• Ode aan de grijze muis 

    De Franse acteur Michel Robin (1930-2020), hoofdrolspeler in L’invitation (1973) van Claude Goretta, speelde in zestig films, maar meestal waren het bescheiden bijrollen. Twee keer kreeg hij een hoofdrol, beide keren in de jaren ’70 en beide keren in een Zwitserse film, waaronder L’invitation (1973). Maar daarin is hij dan wel weer de verpersoonlijking van de bescheidenheid.
    Goretta laat hem schitteren in de gedaante van een administratief medewerker.

    Twintig jaar is zijn aanwezigheid op kantoor bijna onopgemerkt voorbijgegaan. Als de zachtmoedige, verlegen, ouderwetse, in zichzelf teruggetrokken middelbare vrijgezel Rémy Placet is hij er zoals een kantoorplant in de vensterbank er is. Net als de fuchsia van Annie M.G. Schmidt (‘een makkelijke plant’) overleeft hij op weinig aandacht. Vrienden heeft hij niet, de centrale figuur in zijn leven is zijn moeder. Wanneer die moeder sterft, is Placet ontroostbaar. Hij krijgt het advies het een poosje rustig aan te doen en neemt verlof. Het poosje duurt een paar maanden, waarna hij zijn collega’s uitnodigt voor een feestje in zijn nieuwe huis. 

    Dat nieuwe huis is tot ieders grote verrassing een kapitaal landhuis met een tuin ter grootte van een park. Placet blijkt steenrijk. De erfenis van zijn moeder heeft de uitwerking gehad van de kus uit het sprookje. De prins die eruitzag als een kikker is nu voor iedereen zichtbaar een prins geworden. Dit zet de kantoorverhoudingen totaal op z’n kop. Wat zich op kantoor liet aanzien als wereldvreemde sulligheid, krijgt in deze omgeving ineens iets aristocratisch en superieurs. Placet is hier volkomen op z’n plek en geniet zonder bijgedachten van zijn nieuwe situatie. Hij heeft zelfs een butler ingehuurd. Niet om zijn collega’s de ogen uit te steken, maar omdat hij hen, zoals hij zegt, als zijn tweede familie beschouwt en daarom vorstelijk wilde onthalen.

    Die goedheid, die hartelijkheid is niet aan hen besteed. Ze betalen hem terug met afgunst en wrok en door dronken te worden. De orde is verstoord. Placet betaalt de prijs, uiteraard, maar hij overleeft het wel. Zijn innerlijke rijkdom redt hem. Een meesterlijke film! En een meesterlijk gespeelde rol!

    Zoek je L’invitation op in Wikipedia, dan zie je drie acteurs genoemd als ‘hoofdrolspelers’, maar Michel Robin, de echte hoofdrolspeler, de ster van de film, wordt niet genoemd. Zelfde verhaal op de Internet Movie Database, die overigens drie andere namen noemt, maar dus evenmin die van Michel Robin. Blijkbaar is het lot van sommige mensen, wat ze ook doen, dat ze over het hoofd gezien worden. Michel Robin moest tot zijn oude dag wachten voor hij eindelijk wat aandacht kreeg dankzij Le fabuleux destin d’Amélie Poulain (2001), waarin hij de vader van de kruidenier is, en Un long dimanche de fiançailles (2004), waarin hij de oude man speelt die het slagveld bezoekt. En dat zijn allebei, inderdaad, bijrollen.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd. Maandelijks schrijft hij een filmcolumn voor Literair Nederland.

     

     

  • Boekenweekgeschenk

    Het was even schrikken toen bleek dat het boekenweekgeschenk een familie aangelegenheid is geworden. Familie ondernemingen hebben iets precairs, iets beslotens. Een keuze die ook nog eens in superlatieven omschreven werd door directeur CPNB Eveline Aendekerk. Wat moet je met een directeur die ‘ontzettend trots’ is, en het heeft over de ‘grootste’ schrijversfamilie (je wist niet waar je het zoeken moest, de betekenis van dit alles). Ze zei dat ‘de liefde voor lezen en boeken er bij de ‘Chabotten’ vanaf spat. En dat het precies die liefde is die ‘traditiegetrouw’ gevierd wordt tijdens de boekenweek. Ze zei, ‘Het gezin [de Chabotten] bestrijkt meerdere generaties en bestaat uit unieke karakters, waardoor de kijk op de familie een rijk kleurenpalet wordt. De Boekenweek van 2024 wordt daarom ook komend jaar weer een groot feest!” Jaja, het CPNB is me er eentje om Finkers maar eens te persifleren. Eerder wilden ze al van het woord essay af, alsof daarmee de lading van de inhoud zou veranderen. 

    Het CPNB zegt jongeren te kennen die afgeschrikt worden door het woord essay. Het CPNB is daardoor bang dat ze hun doel missen. En dat willen ze niet. Dus door een essay (een persoonlijk, beschouwend literair stuk) geen essay meer te noemen zodat jongeren er niet door worden afgeschrikt, is er de hoop dat ze het essay dat geen essay mag heten, gaan lezen. Maar wacht. Er is niks mis met jongeren die ergens van schrikken. Er mag geschrokken worden, graag zelfs. Niet alles hoeft tot een soort smoothie achtige substantie vermalen te worden.  

    Ilja Leonard Pfeijffer reageerde op de keuze van het CPNB voor de familie Chabot – om het boekenweekgeschenk te schrijven, en het essay te laten plaatsmaken voor een gedicht van de hand van, jawel Bart Chabot – en had het over ‘uitdaging’. Hij begon over zijn schoonmoeder die bij hen kwam eten. Zij spraken over Italiaanse politiek, de verwerpelijkheid van premier Giorgia Meloni, maakten daar veel woorden aan vuil. ‘De vraag die dan altijd vroeg of laat opkomt, meestal vroeg, is wie haar kan uitdagen… Toen verdween de tekst achter een betaalmuur, maar dat ‘uitdagen’ bleef hangen. Wie daagt de lezer uit, zet een begin van iets uit om te volgen, iets te ontdekken. Of, wie kan Eveline Aendekerk uitdagen om…

    Maar als we dan toch de niet lezende jongeren tegemoet willen komen, laten we dan een boek ook geen boek meer noemen, want dat is schrikken. Maar hé, scheer nu niet alle jongeren over een kam. Er zijn er die lezen, in treinen, op bankjes aan de waterkant, in bed (er wordt onvoorstelbaar veel in bed gelezen), aan keukentafels, toiletten, op het strand. We kunnen veel woorden vuilmaken aan de terugloop van lezers, waarvan ook niet duidelijk is of dat echt zo is. Misschien zijn er lezers die zich niet op de daartoe geëigende plaatsen ophouden, zoals daklozen, waarvan het CBS deze week meldde dat er minder daklozen zijn, maar de opvangcentra daarentegen in een reactie zeiden dat ze ‘ram’vol zitten. Soms moet er niet geteld, niets gezegd worden. Laat een essay een essay zijn, geef jongeren de kans iets te ontdekken, ergens naar te reiken en de essayisten van morgen te worden. 

    En waarom een boekenweekgeschenk niet geschreven door Mensje van Keulen, Marja Pruis of Kristien Hemmerechts? Of maak er desnoods weer een schrijfwedstrijd van voor debutanten, zoals Hella Haasse die ooit in 1949 won, debuteerde met het boekenweekgeschenk Oeroeg. Zet dan een lezerspoule van jongeren op die alle inzendingen lezen, een keuze maken. Zijn er in ieder geval weer een paar jongeren voor de literatuur gewonnen.



     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Onderkomen

    In het portiek van het verzekeringsgebouw waar ik langs loop, hurkt een donkere gestalte. Naast hem liggen een plunjezak en een grote tas. Ik stel mijn ogen op scherp en net als ik heb vastgesteld dat het een dakloze moet zijn, roept de man: ‘Mevrouw, mevrouw, mag ik u iets vragen?’ Het is al aan het schemeren en over een kwartiertje vertrekt mijn trein. Ik weet dat ik moet doorlopen, maar breng het niet op om moedwillig onbeleefd te zijn. Dus blijf ik staan en antwoord bevestigend op zijn vraag. 

    Natuurlijk gaat het om geld, ik had niet anders verwacht. Hij vertelt het bekende verhaal, het kan ons allemaal overkomen: ontslagen, schulden, uit huis gezet, slapen op een bankje in het park. Nu zou hij graag naar een opvanghuis gaan voor een bad en een bed, maar dat kost drie euro per nacht en die heeft hij niet. Of ik zou willen helpen met een kleine bijdrage? Ik luister en kijk naar de haveloze man met de witte stoppelbaard die probeert zijn waardigheid te behouden in dit vreemde gesprek. ‘Arm en beschaamd zo arm te zijn’, dichtte Vasalis. Ook Bert Bevers schreef over hen:

    ‘Daklozen

     Geen blijf weten zij met zichzelf, maar zeker
     kennen ze murw als getuigen hun plaats.

     De hemelstreken zijn hun wanden want geen
     vensters zijn er om uitzicht te kaderen. Het

     zuiden is hun raam. Ook als niemand hem
     uitspreekt dragen zij volhardend hun naam.’

    Zoveel mensen die ik niet heb kunnen helpen, maken dat ik nu uit mijn portemonnee een bankbiljet haal dat ik aan de man overhandig. Hij kijkt ongelovig van het geld naar mij en vraagt of ik me niet vergist heb. Als ik nee schud, vraagt hij mijn naam, we stellen onszelf voor en geven elkaar een hand. Walter heet hij, Walter. Ik zal zijn naam niet vergeten, beloof ik. Als ik afscheid neem en doorloop, roept hij me na en zegt dat hij voor me zal bidden. Ik voel me Moeder Teresa zelf.  Maar ik val door de mand met mijn nobele naastenliefde als ik op het station mijn ov-kaart uit mijn portemonnee neem en zie welk bankbiljet ik weggegeven heb. Oei. Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Ik hoef nog niet meteen naast Walter plaats te nemen in het portiek, maar het zal krap worden deze maand.

    Schaamte overvalt me. Moeder Teresa?, Sint Maarten ben ik. De nep heilige die een bedelaar onbaatzuchtig slechts de helft van zijn mantel gaf omdat hij er zelf ook nog warmpjes bij wilde zitten. Huichelaar met zijn zogenaamde liefdadigheid, zolang die maar niet ten koste van hemzelf ging. Ik ben geen haar beter.
    Mijn nuchtere verstand zegt me later die avond dat Walter waarschijnlijk drank en drugs verkozen zal hebben boven het opvanghuis. Mijn hart zegt dat we niet allemaal hetzelfde bedoelen als we een warm en veilig onderkomen zoeken voor onze angst in de nacht. Ik heb hem in ieder geval in staat gesteld om zelf te kiezen waar hij wil zijn.

     

    Uit: Bedekte termen, Bert Bevers (2023)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Eeuwige veelbelovendheid

    Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar]  pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur. 

    Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.

    Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet. 

    Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat. 

    Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er. 

    Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.

    Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’

    ‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een  prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken. 

    De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!



    Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • De gekke man

    Ik las een kleine roman waarin schrijver Maarten Biesheuvel en zijn vrouw Eva Biesheuvel-Gütlich voorkomen. Beiden zijn inmiddels overleden, maar in deze debuutroman, die speelt in de jaren negentig, maken ze onderdeel uit van de Professorenwijk in Leiden waar de protagonist opgroeit. Biesheuvel was een geliefd schrijver in het Nederlands literaire landschap, omringd door geit, katten en hond. Ik verbeeldde me zijn leven altijd op dat kamertje in dat houten huis (donkergroen met rode kozijnen) genaamd ‘Sunny Home’ in Leiden, waar hij Reis door mijn kamer schreef. Hij vond zelf dat hij helemaal niet kon schrijven. Hij schreef omdat hij niets anders te doen had: ‘Ik ga niet reizen. Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Voor de grap schrijf ik dit verhaal er nog bij, omdat ik niet weet wat ik anders moet doen. (…) Ik zal u mijn kamer beschrijven precies zoals hij is, opdat mensen over duizend jaar weten hoe een kamer anno 1983 in Leiden, Nederland, eruit zag.’ 

    De bewoners van het donkergroene huis spelen een belangrijke rol in het leven van de tienjarige Elias en zijn vijf jaar jonger broertje Johannes met het syndroom van Down. Na de geboorte van Johannes, zegt de vader achteloos tegen Elias, ‘Ma heeft een mongool gebaard.’ Zo’n man is de vader dus. Rookt sjekkies aan de lopende band (als hij ziek wordt, draait Elias die voor hem), wil dat er naar hem geluisterd wordt, ‘Kijk me aan als ik tegen je praat!’ en gaat er geregeld vandoor. ‘De laatste keer dat het pa teveel was geworden, had hij de spiegelkastjes in de slaapkamer van de muur getrokken.’ Daarna vertrok hij naar een klooster in Tegelen waar hij ‘goede wijn, rust en intellectueel gezelschap’ zou vinden. Je denkt, godskolere, wat een zak! Het is dat ik me heb voorgenomen om iemand niet meer zo snel ‘narcist’ te noemen. 

    Elias neemt gaandeweg de zorg van Johannes op zich in de hoop dat zijn ouders er wat gelukkiger op zullen worden. Daarentegen escaleert de relatie tussen zijn ouders. Op school wordt Elias om zijn broertje het mikpunt van plagerijen. Op een dag wordt hij getrapt en geslagen. Hij ontworstelt zich, rent weg en komt hijgend tot stilstand tegen het tuinhek van het donkergroene huis. Een mannenstem zucht, ‘U bevlekt mijn poort, de toegang tot het koninkrijk.’ De man steekt zijn hand uit en stelt zich voor als de enige zoon van God. De kennismaking van Elias met de ‘gekke man’ zoals hij in de wijk wordt genoemd, met Maarten Biesheuvel. Later, als zijn moeder hen vergeet op te halen na school, wordt Johannes boos. Om hem af te leiden, neemt Elias hem mee naar het donkergroene huis, hij laat hem de geit in de tuin zien. Dan komt er een ‘kleine vrouw met warrig bruin haar’ naar buiten. ‘Komen jullie maar even mee.’ zegt ze tegen de jongens. Zijn broertje gaat daar direct op in. ‘Jij en mijn man,’ zei ze vooroverbuigend naar Johannes, ‘jullie zullen elkaar graag mogen. Dát zie ik zo.’

    Een debuut over een disfunctionerend gezin waarin de ouders de verantwoording van hun problemen op de schouders van hun oudste kind leggen. Het is bijzonder te lezen hoe Elias’ geest werkt, hoe de komst van zijn gehandicapte broertje zijn leven beheerst, hoe hij er steeds op uit is om de lieve vrede te bewaren. Och, en dat einde, als er lijkt te gebeuren waar hij van droomde, voor altijd bij mevrouw Eva. Als dat moment daar is, volgt een grote deceptie. Als lezer weet je natuurlijk dat mevrouw Eva haar handen meer dan vol heeft aan haar man. Hoe het met Elias afloopt is ontroerend. Geen gekunsteld einde maar zoals de dingen gaan (er is iets in Elias’ gedragingen, in het beschrijven daarvan, dat het omgekeerde van slachtofferschap laat zien). Een debuut waaraan je afleest dat er voortdurend aan geschaafd en gepolijst is. Een pareltje van gedoseerde vertelkunst.

     

    Beste mevrouw Eva / roman Valentijn de Heer / Uitgeverij Pluim


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Een slapeloze nacht in Polen

    Een vrolijk surrealistisch en gezagsondermijnend sprookje met een niet na te vertellen, volkomen bezopen plot, een parade van onwaarschijnlijke operettefiguren en een openstapeling van bizarre situaties en absurde gebeurtenissen – bij elkaar vormt het de onweerstaanbaar geestige komedie Ewa Wants to Sleep (1958), het speelfilmdebuut van de Poolse regisseur Tadeusz Chmielewski (1927-2016), vier jaar na zijn afstuderen aan de filmschool van Lodz. De enige film die ik ken die erbij in de buurt komt is het legendarische en al even dwaze The Robber Symphony van Friedrich Feher, uit 1937. 

    Het verhaal speelt zich af gedurende een half etmaal, van de vroege avond tot de vroege ochtend. De jonge, naïeve Ewa Bonecka komt vanuit de provincie in de stad aan. Ze is aangenomen als leerling op de Landmeetkundige Technische School, maar arriveert een dag te vroeg. Op zoek naar een slaapplaats en zonder een zloty op zak, zwerft ze, geholpen door een aardige politieagent, door de voornamelijk door criminelen bevolkte stad. Een stad waarin alles kan, waarin om maar wat te noemen een politieknuppel tevens een dwarsfluit kan zijn.

    De openingsscène is onovertroffen grappig en dat niveau wordt de hele film volgehouden. Het is een raadsel dat deze film geen wereldhit is geworden. De rol van Ewa wordt gespeeld door de 17-jarige Barbara Kwiatkowska, die ontdekt werd door een wedstrijd om mooie meisjes voor het witte doek te vinden. (Tijdens het filmen ontmoette ze Roman Polanski, met wie ze later trouwde.) Ze is de Alice in Wonderland die de scènes verbindt en aan het duistere sprookje een dromerige gratie toevoegt. Ze verliet Polen in de jaren zestig en ging verder door het leven als Barbara Lass. Haar laatste rol speelde ze in 1991 in het voor televisie gemaakte Moskau-Petuschki, een verfilming van Venedikt Jerofejevs onnavolgbaar alcoholische roman Moskou op sterk water.

    Natuurlijk – het is ondenkbaar bij een voormalige Oostblokfilm dat het niet zo zou zijn – is er ook verholen kritiek op de USSR. Zo staat op de muur van de politiecel: ‘Stój Halina’ (Stop, Halina) – een onschuldige tekst totdat je de ‘St’ en de ‘H’ omdraait en er in het Pools ‘Stalins Pik’ staat. (Halina was overigens de naam van Chmielewski’s echtgenote.) En zo bezien is de knotsgekke wereld die Chmielewski ons laat zien niet anders dan zijn kijk op het Oostblok, waar je als je er niets aan kunt veranderen tenminste de spot mee kunt drijven.

    Een juweeltje!

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Tent in de tuin

    Een vriendin zei tegen me dat ik net zo lees als dat ik fiets. Hoezo? Je fietst alsof je achterna wordt gezeten, als je leest kan niemand je bijhouden. Waarom? vroeg ze nog. Ik wist het niet. Wat dacht ik te winnen met al dat lezen? Het leek of ik las in de hoop dat ene boek te vinden. Een boek dat zo intrigeert, uitdaagt dat je er niets meer bij hoeft te lezen. Dat elke zin of scene een wereld voor je opent die vragen oproept, of een beeld waar je dagen naar kunt kijken. Ik droomde me een plek waar ik mijn aandacht aan woorden zou kunnen geven. Aan een kelder. Terwijl het leven bovengronds verder gaat, lees jij dat ene boek waarin elke zin je over je eigen gedachtegrenzen heen zet.

    Deze zomer zat ik in de tent op de rand van het veldbed. Ondanks het dunne tentdoek voelde ik me volkomen senang met een boek dat me steeds opnieuw tot lezen dwong. Over hevige regenval die de bewoners van de wijk Santa Lucia in Napels vier dagen moeten verduren. Enkele van die bewoners worden opgevoerd in geweldige monologue intérieurs. Zeer intieme gedachtestromen, zo intiem ben ik zelfs met mijn eigen gedachten niet.

    Terwijl ik lees hoe de journalist Carlo Andreoli zich scheert – ‘Hij merkte dan ook meteen dat het scheermes over zijn huid ging zoals het hoorde, Carlo Andreoli wreef nog eens met twee vingers over zijn wang om te voelen en inderdaad: perfect, dus alles ging de goede kant op, die ochtend, die trouwens de vierde regendag was. Dit quasibehaaglijke gevoel dat langzaam maar zeker sterker werd zou hij de hele dag onveranderd houden, jazeker, en hoogstwaarschijnlijk ook de dag erna, want hij zou niet weten hoe en waardoor dat fijne evenwicht van hem verstoord kon worden. Ook vanwege het feit dat hij alles al wist, en dat hij vergeleken met anderen het voordeel van zijn kalme bewustzijn had, (…) hij was onverstoorbaar blijven staan en voelde de angst van de stad, de razende onrust van beklagenswaardige mensen.’ – denk ik aan hoe Nicola Pugliese (1944-2012) dit schreef, en wat hem dreef.

    Malacqua is een stortvloed aan woorden, gutsend en stromend. Je zakt tot je enkels in de modder, een woordenbrij waar je je doorheen ploegt, want er zal redding zijn. En die is niet bij de officiële instanties te verwachten, maar bij de bewoners zelf.

    Op die eerste regendag, 23 oktober 1973, schrijft Pugliese, ‘Er bleef maar water naar beneden komen, en net als je wilde zeggen: hé hé, nu houdt het op, plensde het alweer, nog voordat je je mond had opengedaan, diepe, voorbestemd wrok, onomkeerbare razernij.’ Er worden auto’s door het wegdek opgeslokt, mensen verdwijnen in zinkholen. De politie moet de brandweer bellen, het is een taak voor de brandweer. Pugliese laat zien dat het wat vraagt om je kop erbij te houden, dat een politieman niet zomaar als redder kan optreden, dat je dan de brandweer passeert, en dat kan niet. Je begrijpt, dat tijdens ongewone dingen, de gewone dingen voorrang krijgen omdat niemand nog weet hoe om te gaan met die ongewone dingen.

     Een boek als een litanie waarvan de woorden over je heen spoelen als een rivier die buiten zijn oevers treedt. Het is het enige boek dat Pugliese schreef. Alsof hij met die ene alles gezegd had, het op geen enkele andere manier nog eens gezegd had kunnen worden. En wat dat ene dan is, dat probeer ik te benaderen. Daarvoor zal ik in stilte lezen, en herlezen. Nu denk ik erover de tent in de tuin op te zetten, of weet iemand een kelder?

     

    Malacqua / Nicole Purgliese / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Ojee vakantie 

    ‘Ik houd niet van vakantie, ik vind het maar een lastig concept.’, liet Mensje van Keulen onlangs in Volkskrant magazine weten. Je bent er ook niet zo goed in, het stopzetten der dingen. De week voor de vakantie is het alsof je na stevig door tuffen, opeens moet remmen, maar niet weet waar de rem zit. Je racet dus lekker door. In gedachten, want je bent een relaxt persoon, rek je de dagen een beetje op en lijkt het of je alles af krijgt. Dan is het opeens de laatste dag voor de vakantie. Piepend (oh nee!) en gierend (loslaten loslaten!) kom je tot stilstand. Losse eindjes vallen in je schoot, boekenstapels kukelen om. Je trekt nog even door, telt je prioriteiten, schuift wat zaken terzijde, zegt een afspraak af, werkt een nachtje door tot alles klaar is. Pas dan mag de tent van zolder, kun je freewheelend de vakantie in.

    Terwijl je mails beantwoordt, even doorklikt op zoek naar een badpak, naarstig naar je bril zoekt (en niet vond), hunker je naar stilte, naar troost. Dus ga je boeken kopen, het bedrag voor een badpak is goed voor twee boeken. Elk boek is een verleiding. Zie je een boek van Maryse Condé dan proef je de sfeer van het tweedelige Segou. Condé kun je niet laten liggen als je Segou hebt gelezen. Antonío Lobo Antunes kun je ook niet laten liggen (kun je überhaupt wel wat laten liggen). Lees hoe Paardenschaduw op zee begint:
    ‘Haar hele leven lang, voor haar ziekte en tijdens haar ziekte, vertelde mijn moeder ons keer op keer
    “Luister”
    dat mijn oma als kind met mijn overgrootmoeder op bezoek ging bij dames die op oude etages in het oude deel van Lissabon woonden, in eeuwige schemering gehulde kamers en gangen waar het zilverwerk en porselein haar volgden en mijn oma, tien of elf toen, dacht :wat moet het hier somber zijn om drie uur ’s middags.”‘  Zo schrijft Lobo Antunes
     zonder punten of hoofdletters.

    Je kocht het manifest Geef nooit op van Bernadine Evaristo omdat je al zo lang iets van haar wilde lezen. Levensmuren van Nina Burton vond je in Utrecht, valt voor de mooie uitgave, begint te lezen om niet meer te stoppen. Hoe kun je zo over insecten schrijven als Burton doet? Je gaat anders denken over muggen, mieren, hommels, eekhoorns, het is geweldig. Je vergeet alles, er ontstaat een verstilde sfeer. Als er nu een mug dichtbij zoemt, sla je hem niet weg, denkt aan de ontelbare (miljoenen?) slagen die de vleugeltjes maken, hoor de indringend hoge zoemtoon. Als laatste was je bij antiquariaat Aleph in Utrecht. Daar was Joan Didion, Paul Léautaud. Je kreeg Voetsporen van Richard Holmes van degene waarmee je enthousiast over het opzetten van een podcast had gesproken. In Een tafel bij het raam van Mirthe van Doornik was je al begonnen, net als in de biografie van Andreas Burnier. Er ligt een wereld aan verhalen voor je. ‘Lezen is niet beschikbaar zijn, is je terugtrekken’, schrijft Alan Bennett in de zeer vermakelijke novelle De ongewone lezer. Ach, laat die vakantie nu maar beginnen, stapel het eendje maar vol en hup, naar de Ardennen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem (en tot 4 september met vakantie).

     

     

     

  • Treinlezen

    Ik had mij voorgenomen meer te gaan lezen nu ik vaker met de trein naar mijn werk reis. En dan niet op mijn telefoon – scrollend van het ene nieuwsitem naar het andere – maar gewoon in een boek. Daar zat ik dan, omringd door smartphones, met op de heenweg Zomeravond, samengesteld door Anna Drijver, en op de terugweg De Kim-dynastie. Geschiedenis van Noord-Korea van Casper van der Veen. Het is nog een hele kunst om je aandacht bij het boek te houden. Tijdens mijn eerste treinreis zaten naast mij drie meisjes die babbelend en lachend de papiertjes van hun Fruitella-snoepjes gedachteloos op de grond wierpen in plaats van in de afvalbak, en ik zei er niets van. Op de terugweg zat een jongen met zijn legerkistjes op de bank, harde muziek schetterde uit zijn oordopjes, en ik zei er niets van. Voortaan zou ik uitsluitend in de stiltecoupé reizen, toevluchtsoord voor meer lezende reizigers. 

    Avondspits. Volle coupé. Een bellende man. Zijn harde stem geeft instructies. Naast mij zucht een vrouw passief-agressief boven haar Murakami. Verder zwijgt iedereen. Niemand kijkt op wanneer ik naar voren buig en hem op fluistertoon wijs op de sticker op het raam, stilte/silence.  Zonder zijn gesprek te onderbreken, staat hij in één beweging op, stapt naar het balkon, het halletje waar reizigers in- en uitstappen, en blijft gedurende de rit tussen Hilversum en Duivendrecht door het raam de coupé inkijken met iets wilds in zijn ogen. Toen ik thuis over dit voorval vertelde, adviseerde R. me om me voortaan op mijn boek te blijven concentreren.

    Goed! De Kim-dynastie, gekocht in de ramsj. Interessante geschiedenis. In de jaren vijftig verklaarde Noord-Korea de oorlog aan Zuid-Korea. Kim geloofde dat de Zuid-Koreaanse bevolking massaal zijn kant zou kiezen en dat de oorlog in een paar dagen beslecht zou zijn. Ging Rusland niet met eenzelfde idee de Oekraïense grens over? Beide landen vergisten zich. Waarmee de uitspraak van Karl Marx  ‘de geschiedenis herhaalt zich, eerst als tragedie en daarna als klucht’ werd gelogenstraft. Voor minder bloederig vermaak leek Zomeravond geschikter. Maar leest daarin het prachtige verhaal over de beeldschone Oji van Maria Dermoût en je bent getuige van een reeks zinloze moorden uit wraak- en hebzucht. Oji is voor de sultan bestemd, maar krijgt een relatie met Anom. Dat eindigt natuurlijk noodlottig, Oji wordt omgebracht.  Dan schrijft Dermoût : ‘Hij (Anom) zou na Oji nog vele vrouwen hebben en die vrouwen niet beminnen.’ Daar denk ik vervolgens lang aan, aan al die vrouwen die niet werden bemind en aan de grote gevolgen van onbemind zijn in hun leven en welke gevolgen dit heeft voor hun nageslacht. Er gebeurt veel gedurende treinreizen, duizenden en duizenden mensen sterven of raken door het leven getekend. 

    R. meldt via de app dat hij kipgehakballetjes in eigengemaakte tomatensaus heeft klaargemaakt. Terwijl ik me daarop verheug bekijk ik de afbeeldingen op de twee boeken. Twee vrouwen. Twee werelden. Toch doen ze allebei op hun eigen manier een erotisch appel op de lezer. De vrouw met het geweer dwingt je met haar blik op de knieën. En de vrouw op de handdoek poseert meer dan dat ze leest. Je kijkt onbeschaamd tussen haar benen. Boven de blote dij is, in de stof, haar tepel zichtbaar. Andere mannen zouden aan lezen niet toekomen. 

     

     



    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Zijn debuutroman De wensvader  (2020) en de roman Augustus (2022) verschenen uitgeverij kleine Uil.

  • Wat lezers ervan maken

    Sinds het zomer is, word ik elke ochtend om vijf uur wakker. Het eerste daglicht schemert door het slaapkamerraam naar binnen. Aan de muur worden de contouren van een omlijste tekening zichtbaar, het tafeltje daaronder. De boomtoppen waar ik vanuit mijn bed zicht op heb, vangen de eerste zonnestralen. Naast het bed ligt een klein essay in boeken. Ik lees in Claudia Roth Pierponts biografie van Philip Roth, Een schrijver en zijn boeken aan de hand van de boeken die hij publiceerde en de schrijvers die hij bewonderde. Een biografie lees je bij uitstek in bed, als het huis nog stil is. De schrijvers die in deze biografie voorkomen en die ik in huis heb, verzamelde ik naast mijn bed. Sommige daarvan, zoals Hemingway, Henry James en Isaak Bashevis Singer, nog uit de boekenkast van mijn vader.

    Ik lees over Roth’s huwelijk met Maggie Williams, die hem bedroog met een zwangerschap, en met de abortus van die niet bestaande zwangerschap. Williams stond model voor Lucy Nelson in Een braaf meisje, dat Roth schreef om zijn naargeestige huwelijk met haar te verwerken. Hij werkte er vijf jaar aan. Soms kreeg hij maanden niets op papier. Het is het boek dat hem het meest heeft gekost, het minst opleverde. In Roth’s biografie door Blake Bailey wordt weinig aandacht aan dit boek besteed. Critici vonden dat hij zichzelf als schrijver met dit boek had overschat. Later werd het personage Lucy gezien als een goed neergezette, maar mislukte feministe. 

    Wat lezers maken van wat een schrijver schrijft of zegt moet geheel ten  laste worden gelegd van de lezer. Mijn vorige column ging over Astrid H. Roemers laatste roman Dealers dochter. Ik schreef dat Roemer in de jaren zeventig de boeken van Brouwers, Wolkers en Nooteboom verslond. De schrijfster reageerde op mijn interpretatie van haar roman:‘Goed begrepen, houden zo, I Like it’. Maar liet ook weten dat ze geen boeken verslindt, ‘Ik lees traag en geconcentreerd.’ Waarop ik mijn column aanpaste. 

    Philip Roth had er na zijn schrijversleven een dagtaak aan om de dingen die recensenten, interviewers en allerhande duiders over zijn teksten en hemzelf beweerden, recht te zetten. ‘er is zoveel over hem geschreven en zo vaak zijn het verkeerde dingen, maar beweringen beginnen desondanks wortel te schieten in de geschiedenis. Wat hij nu opschrijft is om dat allemaal recht te zetten, voor de toekomst.‘, schrijft Claudia Roth Pierpont. Nadat hij in 2012  had laten weten te stoppen met schrijven, bleef hij losse aantekeningen maken over wat er in hem opkwam, schreef stukken waarvan er een als ‘Open letter’ in The New Yorker werd gepubliceerd. Over de misvatting dat zijn personage Coleman Silk in De menselijk smet, was gebaseerd op The New York Times recensent Anatole Broyard. Roth verklaarde: ‘Neither Broyard nor anyone associated with Broyard had anything to do with my imagining anything in The Human Stain.’

    Zo lees ik me van het een naar het ander, heb ik In de greep van Henry James onder handen, De duizendkunstenaar van Lublin van Bashevis Singer, herinner me dat ik alle boeken die Roth op weg hebben geholpen nog moet lezen. Alsof ik daarmee de schrijver nader kom, de illusie koester een compleet beeld van alles te krijgen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft lezend.

     

     

  • Tijdreizigers

    Sinds jaren verzamel ik boeken over Koning Arthur, kinderboeken, romans, wetenschappelijke werken, maakt niet uit: een koning die recht voor macht wilde laten gelden, is de mijne. De beeldenstorm die onlangs heeft huisgehouden in mijn boekenkasten, heeft een aantal coryfeeën kritisch verwijderd, maar ik meende nog voldoende in huis te hebben om me aan te melden voor een reeks lezingen die in het Natuurmuseum gegeven werd door de Nederlands/Vlaamse afdeling van de International Arthurian Society, een wetenschappelijke vereniging die zich richt op het onderzoek van middeleeuwse Arthurverhalen. De afdeling bestaat in zijn geheel uit negenendertig leden, waaronder bibliografen, mediëvisten, vertalers, docenten, handschriftdeskundigen en kunstenaars.

    Om in het zaaltje te komen waar de lezingen gehouden werden, moest ik door schemerige stille gangen van het Natuurmuseum lopen, waar opgezette dieren me vanuit de vitrines met maniakale glazen ogen nakeken; ze waren doder dan Arthur ooit kon zijn. Er waren zo’n vijftien mensen aanwezig, inclusief de organisator en de sprekers die elkaar allemaal kenden, ik was de enige bezoeker van buiten hun kring. Er was een jonge professor in Keltische studies die half in het Nederlands, half in het Engels vertelde waarom de Welshe Peredur niet verward mocht worden met Perceval of Parzifal. Een studente middeleeuwse literatuur vergeleek de oude Noorse sagen met de Franse, een gepassioneerde student hield een betoog over de verinnerlijking van verdriet in middeleeuwse teksten. Een studente literatuur- en boekwetenschap had geturfd hoe vaak de corrector van de Lancelotcompilatie een aantekening gemaakt had en er werd verteld waarom het stellen van vragen bij de Visserkoning ongepast was.

    Het was een boeiende materie, maar het ging mijn kennis ver te boven. Het leek alsof de middeleeuwen voor deze mensen een natuurlijke habitat vormden en de wetenschappelijke teksten hun vertrouwder waren dan de dagelijkse krant. Mijn Arthur en die van deze wetenschappers was niet dezelfde koning, maar voor ieder van ons was hij meer levend dan de opgezette tijgers in het museum.

    ‘Ooit gehoord van een koning
     die Arthur heette, en van zijn
     beeldschone vrouw Guinevere –
     en van zijn ridder en vriend
     Lanceloet, en diens zoon
     Galahad met de lichtblauwe ogen?

     Ik ga ze bezingen, die mensen.
     Naar wat hen bezielde, hun angsten
     en liefdes, ben ik al meer dan
     dertig jaar ongeduldig op zoek.

     Misschien dat je zegt
     ik ken ze,
     ze wonen hier om de hoek.*

    Het werd een surrealistische middag. Ik voelde me als Alice in Wonderland, of als Erik Pinksterblom die over de rand van het schilderij is gestapt, maar waar de dieren die ze tegenkomen zowel Alice als Erik met minachting en arrogantie bejegenen, was daar hier geen sprake van. Zelden ben ik zo hartelijk ontvangen als door deze mensen, die oprecht blij waren met de belangstelling van een buitenstaander. Toch ben ik niet meegegaan naar de borrel achteraf, al verzekerden ze me nog zo vriendelijk dat ik welkom was. Want ze zouden ongetwijfeld allemaal een beker mede besteld hebben en dan had ik er als een anachronistische tijdreiziger bij gezeten met mijn kopje thee, dat pas rond 1610 naar Nederland kwam. 

     

    *Uit: Arthur koning van een nieuwe wereld, 2013 / Huub Oosterhuis


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.



  • Taal een eigenaardig ding

    Ik lees Astrid H. Roemer, haar laatste roman Dealers Dochter. Een boek over hoe mensen uit een andere cultuur dealen met hun achtergrond, en letterlijk dealen in drugs. Er zijn vijf Surinaamse personages. Er is een drugsmoord. Er is een kind uit Surinaams Nederlandse ouders dat zich nergens thuis voelt, alle personages voelen zich eigenlijk nergens thuis. Het gaat over zwarte en witte mensen, over klasse verschillen. Het begint met een jongen van zestien die op blote voeten vanuit zijn dorp in het oerwoud van Suriname naar Paramaribo gaat. Daar besluit hij met een Nederlandse jonge vrouw die zich over hem ontfermde, mee naar Nederland te gaan. Hij neemt afscheid van zijn ouders. ‘In zijn dorp woonden 350 volwassenen en hij wou wonen in een land van miljoenen mensen. Miljoenen, herhaalde zijn vader. Zal er dan plek voor jou zijn, mijmerde zijn moeder. Was er plek voor mij bij jullie, vroeg hij…’ Als kind van een volk dat zich lang geleden aan de slavernij ontworstelde, wil hij meer van het leven dan het dorp hem kan bieden.

    Tegelijk luister ik naar een interview met Astrid Roemer. Daarin zegt zij dat ze een vat vol woorden is die ze overal vandaan heeft gehaald. Als kind met de liedjes van Annie M.G. Schmidt. Later, toen ze in Nederland woonde, vond ze de boeken van Jeroen Brouwers, Cees Nooteboom, Jan Wolkers, nog voor ze Nederlandse schrijfsters ontdekte. Ze zegt dat ze ‘geneigd’ is om te schrijven, zoals een schilder geneigd is om te schilderen. Waarom ze altijd over vrouwen schrijft?  ‘Misschien wil ik ook aan mannen laten zien, hoe wij vrouwen denken en voelen en hoe ze met ons omgaan. Als een mannelijke auteur een vrouw neerzet dan is het altijd een ander soort vrouw dan ik normaal bij vrouwen zie, maar dan begrijp ik wel hoe mannen ons zien. Snap je?’
    Ze zegt, ‘Literatuur is een eigenaardig ding. Die wil altijd achter het verhaal kijken.’

    De levens van haar personages zijn heftig, het schudt je dooreen, je beseft dat zachte heelmeesters die dansen om de kern van stinkende wonden niets genezen. Er moet ingegrepen worden. Een bittere werkelijkheid waar Roemer ons in meetrekt. Haar zwarte personages trouwen liever een witte Nederlander om integratie te vergemakkelijken. Een van haar personages zegt na een politieke discussie met zijn dochter, ‘Kind, ik wil rustig slapen en het liefst in de armen van een Hollandse vrouw want voor een man die zwart oogt als ik is de wereld overal een hel!’ De dochter, Aqua, vindt het vieren van Surinaamse Immigratiedag belachelijk. ‘Gedenken dat jouw voorvaderen onder valse beloften naar een oerwoud waren gelokt om goedkoop te werken voor een stelletje nietsnutten.’ Toch gaat ze steeds weer met haar ouders mee, want: ‘Wij hebben zo weinig wat ons samenbindt en deze feesten doen dat.’

    Waarna ik iets heb bij te stellen, een beeld, een mening. Roemer lezen is inzichten verwerven. Ze zegt, ‘Er is altijd iets dat ons compleet ontgaat, en dat iets is dat wij, romanschrijvers en dichters, proberen te articuleren.’ In Dealers Dochter staat veel dat ik citeren wil, me in beweging zet, andere gedachten brengt. Zoals Roemer in het interview zegt, ‘Wat tot mij komt als ik een goed boek van een schrijver lees, dan is het vooral iets algemeen menselijks wat voor mij voelbaar wordt.’ Roemer brengt in haar romans de grote onderwerpen uit de geschiedenis van Suriname terug naar persoonlijke verhalen, naar waar haar personages vandaan komen. 

     

     

    Luister naar het prachtige interview van Ianthe Mosselman met Astrid H. Roemer in De Balie (2020).


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft bij een goed verhaal.