• Tien atleten om in de gaten te houden

    De NOS stort deze zomer een waterval van sporten over onze hoofden uit. De EK’s Voetbal en Atletiek, Wimbledon, Tour, Olympische Spelen. Ik mag er graag naar kijken, maar kan niet tegen de overdaad. Die benadrukt vooral de enorme leegte die er omheen hangt.

    Het helpt ook niet dat ik een chauvinistische kijker ben. Nederlandse successen in de Tour en op Wimbledon zijn vaak meevallers. Om mee te kunnen leven moet ik me betrokken voelen. Die kans is, voor zover het mijn patriottische sentimenten betreft, op de Olympische Spelen groter dan op andere evenementen van deze zomer. Maar deze keer is er een andere reden die mijn aandacht naar Rio trekt: het Refugee Olympic Team (ROT).

    Tienonbekende atleten  die uitkomen op de Olympische Spelen in Rio. Wat ze gemeen hebben is dat ze vluchteling zijn. Sterker nog: ze maken deel uit van één team dat louter uit vluchtelingen bestaat. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) besloot tot de vorming van het ROT op verzoek van de UNHCR. Bij de presentatie zei IOC-voorzitter Thomas Bach daarover:

    Dit zal een symbool van hoop zijn voor alle vluchtelingen in onze wereld en het zal iedereen meer bewust maken van de omvang van de crisis. Maar we willen er ook een signaal mee afgeven dat vluchtelingen net als wij mensen zijn en een verrijking voor de maatschappij’.

    Mooie woorden. Maar ik hoor ze met enige reserve aan. De goede intenties van het IOC worden deze keer echter duidelijk onderstreept door de keuze van de atleten. Hoewel ze waarschijnlijk geen kans maken op podiumplaatsen, voldoen ze aan de Olympische kwalificatie-eisen. Serieus werk en geen etalagepoppen die geruisloos door de achterdeur verdwijnen als het applaus voor goede bedoelingen is binnengehaald.

    Dit team zal tijdens de openingsceremonie de stoet deelnemende landen voorafgaan. Op 7 augustus komt het tijdens de openingsceremonie als eerste het stadion binnen, nog vóór het organiserende land Brazilië. Deze atleten hebben allen een eigen verhaal.

    Zwemmer Rami Anis is 25 en gevlucht uit Aleppo, woont in België. Hij bleef trainen, maar dat voelde alsof hij zich kapot studeerde maar nooit examen mocht doen. Hij zwemt de 100 m vlinderslag.
    Yich Pur Biel is 21, vluchtte in 2005 naar Kenia waar de verveling in het vluchtelingenkamp hem er toe bracht te gaan hardlopen. Zonder schoenen, want die had hij niet. Hij loopt de 800 m.
    James Nyang Chiengjiek, ontkwam op 13-jarige leeftijd aan een ontvoering door rebellen in Zuid-Soedan, vluchtte eveneens naar Kenia. Daar ging hij, om wat te doen te hebben, lopen met oudere jongens. Nu is hij 28 en start in Rio op de 800 m.
    Yonas Kinde, is 36 en loopt de marathon. Hij vluchtte uit Ethiopië naar Luxemburg. Zijn persoonlijke record staat op 2 uur en 17 minuten.
    Angelina Lohalith ontvluchtte toen ze zes was Zuid-Soedan en heeft haar achtergebleven ouders sindsdien nooit meer gezien. Ze ontdekte in het vluchtelingenkamp in Kenia dat ze goed was in hardlopen. Ze is nu 21 en neemt deel op de 1.500 m.
    De 23-jarige Rose Lokonyen weet pas ruim een jaar hoe goed ze kan hardlopen. Ze ontvluchtte Zuid-Soedan toen ze 10 was en zat tot voor kort in een vluchtelingenkamp in Kenia. Ze komt uit op de 800 m.
    Paolo Lokoro is 24. Hij heeft in zijn land alleen maar oorlog gekend en ontkwam naar Kenia. Daar werd in het vluchtelingenkamp zijn looptalent ontdekt. Hij loopt de 1.500 meter.
    De 28-jarige Yolande Makiba is 28. Ze is Congolese en woont in Brazilië sinds ze daar haar coach ontvluchtte die haar jarenlang had misbruikt. Ze judoot in de middengewichtklasse.
    Yusra Mardini, 18 jaar, was in Syrië al een bekende zwemster voor ze vluchtte. Toen het rubberen bootje waarin ze van Turkije naar Lesbos overstak, dreigde te zinken, sprongen zij en haar zus overboord, om het gammele bootje met de andere vluchtelingen al zwemmend naar de kust van Lesbos te duwen. Ze woont nu in Duitsland. Ze komt uit op de 200 m vrije slag.
    De Congolees Popole Misenga, 23, vroeg in Brazilië asiel aan nadat hij, net als Makiba, was ontkomen aan de coach die hem terroriseerde. Hij is judoka in het middengewicht.

    Deze zomer zijn er naast de Nederlandse deelnemers, deze tien atleten die ik in de gaten houd. Ik weet iets van hun levens en hun ambities. Dat helpt. Meer nog dan chauvinisme.

     

     

  • Van hoofd naar hart

    Het was tijdens een recent concert van het Koninklijk Concertgebouworkest in samenwerking met het Holland Festival dat er een link werd gelegd tussen klassieke muziek met zowel beeldende kunst als popmuziek.
    In het voorprogramma vertelde Jeroen Krabbé over de invloed van popmuziek die hij had ondergaan terwijl hij zijn Magnum Opus op vier panelen schilderde. Na de pauze trad Son Lux op, de driemansformatie van Ryan Lott.

    Op een gegeven moment speelde Son Lux alleen en had het orkest niets te doen. Mijn oog viel op concertmeester Vesko Eschkenazy, die liefdevol de vingers van zijn linkerhand over de snaren van zijn viool liet gaan. Van beneden naar boven en weer terug. Vanuit – leek het – zijn hart naar zijn verstand. En ook een beetje zoals een popgitarist een glissando speelt. Even later zat Ryan Lott, een multi-instrumentalist, achter de vleugel en speelde met zijn rechterhand. Zijn linkerhand hield hij in een stand waarop een gitarist zijn instrument bespeelt. Beide houdingen leken elkaar te spiegelen.

    Het beeld van die spiegeling voerde me terug naar een uitvoering van Bachs Matthäus Passion in hetzelfde Concertgebouw. In de aria ‘Komm, süsses Kreuz’ uit het tweede deel boog de bespeelster van de viola da gamba haar hoofd naar het instrument. Zij deed dat op hetzelfde moment dat één van de orkestmusici zijn oor richting viool neigde. Voor mijn geestesoog verscheen opeens Rogier van der Weydens beroemde schilderij ‘Kruisafname’. Waarop het hoofd van de dode Jezus opzij gezakt is afgebeeld, en Maria haar hoofd eveneens buigt. Zeer ingetogen weergegeven: Pathos-formeln wordt dat in de kunstgeschiedenis zo mooi genoemd. Jezus en Maria spiegelen elkaars houding als het ware: passie en empathie. Zoals de vooral in klassieke muziek thuis zijnde Vesko Eschkenazy en de primair als popmusicus werkzame Ryan Lott dat onbewust ook deden in hun passie voor muziek, klassiek en pop.

    Jeroen Krabbé, wiens voordracht helaas een beetje aan mij voorbij ging, hoopte het al: dat er gedurende het concert kortsluiting in de hersenen van de concertgangers zou ontstaan. Bij mij gebeurde dat inderdaad. En dat was eigenlijk best een aangenaam gevoel dat oversprong van hart naar verstand. Zoals dat ook zo vaak gebeurt bij het lezen van een boek dat je qua inhoud emotioneel en qua vormgeving rationeel treft.

     

  • Een bronzen schone

    Steden zijn net boekenkasten: ze staan vaak vol vergeten parels. Bijzondere parels, die we zonder aandacht passeren, opgaand in de drukte van het dagelijkse bestaan en de altijd aanwezige zucht naar het andere en het nieuwe. Waardoor we het hier en nu voor lief nemen en er onnadenkend aan voorbij razen.

    Langs mijn vaste fietsroute in Den Haag staat zo’n parel. Een beeld uit 1956, van de Nederlandse beeldhouwer en tekenaar Theo van der Nahmer (1917-1989). Een bronzen beeld van de grande dame uit de Haagse literatuur, Eline Vere. Een prachtig beeld. Statig leunt ze op haar parasol, getooid met cape en sjieke hoed. Rank en rijzig tuurt ze over de Groot Hertoginnelaan, als een trotse en verbronste versie van Couperus’ woorden aan het begin van het derde hoofdstuk van zijn roman:

    Eline Vere was de jongste der beide zusters, donkerder van haar en ogen, slanker, minder rijk van vormen. Haar schaduwvolle, zwartbruine blik, bij de geämberde bleekheid van haar tint en het kwijnende van sommige van haar gebaren, gaven haar iets van een lome odaliske, die droomde.

    Het is een beeld waar ik in een vreemde stad naar toe zou trekken. Dat ik bij mijn voorbereidingen zou spotten in de één of andere kunst- of reisgids. Een beeld waar ik een stadswandeling aan zou weiden om me te laven aan haar prachtige contouren. Maar zo niet in mijn thuisstad Den Haag. Daar gaat Van der Nahmer’s Eline tijdens mijn dagelijkse fietstocht op in het behang waar ik langs fiets. Onnadenkend en zonder aandacht.

    Net zoals ik mezelf er vaak op betrap dat ik onnadenkend en zonder aandacht langs mijn eigen boekenkast loop. Of die in een boekhandel. Vol vuur voor de nieuwste hype en smachtend naar het onbekende. Terwijl er zoveel bekende maar vergeten parels in staan. Zoals Eline Vere van Louis Couperus. In mijn kast staat deel I van een pocket-uitgave van tien van zijn ‘grootste werken’, samengesteld in opdracht van Company of Books. Een simpele, compacte uitgave van één van de grootste romans uit de Nederlandse literaire geschiedenis. Het staat in mijn kast, maar ik ben eerlijk gezegd vergeten of ik het ooit gelezen heb. Wat waarschijnlijk betekent dat dat niet zo is. Onbegrijpelijk natuurlijk, voor iemand die in Den Haag woont, er weliswaar niet geboren is, maar zich toch zo Haags voelt dat hij zonder te liegen Couperus beroemde woorden kan herhalen: ‘Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar.’

    Maar wel een Hagenaar die in de dagelijkse hectiek net zo langs de Eline Vere in zijn boekenkast raast als langs haar bronzen evenbeeld aan de Groot Hertoginnelaan. Wat natuurlijk niet kan. Gelukkig staat de zomer voor de deur. Het perfecte moment voor wat geluier aan het Haagse strand. Misschien wel in zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Opgaand in die vergeten parel die ik als Hagenaar natuurlijk lezen moet.

     

     

  • Op de dag van de Brexit

    Ik was bij Latei aan de Zeedijk. Bij binnenkomst bestelde ik koffie en appeltaart. Altijd appeltaart bij Latei, met grote parten appel en volkorendeeg. De lucht was vochtig en zwaar, de regen overvloedig, ook in Engeland. En terwijl de Britten niet wisten waar ze nu eigenlijk voor stemden, legde ik mijn laptop voor me op tafel. Keek naar de gekleurde formicatafeltjes. De jaren zestig afbeeldingen, in lijstjes aan de muur. Borduurwerken van twee naakten. Dacht aan Rob Scholte die in De Fundatie in Zwolle de muren van het museum volgehangen had met de rafelige achterkant van zulk gelijksoortige borduurwerken, op thema. Een confronterend tijdsbeeld van duizend borduurwerken. Nog nooit zoveel stoffigheid bij elkaar gezien. Het was van een indrukwekkende benauwdheid.

    Ik trok de krant naar me toe. Filmrecensies. Ik las over de nieuwe film van de Zweedse regisseur Hannes Holm, Een man die Ove heet. Een gepensioneerde spoorwegingenieur, net weduwnaar en ’topchagrijn’, niemand doet het in zijn ogen goed. Op alles heeft hij wat aan te merken. Dan krijgt hij een nieuwe buurvrouw, uit Iran. Zij herkend zijn gemopper niet. Zij is gevlucht en heeft geen tijd voor mopperen alleen voor overleven. Ze brengt hem eten. Zo zorg je voor elkaar, met voeding (wat is er met ons westerlingen mis dat wij elke muntje uitsparen en karige maaltijden bereiden zodat er nooit iets te delen is?). En hoe die mopperpot daarvan opknapt, weer belangstelling voor het leven krijgt.

    Toen moest ik aan Walt Kowalski denken. De Korea-oorlogsveteraan in Gran Torino van Clint Eastwood. Een brombeer die niks moet hebben van zijn Aziatische buren en de tijd waarin hij leeft verafschuwt. Ook hij krijgt weer menselijke trekken als zijn buren hun eten met hem delen. Met een schaal met voedsel kwamen ze bij hem binnen. Ik herinnerde me opeens de tijd dat ik naast een jong Marokkaans gezin woonde. Ze kwamen uit het Rifgebergte.

    De jonge vader en de twee kinderen met zwarte krullen. De krullen van de kinderen waren zijdezacht. Ik streek ze wel eens over het hoofd als ze door de heg onze tuin in kwamen. De zwarte krullen van de jonge vader zagen er dik en stug uit. De veel jongere moeder droeg een hoofddoek. We groetten en glimlachten naar elkaar. Veel verder kwamen we niet. Tot mijn jongste dochter geboren werd, een thuisbevalling. Toen bezocht de jonge moeder me aan het kraambed. Ze bracht een zelfgebakken brood en een zak sinaasappelen mee. We spraken elkaars taal niet maar ik weet nog dat ze dit tegen me zei: ‘Het brood is om op krachten te komen. Dat is nodig. En de sinaasappelen doen de zonnige kant in je ontwaken.’

    Aan dat formicatafeltje bij Latei bedacht ik dat we allemaal een Aziatische/Arabische of Afrikaanse buur nodig hebben. En dat we met de gerechten die we bereiden, stille oorlogen zullen overwinnen. Niks geen Brexits of Nexits want het delen van zacht geurende kokosgerechten, pittige currystoofpotten, knapperige loempia’s en zelfgebakken brood, zal ons verbroederen.

     

     

  • Dichten op de korte baan

    Chris van Geel was een specialist op de korte baan, maar soms maakte hij het wel bont. In zijn verzameld werk komen vijf gedichten voor van slechts één regel. Kan zoiets nog een gedicht heten?

    Jawel, althans volgens het Lexicon der poëzie van Cees Buddingh’. Een eenregelig gedicht heet een ‘monostichon’ en als voorbeeld geeft hij Spreuk van L.Th. Lehman: ‘De vogel Valdood vliegt ook tegen beter weten’.
    Hm, ‘monostichon’, nooit van gehoord. En de titel Spreuk suggereert dat we hier niet zozeer met een gedicht te maken hebben als met iets anders. De spreuk, het spreekwoord, de sententie, het grafschrift, de krantenkop, de toverformule, het gebed – allemaal vormen van taal op de korte baan die we niet meteen geneigd zijn op hun dichterlijke merites te beoordelen. Terug naar Van Geel. Zijn aller-allerkortste gedicht luidt:
    Eenvoudig, de duinen, eenvoudig
    Het komt uit de bundel Het zinrijk. Ik durf deze regel niet tussen aanhalingstekens te zetten; de tekst zou eronder bezwijken.
    Beschouwen we deze vier woorden in formele zin als gedicht, dan valt ons op: 1) het gedicht heeft geen titel, die ons zou kunnen helpen het gedicht te begrijpen; 2) metrisch bestaat het uit drie amfibrachen; 3) syntactisch bestaat het gedicht uit drie zinsdelen; 4) de zinsdelen vallen samen met de versvoeten; 5) de drie delen kunnen we van plaats laten verwisselen zonder dat dat voor het begrip iets lijkt uit te maken; 6) het gedicht bevat geen werkwoord, waardoor we niet weten wat ‘de duinen’ voor zinsdeel is; 7) als dichterlijke kunstgrepen herkennen we naast het metrum de herhaling en de alliteratie.
    Lezer, zo komen we er niet. Want het vergaat u ongetwijfeld net als mij. De overwegende indruk blijft: Wat betekent dit? Wat bedoelde die man? Waarom zoiets gepubliceerd?
    Nu is het bekend dat Van Geel dol was op de duinen. Hij woonde er een groot deel van zijn leven. Vaak maakte hij nachtelijke wandelingen door de duinen. Veel van zijn natuurobservaties vinden daar hun oorsprong. We mogen daarom aannemen dat in dit gedicht ‘eenvoudig’ niet misprijzend is bedoeld.
    In het dagelijks taalgebruik wordt ‘eenvoudig’ wel gebruikt in de betekenis van ‘dat spreekt voor zichzelf’, ‘dat ligt voor de hand’. Misschien is dat hier ook zo. ‘Zeg Chris, waarom ga jij niet in de stad wonen?’ ‘Nou, eenvoudig, de duinen’. ‘Wat een rare tekening, Chris. Wat moet dat nou weer voorstellen?’ ‘Eenvoudig, de duinen, eenvoudig’.
    Het gedicht krijgt zo beschouwd iets polemisch; de dichter moet iets zeggen dat wat hem betreft niet gezegd zou hoeven worden omdat het zo vanzelfsprekend is.
    Je kunt uitweiden over de kwaliteiten van je geliefde en daarbij ervaren dat woorden tekort schieten. Misschien waren de duinen voor Van Geel ’te mooi voor woorden’. We kunnen ‘onuitsprekelijk gelukkig’ zijn. Ook kan iets ‘onnoembaar’ zijn in de betekenis van ‘zeer groot’ (mijn oude Van Dale geeft de fraaie voorbeeldzin ‘onnoembare driften sloopten hem geheel’).

    In de mystiek is ‘het onuitsprekelijke’ zelfs het allerhoogste, iets wat Gerard Reve kort en bondig onder woorden bracht toen hij zei ‘Er moet een God zijn, geen gelul’. Je wilt wel iets zeggen maar je kunt het niet en toch moet je. Of beter gezegd, hét moet, het moet eruit. Uit arren moede zeg je dan maar iets onbegrijpelijks of iets banaals. Denk aan Gorters ‘ik wil u zeggen een zo lief wat, maar ‘k weet niet wat’.

    In het Zen-Boedhisme krijgen leerlingen naar het schijnt een ‘koan’ ter overpeinzing, een soort raadselspreuk waar het analytische verstand zijn tanden op stuk bijt. Als de frustratie en verbijstering niet meer te harden zijn, is de leerling rijp voor de verlichting. Satori! Zou ook dat in dit gedicht besloten kunnen liggen? Dat we beseffen hoe hoog de dichter tracht te reiken?
    Nooit zullen we het zeker weten, maar laten we dit gedicht opvatten als de nietige expressie van iets kolossaals. Om met William Blake te spreken: ‘a world in a grain of sand’. De vier woorden van Van Geel lijken het best te parafraseren als: Ah! Oh! Aaaaaaah!!! Een schreeuw van extase, een zucht van verrukking, een gesmoorde kreet over de ontoereikendheid van de taal. Alledrie. En dat in vier woorden.
  • De vluchteling

    Afgelopen weekend, een dag voor Wereldvluchtelingendag was de Nacht van de Vluchteling, een sponsorloop voor de Stichting Vluchteling die sinds 2010 wordt georganiseerd. Dit jaar werd als extra middel om inkomsten binnen te halen, een nieuwe versie van Iedereen is van de wereld van Thé Lau uitgebracht door The Scene. Het was een idee van Hadewych Minis, een van de uitvoerenden. “Het lied roept op tot verbroedering en solidariteit en sluit naadloos aan op de boodschap die de Nacht van de Vluchteling uitdraagt”, vermeldde het persbericht. Dat valt niet tegen te spreken (al gebeurt dat wel door schreeuwers die tegen alles zijn wat vluchtelingen een warm hart toedraagt). Het lied erkent dat vluchtelingen recht hebben op dezelfde wereld als waarop wij aanspraak maken.

    Over vluchtelingen is al vaak gezongen. Zo is er uit 2004, ook van Thé Lau, die het toen met Yasmine opnam, De partizane. Het was een Nederlandse bewerking van Le Chant Des Partisans door Anna Marly uit 1943, dat een tijd zo populair was dat het naar voren geschoven werd als vervanging van de Marseillaise. Herman van Veen zette in 1970 een Nederlandse versie van hetzelfde lied op de plaat onder de titel De vluchteling. Hij maakte van de laatste strofen:

    En in Warschau of in Praag
    1940 of vandaag
    er is geen verschil
    voor wie op de vlucht is

    Hoor de wind, de wind die fluistert
    en belooft als je goed luistert
    dat er vrede komt
    misschien vandaag of morgen

    Wie opgegroeid is met de hartverscheurende Mauthausenliederen van Theodorakis zal De vluchteling van Liesbeth List kennen met de regels ‘En over land en over zee wil ik naar huis’, ongetwijfeld de diepste wens van menigeen die elders asiel zoekt voor oorlogsgeweld in eigen land. Over de angst te moeten vluchten zong Willem Vermandere in 1993. En van Freek de Jonge is er het deel De vluchteling uit zijn programma De Grens uit 1999. Het geknuffel met vluchtelingen werd ten tijde van de jongste Balkanoorlog op de hak genomen door Rick Dros, die zong:

    Ik heb een vluchteling uit Sarajevo
    Hij zegt al keurig: eet oe smakelijk mijnheer
    Met angst en beven kijk ik naar het nieuws
    Ja misschien wordt het daar binnenkort wel vrede
    Nou dan hou ik hem wel even aan het lijntje
    Met een video van een paar journaals geleden

    Dan heb ik het alleen nog maar over hoe Nederland in de liedkunst met vluchtelingen omgaat. Het is de toonzetting van de drang om te helpen en tegelijk van de onmacht en de wens dat dit leed ooit ophoudt.

    Ik zou deze opsomming van het vluchtelingenrepertoire niet begonnen zijn, als ik niet toevallig in de dagen dat The Scene met de nieuwe versie van Thé Laus lied kwam, een boek herlas dat me ooit een illusie armer maakte. Het is Kanttekeningen bij Hitler van Sebastian Haffner. In een bevlogen betoog schrijft hij:

    Een vluchtige blik op de wereldgeschiedenis, zowel voor als na Hitler, leert ons (…) dat de oorlog net zomin uit het statensysteem te verbannen is als de stoelgang uit het biologisch systeem van het menselijk lichaam.’

    Een verre echo van de befaamde opvatting die Carl von Clausewitz al in 1832 de wereld in zond – zij het in een militair-strategische context: ‘Oorlog is de voortzetting van politiek met andere middelen’.

    Daarom getuigen de slotwoorden van het lied van Herman van Veen misschien wel minder van geloof in wat de wind fluistert, dan van hoop tegen beter weten in. In elk geval zijn ze een erkenning van de onontkoombaarheid van het probleem. Net als alle soortgelijke liederen. Het helpt dan ook niet om te roepen dat de grenzen dicht moeten voor de asielzoekers van nu. Er zal altijd oorlog zijn (Clausewitz, Haffner), er altijd vluchtelingen zijn. Houden we ze vandaag tegen, dan komen ze morgen opnieuw. Als we onze eigen vesting barricaderen, sluiten we ook ons zelf op. Wie zijn grenzen sluit, sluit zijn ogen voor de droevige werkelijkheid die steeds opnieuw zal aankloppen. Misschien mogen we, in plaats van gillen dat een AZC niet welkom is, de regels uit een lied van Claudia de Brij fluisteren:

    Als de oorlog komt,
    En als ik dan moet schuilen,
    Mag ik dan bij jou?

     

    Nacht van de vluchteling 2

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Zie: https://www.nachtvandevluchteling.nl/
    En: http://www.wereldvluchtelingendag.nl/

  • Verbeelding

    Het Achtuurjournaal zou me zó op straat hebben kunnen aanschieten om te vragen wat mijn herinneringen waren aan de onlangs overleden musicus Nikolaus Harnoncourt. Ik zou ze hebben verteld over de eerste keer dat ik hem in levende lijve zag, zittend op het frontbalkon van het Amsterdamse Concertgebouw bij een concert waarin een geinig stuk van Misha Mengelberg werd uitgevoerd: Anatoloose. Hij vertrok geen spier.

    Ik zou hebben verteld over het moment dat ik op de Spiegelgracht voor de etalage stond van een inmiddels opgeheven boekhandel, en dat toen ik in gedachten de hoek omging en regelrecht in zijn armen liep. Zijn vrouw, de violiste Alice Harnoncourt, moest er hartelijk om lachen. Hij vertrok geen spier.

    Maar ik zou zeker níet hebben verteld van de gênante ervaring toen ik uitgerekend op Palmzondag 1975 een afspraak had gemaakt met een collega. Ik was volwassen, maar kreeg een uitbrander van mijn ouders: hoe kon ik dát nu doen, nu Harnoncourt voor ’t eerst Bachs Johannespassion in het Amsterdamse Concertgebouw dirigeerde! Sterker nog: de Johannespassion zo afstofte en tot een onvergetelijke, diep indringende belevenis maakte. Een Historische Gebeurtenis.

    Enkele jaren later had ik een kaartje gekocht voor de traditionele Palmzondaguitvoering van die andere Passion van Bach, de Matthäus. Harnoncourt zou de uitvoering leiden, maar had afgezegd en werd vervangen door Ton Koopman. Er gingen allerlei geruchten over het waarom hij had afgezegd. Maar dat zou ik het journaal weer niet aan de neus hangen. Of ik de meester uit Wenen ooit wel eens in het ‘echt’ heb zien dirigeren, is daarmee nog maar de vraag.

    Ik betwijfel of het Achtuurjournaal zou vragen wat Harnoncourt nu eigenlijk voor de muziekwereld heeft betekend. (En eigenlijk überhaupt of zijn dood het journaal heeft gehaald). De tijd ervoor zou te kort zijn, het antwoord zou volgens de redactie waarschijnlijk teveel van de kijkers vragen. Vast staat dat hij een groot musicus was die een enorme invloed heeft gehad op de manier van uitvoeren van met name oude muziek die decennia lang ‘het’ ijkpunt was van alles wat op dit terrein gebeurde.

    Het is niet zoals Philippe Claudel over zijn roman Het verslag van Brodeck zei: dat het zomaar zou kunnen dat enkele van zijn personages niet hebben bestaan en evengoed aan de verbeelding van de hoofdpersoon kunnen zijn ontsproten. Harnoncourt heeft echt bestaan, al betwijfel ik zelf of ik hem ooit heb zien dirigeren. Ik zag hem in ieder geval op het frontbalkon in het Concertgebouw, op straat en op televisie natuurlijk. En ik erfde zijn cd-opnamen van mijn vader. Vooral die houden hem levend. En daar gaat het uiteindelijk om.

     

     

  • Leegland

    Voor België ben ik niet dit EK. Ik fiets graag in de Ardennen en Brussel, Antwerpen, Gent: leuke steden, maar heb niks met het Belgische voetbal. Vroeger ook al niet. Porto sprak altijd meer tot mijn verbeelding of zelfs Dinamo Zagreb dan bijvoorbeeld Anderlecht of Standard Luik. Geef mij maar Bayern München of Stuttgart. Beieren voelt als een landschappelijk thuis, ook al staan de streek en zijn bewoners voor een conservatief leven, wat me minder aanstaat. Maar het romantische van bergen, bossen en veel leegte, staat me weer wel aan.

    Aan Duitsland denk ik dus vaak. Vandaag ook weer. Ik bladerde door een roman (De zondagsjongen, 1988) van Cherry Duyns, documentairemaker, schrijver en half Duits. Zijn bassende stem kwam al vaker tot me via de radio of de tv. Samen met Armando voedt en stut hij mijn fascinatie voor de oosterburen. De grensstreek heeft ook mijn bovenmatige interesse. Zoals het schuldige landschap in de schilderijen van Armando. De bomen staan er, de weg loopt er, het boswachtershuisje aan de weilandrand: ze hebben gezien wat er gebeurd is – een smokkelaar, een oorlogshandeling, iets onwettigs – maar ze zeggen niks. Ze zijn het decor van het plaats delict. Maar je merkt niets aan ze. Sommige mensen zijn net zo. Wetend, maar zwijgzaam als het graf waar ze anderen in hebben zien storten na het nekschot. Er is nog zoveel leegheid – fysiek als mentaal – die je met je verbeelding kunt vullen.

    Gisterochtend ging ik op de koffie bij een uitvinder en boekenliefhebber, groot deel van zijn leven in Duitsland gewoond trouwens, de liefde achterna – en kreeg een boekje van hem cadeau: Bas Princen, Rotterdam (Witte de With Publishers, 2007). Een fotoboek over allerlei delen van de stad die onbestemd lijken of zijn. Rommelige ruimtes, niemandsland. ‘Urban junk spaces’, zoals architect Rem Koolhaas deze plekken noemt. Het is een thema dat me interesseert: tussengebieden waar weinig of niks gebeurt, die niet door een of andere overgeorganiseerde overheid of ambtenaar tot een bestemming is verheven (of gedegradeerd in sommige gevallen) en volgeplempt met bankjes, een strak rijtje bomen of verkeersborden. Of plekken die nooit zijn volbestemd en afgebouwd. Hekwerken en wegzakkende bankjes in een zanderig leeg stuk boulevard of een parkeerplaats aan de rand van bosschages. Geen mens te zien. Wel veel rommel en overwoekerde ruimtes. De socioloog David Hamers publiceerde jaren terug al Niemandsland over dit verschijnsel (Lemniscaat, 2006). De uitvinder vertelde me dat hij zich vooral ophoudt zo’n honderd jaar terug, rond de jaren 1920, lezend in boeken over het modernisme in de architectuur, toegepaste kunst en design. Hij is bezig met een boek over Rietveld. En af en toe staat de tv aan, om een flard voetbal op te vangen van het EK voetbal. ‘Om toch nog een beetje bij de tijd te blijven.’

     

  • Karikaturen in literatuur en schilderkunst

    De Dood van Sardanapalus (1827) van Eugène Delacroix (1798-1864) is een explosie van kleur en geweld. Het schilderij is gevuld met extravagante rijkdommen, naakten en de dood. Vooral met de dood, want Sardanapalus de laatste koning van Assyrië, wilde zijn aankomend verlies voor zijn en liet daarom al zijn bezittingen inclusief zijn vrouwen vernietigen voordat hij de hand aan zichzelf sloeg.

    Delacroix’ schilderij is in velerlei opzichten woest. Van de moordende soldaten tot de opgestapelde rijkdommen en wulpse, neervallende vrouwen. Alles drukt een irrationele onstuimigheid uit, nog eens extra aangezet door de heftige penseelvoering waar Delcroix zich van bedient. Een typisch voorbeeld van een oriëntalistisch meesterwerk.

    Oriëntalisme is volgens Edward Said, de bedenker van de term, een manier van spreken, denken en schrijven dat het Westen een spiegel verschaft waartegen het zichzelf kan identificeren (Orientalism. Western Conceptions of the Orient, 1978). Niet door zijn spiegelbeeld te tonen, maar zijn tegendeel. De Oriënt wordt dan als primitief, sensueel en irrationeel getypeerd, terwijl het Westen progressief, meer geordend en rationeel zou zijn. En hoe zeer dat irrationele en sensuele van de Oriënt ook mag aanspreken, zeker als het met de vaardige hand van een Delacroix op het doek is gesmeten, het is altijd een karikatuur dat de boodschap uitdraagt dat datgene dat je niet ziet (het Westerse), duizend maal beschaafder en beter is.

    Michel Houellebecq treedt met zijn roman Onderworpen, waarin hij een islamitische wereld schetst die naar de Seine is opgerukt en de democratische orde heeft verdrongen, vakkundig in de voetsporen van Delacroix. Opnieuw is het geweld en sensualiteit wat de klok slaat. Geweld in de vorm van rellen en dood in les rues de France, zoals de recente geschiedenis heeft getoond en is helaas een niet geheel onrealistisch beeld. Sensualiteit in de vorm van de meerdere (jonge) vrouwen die zelfs de meest sullige professoren aan de Sorbonne ten deel vallen als dat bolwerk van Westers denken onder Saoedische leiding is gekomen.

    Volgens de Volkskrant is Onderworpen een intelligente analyse van de westerse samenleving en speelt het een meesterlijk en geraffineerd spel met de angst voor de islam. Volgens het NRC is het een wake-upcall, met de vraag wat we over hebben voor het voortbestaan van onze beschaving en democratie. Door de ogen van Said in de roman, overheerst een ander beeld. Houellebecqs roman is dan niet meer om de zoveelste poging om de Westerse hegemonie te bevestigen en het onbegrepen Oosten te marginaliseren. Wat Houellebecq overigens met grote kwaliteit doet. Want net als De Dood van Sardanapalus is Onderworpen uiterst amusant en een weldaad voor de geest. Maar het is goed je te realiseren dat het fictie in het kwadraat is. Niet alleen omdat het verhaal is verzonnen, maar ook omdat de Oosterse spiegel waar Houellebecq ons in laat kijken karikaturaliseert.

     

  • Louis Lehmann worden

    Alles speelt zich af in het hoofd, is imaginair. Ook dat ik honderden vrienden heb die allemaal aan leuke projecten werken. In het echt moet ik opletten die imaginaire vrienden niet als echte vrienden te bejegenen. Laatst gebeurde het dat ik tijdens een jubileum in een van de bekendste boekhandels van Amsterdam verschillende imaginaire vrienden tegenkwam. Ik zag een schrijver, ik kende zijn blogs. Nadat ik eens op een van zijn blogs had gereageerd, werd hij volger van mijn twitteraccount en ik van zijn twittteraccount. Want zo gaat dat. De schrijver stond met een bier in zijn hand vlak bij me. Hij keek me even aan en toen schudden we handen (ik geloof dat ik mijn hand opdrong) en ik sprak vaag: ‘We kennen elkaar niet maar eigenlijk wel. Ja, gek hé, zei ik nog. We volgen elkaar op Twitter. ‘Ah’, glimlachte de schrijver en knikte en bleef knikken terwijl zijn glimlach verkrampte en ik me uit de voeten maakte zonder gezegd te hebben wie ik was.

    En ik dacht: Kon ik maar een Louis Lehmann worden. De dichter en tekenaar die ook choreograaf en componist, zanger, danser, scheepsarcheoloog en musicus was en jurist en vertaler en prozaïst en collagist. De man die alles kon maar bovenal magistraal improviseren. Naar die man luisterde ik in de jaren negentig als hij zijn praatje over muziek of zangers of componisten hield bij de VPRO-radio. Met een stem die altijd wat haperend maar zo aandachtig klonk. Alsof het te bespreken onderwerp hem zojuist op een A4tje was toegeschoven en hij er kost wat kost wat van maken moest en er geen moment van stilte mocht vallen. Hoorbaar onderzocht hij zijn geest als zocht hij naar dat ene feitelijke gegeven tussen duizenden ongeordende informatie. Hij werkte zich al pratende naar de uitgang toe. Vond in zijn hoofd altijd wat hij zocht, ondanks het stamelen of het opnieuw beginnen van een zin nadat die in aanvang gesneuveld was. Altijd kwam het juiste boven.

    Louis Lehmann overleed in 2012 op tweeënnegentig jarige leeftijd. In 2014 werd een dubbelnummer (4/5/) van De Parelduiker gewijd aan zijn leven en werk. Een prachtige editie. Daarin vertelt Wim Noordhoek de anekdote dat Lehmann, toen hij een psychiater consulteerde en die hem vroeg naar zijn ouders, er alleen maar vier lettergrepige woorden uit zijn mond kwamen. Nietsbetekenende vier lettergrepige woorden. Het werd een tic en ze kwamen op ongelegen momenten tijdens gesprekken zijn mond uit. Ten slotte tikte hij ze uit om ervan af te komen.

    Het leek me een vergevingsgezinde man. Een man die van zijn eigen onaffe gedichten zegt: ‘Hee… heb ik dit geschreven. Merkwaardig.’, moet wel vergevingsgezind zijn. Als ik dan Lehmann ben geworden, dan zou ik zoiets gezegd kunnen hebben als: ‘Ik heb nooit kunnen inzien waarom de maan iets poëtisch zou zijn.’ (Want zulke dingen zei Lehmann.) En dan zou de schrijver zeggen: ‘Nee, nu je het zegt. Ik ook niet.’

     

    Luister naar enkele van zijn radiomomenten op: www.louislehmann.nl/werk.

     

  • Waartoe reizen dient

    Nog even en het is zomervakantie. Gaat u nog weg? Mocht u naar het Lake District in Engeland gaan, wat ik u van harte kan aanbevelen, dan zult u een confrontatie met de dichter William Wordsworth niet gemakkelijk ontlopen, althans met de dichter zoals hij voortleeft dankzij de toeristenindustrie. Grote kans dat u thuis komt met bijvoorbeeld een mok die is bedrukt met narcissen en het eerste couplet van ‘The Daffodils’. U weet wel: ‘I wandered lonely as a cloud’. Er zijn ook theedoeken, pannenlappen, notitieboekjes, stukken zeep, gebakbordjes, sjaals en natuurlijk de eeuwige T-shirts. Altijd die narcissen; nooit een ander couplet. Zo leeft de naam van de grote Wordsworth mede voort dankzij de toeristische geldmachine en daarin schuilt de nodige ironie.

     

    Wordsworth, die zich in 1820 nog had bezondigd aan een reisgids, namelijk de nog steeds leverbare Guide to the English Lakes, zag met lede ogen aan hoe het Lake District, waar hij geboren en getogen was, een steeds populairder vakantiebestemming werd. Het bruisende noorden van Engeland, bakermat van de Industriële Revolutie en het ‘Manchester kapitalisme’, lag naast de deur en steeds meer mensen wilden wel eens weg uit die heksenketel.
    In 1844 was de maat vol. Plannen om een spoorlijn door te trekken naar Windermere deden hem in de pen klimmen. Hij had gezag: hij was Poet Laureate. Eerst schreef hij twee sonnetten, toen artikelen in de krant en tenslotte een pamflet. Hij waarschuwde dat het toenemende toerisme aanpassingen zou vergen die juist de charmes van het gebied, waar het de bezoekers toch om te doen was, teniet zouden doen. Bovendien had hij het helemaal niet begrepen op de gewone man, aan wie de schoonheid van het gebied niet besteed zou zijn.
    Het mocht niet helpen. Als u deze zomer aankomt op het station van Windermere, denk dan even aan de grote dichter die zich in zijn graf omdraait.

     

    Het Lake District was al in de achttiende eeuw een vakantiebestemming. De eerste reisgids dateert van 1774. Maar wat was toerisme in die tijd? In Lyrical Ballads, de geruchtmakende bundel die hij in 1798 samen met Coleridge publiceerde, schetst Wordsworth in ‘The Brothers’ een aardig tafereel. Ik citeer het in de vertaling van Jabik Veenbaas, in 2010 verschenen bij Athenaeum.

     

    Al die toeristen moeten – lieve God! –
    Een vruchtbaar leven leiden – vlug en blij
    Kijken ze rond, als was de aarde lucht
    En zij dan vlinders die een zomer lang
    Rondfladderen; weer anderen, even wijs,
    Zijn neergestreken boven op een rots,
    Schrift op de knie en potlood in de hand,
    Ze kijken, schrijven, schrijven, kijken weer –
    Een mens kan twaalf mijl reizen in die tijd,
    Een akker oogsten van zijn buurmans graan.
     

     

    Wij eenentwintigste-eeuwers zien hier misschien een aantrekkelijke vorm van ‘slow tourism’, maar de waarnemer in dit vers, een dominee, ziet vooral oppervlakkigheid en lediggang en verbaast zich.
    Wordsworth zelf wist waar hij het over had als het op reizen aankwam. Samen met een vriend had hij in 1790 een tocht door Frankrijk, Duitsland en Zwitserland gemaakt. Hij doet er verslag van in ‘The Prelude’. Drieduizend mijl, waarvan tweeduizend te voet. Het revolutionaire Frankrijk! Hij verwekte een kind en zag de sublieme Alpen, waar het allemaal om begonnen was: ’the ever-living universe and independent spirit of pure youth were with me at that season’. (Maar ook een romanticus moet wel eens afzien: ‘on the rock we lay and wished to sleep but could not, for the stings of insects…’) In Basel kochten ze een boot waarmee ze de Rijn afzakten tot aan Keulen.
    Maar het ging Wordsworth niet om avonturen à la Djoser en Lonely Planet. Het ging  hem om vervoering en om de verrijking van geest en ziel. Niet voor niets eindigt ‘The Daffodils’ met de volgende regels die – let vooral op de laatste twee – ons vertellen waar reizen eigenlijk toe dient.

     

    For oft, when on my couch I lie
    In vacant or in pensive mood,
    They (de narcissen – rvd) flash upon that inward eye
    Which is the bliss of solitude;
    And then my heart with pleasure fills,
    And dances with the Daffodils.

     

     

  • Val uit de tijd

    Deze week was ik weer eens bij een overleden persoon op bezoek. Zoals ik dat al vaker als antiquaar deed. De nabestaanden stonden mij bij om de collectie boeken die deze 100-jarige had nagelaten, van commentaar te voorzien. Welke boeken op welk moment in diens leven belangrijk waren geweest en waarom. De tijdsspanne van de jaren dertig, vorige eeuw tot een paar jaar terug werd in vogelvlucht overbrugd. Filosofie en literatuur waren de twee pijlers van deze boekenverzameling. Veel in het Frans en het Duits. Alles wees erop dat dit leven van ver kwam, uit een voorbije tijd die we ons bijna niet meer zonder denkinspanning kunnen voorstellen. Waarin de Duitse Kultur en de Franse civilisation van groot belang waren. Een vooroorlogse tijd die niet wist dat na nog een wereldoorlog, de Anglo-Amerikaanse cultuur dominant zou gaan worden.

    Ook de kaalheid van het interieur, voornamelijk simpele houten stoelen, tafels en kasten en geen centrale verwarming gaven mij het gevoel van een stil, lezend, ascetisch leven, zonder al te veel luxe. Tenminste, in materiële zin dan. De geest werd wel degelijk verrijkt. Ik keek van over de leesstoel uit over een meertje en kon me goed indenken dat je hier de dagen vulde met lezen, mijmeren, voor je uit kijken, niets doen. Iets wat wij heden ten dage maar moeilijk vinden en nutteloos. Graag zou ik wat van die rust uit die tijd willen krijgen. Om minder door prikkels van buitenaf geregeerd te worden, geen tv, geen social media. Ik werd blij van deze partij boeken, ook al nam ik zeker niet alles mee.

    Sommige uitgaves vielen uit elkaar als ik ze, mogelijk na vele decennia, uit de kast pakte. Verdroogd papier, bruin geworden door jaren zonlicht, glipte door mijn handen heen en vielen op de uitgesleten houten planken. Met plezier trok ik de Verzamelde werken van Slauerhoff van de plank, ooit uitgegeven door Nijgh en Van Ditmar in de oorlogsjaren. Ook trof ik heel wat titels aan van de dwarse Franse filosoof E.M. Cioran en de ‘foute’ Duitse schrijver Ernst Jünger, die beide eerder dood, verderf en geweld in woorden vierden dan het lichte, succesvolle leven, dat wij tegenwoordig moeten leiden.

    Over de dood gesproken: wat een toeval, of toch niet: ik pakte net uit een doos die ik meenam een boek, verschenen in de Lonsdale Library of Sports, Games & Pastimes, Volume XI: Boxing (A Guide to Modern Methods) van Viscount Knebworth uit 1945. Vond daarin een uitgescheurde recensie van een boksboek over de dit weekend overleden Muhammed Ali. Het jaar 2016; een jaar waarin de ene na de andere legende ons ontvalt. Gelukkig leer je door het boekenvak dat ‘la chute dans le temps’ (Cioran) geregeld een prettige duikvlucht uit het heden kan zijn, maar toch ook dat heden en verleden vaak meer met elkaar vervlochten zijn dan je soms denkt.

     

    JOOT.NL