• Voorstudies

    In het Londense Victory & Albert Museum keek ik enkele jaren geleden mijn ogen uit. Ik stond voor een paar kleine vitrines tjokvol eeuwenoude modelli van klei en bijenwas. Kleine driedimensionale schetsjes, waarin beeldhouwers hun eerste ideeën voor een groot beeld hadden uitgewerkt. De meeste kende ik in de definitieve uitvoering, waaronder de Roof van de Sabijnse Maagden (ca. 1580), een gigantisch metershoog wervelend marmeren beeld van Giambologna op het Piazza della Signoria in Florence. Twee kleine schetsjes ervan hebben de tand des tijds doorstaan, de ene twaalf en de andere veertig cm hoog. Ze bieden een fascinerend inkijkje in het ontwerpproces van de beeldhouwer. In het oudste model heeft Giambologna een man geschetst die een vrouw optilt. Mooi in was, maar onuitvoerbaar in marmer. Daarom voegde hij er in zijn definitieve ontwerp een derde figuur aan toe, zodat het beeld robuuster werd.

    In de geschreven kunst zijn dergelijke opeenvolgende voorstudies waarschijnlijk net zo waardevol als in de beeldende kunst. Maar je krijgt ze nog minder vaak onder ogen. Ik kan me in alle eerlijkheid niet herinneren er wel eens één gezien te hebben. Ik heb natuurlijk wel eens een manuscript gezien, maar dat gaat toch al weer een duidelijke stap verder dan die eerste schetsjes in was en klei. Nee, een literair equivalent van Giambologna’s modelli zie je niet snel. Waarschijnlijk moet je je daarvoor onderdompelen in de archieven van het Letterkundig Museum. En de tijd nemen om te lezen, want anders dan een driedimensionaal modelli kan je een geschreven voorstudie meestal niet in één oogopslag tot je nemen.

    Misschien is dat ook de reden waarom je ze zelden in de literatuur tegenkomt. Soms vang je er wel eens een glimp van op, als van een groot schrijver onaf werk wordt uitgegeven. Manuscripten die zijn achtergelaten omdat de schrijver vast zat of overleed, maar toch zijn uitgegeven. Zoals Dode zielen van Gogol, in 2014 verschenen in een prachtige nieuwe vertaling van Aai Prins. Op zich een feest om te lezen. Althans, het eerste deel, dat als enige echt is afgerond. Daarna beland je in een soort van literaire werkplaats waarin de tekst nog in de steigers staat. Sommige hoofdstukken zijn min of meer afgerond, andere ontbreken. En van sommige tekstpassages zijn verschillende varianten opgenomen. Het is lastig leesvoer, omdat je voortdurend schakelt maar zelden iets treft dat helemaal af is. Maar het is ook waardevol leesvoer, omdat je een inkijkje krijgt in Gogol’s schrijfproces. Wat net zo fascinerend blijkt als de modelli in de vitrines in het V&A.

     

     

     

  • Andere Kluger Hans

    Het scheelt nauwelijks een halve centimeter aan de zij- en bovenkant, maar toch, je ziet het. Hij is smaller. En dunner, veel dunner. Eens even tellen. Ja, de december editie bedroeg 70 pagina’s en deze, de voorjaarseditie 48 pagina’s. Dat maakt een flink verschil. Het ligt ook niet zo soepel in de hand. En waar is het stukje omslag van de cover gebleven waardoor het zo stevig oogde en aanvoelde? Ge-cut op de maat van de bladzijden. En er staan geen afbeeldingen in, op een enkele groene grafische krabbel na.

    Mijn handen herinneren zich een andere vorm. Het tijdschrift, dat ze met een driemaandelijkse regelmaat vasthouden, doorbladeren, het smalle ruggetje doorbuigen, kwam ze vertrouwd maar toch anders voor.Het was ook anders. Ik zelf had het niet direct in de gaten. Ik bladerde, las wat, probeerde het ruggetje te buigen, tot mijn handen me lieten weten dat het literaire boekje erg dun was, te dun om te buigen. Het zou kunnen scheuren!, dacht ik. Maar dat was een overdreven gedachte.

    Ik begon te onderzoeken wat er anders was en ontdekte het gemis van minder dan een halve centimeter en de afgesneden coverflap in vergelijk met de vorige edities. Nog meer wilde ik ontdekken en onderzocht bladzijde na bladzijde en vond geen enkele afbeelding, alleen die grafische krabbels, die ook wel iets hadden.

    Denk de afbeeldingen weg en wat je overhoudt is een tijdschrift vol tekst. Bladzijden vol woorden die hun eigen choreografie bepalen en dansend een verhaal neerzetten en rijen poëzie.

    Zoals de mooie prozastukjes van Xavier Roelens over onder meer, een pelgrim. ‘je zoekt zingeving in stof, maar stof toont alleen dat het leven al lang niet meer langsgekomen is.’ 

    De bladzijden steeds verwoeder openvouwend (pas op het scheurt!) lees ik het verhaal Bal, van Marijn Sikken. Over Joost, een gehandicapte buurjongen, Dirkje en een duif die zich kapot vliegt tegen een raam. Dirkje wil met gewone kinderen spelen maar die kinderen, die eerst wel om zijn anders zijn hebben kunnen lachen, krijgen al gauw genoeg van hem. “Later pas zou ik de woorden vinden voor wat ik toen al wist: dat mensen die anders zijn dan wij altijd maar voor even  leuk zijn. Dat ze daarna alleen maar vervelender worden.” Wat het beeld weergeeft dat in een leven niets op zijn plaats blijft, zelfs meningen en ideeën niet. Hier wordt aan de kern van de noodzaak tot het onhoudbare veranderen geraakt. Ach en wat zeur ik dan over formaat enzo, als de inhoud maar goed is.

    Poëtisch werk is er van Philippe Cailliau, Chris Ceustermans en J.De Vries. Van Jonas Beckers één kort gedicht:

    De hand van de meester

    Vraag aan de meester
    welke kleur hij ziet
    wanneer de nacht eindigt
    en de dag begint.

    hij zal een lichte streep trekken
    naast een donkere
    maar nooit zijn geheim prijsgeven.

    stel dezelfde vraag
    aan de knecht van morgen
    hij zal door een lensnaar de wereld kijken.

    in zijn graf rust geen geheim.

    Alles om gewenning tegen te gaan. Dit is een andere Kluger Hans met verrassende inhoud.

     

     

     

  • De literaire merel

    De merel broedt. Nadat het vorige broedsel tijdens de koude dagen na Pasen was verdwenen, is een nieuw nest gebouwd, op het warmste plekje van de tuin. Als dat maar goed afloopt! Telkens als de eksters, die ook moeten eten, hun duikvluchten uitvoeren, rent mijn vrouw naar buiten om ze met de Supersoaker, een Star Wars-achtig waterkanon, te verdrijven. De lente maakt me elk jaar blij en vitaal, maar achter de uitbarstingen van levensdrang en schoonheid gaat een slachting schuil.

    De merel is talrijk en geliefd. In de poëzie wordt hij overtroefd door nachtegaal en zwaan, althans in de ouderwetse, begrijpelijke gedichten waar ik van houd. Zou de Dichteres des Vaderlands ooit over de merel hebben geschreven?

    De literaire merel is in de Engelstalige poëzie onsterfelijk geworden door Wallace Stevens’ gedicht Thirteen Ways of Looking at a Blackbird. De eerste twee delen gaan zo:

    1.
    Among twenty snowy mountains,
    The only moving thing
    Was the eye of the blackbird.
    2.
    I was of three minds,
    Like a tree

    In which there are three blackbirds.

     

    De schoolmeester in me kan peinzen over het verschil tussen ‘a blackbird’ in de titel en ’the blackbird’ in de eerste observatie. ‘Nou jongens, waarom zegt de schrijver in regel 3 de merel?’

    De Engelstalige Welse dichter R.S. Thomas, tot zijn dood in 2000 de officiële Britse kandidaat voor de Nobelprijs, leende later de vorm van de door hem bewonderde Stevens voor Thirteen Blackbirds Look at a Man. Het staat niet in Collected Poems 1945-1990 maar de nummers 1 en 13 gaan zo:

    1.
    It is calm.
    It is as though
    we lived in a garden
    that had not yet arrived
    at the knowledge of
    good and evil.

    But there is a man in it.

     

    13.
    Summer is
    at an end. The migrants
    depart. When they return
    in spring to the garden

    will there be a man among them?

     

    Hier toont zich de drie-eenheid van Thomas’ poëzie: het christelijk geloof, de natuur en zijn pessimisme. Terecht niet opgenomen?
    ‘Jongens,wat bedoelt de dichter in het eerste deel met but?’ Dat ene woordje kondigt de zondeval aan. Zal Thomas’ taal nog lang worden begrepen? De kerken verkommeren. Andere vormen van bijgeloof floreren. Hoe lang nog tot niemand de christelijke verwijzingen meer herkent, laat staan snapt? Kees Fens werd er wanhopig van: álles moest hij zijn studenten uitleggen, niets hadden ze nog paraat. Karel van het Reve schreef eens over zijn studenten dat alleen het koningshuis en een paar strips nog als algemeen gedeelde kennis bestonden.

    Alles gaat voorbij en ieder jaar is het weer lente. De optimist houdt de moed erin, van je hela-hola, en de pessimist ziet bij het ontluiken van de bloesems al de worm in de appel. In een ander merelgedicht, A Blackbird Singing, constateert Thomas:

    A slow singer, but loading each phrase
    With history’s overtones, love, joy
    And grief learned by his dark tribe
    (…)

    But fresh always with new tears.

     

    Dit tranenrijke lied klinkt momenteel overal om ons heen, maar de merel broedt.

     

  • 421 jerrycans

    De cynicus in mij denkt dat de mensen op deze Afrikaanse vrachtauto het zo slecht nog niet hebben. Ze hebben tenminste allemaal een zitplaats. Dat kun je van NS-reizigers niet zeggen. Maar daarmee houdt mijn cynisme op. Ik ben onder de indruk van de foto. Bram Vermeulen, die voor de VPRO het programma De Trek aan het maken is, liet hem op 3 mei zien in DWDD.

    Zijn documentaireserie, die vanaf 6 november zal worden uitgezonden, gaat over migratie in Afrika. Niet uit oorlogsgebieden, maar uit landen met weinig toekomst voor hun bewoners.

    Op de vrachtwagen zitten geen vluchtelingen, maar arbeiders die dagenlang moeten rijden naar de mijnen waar ze werken. Aan de zijkant hangen zakken en jerrycans met eten en water. ‘Een soort Ark van Noach’ noemde Bram Vermeulen deze opeenstapeling van mensen. Een krachtige foto, die mij doet denken aan een installatie van Romuald Hazoumè, een kunstenaar uit Benin, die aansprekende verbindingen weet te leggen tussen het slavernijverleden en de migratiestromen van nu. Op de Documenta in Kassel in 2007 was van hem een boot te zien met op de achtergrond een foto van een paradijselijk Afrikaans strand: Dream.

    Romuald Hazoumé detail 1Hij was opgebouwd uit 421 oliejerrycans. Als je goed keek kon je door de manier waarop ze waren gemonteerd in elke jerrycan een Afrikaans masker zien. Gezichten van bewoners van een continent dat rijk is aan olie, maar daar zelf het minst van profiteert. De winsten gaan naar het Westen. Het afval blijft. Een tekst op de bodem verwoordt de uitzichtloosheid van de migranten:

    Damned if they leave and damned if they stay: better, at least to have gone and be doomed in the boat of their dreams”

    De installatie bezorgt je een stomp in je maag. Hij is een frontale aanval op de gemakzuchte gedachte dat economische vluchtelingen maar in eigen regio oplossingen moeten zoeken. Alsof het alleen hun probleem is.

     

    Over De Trek van Bram Vermeulen: http://www.vpro.nl/buitenland/programmas/de-trek.html

    Over Hazoumè en zijn installaties: http://www.octobergallery.co.uk/participate/downloads/hazoume.pdf

     

  • Ongebonden

    Wellicht een onbenulligheid, maar als iets me ontgaat waarvan ik geloofde de eerste te zijn die erover ingelicht zou worden, dan zie ik dat als een persoonlijk tekort. Zoiets als met een dierbare vriendin die jou niet laat weten dat ze op vakantie gaat omdat je  te lang geen aandacht aan haar hebt besteed. Dat je dan van een ander verneemt dat ze voor een maand naar Arizona is afgereisd. Dan voel ik me als een verlaten kind zonder afscheidsbriefje op de keukentafel.

    Deze week bleek er opeens een biografie van Josepha Mendels te bestaan, door Sylvia Heimans. Hoe had ik Josepha Mendels kunnen vergeten? Afwezigheid blijkt een eigenschap die erfelijk is. Ook mijn vader had er last van, of beter, wij als gezin hadden er last van. Mijn vader zat in de schaarse vrije tijd die hij had, of op de wc, of in zijn rookstoel te lezen in (bijna altijd) een uitgave van de Wereldbibliotheek of van Van Oorschot. Als dan mijn moeder, terwijl ze van haar kopje koffie genoot, bijvoorbeeld vroeg, ‘Heb je nu je manchetten gevonden?’ Reageerde hij verdwaasd opkijkend met een, ‘Huh,… wat is er meisje?’, en las weer verder. Wanneer er plotseling tumult in huis ontstond omdat het ene kind iets van het andere kind had gepakt en die eerste dat schreeuwend en stampvoetend terugeiste, sprong hij ‘Hoewatwiewaar!’roepend overeind. Waarop mijn moeder de boel suste door ons allemaal naar boven te sturen.

    In de jaren tachtig bracht Meulenhoff het LiterairMoment: ‘kwartaalkeuze voor de literatuurliefhebber’, uit. De uitgave betrof een roman van een schrijver die net als het Schwob ‘boek’ van nu waar een leesclub aan verbonden is, een herontdekking betrof van belangrijke auteurs mét informatieboekje over leven en werk van schrijvers als Philip Roth, Bernard Malamud, Ethel Portnoy, August Strindberg. Mooie uitgaven. Als wind en rook, (1950) werd achtendertig jaar later ook als LiterairMoment uitgegeven.

    Over de half-joodse vrouw Elisa, die in de jaren twintig een huwelijk aangepraat krijgt door haar vader met een veel oudere, orthodoxe jood. Zij wil haar man volgen in alle Joodse rituele gebruiken maar gaat zo gebukt onder zijn tirannie en bigotte geloof dat zij hem verlaat. Voor een vrouwelijke auteur in die tijd was dit een ongekende manier van schrijven over samenleven en (vrouwelijke) vrijheid. Ik herinner me nog de opluchting bij de passages, die zo invoelbaar geschreven waren als betrof het mijn eigen bevrijding, waar Elisa haar ‘confectie’ leven achter zich laat en erop uittrekt, een eigen leven tegemoet.

    Nu ik erover nadenk heeft deze roman een deel van mijn leven bepaald. Was het niet kort nadat ik Als wind en rook had gelezen dat Mijn Lief en ik uit elkaar gingen. Nou ja, voltrekking van een besluit berust nooit op één aanwijzing. Het leven is een samenspel van aanwijzingen en weten wat je te doen staat.
    Aan het einde van de roman laat Mendels de man, die de liefde van haar leven is, zeggen: ‘(…) en ik weet nu dat er maar één weg bestaat om gelukkig te zijn: die van de vrijheid.’ Nu eerst maar eens die biografie aanschaffen.

     

  • Verhalen vertellen

    Je zou het bijna vergeten als je in een goed boek bent ondergedompeld, maar het geschreven woord is niet altijd de ultieme verhalenverteller geweest. Lange tijd was het stenen beeld veel belangrijker. En dat was echt niet minder krachtig. Je hoeft maar voor een kathedraal te gaan staan om je dat te realiseren.

    Neem nou de Notre-Dame in Parijs. Die betreed je door de meest prachtige, gebeeldhouwde portalen die verhalen vertellen waarbij menig boek verbleekt. Bijvoorbeeld over hoe de eerste vrouw werd gemaakt uit een rib, een appel at, haar man ook een hapje aanbood en zo de mensheid in zonde dompelde.  Natuurlijk weet ik dat dit verhaal al eeuwen op schrift stond, maar in de Middeleeuwen, toen vrijwel niemand kon lezen , bleek de Notre-Dame een waardige vervangster. Het Mariaportaal was  dan ook voor veel Parijzenaars hun eerste kennismaking met dit verhaal.

    LN20160424 Adam_Eve_NDParis (Pinterest)Voor Victor Hugo (1802-1885) was dat niet meer dan logisch. Want, zo schreef hij in de Klokkenluider van de Notre-Dame, “wie in die tijd als dichter geboren werd, wijdde zich aan de bouwkunst”. In de middeleeuwen was architectuur immers de kunst der kunsten en producent van grote ‘stenen boeken’, die de grotendeels ongeletterde mensheid van een basale levensbehoefte voorzag, namelijk goede verhalen. Totdat de boekdrukkunst zich aandiende, volgens Hugo de “moeder aller revoluties”. Het boek onttroonde de architectuur met zijn rijke sculpturale traditie en nam de rol van meesterverhalenverteller over.

    Vandaag de dag lijkt het soms dat de rolverdeling opnieuw schuift. De ‘rijke’ hedendaagse beeldcultuur eist een steeds grotere hoofdrol op, ten koste van het geschreven woord. Waar het boek tegenwoordig wegkwijnt in stoffige, steeds minder betreden bibliotheken is het beeld overal en doorlopend aanwezig. Ditmaal niet gehakt uit kalkzandsteen, maar opgebouwd uit bits & bytes. Betekent dit dat Hugo opnieuw gelijk krijgt? Zal opnieuw “de ene kunst de andere onttronen”? Het heeft er soms alle schijn van. Maar dat is geen reden tot droeftoeterij. Want kwaliteit verloochent zich nooit. Goede verhalen kun je in vele media vertellen. Wie daaraan twijfelt hoeft alleen maar voor de Notre-Dame te gaan staan.

    Citaten uit: De klokkenluider van de Notre-Dame – Victor Hugo
    Foto is sculptuur van Adam, Eva en de Appel, detail van het Mariaportaal van de Notre-Dame in Parijs.

     

  • Voetstappen

    Ik zat in België op een bruiloft naast een man die les gaf aan de Universiteit van Liverpool en onderzoek deed naar de voetstappen van de mens.

    Het was zo’n bruiloft met mannen die kostuums droegen die niet anders uit de kast kwamen dan voor speciale gelegenheden als bruiloften en begrafenissen. De mannen waren gekomen met vrouwen in jurkjes met vestjes en gelegenheids-tasjes. Ook was er een mooiste meisje. Op een bruiloft is er altijd een mooiste meisje, ook als ze niet echt mooi is maar voor die avond wel, omdat er geen andere mooie meisjes zijn. Maar dit meisje was een natuurschoonheid. Van nature bruin, met lange donkere haren en een neus die je Grieks zou kunnen noemen. Alle mannen, van het zevenjarige neefje tot de oudoom – die speciaal voor deze gelegenheid uit zijn kot was gehaald door een jongere oom van de bruid – konden hun ogen niet van haar afhouden. Ook de vrouwen niet maar om een andere reden.

    De man naast me vertelde wat hij met zijn onderzoek wilde bereiken. Ik verstond hem niet maar omdat hij zo enthousiast vertelde en ik hem niet wilde onderbreken voor iets als: “Ik versta je niet!”, knikte en humde ik maar wat. Op een bruiloft waar de muziek uit de boxen dendert is een gesprek goed gaande te houden met hummen en knikken.

    “Waar kom je vandaan?’
    “Uit Nederland”
    “Wahh?”
    “Uit Nederland”
    “Ah.”
    “En moe gij vanavond ook nog weer terug?” Maar het kon ook zijn: ” Dat was dan wel een heel eind zeker?” Een knik of een humm voldoet. Het doet er ook eigenlijk niet toe op een bruiloftsfeest.

    De oudoom zat met trillende benen in een slobberige pantalon aan de tafel naast ons en had enkel oog voor het glas bier dat steeds opnieuw voor hem werd neergezet. Hij keek strak naar dat glas, of het nu leeg of vol was en dronk alsof het een opgelegde taakstraf betrof die hij coûte que coûte moest volbrengen.

    De man naast me had het over over diabetes… voetstappen en… gebied in Engeland… waar hij voetstappen… van… onderzoeken… Ondertussen zag ik het mooiste meisje van de bruiloft slow dansen met de ober. Een ober met een vriendelijk gezicht en een buik die ver over zijn broekband hing waardoor het mooiste meisje goed op afstand bleef in zijn armen. Opeens knalde Les Lacs Du Connemara van Michel Sardou uit de speakers. De bruiloftsgasten begonnen te springen en met witte servetten, die nog niet waren afgeruimd, boven hun hoofden te zwaaien op het zwepende tempo van de muziek. Iedereen deed mee, alsof de plicht riep en niemand mocht verzaken. De man naast me stond op en ik met hem en we pakten onze witte servetten van tafel en zwaaiden ermee, als moesten we er een kudde dolle koeien mee afleiden, boven onze hoofden.

    Het was plezierig als gekken los te gaan, iedereen deed mee. Zelfs de oudoom met gekromde benen en het mooiste meisje met haar lange haren en natuurlijk mijn twee vriendinnen, de bruiden van het feest. We sprongen en zwaaiden met de witte servetten  en keken elkander opgetogen aan terwijl Sardou maar zong en zong. En ik dacht, ik treedt in de voetsporen van de Belgen die dit gewoon zijn te doen op bruiloften. Ik dacht, waarom zijn Belgen zo verzot op een lied dat gaat over de ruwheid van het Ierse land? En ik dacht dat de man naast mij hier misschien onderzoek naar zou kunnen doen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Hond dood en de winter voorbij

    Begripvolle en tedere woordkunstenaar gezocht. Ik had er behoefte aan. Het werd Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Verbogt is een schrijver die met de schikking van woorden naar de betekenis van de dingen en de aard van de mensen zoekt. Hij speelt met woorden, hij herplaatst of herhaalt ze waardoor ze hem op een of andere manier bij de dingen brengen waarvan hij niet wist dat hij het zocht, en jij, de lezer had ook geen idee. Hij schrijft ergens: ‘Je weet dat ik altijd geschreven heb om ergens bij te komen, meer dan om iets weer te geven.’ Bij Verbogt weet je nooit waar hij met je heen wil. Het punt van aankomst kan daarom schokkend zijn.

    Over zijn pleegzus gaat het, gevonden in 1944 als tweejarige peuter langs het spoor in Duitsland en opgevangen door zijn ouders. Voor Verbogt, die acht jaar later geboren is, was zij een grote zus. Hij beschrijft hoe rustig en afstandelijk ze is. Er is iets met zich niet kunnen hechten. Ze kiest haar eigen weg en in 1962 vertrekt ze naar New York. Dit afscheid is van grote invloed op het leven van de negenjarige Thomas, dat traumatisch uitpakt als je op pagina 32 totaal niet voorbereid leest dat Becky in de trein naar Rotterdam zat die even na negenen in de ochtend in botsing kwam met een andere trein bij Harmelen. En dat 93 mensen het niet overleefden, waaronder Becky.

    Toen ik dat las, zat ik op de wc en sprak geschokt: ‘Verdorie Verbogt, kon dat niet anders,’. Het was iets met vals sentiment en dat wat echt gebeurd al verzonnen genoeg is, maar dan anders. Dit kon ik er niet bij hebben nu Hond net dood was.

    De impact van de dood van Hond was onverwacht. Ze kon niet meer lopen maar scheen het niet echt een probleem te vinden. We zeiden: ‘Dat is geen hondenleven meer.’ We zeiden: ‘Het is goed zo.’ In even zoveel bewoordingen zeiden we: ‘We gaan niet sentimenteel doen. Want Hond was een echte hond. Maar jee, wat moesten we met onze tranen, toen Hond stil in haar mand lag en het leek of ze zo haar ogen zou opslaan om te zien of het al tijd was voor het een of ander.

    Hond was een levende herinnering aan onze jaren in Noord-Portugal. We vonden haar op een dag langs de kant van de weg tussen Seia en Viseu. We namen haar mee naar huis aan de voet van de Serra da Estrela. Ze sliep er in een hondenhok zoals echte honden doen. Bij gebrek aan vriendjes, werd Hond de speelkameraad van Dochter en Zoon, zoals je dat wel in Disneyfilms. Zeven jaar later namen we naast een paar liter olijfolie, Hond als enige Portugese aandenken mee naar Nederland. De olijfolie was snel op. Hond bracht het tot deze week, waarin ik Als de winter voorbij is las en het acht jaar geleden was dat we haar mee naar Nederland namen.

     

     

  • Over tederheid

    In mijn hoofd klinkt sinds een week het melancholieke deuntje van ‘Verdomme Kees’, van Frans Halsema. Het zit in mijn hoofd, wil er niet meer weg. Ik leg mijn bestek neer als ik uitgegeten ben, schuif een stoel achteruit, haal broden uit de oven, zie hoe ze daar goudbruin liggen te dampen, alles gewoon. Dan als ik me omdraai, mijn jas op hang, de krant dichtvouw, mijn fiets op slot zet, zingt er een plotseling ‘Verdomme Kees’ door mijn hoofd. Op de nagalm van deze tune ga ik verder met de dingen tot weer dat deuntje door mijn hoofd gaat, ik stilsta, weet dat het door ‘Wim’ is dat ‘Verdomme Kees’ in mijn hoofd zit.

    Wat helpt is lezen in De duimsprong van Miek Zwamborn. Het is een van de mooiste en zachtmoedigste boeken die ik in jaren heb gelezen. Een roman rijk aan verhalen over personen die de aarde in  kaart willen brengen. Haar manier van schrijven is onderzoekend maar vooral helder en maakt van elk persoon, hoe moeizaam de levensloop ook, een oprecht geaard mens. Ze beschrijft mensen die een doel hebben, ook al is dat doel het einde van het leven. De rode draad in De duimsprong is een jonge vrouw die, nadat ze hoort dat haar klimvriend Jens is verdwenen, wil achterhalen wat er gebeurd is. In de hoop hem te vinden gaat ze opnieuw de klimtochten maken die ze eerder met hem maakte, ze zoekt op alle plekken waar ze samen zijn geweest. De ontroering ontspringt uit de poging de tijd stil te zitten, te geloven dat hij daar is waar ze hem gezien heeft, waar ze samen waren.

    ‘Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen. Ik vertrok naar Engeland. Toen ik net als Jens langs de stronken van het Fossil Forrest liep en me op de terugweg over het strand van de Hoefijzerbaai liet blazen ontdekte ik in een van de straten dwars op de baai een boom met daarin buitensporig veel plastic emmertjes en schepjes, aangespoeld waarschijnlijk, verzameld door de zee zelf of achtergebleven op het strand. Daar onder die boom heb ik voor het eerst om Jens gehuild. Al die vermiste voorwerpen bijeen in de boom deden me beseffen dat ik hem wellicht nooit meer terug zou zien.’

    Miek Zwamborn werd door Wim Brands geïnterviewd in 2013. Brands geniet zichtbaar hoe ze vertelt over de uitgangspunten en ontdekkingen die haar tot het schrijven van dit boek hebben aangezet. Genieten is een vorm van tederheid. En dan zingt het weer in mijn hoofd ‘Verdomme Kees’, bij wie moeten nu al die jonge schrijvers, voor wie het het toppunt van waardering is ooit in Boeken met Brands te mogen zitten, waar moeten die nu heen? Nog liever dan met een DWDD-sticker te worden opgescheept werden ze, zeker weten, liever door Wim Brands uitgenodigd om over hun boek te komen praten. ‘Dat zegt iets, naar ik vrees…’

     

    Kijk hier de uitzending met Miek Zwamborn: vpro.nl


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Als het lukt gaat het goed

    Ik ben goed in taarten bakken en wilde een regenboogtaart maken. Tientallen keren gebakken, altijd succes. Het is een behoorlijk indrukwekkende taart. `als het even niet meezit helpt alleen het denken aan een Regenboogtaart al. Weldra ontstaat er in mijn hoofd een weldadige inspiratie kick. Alles komt uit het hoofd. Ik pakte beslagkom, brak eieren, woog bloem af  (waarbij ik opeens twijfelde aan de juiste hoeveelheid), bereidde kleurstoffen, een behoorlijk ingewikkeld procedé, van rode biet, wortel, citroen en kurkuma, blauwe bessen, braam, spinazie en framboos, die ik niet meer in huis had, maar dat moest geen probleem zijn. Het vereist vaardigheid en een nauwgezetheid van samenstellen van de ingrediënten om de juiste kleuren te krijgen. Die bleek ik opeens niet meer te bezitten. De taart werd te hard gebakken en behoorlijk kleurloos. Alles kon de vuilnisbak in. Ik was mislukt.

    De Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) overkwam het ook, al denk ik niet dat hij ooit een taart gebakken heeft. Zijn ding is verhalen vertellen, levens beschrijven en daar een boek van maken. Hij schreef zo’n veertig boeken. De laatste keer dat hij zich aan een verhaal zette dat verteld moest worden, gebeurde er niets. Hij zat aan tafel, schrijfblok voor zich, pen in de hand en er gebeurde niets. Hij, die dacht te weten hoe je een boek moet schrijven, kreeg geen letter op papier. Hij beschrijft het nauwgezet in een column, gepubliceerd in het Portugese tijdschrift Visão.

    “Het waren geen gemakkelijke maanden van begin augustus tot half december 2011: […] mijn wanhoop en het gevoel dat de zin van mijn leven weg was namen bijna van uur tot uur toe. 

    Hij dacht dat zijn bron was opgedroogd en dat hij zich daar maar bij neer te leggen had. Het maakte hem gek te weten dat hij nooit meer zou schrijven dus ging hij elke ochtend achter zijn bureau zitten zoals hij dat gewend was te doen. Dat hij elke dag eindigde met een blanco vel weerhield hem er niet van de volgende ochtend weer te gaan zitten. Soms kwamen er een paar zinnen en dacht  hij: ‘Misschien is dit het’, maar het was het niet en het ene na het andere probeersel verdween in de prullenbak. Toen begon hij te schetsen, hij tekende een huis met een dak en een schoorsteen en zag er het begin van een boek in. Hij tekende nog een paar huizen, als ware het de verschillende versies van een verhaal. Het werd een huis met vier verdiepingen en een zolder. In elk appartement, op elke verdieping kwamen bewoners. Toen verscheen er een zin: Ik loop als een brandend huis (Caminho como uma casa em chamas).

    “Vervolgens begon ik vol angst en twijfels aan de eerste kladversie van het eerste hoofdstuk: in de prullenmand. Een tweede versie: in de prullenmand. Een derde: in de prullenmand. Vervolgens haalde ik het derde kladje weer uit de prullenmand en begon dat te herschrijven, één, twee, drie keer: terwijl ik me afvroeg ‘Zou dit het zijn?’
    en mezelf antwoordde ‘Waarschijnlijk niet maar ik ga maar door”

    Na drie jaar was het boek, Als een brandend huis af. Waarin bewoners van acht appartementen, die aangeduid worden als ‘Tweehoog rechts’ en ‘Begane grond links’ in Lissabon een stem krijgen. De epiloog vindt plaats op zolder, waar voormalig dictator Salazar een rol speelt als ‘de doffe echo van een dood gezag’. Een prachtig boek dat een stuk van de geschiedenis van Portugal en hoe Portugezen denken en leven, (maar vooral over de denkwijze van Lobo Antunes zelf), weergeeft.

    Ik had dit nooit geweten als Harrie Lemmens, vertaler van Lobo Antunes, niet ook zijn columns vertaalde en publiceerde op de website voor Portugeestalige literatuur, Zucamagazine.nl. En dat doorgaan maar het best is wat je in alle gevallen kunt doen.

     

     

  • Woeste krullen

     

    Op het perron van een klein station in het Oosten van het land stond ik op een vroege ochtend te wachten op de trein die me naar het Noorden zou brengen. Het stationnetje had twee perrons en was op mij na geheel verlaten. Ik voelde mij prima afgestemd op dit tijdstip, de stilte en mijn voornemen voor deze dag. Toen de trein binnenreed kwam een jongeman gehaast het perron op. Al lopende, tastte hij in de binnenzak van zijn lange jas. Stopte abrupt, liet zijn bruin leren tas tussen zijn voeten vallen en doorzocht alle zakken van elk kledingstuk dat hij droeg. De conducteur keek vanuit de openstaande treindeur naar de jongeman die nu steeds verwoeder, zijn tas doorzocht en begreep dat dit op niets zou uitlopen. Hij draaide aan de binnenkant van de deur een sleutel om waarna een schrille fluit klonk en de deuren van het treinstel zich sloten en vertrok.

    De jongeman, die een aantrekkelijke bos woeste krullen had, keerde zich met een ruk om en liep richting fietsenstalling. Onderweg mepte hij een prop papier in een prullenbak waarmee het leek alsof hij de stop uit een volgelopen waterbak had getrokken. Hij gaf de prullenbak er van langs: ‘Tjeesus (knal!). Die kuttekop (ram!). Heeft ze weer (knal!) mijn portemonnee (knal!) bij zich (ram!) gehouden. Ik had het nog zo gezegd (knal!).’ Omdat ik het zelf wel eens bij de hand had gehad, meende ik te begrijpen dat zijn vriendin zijn portemonnee voor de boodschappen had gebruikt en die niet terug in zijn jas had gestopt. En dat het niet de eerste keer was. De jongeman sloeg nog één keer met zijn tas (ram!) tegen de prullenbak en liep verder, zijn krullen nog woester dan daarvoor.

    Toen hij mij passeerde vroeg ik: ‘Gaat het?’
    ‘Ik hoop dat ik u niet geschokt heb’, verontschuldigde de woeste krullenbol zich en keek me daarbij aan alsof ik hem nu pas was opgevallen.
    ‘Oh nee hoor’, glimlachte ik. ‘Ik ben wel wat gewend, haha.’
    Maar dat was ik  helemaal niet. Mijn lief probeert wel eens woedend te zijn maar dat lijkt nergens op. We zijn daar niet zo goed in. ‘Maar in de loop der jaren heb ik toch wel wat oefeningen gedaan,’ vertelde ik hem, terwijl ik mijn ogen niet van zijn krullen kon afhouden.

    ‘Daar lijkt u me veel te aardig voor om in woede uit te barsten,’ zei de jongeman.
    Ik zei: ‘Ojee, dan heb je me nog nooit gezien bij het openen van een pakje Toscaanse vegaburgers die ik niet open krijg. Dan ontsteek ik van het ene op het andere moment in felle woede en voordat ik het weet trek ik een keukenmes uit de la. Die ik zonder pardon dwars door het  gesealde plastic van het onvermurwbare pakje steek en doorklief met één opwaartse beweging het strakgespannen plastic, als staat er een leven op het spel en met een woede, die stijgt als het water in de rivier na een lange winter, ruk ik de verpakking verder open met mijn handen om eindelijk die Toscaanse burgers te kunnen pakken.’
    Mijn trein reed het station binnen.  De woeste jongeman lachte waardoor hij nog aantrekkelijker werd en zei: ‘Waar zouden we zijn zonder woede.’
    ‘Ja, zei ik, ‘Je hebt gelijk, wat woede op zijn tijd houdt het vuur brandende,’ en stapte in terwijl de zon over het perron scheen. Op naar het Noorden, naar de schoonste lucht van het land.

     

     

     

  • Verkocht

     

    Ik stelde voor dat ik voor altijd thuis zou blijven. Ik zei: ‘Laat mij maar thuis blijven. Dan zal ik, in ruil daarvoor, de schappen in de voorraadkast en de kastjes boven het aanrecht steeds opnieuw ordenen en schoonmaken en de onderbroeken strijken. Daarna zal ik de aangekoekte pannen met staalwol schrobben, de zwarte aanslag uit de theepotten (vier in totaal) verwijderen en de tuin doe ik er ook wel bij. Al die dingen zal ik steeds opnieuw doen, net zo lang tot er een sereniteit ontstaat die jou bij thuiskomst weldadig omarmt. Die jou, wanneer je met vermoeide ledematen en een leeg hoofd thuiskomt, de rust geven die je nodig hebt. Je weet, ik houd niet van regelmaat en steeds dezelfde dingen moeten doen, maar als ik voor altijd thuis mag blijven: doe ik het gewoon. Ik zet de stoelen omgekeerd, met hun poten omhoog op tafel, pluk tussen duim en wijsvinger pluizen en andere huislijk vloervuil van elke poot afzonderlijk en luister naar programma’s waarin bijvoorbeeld K. Schippers aan het woord is. Die het heeft over voorbijgangers alsof het beroemdheden zijn. Dan ben ik verkocht. Tussendoor gooi ik een digitaal prullenbakje leeg, spoel het vaatdoekje uit en neem voor de derde maal de kastjes nog eens uit. Je ziet. Genoeg te doen.

    Een zwak voor iemand hebben is het mooiste wat je kan overkomen. Zaterdagochtend zat ik in bed met een kop koffie en Sir Edmund toen het gebeurde. Op pagina 16/17 werd ik getroffen door een jonge vrouw, die me met een niets verwachtende, wat waterige blik vanuit een blauw/witte achtergrond aankeek en zich, zo bleek uit het interview, op een punt in haar leven had bevonden tussen John Steinbeck en Michael Cunningham. Die tussen die twee schrijvers in, als twee entiteiten van het schrijverschap, haar eigen schrijverschap had uitgevonden. Ze nam me voor zich in omdat ze Van muizen en mensen van Steinbeck hield.

    Een paar dagen daarvoor had deze schrijfster, Roos van Rijswijk, op TIRADE.NU geblogd over een irritant geluid in het ventilatiesysteem van haar huis waardoor haar vriend en zijzelf ’s nachts geen oog dicht deden. Ze sliep met siliconen oordopjes in:

    ’s Ochtends vind ik die dopjes in mijn kruin, ze zijn knalroze en er nog moeilijker uit te krijgen dan kauwgom.

    Het was wachten op de ventilatieman die het euvel zou verhelpen. En passant blogt ze verder dat over twee dagen, op 10 februari haar debuutroman Onheilig, gepresenteerd zal worden.

    Een gebeurtenis die haast in het niet valt bij de mogelijke verlossing die ventilatieman kan brengen, desalniettemin heb ik ook daar zin in.

    Haar formulering van de dingen nam me voor haar in. En hoe ze op die prachtige foto van Jiri Buller, waar de natte winterkou vanaf straalt, haar handen plat op haar donkerblauwe gebreide muts legde, als om de muts op haar hoofd aan te drukken. Om de onschuld van die handen was ik weer verkocht. Vraag me niet wat het is. Vraag me alleen of ik voor altijd thuis zal blijven. Zodat ik Onheilig kan lezen. Tussendoor maak ik nog wel een aanrechtkastje schoon.