• Feelgood

    Ik ging voor een weekend naar Den Haag. Het was een uitdaging. Uitvallende intercity’s, gemiste aansluitingen, volle treinen. Meerdere keren klonk er, ‘personeels tekort’. Gevolgd door ‘raadpleeg de app’, ofwel, zoek het maar uit. Treinreizen van A naar B is de weg van de meeste weerstand geworden. Maar ik kon ertegen, had een goed boek bij me.  Zo’n nietkunnenstoppenmetlezen boek. Ik moest zelfs uitkijken de treinen die wel reden niet te missen, zo’n boek dus. Ik las het op perrons, treinen en in de wachtkamer van het Westeinde ziekenhuis. Door een ongelukkig manoeuvre van voeten, verkeerd ingeschatte afstanden en hoogte van een zitzak die voor de bank bij mijn dochter thuis lag, viel ik voorover en ving mijzelf op met mijn linkerpink. Op zich een niet geringe prestatie. Zo zit ik nu met een gespalkte pink te typen.

    Het woord ‘ontmanteling’ speelt door mijn hoofd. Dat denk ik vaker, dat alles uit elkaar valt. Dat de ontmanteling die leidt tot het einde van de wereld al gaande is. Op die bank bij mijn dochter keken wij met zijn allen Independent Day, met een beamer op de muur geprojecteerd. Het was me wat, het verschroeien van de aarde begon met het vernietigen van de grote steden.
    Waarom verhuizen we van de stad naar buiten? Waarom worden schrijvers als Thoreau, Raynor Winn of Annie Dillon zo graag gelezen?  Waarom, vraagt Rivka in het boek zich af, moet ‘iedereen tegenwoordig zo nodig de Mount Everest op’, om eenmaal op die top, ‘met z’n honderden naar eenzaamheid te snakken in peperdure donsjassen.’ Op de radio zegt iemand: ‘We verliezen het contact met de natuur.’   

    De trek van de grote stad naar de provincie is gaande. In Buitenleven verhuizen Esse en Rivka na een relatie van meer dan vier jaar, vanuit het westen naar een ‘karakteristiek’ woonhuis bij een fictief dorp in noord-Groningen. Esse heeft een baan gevonden als trainer basketbal van een meisjesteam, Rivka maakt van het schuurtje haar schrijfhuis. Rivka, die opgroeide in een grote stad, zal over haar leven in afzondering schrijven. Een krant en een literair tijdschrift beloofde ze alvast een artikel. En er moet een derde boek komen. Maar het schrijven lukt niet. Het schrijfhuis is te stil, of nee, er lopen luid pratende wandelaars voorbij. Wat moeten die hier? Zoals Lousje Voskuil, wandelend langs een druk bezochte route, eens wanhopig geroepen schijnt te hebben of al die anderen niet gewoon thuis konden blijven. Natuur is geen groepsvermaak.

    Als Rivka in haar schrijfhuis zit, kijkt ze op en ziet een man in een oranje windjack. ‘Hij droeg een rood petje, had een stoppelbaard en hij keek recht haar schuur in.’ Het Pieterpad bleek vlak langs hun tuin te lopen. ‘Het was overdreven, dat wist ze zelf ook wel, maar Rivka kookte. Ze graaide haar laptop en aantekeningen bij elkaar. Binnen vanuit de keuken, gluurde ze de tuin in om nog meer felgekleurd tuig te betrappen, maar het bleef groen.’
    Terwijl ik las, dacht ik, als de treinen niet meer rijden, als de wereld vergaat heb ik een goed boek nodig, dan overleef ik het wel. Wat natuurlijk onzin is, maar zo verborgen voelde ik me in de tijdelijke samenleving waar Rivka en Esse een jaar deel van uitmaakten. Dankzij het drama dat zich er afspeelt, (wie houdt niet van drama) is dit een springlevende roman.

     

     

    Buitenleven / Nina Polak / 237 blz. / uitgeverij Prometheus


     

    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Een verre prinses

    Sinds kort heb ik hulp in de huishouding: een jonge vrouw die met man en kind uit Eritrea gevlucht is voor een onmenselijk regime. Slank en soepel loopt ze door mijn woonkamer, als de koningin van Sheba die over haar buurland Ethiopië geregeerd zou hebben. Ze praat niet veel, wil niets drinken, ook niet als het 38°C aantikt op de thermometer, wil niet zitten. Ze vraagt wat ze doen moet en gaat aan het werk. Op mijn vragen geeft ze zacht antwoord: ze is vier jaar in Nederland, heeft inmiddels twee zoontjes, volgt een opleiding in de zorg, loopt stage en werkt op verschillende adressen. Ze verstaat het Nederlands goed, maar vindt het lastig om het te spreken. Als ik vraag of het Tigrinya een moeilijke taal is, geeft ze na even nadenken het enige juiste antwoord: ‘Voor mij niet.’

    Als ik haar met de stofzuiger door de kamer zie gaan, vind ik dat ze eigenlijk als een verre prinses door de woestijn zou moeten schrijden, een felgekleurde omslagdoek boven de borst geknoopt, koninklijk en ongenaakbaar, een waterkruik torsend op haar trotse, opgeheven hoofd, zoals haar voorouders dat hebben gedaan. Maar ze wil van het verleden niets weten, ze wil uitsluitend in het hier en nu leven. Een foto op de kast van mijn zoon als kleuter kan weg, vindt ze, ‘is geweest, is voorbij, bewaren doen oude mensen’. Ze wil nooit meer terug naar Eritrea en ik zal nooit vragen waarom. Wel zou ik haar willen waarschuwen dat herinneringen altijd ongevraagd boven komen, ook zonder tastbaar bewijs, en dat het verleden nooit voorgoed voorbij is. Dat je je geschiedenis een leven lang met je meezeult en dat daar geen ontkomen aan is. Dat alles wat weggegooid wordt als een boemerang van heimwee terugkomt, je midden in je hart treft. Dat niet alles wat oud is daarom zonder waarde is. Maar ik zeg niets, de Keniaanse dichteres Micere Githae Mugo kan dat veel beter: 

    ‘Waar zijn de liederen?

    Waar zijn de liederen
    die mijn moeder en de jouwe
    altijd zongen
    met hun ritmes
    aangepast aan de
    immense levensduur?

    […]

    Wat weet je nog?

    Zing
    ik ben het vergeten,
    mijn moeders lied
    mijn kinderen
    zullen het nooit kennen.
    Ik herinner me dit:
    moeder zei altijd
    zing kinderen zing
    maak een lied
    en zing
    geef zelf je eigen ritme aan
    de ritmes van je leven
    maar maak je lied bezield
    en laat je leven
    zingen

    Zing dochter zing
    om je heen zijn
    ontelbare melodieën
    sommige zijn gezongen
    andere ongezongen
    zing ze
    op jouw ritme
    kijk
    luister
    zuig ze op
    doordrenk jezelf
    baad
    in de stroom des levens
    en zing dan

    Zing
    eenvoudige liederen
    voor de mensen
    voor iedereen om te horen
    en te leren
    en te zingen
    met jou’

    Ik zou dit gedicht willen voorlezen aan mijn Eritrese prinses als ik dat durfde. Later misschien, nu nog niet. Er is nog tijd genoeg. 

     

    Gedicht van Micere Githae Mugo (1942), ‘Where are those Songs?’
    Uit: The Heinemann Book of African Women’s Poetry, 1994, vertaler onbekend.


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Verborgen talenten

    Ik heb wat met gootstenen. Zoals de een met een handgebaar de kruimels van een tafelblad veegt, boen ik een gootsteen. Specifieker. Als ik bij een van de kinderen op bezoek ben, poets ik de gootsteen in hun keuken, ook als deze bij een gedeelde keuken hoorde zoals in studentenhuizen het geval is. Liefst ongezien, want hoe neem je een compliment over een glimmende gootsteen in ontvangst. Soms tijdens een goed gesprek in de keuken. ‘Zal ik even de gootsteen doen?’ Het boenen van de gootsteen is als het begin van je eigen nieuwe dag creëren. En ondertussen, met elke gootsteen, grote porseleinen dubbelbaks, ronde roestvrijstalen die ik poets, weet ik dat ik er goed in ben. 

    In de rubriek 21 vragen aan… in De Groene van deze week, over haar debuutroman Weerlicht, antwoordt Jante Wortel op de vraag of ze nog verborgen talenten heeft, dat ze heel goed is in spulletjes recht leggen en ordenen. ‘Schoonmaken eigenlijk, maar is dat een talent?’ 

    In Mijn broer van Karin Smirnoff is de protagonist Jana ook een talentvol poetser. ‘Er wordt gezegd dat iedereen ergens goed in is. Ik genoot ervan om de geaderde zeepvloer tevoorschijn te zien komen en de lijmverf van de lambrisering weer te zien glanzen.’ Daarmee zou ze de angst van haar tweelingbroer evenals die van haarzelf wegpoetsen. ‘Het was als tetris spelen. De stukjes vielen op hun plek en hielden pogingen om aan iets anders te denken op afstand.’ Het op afstand houden van dingen is soms nodig om vooruit te kunnen. Jana is een zintuiglijk verteller. ‘Hij stonk naar verdriet en zweet.’

    Als Jana en haar broer veertien zijn, komt de vader, die hen jarenlang wekelijks mishandelde en haar misbruikte, aan zijn einde. Ik wilde erachter schrijven, ‘door hun toedoen’, maar het is zijn eigen schuld dat hij eindigt zoals hij eindigt. Op een ochtend gooit de vader na een gevecht met zijn zoon deze uit pure kwaaiigheid in een mestkuil en vergrijpt zich daarna aan zijn dochter. Dan staat plotseling de zoon met een opgeheven schep achter hen, hij doorklieft het vaderhoofd. Jana’s reactie, ‘Het was alsof we in oorlog waren geweest en plotseling beseften dat we  het hadden overleefd. (…) Ik trok de melkjas om me heen en leunde naar broer toe hij legde een arm om mijn schouders en rook naar stront. Dat was voor heel lange tijd de laatste dag dat we elkaar zagen.’  

    Twintig jaar later bezoekt Jana haar geboortedorp Smalånger waar haar broer op de familieboerderij woont. ‘Ik ging naar mijn broer.’, begint het boek. Dat de vader dood is en de moeder in een verzorgingshuis zit, weten we dan nog niet. Ook dat de moeder, toen al dat erge haar kinderen overkwam, tegen hen zei dat ze moesten zwijgen, weten we niet.  ‘Ik wilde niet zwijgen. ‘Ik wilde dat iedereen het zou weten.’ Smirnoff gebruikt geen interpuncties of hoofdletters dan enkel om een zin te beginnen en een punt om die te eindigen. Het is een wonderlijk boek, treurig en tegelijk zo mooi. Het is zo’n boek waarbij je denkt aan de vertaler. Ik weet niets van vertalen, maar het moet een flink werk zijn geweest om deze roman te vertalen, het leest als een kunstwerk.

    Mijn broer is een boek over verminkte levens, over drankzucht en de zintuiglijke liefde tussen Jana en een man die ze als een primaat omschrijft. Een Neanderthaler die ‘mij met zijn eigenaardige kafkaogen aankijkt’. Ik zocht naar een beeltenis van Kafka om een idee te krijgen. Mijn broer is het eerste deel van een trilogie, met een omslagbeeld van August Strindberg, die ‘De zoon van een dienstbode’ was. Smirnoff wordt in Scandinavië geroemd als ‘grootste literair sensatie sinds Karl Ove Knausgård’. Er wordt met smart naar het tweede deel uitgezien.

     

    Mijn broer / Karin Smirnoff / vertaling Bart Kraamer / uitgeverij Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Seizoensverandering

    ‘Ik heb een prachtbaan,’ zei de man op het bankje. ‘Eens per maand praat ik met oude mensen over het leven. We zitten om een ronde tafel en er is gratis koffie.’
    ‘We hadden het over de herfst,’ antwoordde de man op mijn vraag.‘Dat je over een stoepje struikelt, een heup breekt en nooit meer thuis komt,  over het verlies van een geliefde, een kind of een partner. Het vertrouwde stramien, tot een vrouw ons onderbrak. Ze was nieuw. Ze had haar koffie omgestoten toen ze zich voorstelde. Haar hele leven had ze in een wolwinkel gewerkt, vertelde ze, terwijl ze ostentatief kruimels van haar plakje cake van tafel veegde. Typisch gedrag van een zenuwlijer, dacht ik, tot ze zei: “Alles goed en aardig.” Dat zei ze en iedereen luisterde. “Dàt  zijn veranderingen in het leven die je overkomen. Treurig, verdrietig. Maar inherent aan leven. Daarnaast heb je,” – ‘en even was ik bang voor een college’, zei de man – “veranderingen die je zelf organiseert zoals ander werk, verhuizing, een reis. Ik ben nu 84 en prakkiseer steeds vaker of ik niet dat verhaal van Franz Kafka heb geleefd.” 

    ‘Ze pauzeerde, haar timing was perfect, want iedereen vroeg: “Wat bedoelt u?” en “Welk verhaal?” en “Wie is Hans Kaftan?”, dat was meneer Hollestelle, die hoort slecht. Daarop haalde ze het Verzameld werk uit een plastic tasje en zei, “Een keer gekocht bij een boekenclub, drie voor een tientje.”
    “Kom eens to the point” zei mevrouw Castricum, die bang was dat ze ook de titels en schrijvers zou noemen van de andere boeken die ze voor dat tientje had gekregen. “Het duurt allemaal wel erg lang.”

    ‘Die Kafka-parabel, Voor de wet heet die, vatte ze heel beknopt samen,’ zei de man. ‘Het gaat ongeveer als volgt. Een boer komt aan bij een poort en vraagt of hij naar binnen mag. “Dat is mogelijk,” zegt de wachter. “Maar nu niet.” Vervolgens gaat die boer op een krukje naast de poortwachter zitten en wacht en vraagt en wacht en vraagt en geeft die poortwachter geschenken om hem gunstig te stemmen, maar telkens krijgt hij als antwoord: “Nee, nu kun je niet naar binnen.” Hij vervloekt zijn lot dat juist hij de verkeerde poortwachter tegen is gekomen. De jaren gaan voorbij, de boer wordt oud, dovig en stervende en met het laatste beetje kracht dat hij in zich heeft, vraagt hij de poortwachter: “Hoe komt het dan dat al deze jaren niemand behalve ik toegang heeft gevraagd?’ En die poortwachter brult: “Hier kon niemand anders toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga hem nu afsluiten.”’

    ‘We zwegen allemaal aan die ronde tafel, tot zij, wat twijfelend, zei, dat het tot nu toe in haar leven slechts ging om seizoensveranderingen, geen echte veranderingen. Er was plichtsgevoel, er waren goede bedoelingen. “Maar bleef ik voor mijn eigen poort staan?”
    “Ga toch verder!” riep mevrouw Castricum. Ze bedoelde het anders, en toch paste het bij het moment. En opeens zag ik voor me het gezicht van mijn eigen poortwachter. Hij hield me in een veilig bestaan.’
    De volgende dag zat de man weer op zijn bankje, hij leek mij niet te herkennen.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

  • Waar woorden blijven

    Zolang ik op slippers blijf lopen en mijn door de zomer gebruinde voeten kan zien, is de zomer nog niet voorbij. Oh ja, en als ik in de vroege ochtend de buurvrouw vanuit haar achtertuin hoor telefoneren, in het Pools. Waarbij ik me verbeeld dat het Portugees is. Dat ik weer in Portugal ben waar de Oekraïense kokkin, (Marina, tenger als een ballerina, wat ze ook was, in Portugal werd ze pas kokkin) in de keuken pasteitjes bakt. Marina (ik haal haar uit de omhaakte vorm naar open zinnen), sprak Portugees in verbaasd klinkende en korte zinnen. Ik leerde van haar wat Oekraïense gerechten te maken. Deruni (aardappelpannenkoekjes) en borsjtsj, in ruil gaf ik haar de Portugese woorden die ik kende: ‘manteiga’ voor boter, ‘azeite’ voor olijfolie, ‘cebolas’ voor uien, ‘sopa de couve’ voor koolsoep, ‘panelas’ voor pannen, ‘forno’ voor gasfornuis, ‘cheira bem’ voor wat ruikt het lekker. 

    Portugese woorden leerde ik uit de vertaalde boeken die wekelijks bij de zaterdageditie van de krant Publico te verkrijgen waren. Bloed van anderen van Simone de Beauvoir werd O sangue dos outros. Ik las ze naast elkaar:
    ‘Hij opende de deur en alle ogen werden op hem gericht:
    ‘Quando abriu a porta, todos os olhos se voltaram para ele:
    “Wat willen jullie van me?” vroeg hij.
    “Que me querem?” perguntou.
    Laurent zat schrijlings op een stoel voor de haard.
    Laurent estava escarranchado numa cadeira diante do fogo.
    “Ik moet weten of de beslissing vóór morgenochtend genomen wordt of niet,” zei Laurent.
    “Preciso de saber se está ou não decidido para amanhã de manhã”, disse Laurent.’

    ‘Amanhã de manhã’ zei ik in situaties waar ik niet goed uit kwam. Het kwam eruit als een belofte, als iets dat nog niet helemaal zichtbaar was maar dat wel zou worden. Inmiddels heb ik koude voeten, sokken mag ik pas aan als dit stukje klaar is. Naast me ligt de nieuwe Terras, met Portugeestalig proza en poëzie van dertig schrijvers, uitgezocht en vertaald door elf vertalers. Hoe gebruiken we woorden, waar blijven ze als we ze niet meer uitspreken, ‘wat worden we als we alleen  nog kunnen zeggen wat we ons kunnen veroorloven?’ De kernvraag in de dystopische roman Echologie (2018) van de Portugese schrijfster Joana Bértholo. Anne Lopes Michielsen vertaalde er enkele fragmenten uit. Zoals deze, in ‘de mond als portaal’ vraagt een kind aan haar moeder:
    ‘Mamaaaaa?’ (denk aan het langgerekte ‘Mae’ van Portugese kinderen)
    ‘Ben je al wakker?’
    ‘Denk je dat we dichter bij elkaar zouden zijn als er geen “ik” en “jij” zouden zijn?’
    Of:
    ‘Mamaaaaa?’
    ‘Ja, Candela.’
    ‘Waarom is het verleden onvoltooid?’

    Met deze editie van Terras had ik in Portugal willen zitten, waar woorden nieuwe betekenissen kregen. En nee, het verleden is nooit voltooid. Nu eerst sokken aan, en hopen dat dit boek van Joana Bértholo inmiddels vertaald bij de boekhandel ligt. Haar aansprekende taal moet ik lezen. Lees overigens eerst deze Terras, getiteld ‘Lusofonie’, klinkt als een muziekstuk, een compositie van prachtige verhalen in fijnzinnige vertalingen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Zinnen die passen

    Deze zomer was ik omringd door boeken van vrouwen. Hoe prettig is het om zinnen te lezen die zo vertrouwd overkomen dat je ermee wegloopt. Zoals Annie Dillard in haar essay, ‘Totale zonsverduistering’ na een verpletterende zonsverduistering (1979) in hartje Washington, tussen opmerkingen van toeschouwers door, ‘Zag je hoe…? Zag je dat…?’ een jonge student hoort zeggen, ‘Zagen jullie ook de witte ring? het was net een Life Saver, zo’n pepermuntje in de vorm van een reddingsboei.’ ‘Verdomd’, denkt Dillard, ‘Die jongen sloeg de spijker op zijn kop. Zelf had ik zo’n woord op dat moment niet paraat.’
    De paraatheid van woorden op het juiste moment is zo’n ding waar het bij mij aan schort, daarom lees ik, geloof ik.

    Vivian Gornick schrijft in Verstrengeld, het boek over haar wandelingen door New York met haar moeder, over haar pogingen tot iets te komen. ‘Ik ging aan mijn bureau zitten en deed mijn best om na te denken.’ Het leek of ze dit voor mij had opgeschreven. Jarenlang deed Gornick haar best om na te denken. ‘Net zoals mijn moeder zei dat ze haar best deed om te leven. Zij vond dat ze een medaille verdiende omdat ze ‘s morgens haar benen over de bedrand zwiepte en ik vond dat ik er een verdiende door alleen al aan mijn bureau te zitten, geloof ik.’ Dat het afwassen, uit het raam kijken, het nog eens koffie zetten terwijl je schrijft, zin heeft, in feite een medaille verdient, dat past me wel.
    Ik hou van Gornick en haar moeizame relatie met haar moeder. Ze zien elkaar het liefst lopend. ‘Ik ben nu vijfenveertig en mijn moeder is zevenenzeventig. (…) Zonder moeite doorkruist ze met mij het eiland Manhattan. De liefde voor elkaar spat er niet vanaf op onze wandelingen, we gaan vaak tegen elkaar tekeer, maar wandelen zullen we.’  

    In Onroerend goed schrijft Deborah Levy over een dossier waarin ze de dingen die bij haar lijken te horen, (of waar zij bij wil horen), dingen die je ‘moet hebben’ opslaat. Zo creëert ze haar toekomstige leven, het is een dromendossier. In het dossier zit een huis in Griekenland met een granaatappelboom in de tuin. Later voegt ze daar een herenhuis in Parijs aantoe. Daarin wil ze een ingebouwde haard in de vorm van struisvogelei die ze in Santa Fé Nieuw-Mexico in een hotel had gezien. Gemaakt van adobe (hier raadpleegde ik internet om te weten dat adobe niet alleen een hulpprogramma voor mijn computer is, maar in zijn oudste betekenis leemsteen is). Levy raakte verknocht aan ‘dit brandende ei’, ze moest het hebben, daar is zo’n dossier dan handig voor.

    De dingen vormgeven met wat je ziet en hoort. De deze week overleden Jean-Luc Godard had een voorliefde voor raadselachtige, abstracte zinnen. Wat ik niet wist is dat hij die zinnen ‘plukte uit films, proza, poëzie en filosofische verhandelingen’. Soms citeerde hij zonder het te beseffen, zo eigen werden die zinnen hem. In een interview zei Godard eens, ‘Zo’n zin moet iets met mij te maken hebben, maar ik weet niet precies wát. Het is als een kleur maar dan met woorden.’ Ja, daar herken ik mij in, gekleurde woorden, woorden die passen als een jurk van goede snit. 

     

    Bron: Volkskrant, Postuum Jean-Luc Godard (1930-2022) door Kevin Toma.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Expat

    Er waren avonden dat R. en ik, vlak voor we gingen slapen, in de hal bij de voordeur stonden en met ons hoofd wat scheef luisterden naar pianomuziek uit het appartement van de Japanse expat. De expat woonde hier sinds kort. Eén keer had ik hem bij de afvalcontainers gezien en begroet. Een jongeman met een sjaaltje.
    We kwamen er niet uit, hoe lang we ook bleven luisteren. R. dacht aan een CD of een playlist op Spotify. Ik raadde Chopin, live gespeeld op de piano. Niet omdat ik dat kon horen, maar omdat ik dat zo’n fijne gedachte vond: de buurman speelt romantisch Chopin en wij kruipen onder ons dekbed.

    Op een ochtend zag ik hem beneden bij de berging. In plaats van een obligaat goodmorning – je praat als vanzelf Engels – zei ik dat ik zo genoot van zijn muziek ’s avonds laat. Wat volgde was Lost in translation, een botsing van sorry’s en no no-sorry’s. Hij interpreteerde mijn opmerking – afgaand op zijn gezichtsuitdrukking – als een beleefde vorm van kritiek, dat hij overlast bezorgde en mij uit mijn slaap hield. Het was het laatste wat hij wilde. Het laatste wat ik wilde was dat hij stopte met ’s avonds pianospelen. Zo transformeerden zijn excuses in dankjewels en mijn vriendelijke woorden in overdreven loftuitingen.

    Een paar weken later, bij de lift, vroeg hij of ik een keer bij hem wilde komen eten. Dan zou hij ook iets voor mij spelen.
    ‘Dat doe je toch niet?’ zei R. toen ik hem van de uitnodiging vertelde.
    ‘Waarom niet?’
    ‘Ik vind het niets voor jou om te doen. Is het er soms eentje?’
    ‘Daar gaat het toch niet om?’

    Hij deed iets in Sales. Maar pianospelen kleurde zijn leven. ‘Ik speel alleen zeer matig.’ In Japan had hij nooit vakantie. Nu reisde hij elke maand naar een Europese stad, Milaan, Berlijn, Madrid. Alleen.Op zijn vakantiebestemmingen vroeg hij aan vriendelijk ogende voorbijgangers een foto van hem te maken. Hij liet me ze op zijn telefoon zien. Telkens keek hij schuw, een beetje verschrikt in de lens. Alsof hij eigenlijk niet gefotografeerd wilde worden. Hier, Lissabon. Hij staat achter het bronzen beeld van Fernando Pessoa. De eenzame dichter Pessoa, de expat kende hem niet. Dan zegt hij verlegen glimlachend: ‘Als mensen héél vriendelijk zijn, dan vraag ik of ze met mij op de foto willen.’ Hij swipet verder. De expat tussen een Braziliaans echtpaar. De expat naast twee meisjes uit Hongarije, op gepaste afstand. ‘Door deze foto’s verbeeld ik me dat ik niet alleen op vakantie was.’

    Ik kijk van zijn smalle rug naar zijn handen die feilloos de toetsen raken, een pianosonate van Mozart. En ik denk aan dat gedicht van Pessoa, dat ooit door Frank Boeijen op muziek werd gezet: Wanneer de lente komt/En als ik dan al dood ben/Zullen de bloemen net zo bloeien/En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar. De werkelijkheid heeft mij niet nodig.
    En ik denk aan een eigen eenzame vakantie, lang geleden. Soms weet je niet precies waarom je ergens bent beland, je bent er misschien wel om de echo van je eigen herinneringen terug te horen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Loslaten

    Op een rommelmarkt heb ik een reusachtig zwart houten Boeddhabeeld gekocht. Het torende zo eenzaam uit boven de babykleertjes en de barbiepoppen, dat ik besloot het mee naar huis te nemen. De dame achter de kraam noemde een belachelijk lage prijs en toen ik vroeg of ze het ook voor de helft deed, omdat je op een rommelmarkt nou eenmaal moet afdingen, stemde ze zonder aarzelen toe. Ik meende zelfs iets van opluchting op haar gezicht te lezen, ‘zeker omdat ze dat zware beeld niet mee terug hoefde te sjouwen’, dacht ik nog.

    Thuisgekomen bleek het Boeddhabeeld nogal gehavend te zijn: het had een hazenlip en er liep een litteken verticaal over zijn rechteroog, alsof het tijdens een gevecht in een havenkroeg van een dronken matroos een haal met een mes gekregen had. Zijn duimen, die het vanuit zijn gevouwen handen omhoog stak, zaten los. Ik lijmde ze weer op hun plaats. Deze mudra, het handgebaar van de omhooggestoken duimen, staat voor intuïtie, helder inzicht en wilskracht, had ik gelezen. Toen ik het beeld in de tuin op een sokkeltje gezet had en het van een afstand bekeek, vroeg ik me af of het eigenlijk niet twee middelvingers naar me opstak.

    In de dagen daarna leek het beeld zich te verplaatsen. Negen van de tien keer was het mijn zwarte kat, die door de tuin sloop. Soms ook keek ik tegen de zijkant van mijn nieuwe bril aan, waar ik nog niet aan gewend was. Maar steeds vaker schoof er in de tuin een zwarte schaduw voorbij die ik uit mijn ooghoek kon waarnemen en waarvoor ik geen verklaring had. Ik werd me op een zen-achtige manier bewust van de dingen om me heen. Ik werd waakzaam, voorzichtig, alert. Ik wilde het betrappen. Maar steeds als ik keek, zat het Boeddhabeeld weer op zijn sokkel, glimlachte sereen en gaf niets prijs.

    Boeddha

    De Boeddha heeft zijn intrek
    in ons huis genomen: een houten beeld,
    de Boeddha zelf. Hij zit op het dressoir
    en zwijgt; hij eet niet mee, maar leeft

    van wat wij hem aan aandacht geven.
    Als wij vertrokken zijn, maakt hij
    de kamer van illusies vrij,
    van woorden die wij in de haast vergaten.

    Hij lijkt niet te bewegen, maar dat
    is schijn: vannacht heb ik hem nog
    met andere Boeddha’s horen praten

    en ik vermoed, dat hij, als wij
    naar school of werk vertrokken zijn,
    zijn benen strekt en ademhaalt.

    (Uit: Arjen Sevenster, Bloemen in de regen, 2018)

     

    Ik besloot Siddharta van Herman Hesse nog eens te lezen. In deze roman over een spirituele zoektocht naar het ware zelf worden ervaringen gezien als de beste manier om de realiteit te begrijpen en inzicht te verkrijgen. Blijf niet zoeken naar de waarheid, zegt de Boeddha, laat slechts je overtuigingen los. Dat probeer ik nu maar te doen. Als ik weer een glimp opvang van het Boeddhabeeld aan de wandel, lees ik het gedicht van Sevenster en denk ik alleen maar: die lotushouding moet ook wel vreselijk zeer doen op den duur.

  • Onder de toonbank

    Op 1 september 1989 kocht ik de Nederlandse vertaling van Salman Rushdies The Satanic Verses. De datum vind ik terug op het titelblad, de reactie van de boekverkoper –  in de kiosk van station Hilversum –  is in mijn geheugen gegrift.
    Ik vroeg naar het boek en de man, begin veertig en grijzend, veerde bij mijn vraag iets naar achter. Zijn gezicht verstrakte en tegelijkertijd speurden zijn ogen de directe omgeving af.
    Er was niemand, er waren alleen boeken.
    Hij leek te twijfelen. Toen haalde hij van onder de toonbank De Duivelsverzen tevoorschijn, met een hand het omslag afschermend, voor als er toch iemand plotseling de kiosk binnen zou stappen.
    ‘Het is het enige exemplaar dat ik heb,’ zei hij. Hij klonk opgelucht.
    ‘Ik hoef er maar eentje.’
    Een luchtig antwoord, maar eenmaal in de trein zocht ik bewust een stil plekje op om ongezien te kunnen lezen. Bonkend hart. Dreigtaal reikt ver. Toen al.

    Zoals dat gaat. Na de aanslag op Rushdie op 12 augustus jl pakte ik De Duivelsverzen weer uit de kast. Een boek zonder leesvouwen, toentertijd haakte ik na vijftig pagina’s af, de draad volledig kwijt. Maar nu, volwassener, zie ik opeens hoe luchtig en speels het boek opent, moet ik zelfs lachen om de eerste scène, hoe Djibriel Farisjta en Saladin Chamcha naar de aarde duikelen.
    Zo gaat het.
    Zonder die aanslag was het boek in de kast gebleven.
    Zonder die aanslag geen herdrukken, geen nieuwe lezers.
    Wat aandacht krijgt groeit.

    Ik hoopte na de mes-aanval op een plottwist. De Iraanse pers spreekt haar afschuw uit over de daad, jubelt niet, geeft Rushdie niet zelf de schuld. Er is meer begrip voor de vrijheid van expressie en minder voor wraak. Er is de oprechte wens dat niemand hoeft te lijden. Hoe verder de problemen van me afstaan hoe gemakkelijker de oplossing lijkt. Kom op, mensen even je best doen, straks danst iedereen de horlepiep.

    Dat komt ook door Meer dan een mens kan doen, de verzamelde Zen-toespraken van Ton Lathouwers. Ik kreeg het dit jaar cadeau.  Lathouwers ontmoet in Kyoto een Zen-leraar die door een eenvoudige uitspraak iets in hem opent: ‘Iedereen is aanvaard, precies zoals je bent, hier en nu, zoals hij of zij is.’
    Het zijn warme woorden. Toegegeven, ik behoor tot die groep mensen die graag aanvaard zou willen zijn en anderen graag aanvaardt.
    Natuurlijk gun ik iedereen dezelfde uitkomst.
    Ook de aanvaller op Rushdies leven.
    Ook de goedpraters van deze geweldsdaad.
    Gered en aanvaard. Hè, fijn.
    Eerlijk oversteken, dat wel. Dank u wel!

    Want ik leg mijn eigen leven onder het spreekwoordelijk vergrootglas en de goedwillende glimlach van aanvaarding verstart. Van duim naar pink tel ik met gemak de mensen waarbij ik denk: Gered? Ik weet het niet. Het mag van mij, maar zeker niet op stel en sprong. En zo zit je midden in je eigen strijd, tuimelen, onzichtbaar voor iedereen, Farisjta en Chamcha door je eigen hoofd. ‘De hemel zwijgt. Je hebt alleen het geloof van je hart’ citeert Lathouwers uit de Legende van de Grootinquisiteur (uit De Broers Karamazov van Dostojevksi). Mooi. Alleen soms is dat eigen hart toch ook een probleemgeval.

     

  • Remco Campert

    Je wist natuurlijk dat het einde naderde. Daarom nam je, als om de dood te bezweren, geregeld een boek van hem uit de kast. Zolang je zijn boeken las, zou je met hem de dood voorblijven. Bleef zijn werk te lang onberoerd, dacht je, hé, Remco Campert, hoe is het? Pakte een boek van hem, las hoe een zwerver zijn romanpersonage Veranneman, met gebarsten stem toeroept, ‘Hé, Veranneman, schrijf je nog altijd?’ Hoe Veranneman glimlachend knikt en beschaamd verder loopt. ‘Hij heeft het gevoel dat hij tekortschiet. Zover heeft hij het met schrijven gebracht, dat hij herkend wordt op straat. Maar dit was toch nooit de bedoeling? Verlossing, daar ging het om.’ Daar zie je de schrijver in zijn verhaal lopen, zijn kenmerkende bescheidenheid, verwondering en onwereldsheid. Zo houd je hem van het sterven af, tot de dag dat het niet langer gaat. Die dag kwam gisteren. 

    Je was drukdoende allerhande zaken te regelen, af te ronden voor de vakantie begint. Je vulde kaartjes met namen, met die en die, en dat en dat, stelde mails op, verstuurde die. Tussendoor, alsof je bang was iets te missen, klikte je op social media. Het was maandag, je weet nooit of de derde wereldoorlog dan eindelijk begonnen was. Of iemand je zoekt, je nodig heeft. Daar werd, schokkender toch dan elk andersoortig nieuws, het bericht van zijn overlijden geserveerd. Het bleek een ticket voor een collectief rouwmoment. Er kwam een vloedgolf aan persoonlijke herinneringen, (er werden wedstrijden gehouden wie de mooiste dichtregels wist, foto’s van gesigneerde boeken) los. Je klikte het weg. Je dacht, wacht even, hou nog even vast, dat moment van weten, blijf stil, zeg niets, laat het loslaten beginnen, maar slinger hem niet al te hard het hiernamaals in. Dat dacht je. 

    Je wilde hem nog niet weg hebben van dat plekje, dat hij ongetwijfeld ook in zijn nieuwe huis vond, waar hij peinzend en omdat hij niet anders kon, aan een tafeltje gezeten woorden aan het papier toevertrouwde. Zo stelde je het je voor. Ook als niemand het zou lezen, moest er geschreven worden. Al was het schrijven voor zichzelf nooit vervullend is op te maken uit zijn werk. In het verhaal ‘Luchtdichter’ staat, ‘Ik zal nooit een dagboek dat alleen voor mij bestemd is kunnen bijhouden. Altijd ligt de wens om nog bij leven gedrukt te worden en de reacties op wat ik geschreven heb mee te maken, op de loer. (…) Een zin in elkaar zetten doe ik niet alleen voor mezelf, maar ook voor de nog onbekende, liefst ideale lezer (een onbevooroordeelde, verbeterde versie van mezelf), zelfs al dient die zich pas na mijn dood aan.’

    Roos van Rijswijk schreef eens dat ze Campert uit de boekenkast van haar oma en moeder kende, en uit het Amsterdamse straatbeeld. Er was sprake van een ‘Campert-radar’ met haar moeder. Wie de dichter signaleerde, stuurde een berichtje naar de ander: ‘Ik zag Campert op Het Leidseplein.’ De geruststelling te weten dat hij er is, dat is des lezers geluk. Van Rijswijk schreef ook over de dichter: ‘Je kunt een standbeeld neerzetten voor zo’n kerel, maar mooier is dit: een boek waarin je, al naar gelang wie je zelf bent, hem leert kennen of terugvindt. Stilte is een mooie vorm om de dode schrijver te herdenken. Want ‘dood is een ontroering’, die ten beste alleen verdragen wordt. Je zag een overvloedige stilte voor je, waarop Remco Campert gedragen werd in een lange stilstaande stoet van eerbetoon.

     

     

    Citaten uit: Om vijf uur in de middag, (verhalen) / Remco Campert / De Bezige Bij


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en al wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • In eigen handen

    Om de verschijning van Augustus deze week te vieren, nodigde goede vriendin B. mij uit voor een bezoek aan een handlijnkundige. ‘Het wordt geen zweverig gedoe,’ zei ze. Op het erf scharrelde een zwerfkat. In de verte klonk het lawaai van boerenprotesten. We gaan gedrieën in de opkamer aan een ronde tafel zitten. Wanden vol met boeken, want de handlijnkundige is ook wetenschapper, een bekend historicus. Esther Captain publiceerde samen met Onno Sinke onlangs Het geluid van geweld, over de Indonesische revolutie. Vlak na de capitulatie van Japan klonk in steden en dorpen de strijdkreet ‘bersiap’, een woord dat verbonden is aan een bloedige periode in de Indonesische geschiedenis. Daar had ik graag met haar over willen praten. 

    Lang geleden had ik weleens iets gelezen van handlijnkundige Julius Spier, een bijvangst van de dagboeken van Etty Hillesum, zodoende kon ik aan enkele lijnen in mijn hand wel een naam maar verder weinig betekenis geven. Als Esther vertelt dat ze haar opleiding tot handlijnkundige gedaan heeft bij Ellen Duim, denk ik toch een moment in de maling genomen te worden. Maar Duim is een bekend handlijnkundige, zoals Benno Baksteen een bekend piloot is. Een aptoniem, een naam die bij je beroep past. 

    ‘Je handen zijn een feestje voor een handlijnkundige!’ zegt ze lachend. Vriendin B. en ik verzitten, nieuwsgierigheid is ons niet vreemd. Op mijn pink heb ik een pauwenoog. ‘Je hebt een groot gevoel voor rechtvaardigheid.’ Dat ziet ze in mijn linker- en in mijn rechterduim. Ik zal hier niet alles herhalen wat die middag is verteld, ik heb het opgenomen op mijn Iphone en kan het terugluisteren. Je zoekt bij zo’n consult naar herkenning, naar nieuwe wegen. Als ze zegt dat ik met mijn vrije werk – mijn nieuwe roman, deze columns – meer het podium mag opzoeken, word ik enthousiast. ‘Eloquent en welbespraakt’, leest ze in mijn hand. Zo ervaar ik mezelf niet met mijn eindeloos ge-eh tijdens gesprekken en mijn moeizame start in het leven. Tot mijn vierde jaar maakte ik met kreten en wijzen duidelijk wat ik wilde. 

    Als ik er thuis over vertel, ontvang ik naast scepsis ook herkenning. ‘Dat je dat niet zelf ziet,’ zegt R. direct. ‘Het gevoel voor rechtvaardigheid zit heel sterk in Augustus.’ Hij somt op: ‘De verstoting van een neef, die zwangerschap buiten het huwelijk, weet je wel, het verraad van die ene vriend, of die moord, toch het toppunt van onrechtvaardigheid. Je schrijft er niet zomaar over.’ Is mijn behoefte om te schrijven moreel geladen, is rechtvaardigheid een drijfveer? Ik weet het eerlijk gezegd niet. Soms onthul ik iets, weet ik. Niet doelbewust. Het gebeurt. Intuïtief. Door een vraag, een opmerking. Door dat sterke gevoel van rechtvaardigheid dat zich in de lijnen van mijn duim heeft genesteld. ‘Heilige woede’ zei iemand eens. Vervolgens denk ik aan de boeken van Esther Captain. Zei ze iets over mij wat ook in haar biografie belangrijk is? De historicus laat de feiten spreken, en ontkomt tegelijkertijd niet aan ontmaskering van onrechtvaardigheid en het geven van een stem aan degenen die rechtvaardigheid verdienen. Staat rechtvaardigheid ook prominent in haar duimen? Toch eens vragen.

     

     

    Naschrift: in haar linkerduim!


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Deze week verscheen zijn tweede roman Augustus.

  • Engel

    Ik dacht rustig in de trein te kunnen zitten, maar in Rotterdam stapte een grote massa dronken voetbalsupporters in, die blijkbaar in De Kuip een wedstrijd hadden bijgewoond en nu weer naar Brabant afzakten. Om welke elftallen het ging en wie er gewonnen had, werd me niet duidelijk, in de algehele feestvreugde scheen dat ook niet meer belangrijk te zijn. De uitgelaten menigte hoste lallend door de treinstellen, een spoor van lege blikjes, een geur van verschaald bier en harde boeren achterlatend. Enkele mannen ontblootten in opperste vervoering hun getatoeëerde bovenlijf, om vervolgens hun shirt bij één mouw vast te pakken en dat boven hun hoofd en dat van de overige passagiers rond te draaien onder het slaken van extatische oerkreten, daarbij een vogelnest aan okselhaar onthullend dat een geur verspreidde die bij een Frans kaasje wel ‘rijp’ wordt genoemd. 

    Een jonge, door drank overmoedig geworden vlegel plofte onder luide aanmoediging van zijn kameraden bij een vrouw op schoot en probeerde haar te kussen. En tot mijn verrukking deed deze dame haar mond open en sprak in luid, onvervalst en ongepolijst Helmonds: ‘As ge naw nie heil gaauw makt dè ge wegkoomt, dan vat ik oe mi ein haand bai oe stroot en mi d’aander bai oewe zak en dan flikker ik oe in Bredoa oit d’n trein.’ Vertaling: ‘Als je nu niet heel vlug maakt dat je wegkomt, dan pak ik je met mijn ene hand bij je keel en met m’n andere bij je scrotum en dan gooi ik je in Breda uit de trein.’ Verbouwereerd stond de jongeman op en wankelde naar zijn vrienden die hem met honend gejoel ontvingen. 

    Mijn hart was opgeveerd als de herders in het veld die ’s nachts uit den hoge een stem hadden vernomen. Want al was het in dit geval misschien niet de stem van een engel, toch klonk het me hemels in de oren om mijn thuistaal na zoveel jaren weer te horen spreken. Achter de grote bek van een Helmonder gaat een minstens even groot hart schuil, volgens Wim Daniëls:

    Helmonds

    De taal laat je schrikken
    als je een vreemde bent
    en voor het eerst die klanken hoort
    een diepe oi
    een lange ai
    en ook skool, skip en skuur

    je denkt misschien
    dat je iets verkeerd hebt gedaan
    iets hebt miszegd of dat de spreker
    boos is op het bestaan

    maar zo is het niet
    in deze taal vallen
    ruwheid en warmte samen
    je bent van harte welkom
    je kunt aanschuiven
    maar wacht niet op
    een zacht woord

    De taal is van een
    hartelijke hardvochtigheid

    die je stevig wil omarmen

    Vlucht daarom niet
    maar ontspan en luister
    naar het zoets van dit kabaal

    In Breda moest ik overstappen. Voor ik de coupe verliet, bracht ik met een knikje van mijn hoofd een eerbetoon aan de Helmondse dame die zo fier gesproken had. Ze nam het met een grijns in ontvangst, deze engel met het vlammende zwaard, die mij voor heel even had doen verwijlen in Eden.

     

     

    Uit: Helmond, gedichten / Wim Daniëls


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.