• New York en Californië

    Er lopen mieren over het aanrecht. Elk jaar rond dezelfde tijd, meestal verdwijnen ze na een tijdje weer. Op het punt dat ze overal zitten, op mijn handen kruipen, denk ik aan lokdoosjes. Voor ik daar aan toekom, zijn ze op een dag weer verdwenen. Alsof ze er nooit geweest zijn. Mieren horen bij warme, kleverige dagen. Maar het is koud. Ik trek een extra paar sokken aan, draag twee vesten over elkaar. Loop me warm van keuken naar woonkamer en weer terug. Veeg in het voorbijgaan wat mieren van het aanrecht. Die geluidloos op de grond vallen, of ergens onderweg oplossen, want ik zie ze nooit neerkomen. Met een Hollands Diep uit 2009 ga ik aan de keukentafel zitten. Een editie over New Yorkse schrijvers en kunstenaars, en Lou Reed. Vanuit mijn ooghoek zie ik soms iets bewegen. Alsof de zwarte friemeltjes op het witte aanrechtblad opeens aan de wandel gaan. Het zijn natuurlijk de mieren. 

    Ik blader door het magazine. Lees de Brooklyn reportage door Robbert Ammerlaan, Brooklyn het kloppend hart van de Amerikaanse literatuur. De wijk van Henry Miller, Bernard Malamud, Woody Allen. Later van Paul Auster, Jonathan Safran Foer, Jennifer Egan, Jonathan Lethem. Ammerlaan bezoekt er de café’s waar schrijvers met hun laptop zitten. Je wilt er heen. In je hoofd maak je berekeningen of er een vliegticktet naar NY af kan. Voor je het weet bezoek je de woningruilsite www.craigslist.com, getipt in de rubriek ‘Nederlanders in New York’. Als de onmogelijkheid van een bezoek aan New York tot me doordringt, bestel ik online The New York Review of Books bij boekhandel Athenaeum. ‘A touch of literature’.

    Ik lees de rubriek ‘Nederlanders in New York’, hun tips. Sommigen wisten bij hun eerste bezoek: ‘Hier hoor ik thuis.’ De favoriete New Yorker voor Jeroen Pauw is een fictief personage. Patrick Bateman uit American Psycho van Brett Easton Ellis. Het boek was zijn reisgids. Ik denk aan Scherven, het laatste boek van Ellis dat vorig jaar verscheen. De eerste die ik van hem las. Dit boek zou je als plattegrond van Californië kunnen gebruiken. De weg van Beverly Hill naar MullHolland door de canyons, naar Hollywood, Palm Springs, San Francisco. Ook dat zou ik kunnen doen. Een ticket naar Californië. Met een auto langs al die plaatsen die je uit liedjes en films kent. Scherven is een fascinerend boek. De vertellers naam is Ellis, speelt in de tijd dat hij schreef aan zijn debuut, Less Than Zero. Waarvan hij verslag doet in Scherven.

    Bret Easton Ellis was fan van Joan Didion. Hij schrijft: ‘In 1981 zat ik diep in mijn Joan Didion-fase, een schrijfster die we leerden kennen toen meneer Robbins, mijn leraar Engels, ons het jaar ervoor Slouching Towards Bethlehem te lezen gaf, en al snel begon ik blind te varen op de essays en een andere bundeling, The White Album, en haar Hollywood-roman Play It As It Lays – in die tijd probeerde ik haar proza in mijn fictie te imiteren – de speciale toon die ze wist te bereiken, daarnaar streefde ik als schrijver.’ Zulke dingen lees ik graag. Toen moest ik denken aan Club Mars van Rachel Kushner, dat naast mijn bed ligt. Het speelt zich af in een vrouwengevangenis in Noord-Californië. Een roman vol duistere, ontluisterende, persoonlijke verhalen. Van Kushner wordt gezegd dat haar proza leunt op de stijl van Didion. Ik hou van Didion.

    Voor de leesgroep ‘224 blz.’, lees ik, Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen. Een tijdreis-roman, qua binnenwereld van de protagonist een echte Van Essen. ‘Je zou willen dat je terug kon gaan in de tijd om het ongedaan te maken, om ongedaan te maken wat je  had verzonnen.’ Want van wat je je herinnert dat er gebeurd is, klopt veel niet. Dit boek is een plattegrond, van Amsterdam, van brug naar brug, van Deventer naar Rijssen en van de weg terug in de tijd. Ondertussen lees ik in Hollands Diep hoe Lou Reed wel ‘duizend keer’ dood had kunnen zijn door drank en drugs gebruik. Dat is ook wat in Scherven en Club Mars speelt, drank, drugs, sex, en muziek uit de jaren tachtig. Dat alles friemelt door mijn hoofd, als mieren op een aanrecht.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Science en fiction

    Ilja Leonard Pfeijffer beweert in Is geschiedenis fictie? – de Homeruslezing 2024 van het Nederlands Klassiek Verbond – dat fictie de potentie heeft om de waarheid dichter te naderen dan consciëntieus bronnenonderzoek ooit zal vermogen. Door empathie zit de romanschrijver zo dicht op de huid van zijn historisch personage, dat hij als het ware het medium van diens ware persoonlijkheid wordt. Empathie is de ichor, de etherische vloeistof die de goden en de onsterfelijken door d’aadren stroomt. Dat lijkt nogal een bewering. Volgens mij gaat Pfeijffer niet ver genoeg. Pfeijffer doet alsof een biograaf zich strikt aan de historische bronnen houdt en daardoor niet dicht genoeg bij de historische persoon kan komen en niet in staat is die persoon in al zijn facetten te begrijpen. Dat is een enorme versimpeling. In zijn lezing vertelt Pfeijffer dat hij twintig jaar geleden het plan opvatte een roman over Alkibiades te schrijven. Hij achtte Alkibiades als persoon zo fascinerend en kleurrijk dat hij het een historische roman waard vond. Het begon dus met fascinatie.

    In 2023 realiseerde hij dit plan. Hij bestudeerde alle mogelijke bronnen en was veertien maanden under the spell van zijn Griekse held. Door zijn empathie en maximalistische interpretatie, dat wil zeggen dat Pfeijffer ervan uitgaat dat er samenhang bestaat in de daden van Alkibiades en dat hij geen opportunist is, kwam hij dichterbij zijn held dan ooit mogelijk zou zijn geweest voor een ordinaire biograaf. Ook een biograaf begint met fascinatie voor zijn object. Daarna onderzoekt hij alle bestaande bronnen, zoekt naar nieuwe bronnen en maakt daaruit zijn keuze. Die keuze is zeer persoonlijk en het resultaat van intensieve omgang met het onderwerp. Denk aan een worm die grond tot zich neemt en de voedzame delen gebruikt om te groeien, de rest uitscheidt. Zo gebruikt de biograaf de bronnen waarvan de voor hem belangrijke onderdelen de basis vormen van zijn verhaal. Nadruk ligt op ‘voor hem belangrijke’, want de biograaf doet aan selectie en bronnenkritiek. Dat proces van wikken en wegen van bronnen is een langdurig proces. Van een worm wordt gezegd dat hij de grond meerdere malen door zich heen laat gaan; evenzo geldt dat voor een biograaf met betrekking tot zijn bronnen. 

    Uiteindelijk bepaalt de persoonlijke fascinatie welke rangschikking de biograaf maakt. Een verklaring van een onbetrouwbaar sujet, hoe sexy ook voor het verhaal, gebruikt de biograaf niet. Dat is evident. Maar ook de wetenschappelijke biograaf ontkomt niet aan zijn eigen persoonlijkheid. Hij is een bewerker van een oorspronkelijke fascinatie die zijn empathisch vermogen gebruikt om een maximalistisch verhaal van zijn held te maken. En is, evenals de historische romanschrijver Pfeijffer, na afloop overtuigd dat hij de historische persoon in zijn of haar ware gedaante uit het verleden heeft opgewekt.

    De door Pfeijffer geschetste tegenstelling tussen romanschrijver en biograaf is een constructie ad hoc. Alkibiades is een bijzondere persoon, omdat de bronnen over hem niets zeggen over zijn beweegredenen, waarom hij deed wat hij deed. Alle ruimte voor Pfeijffer om dat in te vullen. Een biograaf zou in zijn geval enkele slagen om de arm houden, maar uiteindelijk wel tot een persoonlijke interpretatie overgaan (die vervolgens weer bestreden zou worden door andere kenners van het leven van Alkibiades). Pfeijffers empathie is broodnodig bij zijn held Alkibiades, meer dan bij historische personen die wel aan zelfreflectie en zelfverklaring hebben gedaan, zoals de Groningse schrijver Ab Visser. Mijn fascinatie voor deze auteur en de empathische bewerking ervan heeft voor een belangrijk deel de biografie die ik over hem schreef bepaald. Als historische romanschrijver van Hendrik Peter Scholte had ik wat meer vrijheid om het verhaal ronder te maken – maximaal te interpreteren – maar in beide gevallen was het eindresultaat de historische persoon zoals alleen ik die kon scheppen. Zowel biografie als historische roman zijn het resultaat van beide: van science en van fiction

    Pfeijffers lezing is overigens om meerdere redenen bijzonder de moeite van lezing waard. De ironische en zelfspotrijke benadering van zichzelf als classicus en van de classici in het algemeen doet je glimlachen en gnuiven, en de korte tekst staat vol opmerkingen die gelegenheid tot instemming en verwerping bieden. Het is een genot deze tekst te lezen, vanwege het merkbare plezier van het schrijven en de bewonderenswaardige stijl ervan. Dat maakt per slot van rekening een tekst overtuigend, of het nu een biografie, een historische roman of een lezing betreft.

     

     


    Michiel van Diggelen schreef een biografie van schrijver Ab Visser. Met Kees van Domselaar schreef hij een korte biografie van verzetsvrouw Truus van Lier. Momenteel werkt hij met Richard Tanke aan een biografie van verzetsman en jodenredder Arnold Douwes.

  • Achterkant van de geschiedenis

    Er moest iets vastgelegd worden, iets voor later. Momenten van ontwapening. Dat is wat een kind is, ontwapenend. En lerend, elke dag. Ouders leggen die ontwikkeling vast. Met foto’s, door in schriftjes bij te houden wat ze zeggen, hoe ze zich verhouden tot de ander, zelfstandig zijn. Zelf deed ik dat ook. Op zeker moment krijgen zij die schriftjes in handen, de foto’s te zien. Dat is ook wat je wilt, dat ze lezen hoe ze waren, of beter: hoe ze gezien werden. 

    Felix Oestreicher legde van 1937 tot 1943 de bevindingen van zijn drie dochtertjes vast in brieven aan familie. ‘Beate is een klein diplomaatje. Eerst ruilt ze met mooie praatjes haar step voor een vlaggetje van Helli. Vervolgens biedt ze Maria hetzelfde speelgoed aan voor een tweede vlaggetje en geeft ze Helli een of ander oud emmertje. Na hooguit vijf minuten wil ze de step weer terug. De vlaggetjes heeft ze ondertussen weer teruggegeven.’ Zo eindigt een brief die Oestreicher op Pinksterzondag, 5 juni 1938 schreef. Ze verblijven dan in Bergen aan Zee, gevlucht voor de verordeningen van de nationalistische partij tegen Joden in april van dat jaar. Ze komen vanuit Karlsbad, Tsjechië. Ze zullen nog vijf maal verhuizen, de laatste keer naar Amsterdam. 

    Niets over dreigingen of Jodenvervolging is terug te vinden in die brieven. Al is er een vermoeden van spanningen wanneer een van de meisjes ‘lange huilbuien’ heeft, of een ander ‘heel aanhalig is en kruipt van tijd tot tijd tegen me aan’. Of in zijn laatste brief, van 25 oktober 1943, waarin een afwachten van dingen die komen gaan doorklinkt:
    ‘De tijd verstrijkt met niets. ‘s Ochtends houd ik spreekuur – of wat er althans nog van over is – en geef ik de kinderen les. Afwassen is tijdverdrijf. Daar moeten de meisjes om en om steeds een week mee helpen. Met veel plezier schrobben ze de pannen schoon. Na een middagslaapje is er altijd wel een boodschap te doen met of zonder kinderen en dan is het alweer avond. Na het eten lees ik Gerda voor. Door de nachtdiensten ben ik vaker buitenshuis. Bridgen doen we bijna niet meer, eens in de vier weken.’ Einde brief.

    Op 1 november wordt hij met zijn vrouw Gerda Oestreicher-Laqueur, de kinderen en zijn inwonende moeder Clara naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Waar Helly, een van de tweeling, op de ziekenafdeling terechtkomt. Vandaaruit wordt ze naar een onderduikadres in Gorssel gebracht. De rest van het gezin komt via Westerbork in concentratiekamp Bergen-Belsen terecht. Kort na de bevrijding overlijden Felix en Gerda aan tyfus. 

    Middels de nalatenschap van Lisbeth Birman-Oestreicher, zus van Felix, die de meisjes na de oorlog in huis heeft genomen, kwamen in 1989 de brieven in handen van Maria, inmiddels getrouwd met Joop Goudsblom. Een keuze uit die brieven staat in 3lingnieuws. In een brief, die Oestreicher zijn testament noemde en achterin het boek is opgenomen, heeft hij het over de ‘vreemde’ dromen die hij tijdens die jaren had. Dromen waarin het hele gezin zich van het leven beroofde. Of over zijn schoonvader, die hem in 1938 niet met geld wilde helpen om Europa te verlaten. Hoe hem dit stoorde, zich voorstellend, met groot relativerend vermogen, hoe ze misschien ‘wel in de Verenigde Staten terecht [waren] gekomen en nu al lang en breed fatsoenlijk omgekomen bij een auto-ongeluk.’ Dat men hoe dan ook dood gaat, maar liever door een ongeluk dan deze vooropgezette volkerenmoord.   

    In een voorwoord geeft Helly Oestreicher, de enige nog levende van de ‘3lings’, de reden voor uitgave van deze brieven. ‘Dit 3lingnieuws is bedoeld voor mijn kleinkinderen, (…) en voor mijn onderduikzus Annie Hoetink-Braakhekke en haar kinderen en kleinkinderen; evenals voor al diegenen die het leven onder de stolp van de dagelijkse dreigende gevangenneming van drie volwassenen en drie zeer jonge kinderen willen meebeleven.’ 

    Berichten van een vader die met groot genoegen vader was, zeer betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. Genegenheid voor, en verwondering over hen spreekt uit al zijn brieven. Het zijn onderhoudende, vlot lezende brieven. Hoe de kinderen leren lezen, spelletjes spelen, ruzie maken, huilbuien hebben, gedrag van grote mensen kopiëren. Tegen het licht van de Jodenvervolging is het alsof je de achterkant van de geschiedenis leest. Dit prachtig vormgegeven boek, met foto’s gemaakt door de twintig jaar jongere zus van Felix Oestreicher, Maria Austria, is een document van grote waarde.



    3lingnieuws Brieven 1937-1943 / Felix Oestreicher / vertaling Elbert Besaris / 303 blz. / bij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.

  • Hoi Gerrit (Komrij)

    Ze zeggen wel dat je je helden niet in het echt moet tegenkomen want dat loopt geheid op een teleurstelling uit. Dat gold niet voor Gerrit Komrij. Hij toonde zich bij de enkele keren dat ik hem ontmoette als een aardige, hoffelijke en beminnelijke man. Ik was van zijn werk gaan houden tijdens mijn studie, toen ik als opdracht een essay schreef waarin ik een parallel moest trekken tussen de dichters Komrij en Piet Paaltjens. De schrijver zelf zag ik de eerste keer tijdens een signeersessie van zijn boek Wagner en ik, waarbij we slechts een paar beleefde woorden wisselden. 

    De tweede keer was op de boekenmarkt in Deventer. Ik zag hem lopen met zijn geliefde, Charles Hofman, en toen ik fluisterde: ‘Kijk, daar gaat Gerrit Komrij!’, zei mijn man: ‘Waarom ga je geen praatje met hem maken?’ Maar ik durfde niet. Ik wilde hem niet lastig vallen als een opdringerige fan bij een popconcert. Mijn destijds zesjarige dochter daarentegen had geen last van respect. Zij liep onvervaard op hem af, trok aan zijn mouw en zei: ‘Hoi Gerrit, mijn moeder wil je spreken.’ Hij liet zich gewillig door haar meetronen naar de boekenkraam waar ik van verlegenheid wel door de grond kon zakken. Hofman stond het tafereeltje op afstand geamuseerd gade te slaan.

    In het gesprek dat volgde, vertelde Komrij dat hij weliswaar in Portugal woonde, maar elk jaar naar Nederland kwam om naar de Deventer Boekenmarkt te gaan. Die sloeg hij nooit over. Met zijn eigenaardig stemgeluid, alleen geëvenaard door van Drs. P. (wiens optreden eens werd afgekondigd met: ‘Deze heer die zojuist een van zijn liederen voor u gekraakt heeft’), vroeg me of ik al iets gekocht had. Ik toonde hem mijn nieuwe aanwinst, een verzamelbundeltje ‘nonsensica’ uit 1961, samengesteld door Cees Buddingh’ onder de titel Het gevleugelde hobbelpaard. Komrij bladerde het met belangstelling door en zei toen peinzend, als tegen zichzelf: ‘Kijk, dat zou ik nou óók gekocht hebben.’

    Waarom heb ik het hem toen niet cadeau gedaan, vraag ik me nog steeds af. Dat zou een aardig gebaar zijn geweest tegenover de man wiens boeken me zoveel moois gebracht hadden. Maar ik was te overdonderd door zijn aanwezigheid om daarbij stil te staan. Ik heb er nog altijd spijt van. Daarom haal ik sindsdien elk jaar op 30 maart, zijn verjaardag, het boekje tevoorschijn en lees er voor hem een gedicht uit voor. Dit jaar een van die andere dichter:

    Zoals ik eenmaal beminde,
    Zo minde er op aarde nooit een.
    Maar ‘k vond, tot wie ik mij wendde,
    Slechts harten van ijs en steen. 

    Toen stierf mijn geloof van vriendschap,
    Mijn hoop en mijn liefde verdween.
    En, zoals mijn hart toen haatte,
    Zo haatte er op aarde nooit een. 

    En sombere, bittere liedren
    Zijn aan mijn lippen ontgleên.
    Zo somber en bitter als ik zong,
    Zo zong er op aarde nooit een. 

    Verveeld heeft mij eindelijk dat haten,
    Dat eeuwig gezang en geween.
    Ik zweeg, en zoals ik nu zwijg,
    Zo zweeg er op aarde nooit een.

    Piet Paaltjens

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Biologische tomatenplantjes

    Maandagochtend stond ik in een agrarische winkel met mijn vest binnenstebuiten. Ik stond in de rij met twaalf biologisch gekweekte tomatenplantjes in een karretje. Niemand zei iets over mijn vest. Goed, het is misschien ook wel intiem een ander te wijzen op een foutje in je kleding. Beetje gênant als je er op aangesproken wordt. Dat begrijp ik wel. Achter mij stonden een vrouw en een man. Even daarvoor stonden ze naast me bij de tomatenplantjes. De vrouw hoorde ik bij de tomatenplantjes (alsof ze ‘getverderrie’ zei) roepen: ‘Dat zijn biologische’. Ik kocht ze alle twaalf. Ik was biologisch gewend, ik kon ertegen. Zij stond er met haar neus bovenop, op mijn vest. Ze had iets kunnen zeggen. Maar het was geen vrouw die de wereld om haar heen wilde corrigeren. Dacht waarschijnlijk dat zij, die biologische plantjes kopen, rommelig gekleed gaan.

    Thuis merkte ik het pas. Aan het geborduurde rondje op mijn linkermouw dat nu op mijn rechter zat. Ik trok het vest uit, zette de tomatenplantjes op het gras, ging naast de poes op de tuinbank zitten. Het was zo’n ochtend voor een fijn verhaal. In het weekend las ik verhalen van Jaap Scholten, Van Oldenzaal tot Ouagadougou. Gedreven als een cowboy  jaagt Scholten je zijn verhalen door. Sterke verhalen, geweldig goed. Je moet ze maar eens lezen. Vandaag was ik in De verhalenbundel van Josien Laurier (wie kent haar nog?) begonnen. Al haar verhalen gaan een kant op die je niet verwacht, zijn deregulerend.

    In ‘De schoonmaakster’ komt een Argentijns meisje bij een oude man Hendrik schoonmaken. Hij drukt haar op het hart niets te verplaatsen. ‘Do not move anything. What you call chaos, to me is order.’ Na de eerste schoonmaakbeurt inspecteert Hendrik het huis. ‘De tandpastavlekken waren weg, maar de dop was niet op de tube gedraaid, de wasmachine draaide, maar zijn vuile sokken lagen in een hoek van zijn slaapkamer en toen hij zijn werkkamer betrad, betrad hij zijn werkkamer.’ Niets was er veranderd, en dat stemde hem tevreden. Zelfs het klokhuis op de hoek van zijn bureau stond er nog. Maar wacht. Had hij een appel gegeten? Zijn hart begon te bonken. Nee, toch? Hij pakte een spiegeltje om zijn tanden te onderzoeken op een miniem stukje appelschil. Nee, hij had geen appel gegeten. De tweede keer nadat de schoonmaakster is geweest, is er een boek in zijn boekenkast verplaatst. Een volgende keer staat er een bloeiende geranium in zijn vensterbank. ‘Deregulatie’, denkt de oude man. ‘Teneinde krankzinnigheid te bewerkstelligen.’ 

    Er is een verhaal van een man die het nieuwste boek van zijn lievelingsauteur koopt. In een café scheurt hij het boek uit de verpakking, gooit de prop weg, en leest: ‘Een man van middelbare leeftijd verfrommelde gehaast het papier waarmee de nieuwste bundel van zijn lievelingsauteur was ingepakt, gooide de prop weg, en sloeg, zelfs voordat hij zijn jas losknoopte, het boek open.’ De man kijkt naar zijn jas, de prop papier. En wil verder lezen. Hij leest vervolgens hoe hij naar zijn jas keek, naar de prop papier en zijn ogen sloot. Alles wat de man doet, leest hij daarna in het boek. Hij wordt er gek van. Goed verhaal! Al Lauriers verhalen zijn goed. Ik kijk op, de tuin in. Zie de biologische tomatenplantjes vanuit het gras naar me kijken. Ze willen de grond in. Dus hup, aan het werk. Daarna verder lezen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.

  • Satire in de scootmobiel

    De Italiaanse regisseur, scenarioschrijver en acteur Marco Ferreri (1928-1997) maakte 27 speelfilms, maar wordt vooral herinnerd door één film: La grande bouffe (1973). In de vergetelheid geraakt is dat hij in Spanje zijn eerste drie films maakte. In het dogmatisch katholieke en fascistische Spanje van Franco nog wel, waar de film aan strenge censuur onderworpen was. Een dubbele censuur bovendien, want eerst moest het scenario goedgekeurd worden en daarna ook nog het eindresultaat. Alles wat a- of immoreel was, was voldoende reden om in te grijpen. Wie Ferreri een beetje kende, weet dat het niets voor hem was om braaf in het gareel te lopen. Waarom dan filmen in Spanje? Ik vermoed dat hij zich door de onmogelijke omstandigheden juist uitgedaagd voelde toch zijn scherpe, satirische zegje te doen.

    El cochecito (1960), de derde en laatste film uit zijn Spaanse periode, laat goed zien hoe Ferreri te werk ging. Protagonist is de vriendelijke oude baas Don Anselmo, die je een Madrileens neef van De Sica’s titelheld uit Umberto D. zou kunnen noemen. Op de dag dat zijn boezemvriend Don Lucas en hij traditiegetrouw bloemen gaan leggen op de graven van hun vrouwen, stort Anselmo’s wereld in. De verlamde Lucas heeft namelijk een gemotoriseerd invalidenwagentje gekregen. Hij kan daardoor gaan en staan waar hij wil en heeft Anselmo niet meer nodig. Sterker nog, door zijn scootmobiel heeft hij een hele groep nieuwe vrienden gevonden, die allemaal zo’n ding hebben.

    Logisch dat Anselmo besluit dat hij ook zo’n tof karretje wil. Probleem is alleen dat hij nog kras en kwiek is en dat zijn zoon, bij wie hij inwoont, er niet over piekert om voor zijn kerngezonde vader een invalidenwagentje te kopen. Anselmo ziet met lede ogen aan hoe zijn vroegere vriend er elke dag lekker met zijn nieuwe vrienden op uittrekt (er wordt zelfs een race voor ze georganiseerd die bedacht lijkt door Salvador Dali, zo grotesk ziet het eruit), terwijl hij zelf wegkwijnt op een kamertje bij zijn zoon en schoondochter, die hem met zijn gezeur maar lastig vinden.
    Het krijgen van een gemotoriseerd invalidenwagentje wordt zo’n obsessie, dat Anselmo steeds verder gaat in zijn pogingen om er een te bemachtigen. Uiteindelijk, met tranen in zijn ogen want hij vindt het verschrikkelijk dat zijn zoon en schoondochter hem dwingen zover te moeten gaan, gooit hij rattengif in het eten en koopt hij met van zijn zoon gestolen geld het begeerde vehikel.

    Ferreri draaide twee versies: een voor de censuur en een zoals hij het bedoeld had. In de niet gecensureerde versie ziet Anselmo hoe de lijken van zijn zoon, schoondochter en kleinkinderen het huis uit worden gedragen en slaat hij met zijn karretje op de vlucht. Ver komt hij niet: hij wordt door de guardia civil aangehouden. Bezorgd vraagt hij aan de agenten of hij in de gevangenis zijn wagentje mag houden. In de gecensureerde versie wordt het vergiftigde eten niet opgegeten en komt alles weer goed. El cochecito (in Spanje pas veertig jaar na dato in de ongecensureerde versie te zien en onlangs ook uitgebracht op blue ray) is een juweel van een film vol bijtende, antiburgerlijke, zwarte humor die niet onder doet voor La grande bouffe. Het is Ferreri op z’n best. Een aanrader!

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Roman in briefvorm

    Je sluit het boek dat eindigt met een man die blootsvoets rennend zijn huis verlaat, zijn bloedhond, genaamd Sok, als een dolle achter hem aan. Het staat in een van de laatste brieven, geschreven 11 augustus 1987. Hoofdschuddend breekt er een lach in je door. Meesterlijk einde, een knipoog naar de toch wel stoere man die zich het hele boek door middel van brieven, gericht aan vriend, vijand en een ex-geliefde, de gekte buiten de deur probeert te houden. Als correspondentieschaker, ooit op Europees niveau spelend, schrijft hij brieven die niet eens allemaal verstuurd worden. De gedachte aan de geadresseerde is hem genoeg om zijn leven in beweging te houden.

    Na een aarzelend begin, waar sprake is van een in de nek hijgende vertegenwoordiger van de overheid die het op het huis van de kluizenaar gemunt heeft, gemijmerd wordt over een verloren geliefde (een liefde, zo blijkt ,die hij nooit heeft durven bekennen) – maar waar de brieven langer worden, al snel hele stukken ademloos leest. Door de prachtige verhalen die deze Allard van Benniq Methorst in zijn brieven vertelt. Kunnen we het hebben over bloemrijke taal? Als een merel tegen het raam gevlogen is, schrijft hij daarover aan zijn vriend Lop. ‘Ik stond juist thee te zetten toen ik de vogel in volle vaart op mij af zag komen. De botsing deed de ruit trillen. De merel stuiterde terug, schudde het kopje alsof ze zich verwonderde en stortte neer op het pad. Vrijwel direct kwam er uit het snaveltje bloed dat een dikke druppel ter grootte van een stuiver vormde op de tegel. Helrood, als zegellak. Vergeefs woelde de wind tussen de veren naar een hartslag.’ Dat beeld van woelende wind en het ontbreken van een hartslag.

    Brieven lenen zich ervoor om uit te weiden, dingen te vertellen die ‘face to face’ niet verteld worden. Allard schrijft aan een vrouw die hij via een verkeerd verbonden telefoonnummer heeft leren kennen, ze besluiten elkaar te schrijven. De onzekerheid van de vrouw bezweert Allard met: ‘De vele doorhalingen waar je je aan het slot van je brief voor verontschuldigt, zijn allerminst storend. Integendeel. Het toont mij de zoekende briefschrijfster, de eerste ingevingen. De doorgehaalde woorden zijn vaak het eerlijkst.’ Zo brieven te schrijven, zonder zelfcensuur.

    Geleidelijk aan ontstaat er in de brieven een bouwwerk waarbinnen het leven van deze ex-schaakmeester zich aftekent, waar hij vandaan komt, eindigt als kluizenaar. Je denkt aan de brieven van Gustave Flaubert in Haat is een deugd. Waarin hij vriend en minnares op de hoogte houdt van zijn staat van zijn. ‘Waarom vind ik zo’n troost in de eenzaamheid?’, schreef Flaubert in 1853 aan Louise Colet. Hoewel je een lach niet kon onderdrukken bij de laatste brief aan vriend Lop, waarin Allard verslag doet van zijn vlucht naar het dorp, is het natuurlijk droevig dat hij uit zijn kluizenaarshol verjaagd werd. Je denkt voorts aan al die verhalen die in dit boek vertelt worden. Er gaat een bepaalde betovering uit van de taal van Baneman, de beschrijving van een gelaat, het uiterlijk van iemand. Met deze roman in briefvorm waan je je soms in de sfeer van de brieven van Toergenjev, Brouwers, Flaubert, en dat door een hedendaagse jonge schrijver. 

     

     

    De schim van Raamswolde / Alexander Baneman / 235 p. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, op zoek naar een goed verhaal.

  • Vader-zoon gedoe

    Het valt niet mee om man in de literatuur te zijn, althans volgens de bundel Jongens waren we, de problematische sekse in de literatuur, samengesteld door essayist en redacteur van de Groene Amsterdammer Jan Postma, uitgegeven door Das Mag. Het betreft een bundel essays. Een bespreking van Nescio’s Titaantjes door Rob van Essen waar deze uitgave zijn titel aan ontleent, ontbreekt uiteraard niet. Andere boeken die ter sprake komen zijn onder meer Brief aan mijn vader van Kafka door Xandra Schutte, Karakter van Bordewijk door Niña Weijers, Twee vrouwen van Harry Mulisch door Femke Essink, Rabbit Redux van Updike door Joost de Vries en Mijn Strijd van Knausgård door Mirjam Rasch.

    Veel vader-zoon gedoe. Vaak herkenbaar voor mij. Ik ben expert op dit gebied na een hard gekookte opvoeding door een tirannieke vader die beroepsmilitair was. Wie man wil worden, moet zich tot de vader verhouden. Dat zegt Xandra Schutte in haar essay over Brief aan mijn vader. Het is volgens haar het oerboek van de zoon die niet tegen de kracht van zijn vader op kan. En het is tevens een boek over een universeel conflict, namelijk dat de mens zich heeft te verhouden tot de maat der dingen, doorgaans opgelegd door ‘het gezag’.

    Niña Weijers beschrijft onder meer een scène uit Karakter waarin de zoon weigert de hand aan te nemen van een vader die hem al die jaren alleen maar heeft tegengewerkt. ‘Of meegewerkt,’ zegt de vader zachtjes. De suggestie dat de vader zijn zoon klein hield met de bedoeling hem groot te maken, is ook zo’n universeel gegeven. Wie kent niet het liedje ‘A boy named sue’ (Johnny Cash)? Dat liedje deelt volgens Weijers zijn thematiek met de Brief aan de Hebreeën uit de Bijbel; universeler kan het bijna niet.

    Behalve in de titel kent de bundel nog een parafrase op een beroemde eerste zin: ‘Alle gelukkige huwelijken lijken op elkaar, elk ongelukkig huwelijk daarentegen is een onuitputtelijke bron voor gelaagde bespiegelingen over de beproeving van de liefde’. Dit schrijft Margreet Fogteloo in haar essay over Huwelijksleven van de Russische schrijver David Vogel. In dit boek is het mannelijke hoofdpersonage geheel overgeleverd aan grillen van zijn Kenau-achtige vrouw die hem niet alleen afbreekt tot op het bot, maar hem zelfs verkracht. Het verhaal werkt als een spiegel van het noodlot dat doorgaans is weggelegd voor vrouwen en waartegen het feminisme al meer dan anderhalve eeuw strijd voert, schrijft Fogteloo. De slaafse houding van het slachtoffer maakt de dader nog wreder.

    Ik kreeg deze bundel, vormgegeven met twee eikeltjes op een roze (?!) kaft, begin maart van een vriendin. Het was ter ere van de presentatie van mijn eigen roman getiteld Starfighter, tevens de bijnaam van het gevechtsvliegtuig F 104 waar mijn illustere vader namens de Koninklijke Luchtmacht mee vloog. De geefster is psychotherapeut in ruste. Toeval kan het niet zijn dat ze me juist dit boek gaf – thuis uit te pakken.

     

     


    Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

  • Je bleef doorlezen

    Je ontving een verhalenbundel met een postkaart. De verhalenbundel had al een tijdje op de redactie gelegen, was onderop een stapel geraakt. Op de postkaart stond: ‘Geachte Inge Meijer, ik ben zo vrij geweest een citaat uit een review van jou te hebben gebruikt op de achterzijde van mijn zelf uitgegeven nieuwe verhalenbundel. Na twee boeken bij Atlas Contact ben ik het zelf maar gaan doen. Ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt. Met hartelijke groet, Ramon Gieling’.

    Nou ja, je was verguld dat je gequote werd. Je was fan van deze filmmaker. Niet lang voor je deze verhalenbundel ontving, zag je zijn film L’Amour / La Mort. Een film die je, wanneer liefde en sterven ter sprake kwam (wat niet zo vaak was, want slechts weinigen spreken over liefde en dood), graag aan vrienden tipte. De film opent met een citaat van Julian Barnes. ‘Would you rather love more, and suffer the more; or love the less, and suffer the less?’

    Zeven verschillende personen worden gevolgd in hun dagelijkse leven (daarin zit de kracht van Gieling, het volgen van mensen). Ze vertellen over de dood van een geliefde, beelden worden begeleid door intense opera-, sacrale muziek. Wat je bijbleef was het homostel waarvan er een dementie had. Hoe deze duimzuigend tegen zijn man aankroop. Hoe die man dat kon omarmen, dat liefde zo kon zijn. En het verhaal over de dood van Gielings jongere broer, omgekomen bij een brand. De ex-geliefde van zijn broer komt in de film voor. Hoe hij haar nu, en de dood van zijn broer een plek geeft, bleef je bij.

    Je las de twaalf verhalen in Het bloeden van de jaren, een titel waar je tijdens het lezen een betekenis in zocht die ergens iets met de verhalen te maken zou kunnen hebben. Maar zoals Gielings in een van die verhalen schrijft, is het juist mooi als er iets niet begrepen wordt, heb je er vrede mee dat die betekenis wegblijft. Het eerste, ‘Een verhaal in de sneeuw begint zo: ‘Oké, ik zal het vertellen zei Horacio. Ik vond het allang best en leunde achterover.’ Er is een verteller en een toehoorder, en dan begint het verhaal dat Horacio van een vriendin hoorde. Dat vind je mooi, een tweedehandsverhaal dat wordt doorvertelt. Een dochter neemt haar vriend voor het eerst mee naar haar ouders in een afgelegen huis in de bossen. Het sneeuwt. Het is een fascinerend verhaal. Er verdwijnt een moeder, er duikt een pistool op, de vader in de deuropening van het huis.
    In ‘Hey Jude’, over een jongen die vernoemd is naar het liedje van de Beatles lees je dat McCartney het schreef voor het zoontje van John Lennon, Julian, toen zijn ouders in scheiding lagen. Wat je niet wist, dat het voor een kind geschreven was. Deze verhalen vertellen je wel meer interessante dingen die je nog niet wist.

    ‘De haan’, een absurdistisch verhaal over een haan die zich aanmeldt bij een moeder met haar dochter, vind je zo goed, dat je het hardop voorleest aan de man. Die het ook geweldig vindt, wat (dit even terzijde) bevestigt dat je het getroffen hebt met deze man. Je houdt ervan hoe de schrijver in verschillende verhalen even stopt, zegt, ‘hier kan ik ze dit of dat laten doen’, en het verhaal verder laat gaan. Als je een verhaal uit hebt, wil je het opnieuw lezen, om te weten of er ook echt gebeurde wat je denkt dat er gebeurde. In ‘Zei zeiden, wij dachten’, sterft Victor de man van Rita. Er wordt gerept over de kist met zijn lichaam in het laaddek van een vliegtuig. Dan: ‘Maar wat alleen in verhalen bestaat is dat als Rita na afloop hun atelier in La Latina binnenkomt, Victor in diepe concentratie over een grote etsplaat gebogen staat. hij draait zich om en glimlacht gelukzalig als hij zijn vrouw ziet.’ Je houdt van zulke verhalen, het omgooien van de orde der dingen.

    De verhalenbundel laat zich onwillig openvouwen, tekst verdwijnt bijna in de naad van het boek. Je trekt en duwt om het open te houden want je wilt doorlezen. Zo gaat dat met goede verhalen, ook al waren het velletjes in een kartonnen doos, je blijft doorlezen. Het bloeden van de jaren, verhalen die zich als een film voor je afspelen (je ziet de haan voor de deur op de stoep staan, voordeur gaat open, haan treedt binnen, als een pater familias). Wel een gemiste kans voor Atlas Contact.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.

     

     

     

  • De ontdekking Kees Verheul (1940-2024)

    Veel schrijvers gaan ongelezen aan me voorbij, decennialang soms. Kees Verheul, schrijver, slavist, vertaler en essayist, was zo’n schrijver. Ik las voor het eerst iets van hem in 2022, in literair tijdschrift Tirade. Een stuk van iemand die na lange afwezigheid terugkwam. Verheul schreef over het hernieuwd oppakken van de vierdelige romancyclus De Tutcheffs, waarin hij de familiegeschiedenis van een Russische familie verbindt met die van zijn eigen familie. Deel I, Villa Bermond verscheen in 1992 en in 2006 verscheen deel II, Stormsonate. Tom van Deel noemde De Tutcheffs een ‘werk in uitvoering’ en ‘een unicum in onze literatuur’. En ook: De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’

    Nadat Stormsonate voltooid was, kreeg Verheul kanker. Toen hij daarvan genezen was, werd zijn man, Kees Smit (in zijn boeken Cees genoemd) die hij vanaf de middelbare school kende en met wie hij in 1998 trouwde, ziek. Hij werd mantelzorger, zo schreef hij in Tirade. Nadat zijn man in 2018 overleed, begon hij met schrijven aan deel III van de romancyclus. Maar het ging niet meer zoals voorheen. Verheul schreef, ‘In feite, zo voelde het immers, waren alle publicaties die in de eerste veertig jaar van onze twee-eenheid, tot 2007 onder mijn naam waren gedrukt, een uiting geweest van ons duo. Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst had gelezen en bekritiseerd.’ Dat hij zo zonder meer een groot deel van de credits van zijn boeken in handen van zijn man legde, nam hem voor me in.

    Het begin van deel III van de romancyclus staat in Tirade 487. Anna en Henreitte begint zo: ‘Om een paar aanknopingspunten te bieden voor de nooit opgehelderde moordzaak die, naar ik me voorstel, in de zomer van 1842 opschudding bracht in het diplomatieke wereldje van heel west-Europa moet ik meer dan een half jaar teruggaan. Weimar. Een herfstdag.’ En ik ga met hem mee. Wat opvalt is een speelse naïviteit en de onderhoudende toon. Nadat ik Kees Verheul ‘ontdekt’ had, werd ik door kenners (je hebt altijd kenners nodig) gretig geadviseerd Een jongen met vier benen te gaan lezen. Dat deed ik, en werd verrast door de openheid en een zekere opgewektheid in zijn schrijven. Jongen met vier benen is een ontwapenend relaas van een speelse (een opmerkelijke toets in zijn werk) jongen die opgroeit in het Twente van de jaren veertig/vijftig. De beschrijving van zijn gevoelens, de (nogmaals) speelsheid waarmee hij in het leven stond.

    Op het Waterlooplein vond ik vorig jaar een mooie uitgave van Het mooiste van alle dingen, Romeinse essays, van Kees Verheul. Deze essays zijn een verweving van herinneringen aan personen en gebeurtenissen uit zijn leven. Hoewel zijn meeste boeken in Rome geschreven zijn, kwam Italië er nooit in voor. In deze essays ontdekte je sporen naar ongekende schrijvers. In zijn boeken verbond Verheul literatuur met zijn eigen leven op een wijze waar ik enthousiast van werd. Ik wilde alles van hem lezen.

    De schrijver terugvinden in zijn werk, het is als een puzzel die nooit af is. Tot de schrijver overlijdt en er niets meer is toe te voegen. Wat ik hoop, is dat de boeken van Kees Verheul nog lang door velen ontdekt zullen worden. Zelf bestelde ik deze week deel II van De Tutchefs.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Ingefluisterd

    Om half acht ‘s morgens zat de bus al helemaal vol met mensen die op tijd op hun werk of op school moesten zijn. De chauffeur had het kwaadaardigste humeur dat ik ooit had meegemaakt. Zelfs op dit vroege uur was hij al aan het schelden en mopperen op de reizigers en schreeuwde hij dat ze moesten gaan zitten – maar er waren geen vrije stoelen meer – en hij liet de bus van links naar rechts slingeren. Toen iemand iets durfde te zeggen over zijn gevaarlijke manier van rijden, zette hij de bus stil en sommeerde de spreker om uit te stappen. Hij reed niet verder voordat dat ook daadwerkelijk gebeurde. 

    De bus stopte voor het asielzoekerscentrum, waar een grote menigte klaarstond om in te stappen. Een groepje van vijf, zes vrouwen kon nauwelijks staan, ze moesten zich overal aan vasthouden toen de chauffeur optrok. Een van hen leek zich niet goed te voelen, een prachtige vrouw, lang en tenger, met smalle bruine handen. Haar lange jurk was heel kleurig en haar hoofddoek was op een ingewikkelde manier om haar hoofd geknoopt. Met één hand hield ze zichzelf vast aan een stang en de andere hand had ze op haar buik gelegd, misschien was ze zwanger.

    Ik wist haar blik te vangen en nodigde haar met een handgebaar uit om mijn plaats te nemen, maar ze schudde heftig haar hoofd en bewoog haar hand heen en weer in een ontkennend gebaar. De andere vrouwen spraken met haar en schenen haar te overtuigen. Dus stond ik op, maar weer schudde ze haar hoofd en maakte me duidelijk dat ze de stoel wilde delen. Ik schoof zoveel ik kon naar het raam en ze ging naast me zitten. Ze ademde zwaar alsof ze een golf van misselijkheid probeerde te onderdrukken. 

    De buschauffeur was vloekend aan een misselijkmakende monoloog begonnen over asielzoekers en buitenlanders, ik was blij dat de vrouw naast me het niet kon verstaan. Veel reizigers humden hun instemming, maar er waren genoeg mensen verontwaardigd over de woorden van de chauffeur. Ze durfden echter alleen maar zachtjes tegen te sputteren uit angst dat ze ook de bus uit moesten. ‘Cowardice asks the question: is it safe?’ zei Martin Luther King. Ik legde mijn arm om de vrouw heen om haar te ondersteunen in de bochten, maar ook als een schild tegen de vijandige woorden. Als ze me verstaan had, zou ik haar als tegengif het gedicht van Waskowsky hebben ingefluisterd:

    ‘Reisopdracht

     en als je weggaat…

     regen, er dreigt regen,
     storm blaast zand weg
     over de wegen,
     men moet zijn ogen beschermen.
     angstige vogels zwermen
     boven het land.
     de lucht is zwart.

     … zeg langzaam:
     Ik hou van regen.
     Ik hou van storm.
     Ik ben niet bang.

    Bij de laatste halte hielp ik de vrouw met uitstappen en bracht haar naar haar vriendinnen die buiten stonden te wachten. Ze keek me aan, glimlachte en gaf mijn hand een klein kneepje dat meer zei dan duizend woorden hadden kunnen doen. 

     

    Uit: Riekus Waskowsky, Verzamelde Gedichten, 1985


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Familie vertellingen

    Net als Arnon Grunberg had ook jij een opklapbed. Met de komst van opa van moederskant in huis kwam een opklapbed mee. Toen opa op je vijftiende stierf, kreeg jij het opklapbed. Opa was een strenge man uit Groningen die als weduwnaar eerst inwoonde bij zijn zoon, juwelier in Assen. Op een gegeven moment zal hij gedacht hebben dat opa nu maar eens bij zijn dochter moest gaan wonen. Met zeven kinderen over vier slaapkamers verdeeld, kon hij er nog wel bij. Het opklapbed verdween geruisloos uit je leven toen je drie jaar later uit huis ging. Grunberg kon geen afstand doen van zijn opklapbed. Zelfs niet na zesenveertig jaar.

    De ouders van Grunberg sliepen het grootste deel van hun leven in een opklapbed. ‘Mijn moeder is zo ongeveer in haar opklapbed gestorven.’ Hoewel zijn moeder vanaf zijn derde tot ongeveer zijn tiende, toen hij slaapproblemen had, in de voorkamer naast zijn opklapbed op een stretcher sliep. ‘Haar eigen opklapbed werd dus niet meer naar beneden geklapt…’. Het opklapbed van zijn vader stond in de eetkamer. ‘Als hij rond een uur of half elf met een zucht zijn opklapbed naar beneden klapte en daarmee de eetkamer veranderde in een slaapkamer (…), leek hij opgelucht bij het idee dat hij door middel van slaap tijdelijk de wereld kon verlaten.’ Denkend aan zijn opklapbed, denkt Grunberg aan de huisschilder die oom Joop genoemd werd. Of zijn moeder een verhouding had met deze huisvriend, vraagt hij zich af. Hij herinnert zich hoe zijn vader ‘met enige regelmaat’ tegen zijn moeder zei dat ‘haar keuken Westerbork was’.

    Grunberg spreekt van een magische jeugd: ‘De huisschilder werd behandeld als een familielid. Eetkamers veranderden ‘s avonds in slaapkamers en ik klampte mij vast aan mijn slaapstoornissen, want zolang ik die had zou mijn moeder naast mij blijven liggen.’ Vorig jaar was het moment gekomen dat het opklapbed een obstakel werd. Het dreigde met het oud vuil te worden meegegeven. ‘Een niet geheel ontgonnen stuk van het verleden bij het grof vuil zetten. Dat moest voorkomen worden.’ Hij besloot het te verkopen zodat er altijd de gelegenheid bestond het oude opklapbed nog eens te bezoeken, ‘om er naar te kijken.’ Dat wat eens dierbaar was, moet ten koste van alles benaderbaar blijven.

    Het opklapbed werd op een veiling voor vijfduizend euro verkocht. De koper kreeg het opklapbed en een certificaat van echtheid. Een deel van de afspraak was dat de koper als personage zou worden opgevoerd in De geschiedenis van mijn opklapbed, ‘het enige fictieve element in dit verhaal’. De naam mocht de koper zelf bedenken. Nu denk je dat de koper de naam Joop gekozen heeft. Dat huisschilder oom Joop een mooi toegevoegd element in deze geschiedenis is.

     

     

    Klaas Gubbels werkte vier weken onafgebroken aan het schilderij van het opklapbed. Een lastige opdracht liet Gubbels ergens weten. Het is een prachtig gebonden uitgave geworden met afbeeldingen die tot in detail de structuur van het schilderij weergeven. De in korte teksten beschreven slaapgewoonten rond de opklapbedden van de familie Grunberg spreken tot je verbeelding. Zodanig dat je de gedachte toelaat er zelf een aan te schaffen, sites bezoekt waar een opklapbed ‘klapbed, kastbed of muurbed’ wordt genoemd. Maar je prefereert ‘opklapbed’.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.