrief geschreven, er zijn anderen die er ook willen wonen. Nu zin ik op een brief waarbij ik eventuele nadelen (niet vermogend, maar genoeg tijd voor onderhoud van erf en tuin; drie katten, goede muizenbestrijders), als voordelen wil inzetten.

    Ondertussen blader ik gretig door een lijvig boek, zwaar als een motoronderdeel, met veel foto’s, tekeningen. Zo’n boek waar ik anderen mee lastig val. Kijk, luister, wist je, zal ik je iets voorlezen? Er staan prachtige verhalen in, reisverhalen, interviews. Jan Cremer, Anna Blaman en Jan Arends worden genoemd. Een motor die het gevoel van vrijheid vertegenwoordigt in een verhaal van Sanneke van Hassel. De rode Honda van haar vriend die al jaren ongebruikt op de stoep staat. ‘Hij staat daar opdat mijn man kan wegrijden.’ Carel Helder over een man die een Moto Guzzi kocht, ermee naar de Guzzi fabriek in Italië rijdt, in zijn garage vloerverwarming laat aanleggen. Daar op lange winteravonden naar zijn motor zit te kijken.

    Ik denk aan de grote schuur belendend aan het koetshuis. Lees verder over motorclubs, reizen en de dood. Een motorrijdende vrouw verliest haar lief in het Himalayagebergte, hij schoot met zijn motor 300 meter de diepte in, dood. God, wat een leven. Ze blijft nog maanden in Tibet, besluit dan, ‘Ik zal rijden tot ik heb gevonden’. Het verhaal gaat dat samensteller Paul Abels op bezoek bij A.L. Snijders, deze zijn motor, een Moto Guzzi aanbood om er een ritje op te maken. Dat leek Snijders niet verstandig. Na de koffie wordt Abels uitgezwaaid door Snijders. Op de snelweg met een vaart van 120 km loopt de motor vast. Hij kwam er goed vanaf, het zette aan tot dit boek, Motorrrraria, waarin levens liefdes en ongelukken gebeuren.
    Klinkt nu op mooie dagen het allesdoordringende geronk van motoren die over de dijk het dorp naderen, hoor ik opeens de romantiek daarachter, heb weet van een Moto Guzzi.

     

    Motorrrraria /samenstelling Paul Abels / AFdH uitgevers (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur

  • Heimwee

    De allereerste keer dat ik madeleines bakte, jaren geleden, waren ze voor iemand die mij Proust had aangeraden. De cakejes waren een verjaardagscadeau en ik was erg verliefd, ik had ook lindebloesemthee gekocht. Nu bak ik ze voor mijn ouders die ik mis omdat ik maanden niet bij ze langs kon. In een huurauto rijd ik langs geel uitgeslagen weilanden. De bomen hebben magere, doorlaatbare kruinen, mijn rug plakt aan de autostoel. In de tuin drinken we koffie bij de madeleines en grappen over verloren tijd.  

    Het is begin juni en daarom denk ik aan schoolkamp. Ik ruik die mengeling van muf hooi, opgedroogd karton en groentesoep. In mijn herinnering smelten al die verschillende kampgebouwen samen tot één. Ik loop over plakkerig zeil met tegelprint, open een deur van fineer naar een te krappe kamer vol stapelbedden en zie bij het raam de langpootmuggen die naar buiten of juist naar binnen willen, dwarrelend het glas aftasten. Altijd moesten we laarzen meenemen. Sjouwend door het bos, met onze plastic regenjassen halfopen, werden die inderdaad glimmend nat. De brok in mijn keel liet zich even afleiden maar zou zich na de soep en de bonte avond, wanneer mijn klasgenoten zich opmaakten om te keten, als een stormvloed een weg naar boven beuken. In mijn slaapzak, pijnlijk eigen, bekroop mij de paniek van het vreemde, van ver weg zijn en terug willen.

    Intrinsieke heimwee, daar denk ik aan als ik weer nies, om het vele stof of stuifmeel in de lucht. Het geluid van nat gras tegen laarzen, dat hoort al een tijd niet meer bij de lente. Maar van sommige herinneringen wil je niet dat ze opdrogen. Zoals een afgekapte verliefdheid blijft knagen en ik me de niet uitgelezen boeken soms het levendigst herinner. Is het levensangst? Sinds Zij van Helle Helle oordeel ik minder streng. Ik ben dol op het werk van deze Deense schrijver. Ze is nogal zuinig met woorden. In eenvoudige zinnen en taferelen schetst het boek de herinnering aan een moeder en een zestienjarige dochter. De intimiteit tussen de twee blijkt uit het alledaagse. Ze zoeken recepten uit, richten hun huis steeds opnieuw in en hebben onderonsjes in het ziekenhuis. Een duidelijk begin of einde ontbreekt waardoor het boek wel, maar het verhaal feitelijk niet stopt. Klinkt als een stilistisch trucje, maar daar is het te ontroerend voor. Te transparant ook. Zo wordt die dictatuur van de chronologie bijvoorbeeld eenvoudig om zeep geholpen door een bijzin als: ‘(…) de lamp gaat gisteren stuk.’
    Tijdsverloop lijkt mij de belangrijkste overeenkomst tussen een verhaal en een leven. Iedere poging tot verzet daartegen juich ik toe. Want de moeder is ernstig ziek, natuurlijk mag dit verhaal niet eindigen. Onterecht vrees ik toch de laatste bladzijde.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (AtlasContact).

  • Alles is een keuze

    Terwijl ik De Afwezigen van Lieke Kézér lees, staan er wereldwijd mensen op tegen racisme. Soms overstijgt noodzaak het gezond verstand, verschijnen sommige boeken op het juiste moment in je aandachtsveld. Ik lig op de bank, bevind me afwisselend in Los Angeles en New York. Op de radio de dwingende stem van de interviewer die erom geroemd wordt dat hij zijn gasten het vuur aan de schenen legt. In het boek ben ik op het punt dat Joshua in 1981, (verwaarloosd, muzikaal wonderkind, enkele jaren bij zijn verslaafde vader in L.A. wonend), op zestienjarige leeftijd door zijn vaders vriendin Jessy op het vliegtuig naar New York wordt gezet. Dit gaat over vrijheid, die krijg je niet, maar moet je nemen zogauw de kans zich voordoet. De interviewer laat ondertussen zijn gast, een van de organisatoren van de demonstratie op de Dam, niet uitspreken. Ik vraag me af waar hij naartoe wil.

    En lees, ‘Ik bel een taxi,’ zei Jessy. ‘We gaan naar het vliegveld en dan koop ik een ticket voor je. Je gaat naar New York.’ Ze liep achterwaarts naar de telefoon, alsof ze hem er met haar ogen van zou kunnen weerhouden ervandoor te gaan, maar hij ging aan de tafel zitten en nam de door haar half opgerookte sigaret van de rand van de asbak. Met trillende handen draaide ze het nummer van de taxicentrale. ‘Hij is er over tien minuten,’ zei ze.’

    De interviewer van 1 Op 1 nodigt dagelijks mensen uit die het nieuws hebben gehaald, zet daarbij beproefde technieken in, zoals framing. Het is een spel. Hij ondervraagt zijn gast over de keuzes die tijdens de demonstratie zijn gemaakt. De geïnterviewde zegt, ‘het is een keuze geweest tussen twee virussen: racisme en corona’. ‘Dus je hebt doelbewust de regels overtreden’, hervat de interviewer. Als hij een cabaretier was zouden de lachers op zijn hand zijn. Nu voedt hij latente gevoelens van luisteraars die denken dat het allemaal wel meevalt. Toen kwam de BN’er (vast programma onderdeel) vertellen dat Surinamers, Marokkanen en Turken tot zijn vriendenkring behoren, het onderwerp een bagatel werd.

    In De afwezigen zijn hoofdstukken getiteld met een jaartal, 1978, 1987, 1981, 1996, 1984, 1977 en 2015, in die volgorde. Het heeft iets magisch, heen en weer te bewegen in de tijd, de sfeer van leven. Ieder hoofdstuk toont het beeld van een leven dat verloren raakte, op het punt stond verloren te gaan. Joshua, de spil van het verhaal, beweegt op de achtergrond, aanwezig zoals de afwezigen zich altijd op de achtergrond ophouden. Ze zijn er, ergens. De sfeer uit de jaren zeventig/tachtig is diffuus. In het laatste hoofdstuk, 2015 worden keuzes gemaakt waar dat in eerdere decennia bepaald werd door omstandigheden. Wat tien, twintig, veertig jaar geleden normaal was, is dat in 2015, 2020 niet meer. Zoals tijd voorbij gaat, komen nieuwe inzichten voorbij, worden kansen gegrepen. Dat gebeurde terwijl ik een roman las die schittert in intieme sfeerbeelden, Amerikaanse sfeerbeelden. Een ongekend verhaal, goed geschreven. Het lijkt van belang te moeten zeggen, ‘Lees het’, dus zeg ik het maar, ‘Lees het’.

     

     

    De afwezigen/ Lieke Kézér / De Arbeiderspers (2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur

  • ’t Wad


    Op een fietskaart van Noord Holland had ik ’t Wad gezien. Een grijze punt, een buurtschap boven Schagen. Ik rij er vanaf Wieringen naartoe, passeer de Ewijcksluis, in deze streek kreeg Lou de Palingboer een teken.
    ‘De Satan was de Satan niet, hij was een afsplitsing van God zelve.’ ‘Het was al, eer het was.’ Een man met vele vrouwen. Een palingboer als afgezant van God op een plek waar de Noordzee eeuwenlang getwijfeld heeft tussen zand en water. Nederlandser kan het niet. In de verte achter mij de contouren van Den Helder.

    Bij Oudesluis spreek ik mezelf toe, ik moet nu goed opletten zodra de weg omhoog gaat. Ik zie een straatnaambordje, Wadweg heet het hier. Ja, ik zit goed, passeer de dijk en rij nu, in mijn verbeelding, vanuit het water het vasteland op. Rij te ver door, wegen worden weggetjes, ik moet keren met mijn camper. Rij achteruit een tuinpad op, tik met mijn bumper tegen een tuinkabouter die even, zie ik in mijn zijspiegel, op zijn voeten schommelt. Parkeer uiteindelijk op een strook niemandsland en loop de Wadweg op in de richting van de Westfriese omringdijk.
    Een hardloper komt mij tegemoet, ganzen bekijken me nieuwsgierig, een man trekt in zijn moestuin met een voorn een gleuf. In de verte rijdt de intercity uit Den Helder.
    Ik stap de dijk op.
    Iets wat er niet meer is dat raakt me. Kan dat, dat juist de afwezigheid ontroert? Koeien grazen op een strak land, gewonnen op de zee. Vanaf hier was alles water. Het lijkt alsof ik door de tijd gereisd ben en de watervlakte voor me zie. Ik voel me thuis. Wie kijkt er zo als ik nu kijk?
    Ik ben geboren aan de kust, reisde met mijn gezin 1200 kilometer verderop om weer aan te komen bij een kust. Naar een kust kan je verlangen, terwijl je er al bent. Bij mijn reizen langs de waddenkust kreeg ik de dijk erbij. Die daagt me uit: wat denk je dat je ziet als je bovenop mij staat? De dijk, ik schreef het al eerder, had ik altijd beschouwd als een sta-in-de-weg die mij belemmerde. Dat is door deze reis veranderd, de dijk creëert verwachting, maakt nieuwsgierig.

     

     

    Ik lees de straatnaambordjes, in de richting van het zuidwesten is dit de Westfriese omringdijk, naar het oosten heet het Poolland. Poolland?
    Een vrouw op een rode fiets passeert. ‘Zoekt u iets?’ roept ze. ‘Waarom het hier Poolland heet,’ vraag ik.
    ‘Maar weet u dat dan niet?’ Ze praat schreeuwend. ‘Tot hier kwamen de ijsschotsen, u heeft toch wel van de IJstijd gehoord? Alles was hier de Noordpool, dat behoort u toch te weten?’ Ze stapt van haar fiets.
    ‘Ik ben in de Beemster geboren.’ Ze wijst over mijn schouder. ‘Op de kermis leerde ik een boerenjongen kennen. En toen was mijn leven bepaald. Ja, dat dacht hij, maar voor mij voelde dat helemaal niet zo, ik ben altijd goed in dwarsliggen geweest,’ ze komt dicht bij me staan. Ze houdt haar oor vlakbij mijn mond. Een dove hippie op een damesfiets, een gat in haar trainingsbroek.
    ‘Ik ben van 1936,’ schreeuwt ze. ‘Ik heb alles al meegemaakt.’ Een levendig gezicht, felle ogen. Een hoofddoek met een strik erop, een verouderde versie van Loes Luca uit Ja zuster, nee zuster.
    ‘Het water in de polders is veel te hoog, meneer, dat komt door die vogellobbyisten, die verromantiseren de hele boel, overdreven liefde voor getjilp en gekwetter. En het waterschap meneer, ik zit daar in een commissie, die ouwehoeren rustig mee en de fundamenten van de huizen van voor de oorlog rotten ondertussen door dat water weg. En weet u hoe ze dat oplossen, meneer?’ Ze komt nog dichter bij me staan, ze verwacht geen antwoord van me.
    ‘Je sloopt de boel en plempt de polder vol met nieuwbouwwijken. Ik heb mijn hele leven vanaf mijn huis hier aan de dijk naar Alkmaar kunnen fietsen. Maar nu? Bij de eerste de beste nieuwbouwwijk verdwaal ik. Dat is erg hoor, als je de kluts kwijt raakt in je eigen land.’ Ze stapt weer op en zwaait. Ik zwaai terug.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezocht de afgelopen drie jaar niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reisde van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Dit is zijn laatste blog van deze reis.

     

     

    Foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Vliegtuigstrepen

    Een uur voor de horeca weer opengaat zit ik op het strand. Mensen houden keurig afstand van elkaar, ik zit ontspannen aan de waterlijn. De Noordzee, die ik na mijn huisdieren beschouw als mijn grootste niet-menselijke liefde, is koud en barstensvol kwallen, maar als altijd bij die eerste duik van het jaar voelt het alsof ik eindelijk weer kan ademhalen. Tegen mijn voornemen in laat ik klokslag twaalf uur, als de linten om de terrassen worden doorgeknipt, aan me voorbijgaan. Of nee, het is precies zoals ik me voornam: over de coronacrisis schrijf ik bij voorkeur niet.
    Er vliegt een vliegtuigje over met een luchtreclame voor luchtreclame.

    Hoe kun je als schrijver niet over corona schrijven? Dat gaat makkelijk, om eerlijk te zijn. Het is de enige les die ik trok uit een vakantie, jaren terug, waarbij ik door een Schotse vallei reed en mijn camera in mijn tas hield. Juist dankzij het gebrek aan foto’s, bleef die vallei zo helder bij me.
    Ik ben niet de enige. In Coronakronieken van Daan Heerma van Voss zegt de Italiaanse schrijver Eduardo Albinati: ‘Na zoveel verschillende ideeën te hebben gelezen en gehoord, meningen, interpretaties, profetieën, zou ik graag de enige schrijver of intellectueel van mijn land willen zijn die daar niet aan meedoet. Geen gedachte, geen verhaal. Als ik aan het virus denk, schiet me niks te binnen. Ik ben leeg.’ Naast allesbehalve Albinati ben ik allesbehalve leeg, toch herken ik me hierin. Maar ik ben blij dat anderen, dat Daan, er wel over schrijven. Nu al vormen zijn Coronakronieken een terugblik die soms akelig is en dan weer grappig, die verrast en geregeld ontroert. Intussen, aan het strand, denk ik aan vliegtuigstrepen.

    In Jesus Christ Superstar (1973) komt op zeker moment een vliegtuig over. Verward wordt er naar boven gekeken – acteurs die uit hun rol gehaald zijn of wellicht juist volledig in karakter blijven. Het is een schitterende stijlbreuk. Wat de kijker in theorie uit het verhaal haalt omdat het de gekunsteldheid ervan blootlegt (van film in het algemeen maar van een symboolhysterische rockopera over de kruisiging van Jezus Christus in het bijzonder), zorgt er gek genoeg voor dat het waarachtiger wordt.
    In de roman Station Elf van Emily St. John Mandel, volg je een aantal personages vanaf het begin van een griepepidemie die een groot deel van de mensheid uitroeit tot lang daarna. Een vliegtuig landt op zeker moment op een vliegveld, besmet met het virus. De deuren blijven gesloten, niemand komt naar buiten. Soms menen de mensen op het vliegveld geschreeuw en gehuil te horen, tot ook dat verstomt.

    Boven het strand is de lucht heiig, een nieuwe vliegtuigstreep trekt een vouwlijn over de horizon. Ook hier een stijlbreuk: na stilstand starten we weer op, de wereld gaat open – de grenzen, het verkeer. De angst die overblijft is de angst niets van deze tijd te leren. Misschien zijn die strepen daarom zo onheilspellend. Wat als ons geheugen maar anderhalve meter lang blijkt en er na corona niets verandert?

     

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Pannekoeken opgooien

    Het is een zonnige zaterdagochtend, ik fietst naar het dorp voor de Volkskrant. Ik wil weten hoe deze krant eruit ziet zonder bijdragen van de verdwenen literair criticus Arjan Peters. Of hadden ze nog een recensie van hem liggen? Ik verwacht iets, een teken een sein, opheldering. In de kantoor- tevens tabaks-  en boekhandel aan het plein leg ik de Volkskrant op de toonbank. Ik zeg, ‘De krant zal anders zijn dit weekend’. ‘Ja’, zegt de zoon van de eigenaar, ‘’t is Pinksteren, dan is ie lekker dik.’ ‘Nee’, zeg ik, ‘een invloedrijk criticus is op non-actief gesteld.’ ‘oh, zegt de zoon van de eigenaar, ‘waarom is dat?’

    Er was een dichter die problemen met vrouwen had, een moord pleegde, vijf jaar tbs kreeg. Deze dichter, Achterberg is nu een van de belangrijkste dichters uit de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzieIn Het bureau, bekent meneer Beerta aan Maarten Koning dat hij eens moest voorkomen op verdenking van ontuchtige handelingen met een jongen. Hij werd onschuldig bevonden, maar er was rook geweest. Die is er ook rond Arjan Peters. Peters zorgde voor reuring in de literaire wereld. Op vileine wijze kan hij in kort bestek een boek afkraken, daarvan getuigt een van zijn laatste recensies, In de wacht van Birney. Een eerlijkheid die ik bewonder. Hij interviewde twaalf jaar geleden schrijfster Frida Vogels, die de publiciteit gewoonlijk meed, in Bologna. ‘Ze praat verzorgd, makkelijk en nogal gedecideerd, waarbij soms een lachje rigoureuze uitspraken lijkt te relativeren.’

    Niet elke afgeleverde roman doet het in zijn eentje. Je kunt het internet raadplegen of je nodigt de schrijver uit om over zijn boek te praten. Over de drijfveer, waarom dit boek, welke boeken lees je. Zo ontstaat een literair profiel, dat van nut kan zijn bij het te bespreken boek. Lunchtijd is een mooi moment. Dat het jonge vrouwelijke schrijvers betreft die via een appje werden uitgenodigd, is opmerkelijk. Ieder creëert de wereld waarin hij op zijn best functioneert. 

    De krant ligt het hele weekend op tafel. Een paar keer blader ik er opnieuw doorheen, als had ik niet goed gekeken. Intussen is het Pinksterzondag, de tuin is ons uitgaansgebied. Ik pak De maan en het vuur van Cesare Pavese, leg het op de tafel onder de appelboom. Geef de jonge rijspeulen water. De kat, die in het zand ligt te zonnen, schrikt op. Bedenk dat je zonder overleg met anderen eenzelvig wordt. Zo kan het gaan. Zonder weerspraak raak je uit koers. 

    Het alter ego van Pavese zegt tegen zijn jeugdvriend Nuto, die niet praat over de dingen die hem bezighouden, ‘Als je iets voor elkaar wilt brengen, moet je voeling met de wereld houden. Heb je geen partijen die voor je werken, afgevaardigden die voor je werken? Praat met ze, zoek ze op.’
    Ik vraag me af wat Peters nu doet. Zoekt hij mensen op, leest hij een boek, of bakt hij pannenkoeken, zoals Karel van het Reve placht te doen wanneer hij niets om handen had. Schort voor, boter in de pan en dan zo hoog mogelijk opgooien. En om deze verdwijning in zijn context te kunnen plaatsen, zou ik Peters wel willen interviewen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist vanaf vandaag met mondkapje, schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Onsterfelijk

    Aan de leestafel in de bibliotheek blader ik in een tijdschrift met kledingpatronen. Een man naast me vraagt belangstellend of ik van handwerken houd. Carmiggelt waarschuwde zijn vrouw om tijdens een interview toch vooral niet te zeggen dat ze graag naaide, omdat de volgende vraag dan ongetwijfeld zou zijn: met wie? Daarom zeg ik voorzichtig dat ik graag mijn eigen kleding maak. De man knikt en zegt dat hij zich dat wel kan voorstellen, omdat het met mijn maat niet zal meevallen leuke kleren te kopen. Ik ben te dik, zegt hij, en dat komt omdat ik troep eet. Alle mensen eten troep, behalve hijzelf, en daarom is hij onsterfelijk geworden. Er zit een voedselgoeroe naast me. Dat is teleurstellend, want ik sta argwanend tegenover mensen die alles zo zeker weten; de twijfelaars zijn mij liever. Maar ik ben benieuwd hoe hij onsterfelijk is geworden. Ik wilde dat vroeger ook wel. Daarom  doe ik alsof ik die opmerking over mijn kledingmaat niet gehoord heb. 

    Als ik hem vraag wat hij eet om het eeuwige leven te bereiken, vertelt hij dat hij slechts één keer in de maand kookt: een grote pan soep. Die verdeelt hij over kleine potjes die hij in de ijskast zet en daarvan eet hij de hele maand en niets anders. In de vriezer, verbeter ik, maar nee, hij bedoelt de ijskast. En als ik nu maar naar hem wil luisteren, zal hij me vertellen welk voedsel mij ook het eeuwige leven gaat schenken.
    Ik moet denken aan de roman van Simone de Beauvoir, Niemand is onsterfelijk. Daarin drinkt de hoofdpersoon graaf Fosca een elixer, nadat hij het op een muis heeft uitgeprobeerd om te kijken of het niet dodelijk is, dat hem onsterfelijk maakt. Maar de onsterfelijkheid die hij zo begeerde, blijkt een vloek te zijn. Later verzucht hij dat als alle leven op de wereld is uitgestorven, hij en die muis nog steeds over de aarde zullen moeten dwalen, eenzaam en ongelukkig.

    Nu wil ik niet meer onsterfelijk zijn. J. C. Bloem had onweerlegbaar gelijk in zijn gedicht uit de bundel Afscheid uit 1957:

    Quando ver venit meum (Wanneer komt voor mij de lente)

    ‘Nimmermeer. Er is geen weerkomst van een eens gemist getij.
     Iedere dag is als de vorige onherroepelijk voorbij.

     Altijd zullen lenten keren, altijd zullen herfsten gaan.
     Tussen ongeboorne’ en doden flitst het menselijk bestaan.

     En wat blijft den machtelozen tussen straks en toen?
     Het onaanvaardbare te aanvaarden en het zwijgen ertoe doen.’

     

    Als de voedselgoeroe aan het slot van zijn pleidooi voor gezond eten nog vertelt dat je elke ochtend je eigen urine moet drinken om de onsterfelijkheid te verwerven, moet ik weer aan graaf Fosca denken. Het elixer voor het eeuwige leven? Ik vrees dat ik in dat geval niet ouder zal worden dan de mij toegemeten jaren. 

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Een brief

    Vorige week zondag was Jaap Scholten op de radio. Ik lees zijn verhalen, zijn eerste boek. Mooie verhalen die goed beginnen met, ‘Het regende en het regende.’ Of ‘Vanuit de trein zag ik een schaap. Of ‘Een paar weken geleden ben ik op een avond bij Louise binnengevallen.’ Ze gaan nergens over, toch ook weer over van alles. Zoals een goede brief. Waarvan elke zin je nieuwsgierig maakt naar de volgende, wat de schrijver je wil vertellen, wat hem overkomen is.

    Op de radio vertelde Scholten over het ontstaan van zijn nieuwe roman Suikerbastaard. Hoe er vijf jaar geleden in Deventer na een lezing over Horizon City, een man naar hem toekwam. Hem vertelde dat machinefabriek Stork uit Hengelo in de jaren vijftig in Ethiopië suikerfabrieken had gebouwd. Dat daar veel bastaardkinderen rondlopen, die, zoals daar gebruikelijk, de voornaam van de vader als achternaam kregen. Zijn grootvader Frans Stork leidde de machinefabriek Stork in Hengelo, was in Ethiopië geweest. De man wist dat er drie kinderen met de achternaam Frans, waren. ‘Dat was voor mij het startpunt om dit uit te gaan zoeken en een roman te schrijven.’ 

    Eenmaal in Ethiopië bleek het zoeken naar die kinderen geen doen. Zijn onderzoek richtte zich op de suikerfabrieken, het leven van de Nederlandse jongens die daar gewerkt hebben. Daar naartoe gehaald door Keizer Haile Selassie van Ethiopië, die in 1942 Koningin Wilhelmina in Londen had ontmoet, de contacten waren gelegd. Voor de bouw van deze fabrieken werden jongens van de Storkfabriek in Hengelo geronseld. Jonge jongens, ongetrouwd. Bleven er drie jaar, hadden een eigen huisje, een motor, een zogenaamde tuinboy, vrijheid.

    Begin dit jaar was de schrijver op het festival Lutterzand Literair. Op een zaterdagmiddag gaf hij drie maal een lezing over Suikerbastaard, dat in de afrondende fase zat. Eenzelfde verhaal werd drie keer verteld. Ik was een van de gastvrouwen. Goeie verhalen kun je niet genoeg horen. Tussendoor regelden we glaasjes water, ordenende stoelen, lieten een nieuwe stroom bezoekers binnen. Na afloop kregen we van de schrijver een kopie van een brief die in 1959  per Air Mail verstuurd was vanuit Djibouti, Ethiopië, naar Hengelo (O), Holland. Een brief van een van die jongens, de hoofdpersoon uit Suikerbastaard, aan zijn meisje. Een fijne attentie, een brief van vier kantjes met pen beschreven. Hierbij een fragment, een schets van de omgeving van de jongeman in Djibouti.

    ‘Ik zit onder de bogen van Hotel des Arcades (hier is schaduw) en heb het eerste al genoteerd. Ik denk niet dat ik je elke dag kan schrijven maar ga wel proberen zoveel mogelijk. Doe jij dat ook Mon chérie? Dit heb ik vandaag voor jou in het dagboek opgeschreven: bougainvillea palmen […] rioolstank lepralijders mensen met horrelvoeten gezwellen kinderen op blote voeten geen last van de kiezels vrouwen in gewaden soldaten van vreemdelingenlegioen keppies brede lege straten witte gebouwen met platte daken afgeronde kantelen de markt chaos kriskras paardenkarren dromedarissen takkenbossen op de flanken koopwaar op de zandvlakte armoede. Telegramstijl zo ga ik dat doen. Dan kan ik alles voor jou onthouden.’
    Een pracht brief, ondertekend met, ‘Honderd kussen en lieve pakkerds, Je Rinus’.
    Het moet wel een kanjer van een roman zijn geworden.

     

    Suikerbastaard / Jaap Scholten / AFdH Uitgevers|Uitgeverij Pluim / verschijnt 28 mei
    Luister hier het radiofragment bij OVT VPRO


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Topje van de ijsberg

    Het lam staarde mij aan in een steeg van de stad. Het was bij één van die uitbouwsels waar ze gratis boeken aanbieden. Mensen hadden genoeg van hun boeken, of deden niet genoeg moeite. Of ze kochten teveel boeken en hadden te weinig tijd. God mag weten wat de reden was. Feit is dat ze hun boeken in een zelf geknutselde kast op straat zetten. Als wezen op een rij. Voor altijd uitgestoten. De Schooldagen van Jezus van J.M. Coetzee was gesierd met dat Lam. Schitterende omslag van Irwan Droog.  Ik nam het boek in een plastic tas mee, maakte mij geen zorgen om de andere kinderen in de kast en besloot deze, na een kleine wandeling door het park, in mijn armen te sluiten. Te adopteren. Jaren geleden had ik veel van Coetzee gelezen – Foe, Michael K., Barbaren – dat waren werelden die mij zeer dierbaar waren, in al hun allegorische niet-welluidendheid, net als de halsstarrige houding van de schrijver zelf, het niet willen geven van interviews, het niet duiden. In de laatste jaren was ik ‘m uit het oog verloren, geen idee waarom, er was geen reden, geen oorzaak. En toen was ie er ineens weer.

    Het was vooral de Jezus in de titel die mij aantrok. Iemand die een klassiek avonturenboek als Robinson Crusoe kon omtoveren tot een wereld onder de romanwereld van het oorspronkelijke boek. Iemand die laat zien dat een boek (en dus in potentie elk boek!) ook slechts kan dienen als een topje van een ijsberg – en dat die heel verzonken massa ook nog onthuld kan worden in een nieuw kunstwerk (maar uiteraard niet helemaal!), nou, als die aan het werk was gegaan met zo’n beetje het bekendste verhaal van de Westerse beschaving, dat zou toch niet mis kunnen gaan?
    En dat ging het vanaf de eerste bladzijde niet. Ook al begon ik halverwege, want De schooldagen is het middelste van een trilogie, donderde dat totaal niet. Vanaf het allereerste begin en waar je ook begint, dit was en is precies wat ik zocht en zal blijven zoeken. Ik zat namelijk al een tijd in een leeswak, totdat ik deze boodschap van Coetzee tegenkwam. Lamgeslagen door teveel duiders en mensen die denken dat ze iets te zeggen hebben. Maar ziehier het wonder! Als een verslaafde gelovige las ik daarna De jeugdjaren– en de Dood van Jezus. (Full disclaimer: Niet als adoptiekinderen, maar keurig gekocht in de lokale winkel). 

    Eindeloos laafde ik mij aan de sobere, afgemeten, klinische  stijl van Coetzee, het wegkijken nadat een dramatische scène zich heeft voorgedaan, het spelen met verwachtingen als je heel groot JEZUS op drie boeken zet, en vervolgens het woord nooit meer verspreidt, de volstrekt unieke allegorie die zich voor jouw ogen ontvouwt, met alleen maar speldenprikken naar dat nieuwe testament, scènes in vervorming, een wereld waar Don Quichot als plaatsvervanger veel meer ruimte krijgt, waar ouders geen ouders zijn, wezen geen wezen, waar iedereen alleen maar als connectie met elkaar bestaat, zoals alles in relatie tot elkaar staat, zelfs de getallen en de sterren… maar bovenal een wereld waarin het plot en de verhalen die verteld worden niet zo belangrijk zijn, als de ideeën die deze verhalen vertegenwoordigen.

    Hoe makkelijk was het geweest om met wat simpele woordspelingen en flauwe verwijzingen dit evangelie te vertellen. Lees bovenstaande nog maar eens door, er zijn er genoeg te vinden. Dat is wat elke middelmatige schrijver zou doen.
    Maar niet Coetzee. Die schreeuwt: De ijsberg blijft een ijsberg! En dus zit ik na deze trilogie weer terug in het wak.

     

     


    Mike Naafs studeerde Film aan de Universiteit van Amsterdam, schreef in de beginjaren van Literair Nederland stukjes voor de site. Werkt nu als chefkok in een psychiatrische instelling, leest wel eens een boek.

  • Verstilling

    Met een cadeautje op weg naar zijn vrouw fietst Oek de Jong over de Dam. Hij stopt even om het straatbeeld in zich op te nemen. Niemand te zien. Leeg. Hij moet denken aan zijn oom Ad Windig, die Amsterdam tijdens de hongerwinter in foto’s heeft vastgelegd. Oorlog, vervreemding en verstilling zijn begrippen die voor altijd verbonden zullen blijven aan deze coronacrisis. 

    We zijn in oorlog met het virus en gaan deze crisis eensgezind bestrijden. We sluiten de grenzen. ‘Koopt eigen waar, dan helpen wij elkaar’, klinkt de leus der solidairen. In Bergamo zoeken ze het maar uit. Wel vreselijk natuurlijk, maar helaas. Hadden zij hun zaakjes maar beter op orde moeten hebben, net als wij. Onze overheid heeft diepe zakken. Er wordt driftiger gevlagd dan ooit, al is het niet met de Europese. De mensen in de verpleging op de ic’s zijn onze frontsoldaten, onze helden. Van hun belevenissen wordt dagelijks in frontberichten verslag gedaan op tv. Ze worden toegezongen vanaf balkons, op straten en op pleinen. Helaas wijst de geschiedenis uit dat het zelden goed afloopt met soldaten. Na afloop rest er nooit veel meer dan een mooie medaille wegens betoonde heldenmoed. 

    Vervreemding. ‘Zo’n klein kutschermpje!’ flapt Oek de Jong eruit als hij het heeft over een stukje in The Guardian, over het afscheid van een zoon van zijn moeder die in een verpleeghuis op sterven ligt. De verpleegkundige was zo vriendelijk de zoon proces via Skype te laten meebeleven. Zelf kreeg ik een persiflage daarop toegestuurd, geënt op de smartlap van Willy Derby uit 1930, ‘Hallo Bandung!’ Daarin bezwijkt een moeder van verdriet en eenzaamheid tijdens een telefoongesprek met haar zoon in Indië. Ja, de zegeningen van de techniek zijn legio, tijd voor smartlappen. 

    Beeldbellen is razend populair bij opa’s en oma’s, die hun kleinkinderen niet meer mogen knuffelen. Drones waarschuwen de mensen op de stranden om de grenzen van het nieuwe normaal in acht te nemen, in Singapore worden zij daarop attent gemaakt door robots. Apps gaan zorgen voor onze veiligheid. Dat vinden de meeste mensen fijn. En de huisarts stelt een diagnose op basis van een door de patient gemaakte en in het patiëntenportal geüploade foto. Efficiënter, minder  geneuzel en minder besmetting. Maar er is ook verstilling. ‘Sodeknetter’, verzucht Oek de Jong zwervend door de verlaten straten van de stad, ‘dat ik hier mag wonen!’ Je kijkt anders, niet afgeleid door het gekrioel van de mensen, van het verkeer en de herrie om je heen. Dat is de blik van de kunsthistoricus Oek de Jong, maar hoe kijkt de doorsnee burger daar tegenaan. Is het de stilte voor de storm? 

     

    Oek de Jong werd op 6 mei geïnterviewd door Yoeri Albrecht in de Balie.


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • Veerkracht

    Afgelopen vrijdag schreef Michel Krielaars in NRC Handelsblad dat hij Natalia Ginzburg geregeld herleest ‘om er steeds weer iets nieuws in te ontdekken en verbijsterd te staan over haar tijdloze verbeeldingskracht.’ Het verheugde me enorm en las het stuk met plezier, tenminste één iemand die haar boeken geregeld uit de kast haalt. In diezelfde week was ik haar, van wie gewoonlijk zo weinig vernomen wordt, tegengekomen in het fijne boekje Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese. De auteurs Jan Kostwinder en Hein Aalders bezochten de plaatsen waar Pavese gewoond en gewerkt heeft. Natalia Ginzburg behoorde met Pavese tot dezelfde groep bevriende intellectuelen in de jaren dertig. Ze werkten enige tijd bij dezelfde uitgeverij Einaudi in Turijn. 

    Op een van de eerste bladzijden in Een man alleen, wordt haar omschrijving van Pavese in zijn functie als hoofdredacteur weergegeven. ‘Pavese zat, met zijn pijp, aan zijn bureau in razend tempo drukproeven te corrigeren. (…) Of hij schreef aan zijn romans en maakte snel en driftig doorhalingen. Pavese ontving zelden bezoekers. Hij zei, “Ik ben bezig! Ik wil niemand zien! Laat ze barsten! Kan me geen moer schelen!” Maar de nieuwe medewerkers, de jongeren, waren erg gesteld op gesprekken met bezoekers; die konden wel eens met nieuwe ideeën komen. Pavese zei dan: “Hier hebben we geen ideeën nodig! We zitten tot over onze oren in de ideeën!”’

    Het eerste dat ik van Natalia Ginzburg las, was de bundel met drie novellen De weg naar de stad. Over familie, hang naar onafhankelijkheid, de liefde, onbestemde gevoelens. Haar taal is sober, eenvoudige woorden, maar o zo mooi. Wat zij met woorden deed wilde ik ook. Haar zinnen wilde ik schrijven. Zoals zij schreef, ‘Ons huis was rood geschilderd en had een pergola aan de voorkant. We hingen onze kleren over de leuning van de trap, want we waren met zovelen en er waren niet voldoende kasten.’ De novelle Zo is het gebeurd schreef ik met inkt in een schriftje. Zinnen van eenzaamheid en berusting, ‘Als ik ’s zaterdags in Moana aankwam, ging ik vlak naast de kachel zitten en daar bleef ik de hele zondag tot het weer tijd was om te vertrekken.’ Hopende dat er iets van haar stijl in mij zou overgaan.

    Krielaars heeft het in zijn column speciaal over het autobiografische verhaal ‘Winter in Abruzzen’, uit de bundel Mensen om mee te praten. Vijf jaar zat ze met haar man Leone Ginzburg en hun kleine kinderen ondergedoken ten tijde van Mussolini. Later, na de val van Mussolini in 1943, werd haar man om zijn joods zijn opgepakt en doodgemarteld. ‘Mijn man stierf in Rome in de gevangenis van Regina Coeli, een paar maanden nadat we het dorp hadden verlaten.’ Haar ‘Winter in Abruzzen’, moet juist nu gelezen worden, ten tijde van leven met beperkingen, de veerkracht die daaruit voortkomt. Natalia Ginzburg schreef een prachtig oeuvre bij elkaar dat getuigt van die onnoemelijke veerkracht. Daar kunnen we het mee doen.

     

    Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese / Hein Aalders en Jan Kostwinder / Uitgeverij Aalders & Co. (1996)
    Mensen om mee te praten / Natalia Ginzburg / vertaling Etta Maris / Meulenhoff (1990)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Details

    Terwijl ik nadenk over de uitspraak van de koning, ‘Sobibor begon in het Vondelpark,’ hoor ik op de radio Arnon Grunberg. Het is zaterdagochtend, ik zit aan de lange tafel aan de tuinkant van de kamer, de ongelezen krant voor me. Het waren de borden Verboden voor Joden, die de eerste stap zette naar uitsluiting van een bevolkingsgroep, naar het concentratiekamp, een schokkend begrijpen. Grunberg is te gast bij Nieuwsweekend om te praten over zijn 4 mei voordracht. Met welk doel heeft hij die geschreven? ‘Herdenken is pas zinvol als je pogingen doet tot kennisoverdracht’, zegt Grunberg. En, ‘Ik heb dit geschreven met het oogmerk om een beeld te geven van wat daar echt gebeurd is.’

    De zon straalt dwars door de kronkelende tulpen die op de vaas staan, schaduwen op het tafelblad. Grunberg zegt dat we naar de details moeten kijken, dat algemeenheden geen indruk maken. Ik denk aan het boek Draaidagen. Dat begint met het rinkelen van porselein, ‘En ik geef je de roomboter aan. Mijn ogen volgen de botervloot. (…) Ik kijk hoe je hem naast je bord zet. Het kort rinkelende geluid van porselein. Het geschuif over het tafelblad.’

    Judith is opgevoed door haar oma Nini, concentratiekamp overlevende. Na een verbroken studie woont Judith weer bij haar oma. Oma Nini heeft nooit over haar oorlogsverleden gesproken, nu ze dementeert, wordt ze angstiger, verstopt zich in een kast, verdwaalt op weg naar de bakker. Judith heeft Nini altijd in haar hoofd bij zich, praat met haar. Als figurant speelt ze in een film over de deportatie van joden uit de psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch. De vernietiging van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt als een vernuftig draadje uitgesponnen van heden naar verleden en weer terug. Alles is zo uitgekiend gedoseerd dat ontroering me op verschillende momenten overvalt.

    In de film figureren kinderen met een beperking. Een jongen met het syndroom van Down wordt door een acteur die een SS’er speelt in het gezicht geslagen. Omdat hij treuzelt met zich uitkleden (de jongen acteert niet). Judith denkt, ‘Mag dit eigenlijk wel? (…) Waarom zo wreed? Ziet hij dan niet dat ze hun best doen zo snel mogelijk te zijn?’ Overheersing maakt machtig, ook als je een rol speelt.

    Boer beschrijft een gaskamer scène. De camera filmt vanuit de kleedkamer waar de gevangen zich in een eerdere scène hebben uitgekleed als de deur van de gaskamer wordt ontgrendeld (niet geopend, ‘ontgrendeld’). Lichamen rollen de kleedruimte in. Verbrijzelde schedels, gebroken lichaamsdelen, uitwerpselen, bloed. Deze passage sluit Boer af met, ‘De meesten stierven bij de deur. Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’

    Dit detail beneemt me de adem. Niet de verbrijzelde schedels of lichamelijke secreties, maar dit, ‘Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’ Waarmee de doodsangst, het gevecht om te overleven voelbaar wordt. Dat wat er echt gebeurd is, pas door de details werkelijkheid worden. Bianca Boer schreef een ongelofelijk indrukwekkend boek.

     

     

    Draaidagen / Bianca Boer / AtlasContact (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.