• Gevangen in het ijs

     

    In mijn boekbesprekingen bezie ik boeken het liefst als kunstobjecten, met esthetische en stilistische kenmerken die een bepaald effect bij mij als lezer teweegbrengen. Maar de kennis die ik tijdens mijn studie Scandinavische literatuurwetenschap heb opgedaan over Deens-Groenlandse literatuur, maakt nog altijd dat ik Deense boeken over Groenland eerst en vooral zie als culturele objecten: producten die zijn voortgekomen uit een bepaalde literaire traditie en binnen een zekere culturele context.

    Toen ik De kolde flammer van de Deense Knud Sønderby las, bekeek ik dat boek dan ook min of meer uit automatisme door een culturele lens. De Nederlandse vertaling van de gelauwerde klassieker uit Denemarken verscheen in 2023, precies 80 jaar na de publicatie van het origineel. Het boek werd in Nederland met een nogal lauw enthousiasme ontvangen en baarde maar weinig opzien. Bovendien maakt volgens de twee recensies die verschenen – in Het Parool en het NRC – ‘de liefde’ het hoofdonderwerp van deze roman uit. De besprekingen richten zich vooral op de ontwikkelingen die zich tussen de twee hoofdpersonages voltrekken en de gevolgen die hun omstandigheden hebben voor hen als koppel. Het perspectief van het boek als cultuurobject komt zo goed als niet aan de orde.

    Een rijke traditie van literatuur over Groenland

    In Koude vlammen vertrekt fotograaf Kristian voor een jaar met zijn vrouw Vera vanuit Kopenhagen naar een afgelegen Groenlands dorp. Het kost Kristian en Vera moeite om te wennen aan de veranderde leefomstandigheden en in hun zoektocht naar geluk komt hun huwelijk al snel op de tocht te staan. De verhaallijn in Koude vlammen is, hoewel met kundige hand beschreven, maar weinig spectaculair of origineel.

    Wat mij betreft schuilt de grootste literaire verdienste van Koude vlammen in de omgeving waar het boek zich afspeelt. Die omgeving bindt het boek namelijk aan een buitengewoon rijke en al bijna 200 jaar oude traditie binnen de Deense letteren: de Deens-Groenlandse migratieliteratuur. Met die term verwijst cultuurhistoricus Ebbe Volquardsen naar Deenstalige boeken waarin een Deense protagonist voor langere tijd naar Groenland vertrekt om aldaar, met wisselend succes, te integreren in de Groenlandse samenleving.

    Sinds de jaren 2000 wordt de Deens-Groenlandse migratieliteratuur – bijvoorbeeld die van schrijvers zoals Iben Mondrup en Kim Leine – gekenmerkt door een vrij radicaal antikoloniale stem als het gaat om de historische en hedendaagse banden tussen Denemarken en Groenland. Die antikoloniale kijk komt op uiteenlopende manieren tot uiting: stereotypen over de inheemse bevolking worden ontkracht, en het traditionele narratief, waarin de Groenlandse samenleving wordt weggezet als ouderwets en primitief, wordt ondubbelzinnig weersproken. Over het algemeen zijn de hoofdpersonages van deze boeken solidair met de Groenlanders en steunen zij hen actief in hun strijd voor onafhankelijkheid van Denemarken. Zo laat Rasmus Theisens boek Andre hunde (Andere honden, tot op heden niet in het Nederlands vertaald) zien hoe een Deense protagonist zich, zij aan zij met de Groenlanders, inspant om de macht van een Deense vastgoedmagnaat in een Groenlands dorp te ondermijnen.

    Subtiel tegendraads

    Koude vlammen stamt van ver voor het begin van die antikoloniale trend in de Deense migratieliteratuur over Groenland. Het is dan ook niet vreemd dat dit boek niet onder de antikoloniale Deenstalige literatuur kan worden geschaard. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat de Inuit-personages in Koude vlammen bijna allemaal aan de Denen ondergeschikte rollen vervullen. Op die manier stelt het boek een sociaal overwicht tentoon van de Denen over de Groenlanders die nergens kritisch aan de kaak wordt gesteld. Daarbij zijn de Groenlandse karakters stuk voor stuk bij-personages; het zijn de Denen die centraal staan.

    Toch is het duidelijk dat Sønderby niet bepaald een hoge pet op heeft van de Denen die zich op Groenlands grondgebied bevinden. Hij zet de Denen in Groenland neer als personages die niet in staat zijn te denken buiten de hen bekende kaders en die er daardoor niet in slagen zich aan te passen aan hun Groenlandse omgeving. Die starheid komt bijvoorbeeld tot uiting in het feit dat zij zich in allerijl vastklampen aan de etiquette die zij kennen van thuis. Ook staan de Denen erop de hun bekende functietitels, zoals ‘assistent’, ‘dokter’, ‘schilder’ en ‘ingenieur’, te handhaven, zonder dat zij daar baat bij hebben in de Groenlandse realiteit.

    Een sluimerend ongeluk

    Het is duidelijk dat het handhaven van de Deense maatschappelijke kaders in Groenland niet bepaald tot gelukkige levens leidt. De dynamiek onder de Denen in het dorp benauwt Vera en Kristian en maakt hen met de dag ongelukkiger. In hun buitenechtelijke vrijages met andere dorpelingen zoeken Vera en Kristian de grenzen van de sociale etiquette op, om zich aldus een wrang gevoel van vrijheid toe te eigenen.

    En het heeft er alle schijn van dat Kristian en Vera niet de enige Denen zijn die in Groenland met een groot ongeluk te kampen hebben. De manier waarop de verpleegster er prat op gaat dat Kristian haar, in een dronken bui nota bene, vergelijkt met een van de personages uit Dumas’ De drie musketiers verraadt hoe ongelukkig zij in werkelijkheid is. En hoewel de vrouw van de opziener haar man vertelt dat zij op haar gelukkigst is wanneer zij door het raam in de woonkamer naar buiten kijkt, wekt de dwangmatige manier waarop zij de Deense dorpelingen in de gaten houdt de indruk dat zij koortsachtig probeert grip te krijgen op een plek waar zij in werkelijkheid geen vaste grond onder de voeten krijgt.

    Het ongeluk dat bij iedereen sluimert zorgt voor onderlinge vijandigheid en sociale spanningen. Wanneer hun relatie op den duur volledig is bekoeld, realiseren Kristian en Vera zich dat ‘het niet slechter krijgen dan anderen’ het hoogst haalbare is voor hen. Zij hebben geen idee hoe zij hun eigen geluk kunnen vinden in Groenland.

    Oprechte gevoelens

    De schijnheiligheid waarmee de Denen zich in Koude vlammen door het leven in Groenland bewegen, doet denken aan de onoprechtheid die Alberto Moravia in zijn roman De onverschilligen centraal stelt voor het uitwerken van zijn personages, die tot de welgestelde adel in Italië behoren. Net als in Koude vlammen wordt in De onverschilligen getoond hoe de obsessie met het behalen van meer sociaal kapitaal dan anderen de zoektocht naar het persoonlijke geluk in de weg staat. Beide boeken laten zien dat de hyperfocus op uiterlijk vertoon van deze klasse aan hun levenswijze een allesoverheersende betekenisloosheid verleent.

    Maar waar Moravia’s personages opgesloten zitten in een milieu dat zij zelf in stand houden, worden de hooghartige Denen in Koude vlammen geconfronteerd met een groep mensen die wel degelijk een zinvol bestaan leidt. De liefde en het verdriet van de inheemse bevolking gaat door merg en been; hun gevoelens zijn oprecht, onnavolgbaar en intuïtief. Wanneer de vrouw en het kind van Groenlander Ringsted ziek worden en uiteindelijk overlijden, verbittert Ringsted volkomen. In een gesprek tussen Ringsted en Kristian legt Kristian de vinger precies op de zere plek: ‘Jij kunt tenminste nog aan ze denken. Jij kunt blij zijn met hoe jullie het hadden. Er zijn mensen die verder van hun vrouw verwijderd zijn terwijl ze nog leven, dan jij op dit moment van de jouwe bent.’

    Koude vlammen laat zien hoe de Deense personages het spartelend proberen te rooien in een omgeving die zij absoluut niet de baas zijn. Sønderby is kritisch op de Deense aanwezigheid in Groenland door te laten zien dat die voor de Denen zelf noch voor de Groenlanders profijtelijk is. Maar het boek verbergt die kritiek achter de verhaallijn tussen Kristian en Vera. Misschien deed Sønderby dat bewust, om te voorkomen dat het boek ten tijde van de oorspronkelijke publicatie in 1943 al te veel stof zou doen opwaaien. Destijds waren de antikoloniale stemmen in het Deense culturele landschap immers nog niet zo duidelijk hoorbaar. Maar door het stellen van de vraag wat de Denen daar in Groenland eigenlijk te zoeken hebben, voorafschaduwt het boek een antikoloniaal sentiment dat pas later in de Deens-Groenlandse migratieliteratuur tot volle bloei zou komen.

     

     


    Bjorn Lichtenberg studeerde taal- en literatuurwetenschap in Utrecht en Amsterdam. Hij werkt als bureauredacteur bij een typografisch bedrijf in Utrecht. Ook schrijft hij boekrecensies, essays en korte verhalen die hij publiceert op zijn blog: bjorninschrijfland.nl.

     

  • De lift

    De lift in het ziekenhuis gromt en spert zijn kaken open als een monster uit een verhaal van Stephen King. Ik moet naar de vijfde verdieping, omdat mijn man daar is opgenomen, maar ik durf niet. Lang geleden heb ik een weekend vastgezeten in een gammele lift. Op een zaterdagochtend wilde ik iets ophalen uit het gebouw waar ik toen werkte. Er was geen alarmknop in de lift en mobieltjes bestonden nog niet. En omdat ik alleen woonde, was er niemand die zich afvroeg waar ik bleef. Pas op maandagmorgen werd ik bevrijd, toen ik allang gek geworden was in het donker en de stilte, zonder enig begrip van tijd. Ik hield er claustrofobie aan over, die zelfs na langdurige therapie nooit verdwenen is. Het blijft een van mijn grootste angsten die zich ’s nachts manifesteert als een klamme nachtmerrie waaruit ik schreeuwend wakker word. Ik heb liften sindsdien altijd weten te mijden, maar als ik nu de trap neem naar de vijfde, zullen ze me ergens tussen de derde en vierde verdieping moeten oprapen.

    Bij de lift in het ziekenhuis sta ik minutenlang besluiteloos te kijken. Dan zie ik een jonge vrouw in een rolstoel. Zij heeft geen andere keuze dan met de lift te gaan. Ik overwin mijn schroom en vraag haar of ze me wil helpen. Maar ze hoeft niet met de lift, zegt ze, ze blijft gewoon op de begane grond. Misschien ziet ze mijn ontreddering, want ze zegt vriendelijk dat ze me toch wel naar boven wil brengen. Ik vraag of ze eerst wil gaan, dan haal ik diep adem en zet een stap in de lift. Terwijl ik me vastklamp aan de reling en naar de grond staar, breekt het zweet me aan alle kanten uit. Het lijkt uren te duren, mijn spieren staan strak en ademhalen gaat moeizaam. Om me heen bulderend geruis en duisternis. Als ik een bevrijdend ‘ping’ hoor, stort ik me door de open deur van de lift naar buiten, snakkend naar adem. Maar de vrouw roept me terug, dit is pas de derde verdieping, er heeft iemand van buiten op de knop gedrukt. Trillend over mijn hele lijf moet ik me opnieuw vermannen, naar binnen stappen, me overleveren aan de lift die op een dodencel lijkt. Op de vijfde verdieping struikel ik bijna huilend naar buiten.

    Stel je niet aan, zegt mijn rationele brein elke keer. Er gebeurt niets, die lift gaat duizend keer per dag op en neer. Maar mijn bange hart zet zijn hakken in het zand en schreeuwt zich geluidloos buiten zinnen. Zelfs het gedicht van Vaandrager kan ik niet lezen zonder dat paniek mijn keel dichtschroeft.

    ‘Aangekomen op de vierde

    Wat is er veranderd op deze m²?
    Er zijn maanden over heen gegaan.
    En leveranciers en hoeveel
    onbevoegden?

    Wat is er veranderd dat deze schacht
    steeds vaker weigert?

    Nog steeds geen gebrek aan beleefdheid:
    Gaat u voor en men vraagt zelfs
    welke knop men mag indrukken voor mij.’

    Maar voor nu: rug recht, opgewekt naar binnen, niets laten merken. ‘Hallo lief, hier ben ik weer, hoe gaat het vandaag met je?’

     

    C.B. Vaandrager (uit: Met andere ogen, 1961)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Waar verhalen zich ophouden

    Vrouwen doppen hun eigen boontjes ze slaan er niet op los. Die zin zat in mijn hoofd toen ik wakker werd. Gisteren, naast een jonge vrouw in de auto, mijn jongste dochter. We gingen naar Twente een houten vloer uitzoeken.  Ze zei in een land te leven waar vrouwen geen ruimte kunnen innemen of ze worden vermoord. In mijn woorden dan. Zonder die mannen die een vrouw het licht niet gunnen, blijft er genoeg over voor vrouwen om behoedzaam met de openbare ruimte om te gaan. Ik mijd bepaalde plekken als ik alleen door het donker fiets, scan in twee blikken een treincoupé. Uit gewoonte. Het gevoel dat iets me op de hielen zit.

    Er is een verhuizing op handen, vloeren moeten gelegd, muren gesausd, het huidige huis ontmanteld. Ik probeer mezelf te vangen terwijl ik gaande ben. Ik bedoel, er is opeens zoveel betekenis in de dingen om me heen. We zijn onderweg (de man en ik) naar de dochter die meegaat een vloer uitzoeken. Herinneringen aan mijn onzichtbaarheid van Rebecca Solnit in mijn tas. Niet dat ik het eruit zal halen. Ik ken mezelf. Maar in deze dagen van verandering houdt dit boek me bij de les. Spotify speelt Green Eyes van Kate Wolf. Ik zing mee, ‘Green eyes they don’t miss a thing’. Zeg de man hoe mooi dit is. Dan zingt ze, ‘You don’t throw a word away’, waarmee ze de zwijgzaamheid van haar man bezingt. Ik zie er een verhaal in maar waar begin ik. Zwijgzame mannen geven me een ongemakkelijk gevoel, maar als Kate Wolf erover zingt, smelt ik. Ik kijk naar de man achter het stuur en denk, doe maar, zwijg maar.

    Dat ik dingen gemist heb en alles al eens geschreven werd. Er beweegt iets. Solnit schrijft, ‘In de meest traditionele en akelige vorm komt een vrouw neer op een grote verdwijntruc, op jezelf wegcijferen en de mond snoeren om mannen meer ruimte te geven in een wereld waarin je bestaan als een aanval wordt gezien.’ Dat veel geografische plekken naar mannen zijn vernoemd. Niet dat die namen moeten verdwijnen. Het feit dat vrouwen niet genoemd werden en wij het niet zagen, is wat ze wil benadrukken. Ik lees het gretig.

    Deze week wordt er aandacht voor meer veiligheid op straat voor vrouwen gevraagd. Angst maakt weerloos, zei mijn dochter nog. Ook daar zie ik een verhaal in. Als ik nu eens begin.

    Later die dag bekeken we het huis voor de tweede keer. Dat de afmetingen van de verschillende kamers van het appartement kleiner leken dan ze zich in mijn hoofd hadden voorgedaan. Dat achter de woorden, ‘ze slaan er niet op los’, mannen staan die erop los slaan. Geweld als taal om duidelijk te maken dat iets niet bevalt. Daarover zou ik een essay willen schrijven, om dingen uit te zoeken.

    Solnit citeert een dagboekfragment van de toen negentienjarige Sylvia Plath. ‘Dat ik als vrouw geboren ben is mijn grootste tragedie. Ja, mijn brandende verlangen om me te mengen onder wegwerkers , zeelieden en soldaten, onder stamgasten in de kroeg – deel uit te maken van zo’n groep, anoniem, en te luisteren en te registreren – het wordt allemaal verhinderd door het feit dat ik een meisje ben, een vrouw die altijd het gevaar loopt aangerand of verkracht te worden. Mijn vurige belangstelling voor mannen en hun levens wordt vaak ten onrechte uitgelegd als de wens om hen te verleiden of als uitnodiging tot intimiteiten.’ Ook dit wordt gretig en met herkenning gelezen. Solnit over intimidatie en geweld tegen vrouwen als onderdeel van een systeem. Lees haar, (gebiedende toon).

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

  • Op de grond spuwen

    Dat ik nooit een boek kan vinden, daar lig ik wel eens wakker van. Het boek dat ik nu zoek, heeft een stevige omslag, wit van kleur. Zoals Een sterfgeval in de familie van James Agee, Romeinse koorts van Edith Wharton. Die dikte ook. Dacht ik. Ik liep mijn boekenkasten erop na. Als ik nu maar wist wie de schrijver was.

    Het kwam door De stenen engel van de Canadese schrijfster Margaret Laurence. Hoewel ze in het rijtje van Margaret Atwood en Alice Munro thuishoort, had ik nog nooit iets van haar gelezen. Ik las over een leven op de prairie waar een vader in een klein stadje een kruidenierswinkel runt. Waar een meisje met haar broer tussen de kieren van het plankieren trottoir naar muntgeld vist. Verloren door drinkers die op zaterdagavond slingerend over die plankieren op huis aangingen. Laurence schrijft over een samenleving van pioniers, ploeteraars, alcoholisten. Een tijd waarin geen enkel mate van geluk werd nagestreefd. Ze hadden wel wat anders te doen.

    De wereld is gebouwd op de verhalen die we elkaar vertellen. Denk Adam en Eva, een verhaal. Zonder verhaal geen houvast. Blijkbaar zoek ik naar houvast, een reling waarlangs ik de berg die ik in alles zie, kan beklimmen.

    Hagar, de vrouwelijke verteller in De stenen engel, denkt als oude vrouw terug aan haar leven in het pioniersstadje, haar huwelijk met een brute man. Hoe ze alles doorstond, ervandoor ging toen het moment daarvoor aanbrak. De kracht, overlevingsdrang die je alleen ziet bij onderdrukking. Denk Myanmar. Wacht. Ga niet te ver. Houd het bij het boek dat ik niet kon vinden. Het houdt mijn hoofd bezet.

    Het ene verhaal roept het andere op. Alsof mijn hoofd een internetverbinding aangaat. Klik, zie ik opeens het beeld van mannen, rokend, fluimen op de grond spuwend rond een kachel in een kruidenierszaak. Het was iets met Winesbury in de titel.

    En ja, er is een berg. Een uitnodiging een eerste exemplaar van een boek in ontvangst te nemen, of ik dat wilde. Maak mij niet zenuwachtig.

    En dan gebeurt me zoiets. Een onvindbaar boek is alsof de wereld stilstaat. Vroeg in de ochtend ga ik naar zolder, zoek dozen door. Vind niets. Ga nu maar schrijven aan dat andere, voor het weer deadline werk wordt.

    Toen was er opeens een naam, ik riep het uit, Sherwood Anderson. Natuurlijk, Sherwood Anderson. Voor de zoveelste keer neem ik de drie treden van het houten trapje om in de bovenste rij langs de letter A te gaan. Ik lijk wel gek, kan dit niet wachten? Nou ja zeg, het staat er gewoon. Winesburg Ohio. Wel de helft dunner dan ik dacht.

    Kijk, daar staan ze, bij de kachel. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed in de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Dat ik dat van die fluimen en op de grond spuwen er zelf bij bedacht heb. Dat alles een zelftest is.

     

     


    Inge Meijer schrijft over dingen die ze leest.

     

     

     

  • Nationalistische humbug

    Laatst wandelde ik met twee vrienden bij camping Het Zinkviooltje in Epen, vlakbij de Geulrivier. Zinkviooltje? Een van de vrienden wist te vertellen dat het een geel bloempje is dat zich in de loop van de tijd heeft aangepast aan de enorme hoeveelheden zink die in dit gebied door de rivier zijn meegenomen. Het zink werd gewonnen in een mijn vlak over de grens in het nu Belgische Kelmis. We reden ernaartoe. De mijn ligt in een gebied dat na de Franse Tijd betwist werd tussen het Duitse Rijk (Pruisen) en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. En dat allemaal vanwege een zinkmijn die veel geld zou kunnen opleveren. En niemand wilde toegeven. Daardoor werd het een compromis: een neutraal staatje, genaamd Neutraal Moresnet, een taartpuntje van 3,44 vierkante kilometer ten zuiden van Vaals. Een vrijstaat zonder munt, zonder schoolplicht, zonder belastingen en zonder gerechtshof. Er werd alcohol gestookt, gesmokkeld en veel gedronken. Iedereen die iets op zijn kerfstok had vluchtte erheen. Het werd een paradijs voor dienstweigeraars. Op 4 augustus 1914 was het afgelopen met de neutraliteit toen Duitse troepen het gebied binnentrokken.

    Jozef Rixen woonde in dit gebied. Ik kwam hem op het spoor door het boekenweekessay Zink van David van Reybrouck. Hij gebruikt diens leven ter illustratie van de gebeurtenissen in dit gebied tussen 1915 en 1950. Jozef was het buitenechtelijk kind van een Duits dienstmeisje en een fabrikant in Krefeld. In haar eentje verhuisde ze van Duitsland naar het taartpuntje onder Vaals, waar Jozef in 1903 werd geboren. Toen de Duitsers in 1914 deze vrijstaat hadden veroverd, woonde hij opeens in het Duitse keizerrijk en was Berlijn zijn hoofdstad geworden. Toen de Duitsers in 1918 vertrokken hoorde het gebied bij België en werd Brussel zijn hoofdstad. Als jonge Belg vervulde hij in 1923 zijn dienstplicht in het Belgische leger. Drie jaar was hij gelegerd in Krefeld in het Ruhrgebied. Hij vormde een onderdeel van de troepenmacht die de Duitsers moesten dwingen de opgelegde herstelbetalingen te voldoen. In die tijd bezocht Jozef zijn biologische vader, maar die wilde niets van hem weten. ‘Er schmiss ihn raus, weil er die Belgische Militäruniform trug,’ zo sprak een familielid.

    Toen Jozef terugkeerde uit Duitsland werd hij bakker en stichtte hij een gezin. Hij kreeg elf kinderen. In die jaren probeerde de regering van België de Duitstalige gebieden in het Oosten aan Duitsland te verkopen. Daarmee wilde ze de wederopbouw van het eigen land financieren. Bewoners aan de oostgrens wisten inmiddels niet meer goed ‘van welk hout pijlen te maken,’ zoals Van Reybrouck het prachtig uitdrukt. Waren ze nu Duits of Belgisch? Waar lag hun loyaliteit nu ze handelswaar bleken tussen België en Duitsland? Die loyaliteit werd in mei 1940 maar al te duidelijk, toen Hitler ‘zonder veel omhaal’ het voormalige Neutraal Moresnet en de Oostkantons annexeerde. De inwoners kregen de Duitse nationaliteit en ontvingen een oproep voor de Wehrmacht.

    Zelfs bakker Jozef moest eraan geloven. Hij werd eerst ingezet als bewaker van Russische krijgsgevangenen en in september 1944 naar het front gestuurd om de Amerikaanse opmars in de Ardennen te stuiten. Voor het eerst van zijn leven stelde hij zich weerbaar op: hij deserteerde. Maar ook dat liep verkeerd af. Hij slaagde er nog wel in thuis te komen. Het gebied was inmiddels door de Amerikanen veroverd, maar Jozef werd bij thuiskomst gearresteerd door de Belgische ondergrondse omdat hij bij de Wehrmacht had gediend. Het verzet droeg hem over aan de Amerikanen die hem transporteerden naar Cherbourg. Daar verbleef hij zeven maanden als een van de miljoen Duitse krijgsgevangenen onder erbarmelijke omstandigheden. Na die tijd werkte Jozef nog een paar jaar, maar als vijftigjarige was hij totaal versleten. Hij bracht de rest van zijn leven achter de geraniums door. Van Reybrouck schrijft heel treffend: ‘Er zijn mensen in wier lichamen de geschiedenis zoveel lijnen trekt, krast en kerft, dat stilzitten, zodra het kan, nog de enige optie is.’

    Het leven van Jozef Rixen toont glashelder hoe de gewone burger een speelbal kan worden van de machthebbers. Jozef was verre van een nationalist, maar werd toch als soldaat voor het karretje gespannen van regeringsleiders die gebiedsaanspraken maakten. Het is van alle tijden. De machthebbers, of ze nu keizer Wilhelm II, Adolf Hitler of Vladimir Poetin heetten, veroveren, gerechtvaardigd door nationalistische leuzen, alle gebieden waar ze recht op denken te hebben. Wantrouwen tegenover deze nationalistische humbug blijft geboden. Want Jozef de bakker is het slachtoffer.

     

     


    Michiel van Diggelen, schrijver van een  Ab Visser – Biografie (2013) en van de historische romans over Hendrik Peter Scholte (Uitgeverij IJzer). Met Richard Tanke schrijft hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

     

  • Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Het eerste wat ik doe is bladeren, op zoek naar herkenbare portretten. Dean Bowen springt eruit als realistisch en goed gelukt zelfportret. En degenen die een foto maakten van henzelf, zoals K. Michel, en van Jente Posthuma, een naakt met koptelefoon op. Ik zie de moeilijkheid van sommige auteurs om een zelfportret te creëren. Adriaan van Dis legde een schakelketting in de vorm van een gezicht, tekende daar neus, mond en ogen in. Thomas Verbogt is niet te herkennen in het gekrabbelde postzegelformaat zelfportret, ook niet als je weet dat hij het is. Bij nader inzien herken ik Nadia de Vries wel in die in uit twaalf potloodlijnen opgetrokken Kubus. En ja, Joost Oomen zie ik ook wel in dat karikaturale tekeningetje.

    Literair tijdschrift De Revisor presenteert meer dan tachtig zelfportretten van schrijvers. Ik blader er zogezegd doorheen. Er zijn schrijvers waarvan ik wel hoorde, maar nooit iets las. Er zijn er waar ik nog nooit van gehoord heb. Deze portretten zijn een (her)kennismakingstocht.

    Daar,  een op de rug getekend persoon, lange haren, kat op rechterschouder. Ha, Rob van Essen. En Ingmar Heytze, nadat ik beeld en de daaronder geplaatste naam bij elkaar heb gebracht, zie ik het ook. En Sasja Janssen met dubbel s, haar kenmerkende bos haren in een paar potloodstrepen verbeeld, herkenbaar. En natuurlijk Lize Spit, een portret zonder gezicht, maar dan, dat opgestoken haar. Herkend worden aan de haardracht is een ding. Laatst kwam ik iemand van lang geleden tegen die zei me te herkennen aan mijn haren, onmiskenbaar herkenbaar.

    Lang geleden, in 1977 plaatste de toenmalige redactie van De Revisor auteurs, verdeeld over twee nummers 79 zelfportretten van schrijvers. Veel schrijvers die toen meededen, zijn overleden. De nog te traceren schrijvers werden in de afgelopen drie jaar geïnterviewd over de voortgang van hun schrijversleven, het literaire veld waarin ze verkeerden. Sommigen publiceren nog steeds (Jan Siebelink,  Mensje van Keulen), de meesten werden uit de vergetelheid losgepeuterd. Soms met enige terughoudendheid, of uit vrees voor een hoestbui een ontmoeting niet zagen zitten. Tot ze, na vasthoudendheid van de interviewer toegaven, de interviewer binnen lieten en eenmaal de kelen geschraapt, niet meer van hun praatstoel loskwamen.

    In een terugblikkend perspectief kwamen vergeten en ondergesneeuwde schrijvers weer boven. Het ontroerde me, al raak ik de laatste tijd wel vaker ontroerd.

    Laatst keek ik op NPO gemist de film ‘Mijn moeder wil niet meer leven’ van Lev Avitan. Op een bepaald moment, in akte III, raakte ik ontroerd, kwamen er tranen. Gisteren keek ik de film opnieuw met mijn jongste dochter die ziek op de bank lag.  Weer raakte ik op hetzelfde punt ontroerd, die tranen. Als Avitan tot zijn moeder spreekt, haar terug wil halen uit de dood. En wat dat zegt, ontroering tot tranen toe.

    Van Avitan is naast een zelfportret een gedicht opgenomen. De kern van zijn teksten treft me in deze strofe,  ‘vriendschap maakt het bestaan van de staat overbodig / omdat het de toename van de capaciteit van een lichaam / om te raken en geraakt te worden exceptioneel cultiveert’.

    Ik herken Nikki Dekker en Jan Glas, samen op dezelfde pagina. Vrouwkje Tuinman heeft enkel aan het brilmontuur in dik aangezette zwarte lijnen, en de sterk gevormde mond genoeg om haar te zien verschijnen. Op de cover het zelfportret van Yentl van Stokkum, linksboven die van Leonieke Baerwaldt. Er is een goede gelijkenis. En Maartje Wortels getekende zelfportret doet denken aan de grillige tekening van Lidy van Marissing uit 1977.

    Cees Nooteboom over zijn zelfportret van toen: ‘Gewoon, zoiets wat je dan een keer doet. En dan op een dag komt er iemand naar je toegereisd om te vragen hoe en wat.’

    Deze nog. Het zelfportret van Obe Alkema is gemaakt via het ‘verbind de punten met elkaar’ tekenen. Wat er dan ontstaat. In elkaar verwarrende lijnen een onherkenbaar portret. Of zie ik  in die ‘verwarde lijnen’ toch iets dat de schrijver kenmerkt? Graag gelezen verhalen van twee schrijvers die ik niet kende, Corinne Heyrman en Eline van Wieren. Zij werden gezien.

    De tijd stilgezet met een zelfportret. Hoe alles nu gaat. En dat er over veertig jaar opnieuw iemand zich gedreven voelt deze schrijvers op te zoeken. Wie er dan nog schrijft, wie er nog een uitgever heeft. En wie van deze schrijvers heeft een onuitwisbare voetafdruk in de literatuur achtergelaten. Schrijven is een zaak van het hart, van overtuiging.

     

     

    De Revisor #45 HET ZELFPORTRET
    De prullenmand heeft veel plezier aan mij, Schrijversportretten toen en nu / Thomas Heerma van Voss / Das Mag (2025)


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest en het dagelijkse leven.

     

     

     

     

  • Het huis uit

    Ik heb een grote doos gevuld met boeken die mijn huis moeten verlaten. Ze zijn gelezen, gewogen en te licht bevonden. Het was geen eenvoudige beslissing: ik hou van mijn boeken alsof het mijn kinderen zijn, maar net als in de dierenwereld, waar vogeljongen door hun ouders over de rand van het nest worden gekieperd om ze te dwingen hun vleugels uit te slaan, hebben ook kinderen af en toe een duwtje nodig om de thuishaven te kunnen verlaten. Deze vergelijking loopt natuurlijk vreselijk mank, want waar het mijn boeken betrof, had ik zelf dat duwtje nodig.

    Je kunt niet alles bewaren, had ik mezelf voorgehouden, er komt een moment waarop het huis vol is. Dat die gedachte zelfbedrog is, dat weet ik ook wel. Amper een maand geleden was ik op een boekenmarkt tekeer gegaan alsof ik moest hamsteren voor barre tijden waarin boeken verboden zouden worden.

    Uiteindelijk had ik een keuze gemaakt. Wat inhield dat ik in eerste instantie elk afgewezen boek om en omdraaide, doorbladerde, er een stukje uit las. Kortom: ik wikte en woog of het wel verstandig was dit boek weg te doen. Zou ik er geen spijt van krijgen? Zou ik niet na een week de onstuitbare drang krijgen om juist dat ene boek weer eens open te slaan? Was het wel zo’n oppervlakkig lichtgewicht, of verdiende het nog een twee kans om zijn onvermoede diepte prijs te geven? Maar ik had de plaatselijke boekenmarkt voor het goede doel al gebeld om te vragen of ze de doos wilden komen ophalen. Ik kon niet meer terug.

    Hoe anders had een vriendin van me gehandeld, toen haar boeken het huis uit dreigden te puilen! Ze had ondanks haar hoge leeftijd een veel groter huis gekocht in België en was blijmoedig daarnaartoe verhuisd met haar vijf katten en al haar boeken. Liever de rompslomp van een verhuizing dan een van haar vele boeken te moeten missen. Ik had haar nog gevraagd wat ze doen zou als ook in het nieuwe huis de beschikbare ruimte op den duur niet meer voldoende zou zijn. Lachend had ze gezegd dat het zo ver niet zou komen, tegen die tijd lag ze net als haar boeken tussen de planken. En wat er dan met haar boeken zou gebeuren, zou haar onbekend blijven, daar hoefde ze zich dan ook nu niet druk over te maken. ‘Als wij er zijn is de dood er niet, als de dood er is, zijn wij er niet.’

    Slordige notities (25)

    Wat is poëzie
    zonder de wind en de regen
    en de zon waarin alles weer droogt?
    hier is alleen
    het betonnen licht
    van een lege kelder

    H.A. Gomperts

    Vanmorgen vroeg haalde ik de krant uit de brievenbus en ik was buitengewoon verrast toen ik een grote doos vol boeken in de gang zag staan. Ik werd er op slag blij van. Een fractie van een seconde later besefte ik dat ik vergeten was dat ik die er zelf gisteravond neergezet had.  Vandaag wordt hij opgehaald. In een opwelling heb ik er gauw willekeurig een uitgehaald, het waren de verzamelde verhalen van Tennessee Williams, die mogen dan voorlopig blijven. Mijn huis is nog groot genoeg.

     

    (uit: Tirade 200, 1974)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Voorwaarts en lezen

    Zondagochtend stond ik in de keuken sinaasappelen te persen, radio aan op Vroege vogels. Bibi Dumon Tak las een column voor, over lezen en boerenburgerbeweging leider Caroline van der Plas. Die nooit een boek leest. Daar had ze geen tijd voor (hoor). Je zult het weten ook. Dat iemand het zich kan veroorloven niet te lezen. In mijn wereld struikel ik over boeken. Waar je kijkt, vind je er een, of meer. Weet je niet welke richting je op moet? Lees maar. Met elk boek, begrijp ik de wereld om me heen een beetje meer. Een boek als inspirator, een schrijver als voorbeeld.

    Ik dacht aan de kinderen (als die er waren) van Van der Plas. Ze lijkt me een stoere moeder die haar kinderen aan de oren bij de dingen van de dag zou houden. Maar, als zij niet leest, zou ze haar kinderen, (als ze die dus had) dan hebben voorgelezen? Zou ze anders naar de veestapels van nu hebben gekeken als ze haar kinderen had voorgelezen uit (bijvoorbeeld) Het koeienboek van Dumon Tak? Hoe zouden de dingen zich dan ontwikkeld hebben.

    Toen dacht ik aan Monica Keijzer. Leest zij wel eens een boek, en die verongelijkte man met zijn geblondeerde haren. Zou hij wel eens een goede roman of een andersdenkende openslaan? Aan de mate van zelfingenomenheid is de niet-lezer te herkennen. Aan de toon van het grote gelijk.

    Noem niet de naam van degenen die de samenleving schade berokkenen, de wereld als hun eigendom (lees dan toch een boek) zien. Hun denkbeelden, evenals zijzelf zullen als verdorde zaden uit het gemeenschappelijk gedachtegoed verdwijnen. Let op, geef het geen water. Maar dan, nederigheid.

    Eens zong ik in een strijdkoor (waar zijn ze gebleven). We zongen het Solidariteitslied van Bertolt Brecht op muziek van Hanns Eisler. Zangadvies: hard en vals. ‘Voorwaarts en niet vergeten / bij honger en bij eten / de solidariteit!’ Hoe dat voelde. Brecht toont waar het rafelt tussen rijk en arm en de angst voor het vreemde. Verzet om te bevrijden wat is vastgelegd.

    In Gesprekken tussen vluchtelingen zijn dialogen tussen twee mannen in exil begin jaren veertig. De uit Duitsland gevluchtte mannen, een intellectueel en een arbeider, ontmoeten elkaar in de stationsrestauratie van Station Helsinki.De tegenstelling van denken bij de intellectueel en de arbeider is essentieel in deze gesprekken.

    Mijn instemmigheid onderstreepte ik met potlood. Dingen als ‘Orde heb je tegenwoordig meestal waar niets is. Het is een teken van gebrek.’ te onderstrepen. Na elke ontmoeting (19 gesprekken) volgt steeds als een refrein: ‘Toen namen ze afscheid en vertrokken ze, ieder naar zijn eigen plek.’

    Ik omcirkelde in zijn geheel wat de arbeider aan de intellectueel vertelde. ‘Toen ik een jaar of zeven was, moest ik sogges vroeg voor school kranten rondbrengen, da’s vlijt – en het geld pakten pa en ma me af, da’s gehoorzaamheid. Als pa lazarus thuiskwam, had hij er de pest in dat hij zijn halve weekloon had opgezopen, en dan kregen we een pak rammel, zo hebben we pijn leren verdragen, en als we aardappels kregen en ook nog eens te weinig, moesten we dank u wel zeggen, uit dankbaarheid, geloof ik.’ En wat me daarin aanspreekt.

    Meesterlijke, maar ook wrange gesprekken over armoede, Hegel, leiderschap, verbanning en ja, alles is politiek. Ik onderstreepte, ‘Emigratie is de beste leerschool voor dialectiek. De scherpste dialectici zijn vluchtelingen.’ Hoe je de logica van het leven ontdekt wanneer je geen thuis hebt. Er wordt gesproken over Hitler als ‘hoeheetienou’, en Mussolini als ‘Dinges’.

    Ik omcirkelde waar ze voor het eerst over fascisme hoorde. En over Hoeheetienou dit: ‘Als rijkskanselier had hij bevolen dat we hem (…) niks mochten betalen, allemaal liefdewerk oud papier natuurlijk, maar meteen daarna heeft hij bevolen dat we zijn boek Mein Kampf van hem moesten kopen, zodat zijn strijd nog een bestseller werd ook. Van de opbrengst heeft hij de Reichswehr en de rijkskanselarij gekocht en kon hij er nog aardig van leven.’ Meesterlijk, zei ik het niet.

    Waarop ze afscheid namen en vertrokken, ieder naar zijn eigen plek. Zie dit boek als een mustread tijdens het kerstreces. Voorwaarts en lezen maar.

     

     

    Gesprekken tussen vluchtelingen / Bertolt Brecht / 167 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas (2025)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

     

  • De ware

    Ik liep deze Cinekid Week door de stad met de tweeling kleindochters aan de hand. We gingen naar het filmhuis aan de IJssel waar Hola Frida draaide. We praten over Frida Kahlo, (dat ze echt heeft geleefd, of er popcorn zou zijn). We passeerden een spandoek waarop ‘Jezus houdt van jou’ stond. En even was ik terug in de jaren zeventig. Toen ik zwelgend in liefdesverdriet door de stad doolde. Omdat de jongen die leefde op de teksten van Leonard Cohen en Boudewijn de Groot, de jongen ‘wilde enkel samenwonen met een zwart geklede schone’, mij had ingeruild voor een ander. De jongen met wie ik naar concerten ging, de nacht door danste, de  eerste was waarmee ik samenwoonde, meubels van houten groentekistjes maakte.

    En toen hoefde hij mij niet meer. Liep ik met gebogen hoofd door de stad. Hoorde ik plots, als omzwermde mij een stel muggen, van meerdere kanten de fluistering ‘Jesus loves you, Jesus loves you’. Het was de tijd van de film Jesus Christ, ik adoreerde Ted Neeley die voor Jezus speelde. Ik dacht, mijn god, hij houdt van me. Ik was bereid tot veel. Ware het niet dat ik zo opging in mijn staat van onbegrepene, mijn zicht versluierd door tranen, dat ik me een uitweg door het jesuslovesyou gefluister baande.

    Ach, dat verlatene, en dan weer een liefde te vinden. Ik las erover in Ik ontmoette een man. Wat een grappig, (lees het nog eens, en zie dat het ook een pijnlijk) boekje over liefde is. Over misverstanden (talrijke) tussen man en vrouw in kleine vertellingen. Een bonte verzameling mannen (zoveel typen, zoveel liefdes) met de schrijfster als uitgangspunt. Mannen waar ze mee samenwoonde. Onbereikbare mannen, een man waar ze naar verlangde, een die zich opdrong, een die ze ontmoette in het OV, een die haar verkeerd begreep, een die wel wilde maar niet durfde, een waar ze ruzie mee maakte. Dat was degene waar ze van hield (je maakt nu eenmaal ruzie met de man waar je van houd). Die man vond het niet leuk dat zij ging huilen als ze ruzie hadden. Zij beloofde dat niet meer te doen Ging het voortaan zo, als de ruzie voorbij was ,‘ging de man naar bed en liet mij achter in de huiskamer, waar ik nog een uurtje ging huilen.’ Zo zijn vrouwen (vertel mij wat).

    Het zijn vermakelijke verslagen van man – vrouw verhoudingen. Waarin teleurstellingen, verlangens, misverstanden en ondernemingslust in de liefde spelen. Eerst is het vooral komisch, door de stijl die licht cabaretachtig is. Lees het nog eens, dan proef je bittere tonen, iets verlorens ook, wel mooi. Hoe al die verhalen samen een verhaal van liefde vormen. Er loopt zelfs, haast onzichtbaar verweven, een fijne draad van ware liefde (ja,ja, die bestaat) doorheen. Je vermoedt een liefde voor een en dezelfde man.

    ‘Ik ontmoette een lieve man. We sliepen in zijn huis, en in de ochtend ging hij naar zijn werk. Ik gaf hem een kus en zwaaide hem uit. ‘Blijf zolang je wilt’, had hij gezegd. ‘Gewoon de deur achter je dichttrekken.’
    Nog in mijn pyjama draaide ik me om op de drempel, en ging het huis weer binnen. Voorzichtig betrad ik kamers die ik nog niet eerder had gezien. Overal kunst. Overal boeken. Romans in vier talen, wetenschappelijke verhandelingen, geschiedenisboeken, biografieën, vakliteratuur.
    De angst sloeg mij om het hart.’

    Dat als iets van geluk zich aandient, de angst je om het hart slaat. Dat je ruzie maakt met degene van wie je houdt er ruzie. Dat liefde een ding is met haken en ogen. En een belofte is, ja, zeg het maar. Belofte maakt schuld, angst dat die niet ingelost wordt. Overdenkingen (en veel meer) die ontstaan bij het lezen van deze ontmoetingen. Ze vertellen meer dan er staat, en dat is een kunst.

    Na de film zei een van de tweelingmeisjes dat ze tekenfilms platte films vond. Dat ze bij Hola Frida al snel geen tekeningen meer zag, maar een verhaal waarin ze meeging. Dat ook dat het verhaal van liefde is, je moet er in meegaan.

     

     

    Ik ontmoette een man / Gerrie Hondius / De Vergulde Snuitbeer, (jubileumuitgave) 2025
    (in 2010 verschenen bij Uitgeverij Contact)


    Inge Meijer schrijft op het vlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Vormen van rouw

    ‘Egidius waer bestu bleven.’ Deze versregel schiet mij de laatste weken geregeld te binnen. Hij is afkomstig uit het Egidiuslied dat rond 1400 in Brugge werd geschreven. Het hardop uitspreken ervan geeft troost, nu ik in de rouw ben om twee onlangs overleden vrienden. De literatuurlessen op het atheneum hebben toch iets nuttigs achtergelaten. Troost geeft ook het zingen van psalmen die ik wekelijks uit mijn hoofd leerde op de School met den Bijbel.

    De twee vrienden stierven in de afgelopen zomer, beiden na een ziekbed. Ze waren van mijn leeftijd en dat klopte niet. Sterven doe je toch pas na je tachtigste? Twee jaar geleden waren zij nog volop actief. Toen de ziekte werd geconstateerd, was er voor hen geen houden meer aan. Hun ziekte en overlijden bracht mij in de rouw. Een periode van herinnering en gemis, van het besef dat alles wat mij omringt breekbaar is. En dat er voor mij ook ooit een einde aan komt.

    Rouwen komt van het Germaanse woord hreuwan wat jammeren, verdriet hebben betekent. En dat verdriet kwam, het gemis werd gevoeld. Op de momenten waarop ik tijdens hun leven normaliter contact met hen had. Of zomaar, in een flits, terwijl ik iets heel anders deed, wat niets met hen te maken had. Alles in mijn omgeving lijkt de afgelopen maanden wel op rouwen betrokken. Ik struikel over een ‘walk of grief’, een wandelpad van 75 kilometer op Terschelling.  Volgens de tekst op de site kun je je er wandelend ‘weg van de drukte van het dagelijks leven’ openstellen voor ‘wat gezien wil worden.’ Blijkbaar moeten mensen daar speciaal de tijd en de ruimte voor nemen. Alsof rouwen sowieso niet allesoverheersend is.

    Rouwen om een vriend is echter heel anders dan rouwen om een echtgenoot of kind. Iemand zei me: ‘Als je vriend overlijdt is dat een heftig moment van pijn, maar je leven gaat door. Als je vrouw overlijdt staat je hele leven stil, je moet opnieuw leren leven.’ Heel treffend komt dat naar voren in het Rouwjournaal van Jan Siebelink. Hij schreef het na het overlijden van zijn vrouw Gerda. De 125 passages in het boek lijken zonder literair filter te zijn geschreven, waardoor je het proces dicht op de huid komt.

    Een ziekte- en stervensproces kent overeenkomsten. Herkenbaar in Rouwjournaal is de af en toe opvlammende hoop bij Gerda beter te worden, afgewisseld met bittere teleurstelling als dat niet voor de hand ligt. De dichtbije gesprekken tussen Jan en Gerda over wat er echt toe doet, afgewisseld met de momenten waarin de geliefden ver van elkaar staan. De huisarts die het proces begeleidt met goede raad, komt ook bekend voor. Hij raadt Siebelink bijvoorbeeld aan geen tijd te verliezen met onzinnige dingen, want ‘nooit is tijd kostbaarder geweest.’ Ook de raad om niet bij Gerda te gaan slapen, omdat hij dan te weinig nachtrust krijgt. Ook dat herken ik uit het ziekte- en stervensproces van mijn vrienden. Het komen en gaan van de jongens en meisjes, mannen en vrouwen van de thuiszorg.

    Onmiskenbaar zijn de ingewikkelde medische termen, die tot opzoeken dwingen. Bij Siebelink is dat cholangiocarcinoom. De middelen voor palliatieve sedatie: pomp, morfine en dormicum, komen langs. Herkenbaar is ook het vochtig houden van de lippen, met allerlei middeltjes, door deze of gene aangeraden. Liefdevol is de opoffering voor de partner. Siebelink schrijft: ‘Steeds meer ben ik erachter gekomen dat alles wat ik doe, onderneem, doe ik voor haar, zij wordt er rustig van’. Siebelink schrijft met liefde over zijn vrouw zonder zichzelf of haar te verheerlijken.

    Na Gerda’s dood voelt Jan zich in een vreemd land, waar hij de weg niet weet: ‘Ik lijk verborgen onder een glazen mand.’ Op de eerste zondag na haar begrafenis moet hij bekennen dat hij naast haar in het graf wil liggen. ’s Morgens vroeg verlangt hij soms al naar het einde van de dag, ‘om dan, boordevol slaapmiddelen, in bed te tuimelen, als in een graf, om niet te worden lastiggevallen door het beeld van een trotse vrouw, die, zonder morren, het blauwige, vernederende absorptiebroekje aantrekt.’

    Siebelink beseft dat hij niets is zonder Gerda die opgesloten ligt in de aarde. De enige die hem warmte geeft is hond Sarah. ‘Nevelslierten tegen de ramen, de hond dicht tegen me aan, op de bank, waar eerder je bed stond. De nevel zelf is donker, rouw op het dak, om mijn huis, rauw op het dak.’ Hij denkt dat hij haar nog werkelijk in zijn armen heeft, ze is ‘meer dan ooit aanwezig’.

    Jan Siebelink zou Jan Siebelink niet zijn als zijn vader en de religie niet in het boek zouden verschijnen. In de laatste passage herdenkt hij het overlijden van zijn ouders dat hij eindigt met: ‘Niet alleen verse wonden doen pijn, ook diepe littekens blijven pijnlijk. De afgelopen tijd heb ik de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis extra gemist.’

    Illustratief voor zijn vader en religie is de passage waarin hij beschrijft hoe hij na Gerda’s dood met zijn hond Sarah wandelt op de Ginkelse heide. Het is al een hele stap voor hem om die open vlakte binnen te treden zonder bescherming van bomen of muren. Het is een donkere dag, maar rondom hem wordt het opeens licht, helder licht. Hij heeft het idee van bovenaf bekeken te worden. Dan schiet hem te binnen dat zijn vader ooit een teken van boven ontving, een stem die zijn leven radicaal veranderde. Zijn vader kwam tot bekering. Siebelink schrijft: ‘Ik was ooit jaloers op mijn vader, en sindsdien lijkt God te zwijgen.’ Maar nu ontvangt hij ook een teken. Hij ziet het als een teken van zijn vader en moeder en van Gerda, aangekomen op de plaats van hun bestemming.

    In één van de passages loopt hij de tuinpoort van zijn woonhuis uit. Als hij in de auto wil stappen komt de jonge buurvrouw naar hem toe. Ze vraagt hem hoe het gaat en geeft zelf een antwoord: ‘U wilt uw vrouw terug hebben.’ Ze kijkt hem aan en zegt: ‘Ik bid elke dag voor u.’ Jan bedankt haar en herinnert zich een zin die thuis vaak werd gebruikt: ‘Het gebed van een rechtvaardige vermag veel.’ De passage eindigt cryptisch met de zin ‘De mythe van de secularisatie’. Siebelink wordt getroost omdat het geloof van zijn vader blijft doorwerken en niet alleen bij hem.

    Rouwjournaal is een schitterend, droevig, maar ook hoopgevend boek. Het is niet alleen kommer en kwel. Het toont ook aan hoe dicht geliefden elkaar kunnen naderen in zo’n fataal ziekteproces. Liefde is sterker dan de dood.

    Het overlijden van mijn vrienden heeft minder impact op mijn dagelijks leven, dat staat niet stil. Geregeld schiet mij een herinnering aan één van hen te binnen. Als Ajax voor de Champions League speelt, mis ik het appcontact met de ene vriend. Ik denk aan een wedstrijd in het afgelopen voorjaar. Ajax speelde tegen het Brusselse Royal Union St Gilles. De wedstrijd werd gespeeld in het stadion in Brussel waarvan de grasmat zo kaal was dat het wel een zandbak leek. Mijn vriend appte dat het knap van Ajax was om drie punten mee te nemen uit die zandbak. Waarop ik terug appte dat Ajax de tweede helft prima had gevoetbald in de Sahara. Na enkele ogenblikken schreef hij: ‘Kun je toch zien dat die klimaatsverandering geen onzin is. De Sahara komt steeds dichterbij.’ Het lezen van de app troost me, maakt me zelfs een beetje gelukkig omdat ik zo’n humoristische vriend heb gekend. Meteen denk ik aan een gedicht van Kees van Domselaar.

    ‘Geluk is nooit volledig
    is nooit af
    geluk lijkt een beetje op rouw
    het is nooit helemaal klaar.

     

    Rouwjournaal / Jan Siebelink / De Bezige Bij

     

  • Lyrisme

    En de pompoenen, die zich lang hulden in de belofte van een groter groeien, liggen zomaar naakt tussen verwelkend pompoenblad. De aanblik daarvan ontneemt me iets. Zoals ze zijn, passend in een hand, oogst ik ze. Deemoedigheid, dat dus ook. Het moet de herfst wel zijn, wie of wat maakt anders dat ik me zo vol van, (ja van wat eigenlijk), voel. Noem het hardvochtig, de herfst. Want sterker dan het koude ijs in de winter, drijven deze vochtige, zacht druppende dagen me in de hoek van de troostzoekers. Lees dit als zijnde overpeinzingen tijdens het vegen van de stoep. Wat ik enkel doe in woorden, ten dienste van deze column. Daar kwam toen ook de buurman bij.

    ‘Ah’, zei de buurman toen hij met zijn scooter over het met  bladeren bezaaide pad zijn voortuin uit reed. ‘hoog tijd voor de bladblazer.’ Ik riep dat een bezem voldeed, maar hij was al weg. En zie, daar begint het al, zelfs een bladblazer maakt me weemoedig. Al dagen achtereen pak ik dezelfde dichtbundel op. Alsof er niets anders te lezen is, wil ik beleven hoe onuitspreekbare dingen door woorden tastbaar worden. Ik wil, om mezelf te leren kennen, steeds opnieuw ervaren hoe uitstelgedrag in poëtische taal klinkt. Lyrisme overvalt me bij het lezen van het gedicht over een gebroken relatie. Hoe in kleine dingen het definitieve verborgen zit. De beslissende rol van een deurbel, het werkelijke einde van een relatie in die laatste regel.

    ‘En op een dinsdag stond je voor mijn deur
    Je ogen leken uitgehuild en dof. De bel vloog
    als een valbijl door de kamer heen en sneed ons los.’

    Lyrisme, ik zei het al, het bevangt me telkens weer. Zoals hier, over niet in beweging komen waarin de afwezigheid van iemand in weemoedige observaties aanwezig is. ‘De tafel is sinds een maand te groot voor mijn bestaan: / loze ruimte rond de randen, Rorschachvlekken op het blad // en een vastgeplakte krant die ik kan lezen als ik te laat / wil weten hoe het de wereld is vergaan.’

    En dan lees ik opnieuw over pakketjes die nooit zijn aangekomen of afgehaald en nu te koop worden aangeboden. Onuitgepakte dozen, waarin alles zit waaraan ik mij spiegel. ‘Je koopt er eentje op de tast’ en fietst ermee naar huis, zet de doos in een kast. En dan:

    ‘De volgende dag zet je de doos op bed, onuitgepakt
    Klaar om het plakband er eindelijk vanaf te scheuren –
    je doet het niet, wacht af en alles kan je nog gebeuren.’

    Dat is het. Dat alles nog kan gebeuren, de belofte van het niet weten ‘dat houdt de moed erin’, zou mijn vader zeggen.

    In sommige gedichten voel ik de vleugelslag van vorige dichters. Bij de regels, ‘- je wilt het wel / maar krijgt de treurbuis niet meer uitgezet.’, komt even Komrij voorbij. En, (lichtjes maar toch) die van Herzberg en Perquin in, ‘Ik ben de dakloze / (…) / De demente man (…) / En het kind dat struikelt, valt. / hartverscheurend om zijn moeder snikt: / zowel de moeder als dat kind, ben ik.’ Daar zit het (wat zit daar?), het zoekende, het verlangen naar, het behouden van, de troost ook, en eenzaamheid.
    Deze prachtige bundel is een belofte der dingen. Dat het nog alle kanten op kan, bevalt me zeer. Lees het!

     

    Troostpogingen / Twan Vet / De Bezige Bij (2025)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

     

  • Flamboyant schrijver

    Misschien omdat mijn ouders uit Groningen komen dat elke schrijver, die op een of andere manier aan die stad gelinkt kan worden, een bepaalde aantrekkingskracht op me uitoefent. W.F. Hermans woonde er van 1953 tot 1967 aan de ​​Spilsluizen 17. De oudste dochter van mijn vaders broer heeft nog met Hermans zoontje Ruprecht, gespeeld. Vanuit de Oude Kijk in ‘t Jatstraat waar mijn nichtje woonde, en waar ik later wel eens logeerde, hoefde ze alleen het Lopende Diep over te steken, dan rechtsaf langs het Diep op lopen, dan 2e straat rechtsaf waar de familie Hermans op de hoek woonde. Dat nichtje  kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets.Dat nichtje kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets. Wat er dan in een flits gebeurt, hoogstaande literatuur getransformeerd naar gewone levens.

    En dan, ik heb een biografie van een Groningse schrijver in handen. Ab Visser (1913-1982) werd in Groningen op Kanaleneiland geboren. ‘De buurt was een volkswijk, bestaande uit een paar straten met een negental kleine huizen. Met een paar slagen van de pedalen was je buiten de stad, (…) met hetzelfde paar pedaalslagen stond je via de Sluiskade in het centrum van Groningen.’ Hermans en Visser woonden op zo’n 20 minuten loopafstand van elkaar, niet dat ze elkaar opzochten. Wel wisten ze van elkaars schrijversbestaan. Hermans sprak lovend over zijn boek Rudolf de Mepse (1945). ‘Hij noteerde enkele zinnen die hem deden hopen dat Visser nog eens een meesterwerk zou schrijven.’ Maar niet iedereen zag dat gebeuren.

    Visser schreef op zijn vijftiende al gedichten. Toen hij op zijn 32ste trouwde, verliet hij pas het ouderlijk huis. Met zijn vrouw Edith Bongers verhuisde hij kort daarna naar Amsterdam, waar het allemaal gebeurde. Als schrijver leidde hij het leven van een bohemien, werd geplaagd door deurwaarders vanwege belastingschulden en rond zijn twintigste openbaarde zich de ziekte van Bechterew waardoor hij langzaam krom groeide. Een gesprek tijdens een wandeling met hem was niet mogelijk, om zijn naar de grond gebogen houding. Maar Visser liet zijn handicap nooit het onderwerp van gesprek zijn. Bij het maken van nieuwe vrienden sloeg hij alle wind uit de zeilen door als eerste  te vragen: ‘Welke ziektes komen er in jullie familie voor?’ Een man die zich voor me inneemt door zijn eigenzinnige gedrag, en zijn liefde voor de zwerfkatten in Rome, gelijk als Paul Léautaud zich over de zwerfkatten van Parijs ontfermde.

    Om gezondheidsredenen verblijft hij jaarlijks een periode in het warmere zuiden van Europa met zijn vrouw. Later als hij al op leeftijd is, (wat heet, hij werd maar 69 jaar), krijgt hij een relatie met de veel jongere schrijfster Margreet Hirs.

    Hoewel hij in 1936 debuteerde als dichter, schrijft hij vanaf 1948 enkel nog proza, waaronder romans, novellen, feuilletons, spookverhalen, kinderboeken en detectives. Waarvan de literaire kwaliteit niet altijd even sterk was. Het leven van een schrijver kan interessanter zijn dan de boeken die hij schreef. Ab Visser beleefde als schrijver geen doorbraak, als flamboyant mens was hij onvergetelijk voor de kringen waarin hij verkeerde. Hoewel zijn gezondheid te wensen overliet, hij altijd een vitale uitstraling had, stierf  hij vrij plotseling na een hartstilstand op een zondag in mei 1982. Hij werd herinnerd als ‘onwankelbaar trouw aan zichzelf’.

    Terwijl ik lees over het leven van Ab Visser, de schrijver die noch bij leven, noch na zijn dood doorbrak en die me toch een geweldig interessant schrijver leek, schemert de boekenkast van mijn vader door mijn hoofd. Dat daar ergens op de onderste plank een boekje met harde kaft stond van Ab Visser. Dat moet welhaast De buurt zijn geweest. Mijn vader las alles wat hem weer terugbracht naar Groningen stad. Dat ik er dichtbij was wanneer mijn blik  op Steinbeck’s Muizen en mensen of Vestdijks Koperen tuin viel. Deze uitvoerige biografie over de flamboyante man en schrijver die Visser was, drukt me er nog eens met de neus bovenop. Voor ik het weet zoek ik online De buurt van Ab Visser, en vind een in 2015 opnieuw uitgegeven druk door Lebowski. Verwacht dat ik ook naar de rest van zijn proza blijf uitkijken.

     

    Ab Visser, Biografie / Michiel van Diggelen / Uitgeverij Passage (2013)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.