• De armen en de rijken

    Angola 1961. Bezwete mannen met ontblote bovenlijven slaan in de brandende hitte met voorhamers rotsblokken aan stukken voor de steenindustrie. Een van deze mannen is Domingos Xavier. Diezelfde avond wordt hij door de politie van zijn bed gelicht en afgevoerd. Zijn vrouw, Maria, heeft geen idee waarom. Ze wordt getroost door de vrouwen uit het dorp. Een van hen raadt haar aan met haar baby naar het politiebureau te gaan en daar te gaan huilen, en er vooral voor te zorgen dat de baby ook huilt.
    Maar tranen helpen niet. Op het politiebureau hoort Maria dat haar man lid van de vrijheidsbeweging MPLA (Movimento Popular de Libertação de Angola) is. Een schurk. Waar hij is, kunnen of willen ze niet vertellen. Waarna Maria met haar baby op haar rug te voet van gevangenis naar gevangenis trekt op zoek naar haar man, die intussen in de beruchte gevangenis van Sambizanga wordt gemarteld, maar zijn mond houdt.

    Sambizanga is ook de titel van de huiveringwekkende aanklacht van de Guadeloupese filmmaker Sarah Maldoror (1929-2020), de ‘moeder van de pan-Afrikaanse cinema’. Maldoror was in 1966 regieassistent van Gillo Pontecorvo bij The Battle of Algiers. Net als die film is Sambizanga, gebaseerd op een waargebeurd verhaal, een klassieker over een onafhankelijkheidsoorlog geworden. En over de rol van de vrouw daarin. Maldoror: ‘Wat ik wilde laten zien, is de eenzaamheid van een vrouw en hoeveel tijd het kost om te lopen. In deze film is het deze vrouw, maar het kan elke vrouw zijn, in elk land, die eropuit trekt om haar man te zoeken.’
    Sambizanga werd opgenomen in Congo-Brazzaville en de meeste acteurs waren nog nooit voor een camera verschenen. Het waren pro-onafhankelijkheid Angolezen, jong en oud, leden van de MPLA, verbannen naar Congo-Brazzaville en door Maldoror gerekruteerd voor de film.

    Sarah Maldoror was getrouwd met de Angolese dichter Mario de Andrade, de leider van de Angolese bevrijdingsbeweging. Ze maakte in de jaren vijftig naam in het Parijse theater als medeoprichter van de volledig zwarte groep The Griots. In 1959 legde ze zich toe op het maken van films. Met Sambizanga beleefde ze haar internationale doorbraak. Daarna maakte nog veertig films, voornamelijk voor de Franse televisie.
    Haar werk wordt weinig vertoond en het is te hopen dat daar verandering in komt. Behalve Sambizanga, het meesterwerk waarop haar faam berust, zag ik alleen nog het voor tv gemaakte, slechts 64 minuten durende Un Dessert pour Constance(1979), over de solidariteit van een groepje Afrikaanse arbeidsmigranten in Parijs, dat een luchtig schuimgebakje is in vergelijking met Sambizanga, maar beslist smaakt naar meer. Ik moest onmiddellijk denken aan de films van Heddy Honigmann, die ook zo goed een zwaar onderwerp op een lichte manier over het voetlicht wist te brengen.

    Sambizanga verdient een nieuwe release in een 4K-restauratie. (Misschien iets voor het IFFA in Assen?) De film staat nog steeds als een huis en geeft behalve een indrukwekkend tijdsbeeld ook in onze tijd stof tot nadenken.

    ‘Je moet weten,’ zegt Domingos, ‘dat er geen blanken zijn, geen mulatten, geen zwarten. Er zijn alleen de armen en de rijken.’

     

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer,Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Sleutelgatgluurder

    Op de boekenmarkt in Dordrecht aarzel ik of ik een biografie over Oscar Wilde zal kopen. Ik heb al zo’n veertig boeken van en over hem, maar dit is geschreven door een vriend van Wilde, Frank Harris, wiens autobiografie My life and loves van leugens aan elkaar hangt. Het zou interessant zijn om het boek te vergelijken met de biografie van Ellman en Montgomery Hyde, en… Ik word uit mijn overwegingen opgeschrikt door een man naast me, die me met een blik op het boek vraagt of ik zo’n lezer ben die niets liever doet dan wroeten in het privéleven van auteurs om alle sappige roddels op te diepen. Lezers van biografieën zijn verachtelijke sleutelgatgluurders, zegt hij, die alleen maar naar slaapkamergeheimen en duistere abberaties op zoek zijn. Ze klossen met lompe voeten door het leven van de auteur en vertrappen alles wat ze tegenkomen in hun jacht op sensatie. Ik moet het literaire werk voor zichzelf laten spreken, zegt hij, want daar gaat het om, niet om de dode schrijver ervan, die zich niet meer kan verdedigen tegen leugens en achterklap. Als ik beduusd zeg dat ik juist verdieping en achtergrond informatie zoek om het werk beter te kunnen begrijpen, snuift hij minachtend.

    Daar sta ik dan met Wildes biografie in mijn hand. Door die bemoeial voel ik me een voyeur die vanuit de bosjes bij mensen naar binnen loert. Maar heeft hij gelijk? Natuurlijk heb ik genoten van het bizarre verhaal uit de biografie over Robert Graves, die zijn minnares Laura Riding achterna sprong door het raam, vier verdiepingen hoog. Maar heeft dat mijn oordeel over de literaire betekenis van het werk van Graves beinvloed? En had ik zoveel van de gedichten van Slauerhoff kunnen genieten als ik niet had gelezen wat voor een grillige, rusteloze figuur hij was? Misschien had ik de poezie van Sylvia Plath nooit gewaardeerd als ik niet had geweten van haar getormenteerde leven. Deze dichters kwamen dichterbij, werden mensen van vlees en bloed door hun biografie. Ik hou van hun gedichten ondanks en dankzij hun persoonlijkheid, ook al zal ik hen nooit helemaal leren kennen. Maar dat hoeft ook niet, zoals Gerrit Komrij liet zien in een gedicht dat heel goed over een biografie zou kunnen gaan:

    Invitatie 

    Ik lig hier als een hoer tentoon. Je kunt
    Me aaien, in me kruipen en bespringen,
    Me tot een bal opblazen, tot een punt
    Verkleinen, me bewenen of bezingen:

    Ik ben je materiaal. Besnuffel me.
    Loer in mijn keel, mijn hart, mijn reet, mijn maag.
    Vervloek me duizend maal of knuffel me.
    Ik vind het best. Ik heb je lief vandaag.

    Proef van mijn bloed. Kom sabbel aan mijn tiet.
    Geloof volop in mijn bekentenis.
    Ik ben er echt. En toch ben ik er niet,
    Zoals je wollen trui het schaap niet is.

    Ik kijk de man naast me even aan en wend me dan tot de verkoper, om de biografie van Wilde te kopen, met die van Clara Eggink, Mijn leven met J.C. Bloem, er nog bij.

     

    Uit: Boemerang en andere gedichten / Gerrit Komrij (2012)

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

     

  • Meebewegen

    Ik wilde over de liefde schrijven. Maar eerst moest de afwasmachine uitgeruimd. Er is muziek. De radio speelt (ik zocht het op) de derde symfonie van Felix Mendelssohn. De weemoedigheid van strijkinstrumenten in de herfst. Het bladerdek van de plataan lekt druppels op het canvas van de tuinstoelen. Een Vlaamse gaai schettert door de tuin. Ik voel een gretigheid alsof het leven voor de laatste keer ten volle geleefd moet worden. 

    Dan Averij van Robbert Welagen. De jij woont met zijn vriendin, hond en kat in het bos. Vanuit het huis zo een zandpad op, het bos in. Drie jaar geleden werd bij Welagen lymfeklierkanker vastgesteld. Stap voor stap benadert hij de ziekte in zijn lijf. Eerst die verdikking. Daarna de onderzoeken, een verkeerde diagnose, opnieuw onderzoeken, opnieuw een diagnose, de chemokuren. Hoe hij van zichzelf vervreemdt, hoe breekbaar de liefde tussen zijn vriendin en hem wordt.  Zijn vriendin en hij houden van het bos. Hij houdt van haar hoe ze in de kas rommelt met potten en aarde. En, ‘Omdat ze het fijn vindt om ‘s avonds door een donker bos te fietsen.’ 

    Als het vermoeden van iets ernstigs in zijn gedachten woekert, denkt hij aan de dreiging die voelbaar is vanuit het bos als de dagen korter worden. ‘Soms is er iets met deze omgeving aan de hand. Het is alsof er vanuit het donker, staand tussen de bomen, een vreemde naar je kijkt. Een onzichtbare figuur die je in de gaten houdt als je, gevangen in het licht, eten klaarmaakt. Je schuift de gordijnen dicht en dat lucht even op, maar al snel word je je ervan bewust dat het gevaar zich nu achter de gordijnen schuilhoudt.’  

    Ik moet me eigenlijk met een aankomend jubileum bezig houden. De man en ik en ach, wat kennen we elkaar al lang. Wacht, dit gaat niet de goede kant op. Ik wilde over liefde schrijven.
    Averij gaat over vervreemding, van de jij en van zijn geliefde. Hij verliest zichzelf en zij grijpt steeds mis. ‘Godsamme’, roept ze op een dag, ‘Ik ben het gewoon zat dat het de hele tijd over jouw ziekte gaat.’ Hij voelt zich aangevallen. ‘“Dat weet ik ook wel.” In de stilte die volgt hoor je hoe zwak je woorden klinken.’

    Het beweegt door de regels heen, dat wat hij voelt voor zijn vriendin. Dat je liefde niet op krediet kunt nemen. De beschrijvingen over de ziekte, wandelen met de hond, ziekenhuisbezoeken, de dagen na de chemo en hoe zijn vrienden en familie reageren, zijn zodanig gecomponeerd dat het me soms ontroerde. Tot tranen toe. Om het ongeloof dat jou iets ernstigs kan overkomen. ‘Je zegt tegen jezelf: het komt vast goed. Ik leef gezond, ik ben pas veertig’ Of wanneer hij opeens beseft haar te kunnen verliezen, omdat hij ziek is, verzorgd moet worden. Maar ze blijft. Ze beweegt met hem mee, geeft toe aan wat hij nodig heeft. Liefde en ziek zijn, het is een beproeving. Wat een mooi boek, Averij. Over liefde dus.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column over boeken.

     

     

     

     

  • Twee eenzame zielen

    Op de laatste editie van het Il Cinema Retrovato Festival in Bologna werd deze zomer in de open lucht op het Piazza Maggiore een van mijn lievelingsfilms vertoond, La visita (1963) van Antonio Pietrangeli.

    De bezoeker waar de titel op wijst is alleenstaande boekwinkelbediende Adolfo. Hij is vanuit Rome met de trein naar de Po-vallei gereisd om Pina, de alleenstaande medewerkster van een landbouwvoorzieningsbedrijf, te ontmoeten. Pina heeft een contactadvertentie geplaatst en Adolfo is de uitverkoren respondent. La visita toont de ontmoeting van de twee potentiële geliefden gedurende een dag. Bezorgd dat hun huwbare dagen ten einde lopen, hebben ze al besloten om verliefd op elkaar te worden, maar eerst moeten ze elkaar leren kennen.

    Antonio Pietrangeli (1919-1968) hoort in het rijtje Alberto Lattuada, Mario Monicelli, Luigi Comencini, Pietro Germi, Dino Risi, Mauro Bolognini, Giuseppe De Santis, Luigi Zampa, Luciano Emmer, Valerio Zurlini enzovoort – Italiaanse regisseurs van het tweede echelon die door de ‘groten’ van de Italiaanse film in de schaduw zijn gesteld en intussen veelal in de vergetelheid zijn geraakt. Hoe onterecht dat is blijkt in Pietrangeli’s geval uit La visita, maar bijvoorbeeld ook uit zijn andere films als Io la conosceve bene.

    Pietrangeli, die begon als assistent van Visconti en mede-scenarist was van diens La terra trema, introduceert Pina als een onnozel gansje uit de provincie en besteedt de rest van de film aan het subtiel ondermijnen van dat beeld, want ze is slimmer, zelfredzamer en toch kwetsbaarder dan op het eerste gezicht leek, terwijl man-van-de-wereld Adolfo zich meer en meer laat kennen als een miezerige egoïst. Met een paar slimme flashbacks krijgen we van beiden een beeld van hun eerdere relaties. Zal het wat worden of niet? Je hoopt van wel, daarna van niet (ze verdient beter) en uiteindelijk… ach.

    De opbouw van het verhaal, het tempo waarin het zich ontvouwt, de verlegenheid, het ongemak, de melancholie, de gedetailleerde observaties, de bijrollen van de dorpelingen, de soundtrack, het geweldige spel van Sandra Milo en François Périer als de twee eenzame zielen op zoek naar liefde, alles aan dit kleine, grappige en ontroerende meesterwerk van Antonio Pietrangeli is goed.

    Périer is onweerstaanbaar als de bekrompen hypocriet Adolfo, maar Sandra Milo steelt de show als de naar liefde hunkerende plattelandsvrouw die zo graag in het huwelijksbootje wil stappen dat ze nog wel zelf wil roeien ook. Milo speelde in films als Classe tous risques (Claude Sautet), Vanina Vanini (Roberto Rossellini) en Giulietta degli spiriti (Federico Fellini), maar in deze film van Pietrangeli speelde ze haar mooiste rol. Pietrangeli bevestigde er zijn reputatie als regisseur van mooie vrouwenrollen mee.

    Paola Cristalli, verbonden aan de cinematheek van Bologna, schreef daar in haar introductie op La visita dit over: ‘Er wordt vaak gezegd dat de Italiaanse cinema van het begin van de jaren zestig meer vrouwelijke hoofdrolspelers begon te vertonen, omdat de mannelijke helden […] te duur waren geworden. Of Antonio Pietrangeli ook in deze (gezegende) conjunctuur betrokken raakte, is moeilijk te zeggen, maar veel van zijn films zijn zeker verhalen over vrouwen.’

    Als je denkt met de films van Fellini, Visconti, Pasolini, Antonioni, Rossellini, De Sica en Scola de Italiaanse film wel zo ongeveer te kennen, staat je nog een prachtige ontdekkingsreis te wachten. Om met oud-Hollywoodacteur Ronald Reagan te spreken: ‘You ain’t seen nothing yet!’

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Verdwijnend landschap

    Hoe wereldproblemen zich kunnen vernauwen tot ‘welk boek neem ik mee?’ Ik verbaas mezelf. Morgenmiddag drie uur vertrekt de boot naar Terschelling. Er gaat van alles door mijn hoofd. Denk aan lijstjes opstellen, kleding uitzoeken (waar is mijn badpak, die handige zaklamp!). Ondertussen ruim ik een keukenla uit. Er blijken regels te zijn waar ik aan te houden heb voor de vakantie kan beginnen. Er dringen zich dingen aan me op, ‘kijk mij, maak schoon, ruim op, dweil die keuken eens’. Alsof het de laatste dag van alles is, ruim ik een lade leeg, maak kleverige kruidenpotjes schoon. Poets het bestek blinkend op. Als de man de keuken in loopt, zeg ik, ‘ Vraag me niet!’ En leg keukengerei naast de bak met kruiden in de la. 

    Ik denk aan Erwin Mortier. In Gestameld Liedboek schrijft hij over zijn dementerende moeder, ‘Laden die ze al maanden, jaren onaangeroerd liet, trekt ze weer open, en ze zoekt en zoekt. Ik tref haar in de keuken terwijl ze met een lepel probeert jus uit een pan te scheppen, terwijl ze een glas bij de kraan houdt.’ Zijn moeder kan geen tien minuten meer stilzitten. Ik denk de laatste tijd nogal veel aan alzheimer, vasculaire dementie. Wanneer weet je als je de dingen niet kan terugvinden, het een gewoon vergeten is, of iets anders. 

    Terwijl ik uit een andere la aangebroken pakken sorteer, kijk ik naar mijn handen. Ze zitten losser in het vel (zoals het hele lijf), de linkerpink licht gekromd door een struikelende val jaren geleden. Ik knipper tweemaal met mijn ogen om de jaren waarin ik het veranderen van mijn handen even niet volgde, bij te stellen. Ze als de mijne te erkennen, zoals ik dat soms ook doe naar mijn spiegelbeeld. De man van een dierbare kijkt soms langdurig naar zijn handen, houdt ze gestrekt van zich af, brengt ze tot vlak voor zijn ogen, weer terug naar zijn schoot terwijl zijn ogen die handen volgen. Alsof ze hem vreemd zijn. Waar blijf je als je delen van jezelf niet meer kent. Ik zei het al, ik ben geobsedeerd door het grote vergeten, het verschrompelen van hersenen en lichaamspostuur, waar we blijven. Een vrouw die ik ken, met dezelfde ziekte, begroet haar kinderen en man sinds kort met, ‘Hee, daar ben je.’ Of, ‘Wat heb ik jou lang niet gezien.’

    In de roman Reis naar het ongerijmde van Michael Ignatieff, beschrijft hij hoe de demente moeder naar haar jongste zoon kijkt als hij haar bezoekt. Ze kijkt alsof ze hem zou moeten kennen, maar ‘het laatje met namen in haar hoofd voorgoed dicht zit’. Dat er geen geheugen is zonder zelfbeeld. Het begint met het vergeten van dingen, dan vergeet je jezelf, verdwijnen de herinneringen. Hij schrijft over de moeder, ‘Het was deze schakel tussen heden en verleden die ze bezig was kwijt te raken. (…) Ze vroeg zich af wie die ‘ik’ was in haar eigen zinnen. Ze vroeg zich af of die herinneringen aan een blauwe bierpul in een warme tuin in een voorstad werkelijk van haarzelf waren. Omdat ze niet langer van haar leken, begon ze ze weg te gooien.’ Beter niks weg doen om te voorkomen dat er delen van jezelf verdwijnen.

    Ondertussen rommelt de man door het huis de vakantiespullen bij elkaar. Mijn inzet is gewenst. Ik leg de boeken klaar, De vreemdelinge, Claudia Durastanti, In het oog, Marijke Schermer en Vreemden voor onszelf , Rachel Aviv. Dat het een fijne zomer mag worden.

     

     


    Inge Meijer is afwezig tot eind september.



  • Vergeten woorden

    ‘”Oelewapper! Ben je belatafeld!  Je maakt me kierewiet met dat gemiereneuk.” riep ze nuffig.
    “Ja dat is de kift”, glunderde Jaap’. In deze twee zinnen zitten zeven woorden die veel millennials (geboren tussen 1985 en 2000) vermoedelijk niet meer kennen en de Z-generatie al helemaal niet. Ten minste naar de ervaring van tv- en filmscenario schrijver en radiomaker Rogier Proper, de bedenker van de eerste Nederlandse soapserie GTST. Hij merkte dat sommige woorden die voor hem gesneden koek waren (ook al zo’n verouderde uitdrukking) door jonge mensen niet meer begrepen werden, en begon daar een alfabetische lijst van aan te leggen. Die verscheen onlangs bij uitgeverij Balans onder de titel ‘Van Allegaartje tot Zeebenen – een niet zo gebruikelijk woordenboek.

    En inderdaad, wie weet bijvoorbeeld nog wat een bakvis is. Vishandel ‘De Bakvis’ in Hengelo verkoopt ze voor een habbekrats. Daar is de oude betekenis nog van kracht: (te) kleine visjes die je het best in twee- of drietallen kon bakken. Dat er tot in de jaren vijftig/zestig een meisje in de puberteit mee bedoeld werd, is achteraf eigenlijk wel vreemd en niet goed te verklaren, vindt Proper. Hij geeft van alle woorden de betekenis en koppelt daar van alles aan vast. Van kookadvies bij ‘bekokstoven’ (‘kool bijvoorbeeld, met wat verse gember, knoflook en bakolie is zeer aan te bevelen’)  tot mini-fantasie (‘Al dagenlang sjokte de mierenneuker mismoedig door het herfstbos (..) Geen mier te bekennen!’) tot – vele! – persoonlijke bekentenissen en herinneringen. Zoals bij het woord opkrassen.

    ‘Het is 1956. Russische tanks donderen Boedapest binnen om de opstand tegen het communistisch regime neer te slaan. Op het schoolplein van het gymnasium in Haarlem omringt een groepje leerlingen uit de hoogste klas een jongetje uit de tweede, wiens vader een bekende plaatselijke communist is.
    “Zo kereltje, en wat vind jij van de inval in Hongarije, hè?” Het jongetje is benauwd, maar fier. “Ik ben er ook tegen, meneer,” piept hij. Een lerares nadert, juffrouw Appeldoorn, bijgenaamd Appeltje, en roept: “Willen jullie wel ’s onmiddellijk opkrassen?!” Haastig maken ze zich uit de voeten.’

    Propers vader was mr. Michael Dirk Proper, hoofdbestuurslid van de CPN. Dan heb je het als klein uitgevallen zoontje lastig als je dertien bent en de Russen vallen Hongarije binnen. Deze herinnering roept trouwens de vraag op of de term ‘Hongaarse Opstand’ nog bekend zou zijn bij de millennials? Ik denk het niet. Dat is dan al één uitbreiding voor een tweede druk. Want daar ga je als lezer van dit woordenboek natuurlijk meteen naar op zoek. Welke woorden ontbreken en moeten er in een volgende druk worden toegevoegd. ‘Meesmuilend’ wordt node gemist, kon ik al snel constateren. Ook ontbreken er enkele van mijn literaire heimwee-woorden. 

    Woorden die mij doen denken aan de boeken die ik in mijn jeugd las. Boeken van schrijvers als Johan Kieviet of J.B. Schuil , die ik nu vermoedelijk niet meer kan lezen zonder te gruwen, maar destijds manna uit de hemel waren. Een woord als ‘subiet’, of ‘bruusk’ bijvoorbeeld. Of zelfs een eenvoudig woord als ’terstond’ (‘dat gaan we terstond doen!’). Maar dat is natuurlijk ‘muggenzifterij’. Laten we blij zijn met wat Proper bijeen heeft gebracht aan in onbruik geraakte woorden, ruim vijfhonderd. Als we ze gewoon weer vaak gebruiken, dan komen de goede oude tijden vanzelf terug!

     

     

    Van Allegaartje tot Zeebenen – een niet zo gebruikelijk woordenboek / Rogier Proper / 160 blz. / Uitgeverij Balans



    Hans Vervoort (1939) publiceerde tussen 1970 en 2020  vijfentwintig titels waaronder de verhalenbundel Heden Mosselen Morgen Gij en de trilogie Het Bedrijf.

  • Lijstje van fietsongevallen

    Lezend in literair vertaal-tijdschrift Pluk diende zich een lijstje aan. Er stond een mededeling in een begeleidend stuk waardoor ik stopte met lezen. Het hoorde bij het verhaal ‘Pension De Tuimelende Wereldbol’ van Franzeska zu Reventlow. Over een man met een rode baard ‘in de vorm van een waaier geknipt’ die op een Spaans eiland woonde waar hij volgens de verteller ‘al jaren zijn gang ging’. Wat inhield dat hij op schepen die aanmeerden, zocht naar landgenoten ‘of andere vreemdelingen’ die hij zijn visitekaartje gaf met een foto ‘waar hij niet op leek’. Deze Hieronymus Edelman verwelkomde ze hartelijk en raadde ze pension ‘De tuimelende wereldbol’, waar hij ook verbleef, aan. Deze man wekte met zijn verschijning en optreden zulke verwachtingen bij de nieuw aangekomenen dat ze met hem meegingen. Maar het pension is een ‘dubieuze verblijfplaats’, en berusten meer dingen op onjuiste veronderstellingen. ‘Wij, de slachtoffers van Hieronymus, bewoonden de begane grond in de linkervleugel, die we zelfbewust het Europese kwartier noemden.’ Nu wil ik meer weten over de persoon achter dit verhaal. Ik blader terug naar de introductie van de schrijfster door de vertaalster. Franziska zu Reventlow (1871-1918) uit de Weimar was vanaf 1898 een gewaardeerd schrijfster van romans, columns, essays en novellen.

    Als twintiger vertrok Zu Reventow naar München, werd lid van de ‘München Bohème’, in een tijd dat vrouwen amper als kunstenaar gewaardeerd werden. Dan, ‘Op 47-jarige leeftijd stierf ze in Locarno, na een fietsongeluk.’ In mijn hoofd ontstaat een lijstje. Je denkt aan Nico, miskend zangeres van de Velvet Underground, overleed in 1988 op Ibiza na een val van haar fiets. Je denkt aan Kees IJzer, broer,  in 2021 aangereden toen hij met zijn fiets met karretje door rood reed. Je denkt aan het fietsongeval met dodelijke afloop, een kernverhaal in de roman Tenminste voor een onbepaalde tijd, van Hans Heesen. Nu voegt zich daar Franziska zu Reventow bij, overleden na een fietsongeluk. En wat de betekenis daarvan is.

    Het verhaal, ‘Ik sta hier te strijken’ (‘I Stand Here Ironing’) van de Amerikaanse schrijfster Tillie Olsen, vertaling Juliette van Dijk, is verrassend  en intens.
    ‘Ik sta hier gekweld te strijken, en wat u me hebt gevraagd gaat gekweld heen en weer met het strijken.’ De school nodigt haar uit over haar oudste dochter te komen praten. ‘U kunt me vast helpen haar te begrijpen. Ze is een jonge meid die hulp nodig heeft.’ De moeder voedde haar dochter op in een tijd dat er ‘weinig of geen opmerkzame ogen’ waren die zeiden hoe je moest opvoeden. Ze hield zich aan wat de boekjes voorschreven. ‘Hoewel haar gehuil me tot wanhoop dreef en mijn borsten pijnlijk gezwollen waren, wachtte ik op het commando van de klok.’ Een verhaal waarin niet het onderste uit de kan gehaald kan worden voor een kind. ‘Laat haar zo zijn.’ begint de laatste alinea van dit verhaal, ‘Niet alles wat in haar zit zal tot bloei komen, maar bij hoeveel mensen gebeurt dat wel? (…) Maar help haar te beseffen,’ richt de moeder zich in gedachten tot de docent, ‘help mee ervoor te zorgen dat ze reden heeft te beseffen dat ze meer is dan deze jurk op de strijkplank, weerloos tegenover het strijkijzer.’ Wat een prachtig slot is. Pluk stelt mijn blik op het literaire landschap bij. Twee schrijfster die op een ander lijstje terechtkomen, het ‘literaire ontdekkingen’ lijstje.

     

     

    Pluk, de oogst van nieuwe vertalers 


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Zomervakantie

    Toen we nog elk jaar op vakantie gingen, sjouwden we ons een breuk aan de boeken die ik per se mee wilde nemen naar Frankrijk. Ik ben een snelle en wispelturige lezer en lees soms wel vijf boeken tegelijk. Te ongeduldig voor luisterboeken, te onhandig voor een e-reader, schoof ik bij ieder gezinslid een extra boek in de koffer om zeker te weten dat ik genoeg te lezen zou hebben. En nog hielp het niet, zelfs drie dikke delen met de verzamelde geschriften van Anton van Duinkerken joeg ik er in drie weken doorheen. We moesten de grens met Spanje oversteken, omdat ze in het kleine Franse dorpje geen anderstalige boeken verkochten en de vakantie in het water dreigde te vallen toen ik niets meer te lezen had. Mijn Frans is goed genoeg om een boek te kopen, maar niet om het te lezen. In Spanje waren voldoende Engelse boeken. Ik kocht er Any woman’s blues van Erica Jong, las het op het strand in één ruk uit. Als ik het nu opnieuw lees, hoor ik weer hoe de branding van de zee aanrolt op de kust.

    Maar sinds een paar jaar heb ik een goede oplossing gevonden voor het boekentekort in de zomervakanties: ik ga niet meer op vakantie. Ik heb Frankrijk naar mijn achtertuin gebracht. Daar zit ik op de schommelbank onder de luifel met een drankje op tafel en een boek in mijn handen. De bloemen om me heen bloeien uitbundig in allerlei kleuren die de zon nog feller maakt, de zomerwind waait de warme zuidelijke geuren van de potten met lavendel, tijm en rozemarijn naar me toe. Een grote vijgenboom met brede takken zorgt voor schaduw, waarin mijn twee katten languit en loom blijven liggen, de hele mooie middag lang. De zonnebloemen draaien hun gezichten naar de zon, ik hoor de vogels en heel ver weg klinkt het geluid van een kerkklok. Het is genoeg, voor mij en voor de dichter Kees Winkler:

    VREDE 

     Zo rustig is het wolkendek
    ver weg zingen nog vogels
    licht valt gedempt naar binnen
    het schemert in het zomergroen

    Van de goudenregen vallen druppels
    de Japanse kers is uitgebloesemd
    de ribes verspreidt zachte geuren
    het regenen zet niet door

    Hier is mijn plaats op aarde
    dicht bij de leverbalsem
    en de schemerwitte margrieten

    Het duistert in de tuin
    ik zal nooit verder komen
    en daar heb ik vrede mee

    ’s Avonds beginnen de krekels te tsjirpen en de grillig fladderende vleermuizen dansen dronken over de boomtoppen. Jacques Brel zingt voor mij alleen ‘Je suis un soir d’été’ door mijn koptelefoon. Ik lees Colette voor de zoveelste keer, Het ochtendgloren en Sido en Als het jonge koren rijpt, want haar boeken horen bij de zomer. Niemand die zo over bloemen en dieren kon schrijven als zij, met zoveel wijsheid en liefde. En als ik ze uit heb, loop ik naar binnen, naar mijn boekenkasten, en dan kies ik gewoon een ander boek, hier zijn er genoeg. Lezen als God in Frankrijk.

     

    Kees Winkler, Tirade, Jaargang 16 (nrs. 173-182), 1972


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Prettig nostalgisch

    Begin jaren tachtig haalde je elke vrijdag bij de sigarenboer een Vrij Nederland. Het ging je om de Boekenbijlage, onder redactie van Carel Peeters. Dat hij toentertijd de ‘president’ van de Boekenbijlage werd genoemd, lees je in Kleine (en iets grotere) herinneringen van Hans Vervoort. Ook dat de New York Review of Books tot voorbeeld had gediend voor de Boekenbijlage, lees je daarin. De New York Review bestaat nog steeds in zijn oorspronkelijke vorm, de Boekenbijlage van VN sneuvelde toen de krant een tijdschrift werd. Mooi is dat herinneringen veel over degene die het zich herinnert vertellen. Zo herinnert Hans (in het boek heet de verteller ‘Hans’) zich dat hij als boekrecensent bij VN een uitgesproken voorkeur had voor verhalende, goed leesbare lectuur. Ongevraagd besprak hij jaarlijks de nieuwe roman van Johan Fabricius. Hoewel Peeters vond dat boeken bij de lezer een andere kijk op de wereld moesten bewerkstelligen, plaatste hij de lovende besprekingen van Hans welwillend. Tot de redactie hem geen nieuwe titels meer gaf. ‘Dat was Carels ultieme uiting van zijn onvrede en Hans vertrok als recensent naar NRC Handelsblad.’, schrijft Vervoort.

    Vervoort werkte voor onder meer Vrij Nederland en Opzij. Vanaf 1970 zette hij zichzelf op de kaart als literair schrijver, werd ‘een van de beste jonge prozaïsten in Nederland’ genoemd. Uit deze herinneringen, waarin mooi geportretteerd wordt, komt een man naar voren die het liefst op de achtergrond bleef. Altijd opgelucht als een vergadering was afgelopen, bij feestjes aan de zijlijn stond. In drieënveertig stukjes worden ontmoetingen  bij de koffieautomaat, vergaderkamer of op bedrijfsfeestjes beschreven. Werkrelaties met Joop van Tijn, Rinus Ferdinandusse, Renate Rubinstein. Als Hans in 1988 net uitgever is geworden, een kamer vlak bij het koffiezetapparaat op de gang heeft, staat hij elke keer op als hij het apparaat hoort lopen. Zo treft hij Cisca Dresselhuys, hoofdredacteur van Opzij. Ze vraagt of zijn nieuwe functie bevalt. ‘Ja,’ antwoordde Hans, ‘ik merk dat ik elke keer als ik de automaat hoor, vanzelf opsta om een nieuwe beker koffie te tappen. Dit is al mijn vijfde kop.’
    ‘Maar zo heb je nog eens contact’, zei Dresselhuys. ‘Dat is inderdaad de bedoeling’ zei hij, ‘ik hou ook de deur open. Ik wil graag aanloop.’ ‘Benieuwd hoe lang je dat volhoudt.’, zei ze geamuseerd. En, ‘Kijk maar uit met al die kopjes koffie. Voor je het weet krijg je het aan je rikketik.’ Je ziet er direct een schets in van Peter van Straaten. De onwennige uitgever, omklemt de zoveelste beker koffie. Boven hem uittorenend de struise  hoofdredactrice, die hem stralend doch minzaam een voorland schetst.

    In 1984 was Hans op een jubileumfeest van de Haagse post dat gehouden werd in een verbouwde boerenschuur. Daar zag hij voor het eerst Henk Hofland. Zelf aan de kant staand, zag hij hoe Hofland richting uitgang liep, ‘met de voorzichtige tred van de aangeschotene.’ Maar Hofland kreeg de deur niet open. ‘Toen zag Hans hem een besluit nemen.’ Hofland wachtte tot er iemand aankwam die de deur opende en naar buiten liep, ‘op de voet gevolgd door de columnist.’ Zelf associeerde je Hofland steeds met Susan Sontag, om zijn columns in het NRC, die hij ondertekende met S. Montag.

    Sommige karakterschetsen zijn kleine odes aan collega’s die geen aansluiting vonden. Zoals een juridisch adviseur, die zich op zijn kamer verschanste achter stapels mappen. ‘Praatte je met Erik, dan bleek hij een gevoelig en erudiet mens, die geregeld in het gesprek kleine verbale grapjes maakte. Zo klein dat Hans altijd vergat om te lachten en dat later betreurde.’ Bij zijn pensioen eert Hans hem als notulist van redactievergaderingen, ‘Pas als ik Eriks notulen lees begrijp ik wat ik eigenlijk had willen zeggen.’ Zo’n man dus, die net als Hans Vervoort het menselijk bedrijf in ogenschouw nam, er uithaalde wat anders verloren zou gaan. Het stemt op een prettige manier nostalgisch.

     

     

    Kleine (en iets grotere) herinneringen aan deze en gene / Hans Vervoort / uitg. Brooklyn / blz. 174


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Onbestuurbare boot midden op zee

    Op het Holland Festival draaide dinsdag 27 juni de baanbrekende stille Braziliaanse avant-garde film Limite, uit 1931, live begeleid door de Braziliaanse band Metá Metá samen met leden van The Ex. Wie deze hypnotiserende en vervreemdende film ziet, kan niet anders dan er door verpletterd zijn. 

    Limite, wel de Braziliaanse Un chien Andalou genoemd, is de enige film die schrijver en regisseur Mário Peixoto heeft gemaakt. In Parijs raakte hij als begin twintiger geïnspireerd door een foto van André Kertész op de omslag van een tijdschrift van twee geboeide mannenhanden om de nek van een vrouw die recht in de camera staart. Die ene foto was de bron voor Peixoto’s film, waarin twee vrouwen en een man troosteloos in een roeiboot op zee dobberen. Er is niet veel voedsel en weinig hoop op redding, maar voor twee van de drie is de hoop allang vervlogen. Hun verhaal wordt verteld in flashbacks naar hun leven vóór de noodlottige zeereis, dromerige sequenties en close-ups van betekenisvolle details. Peixoto wilde geen doorsnee verhaal vertellen, vond dat zijn film eerder gevoeld dan begrepen moest worden. Het resultaat is een precies twee uur durend filmgedicht in experimentele stijl met een associatieve, meanderende verhaalstructuur. 

    Peixoto wilde aanvankelijk zelf de mannelijke hoofdrol spelen. Hij pitchte de film aan twee regisseurs, Humberto Mauro en Adhemar Gonzaga, die echter allebei zeiden dat het scenario veel te persoonlijk was om door iemand anders dan Peixoto zelf te worden geregisseerd. En dus trad Peixoto niet op als acteur maar als regisseur. Hij betaalde de productie met familiefondsen en filmde in 1930 aan de kust van Mangaratiba, een dorp ongeveer 80 kilometer van Rio de Janeiro, waar zijn neef een boerderij had.
    Cameraman Edgar Brasil zorgde voor visueel vuurwerk. Hij maakte uitgebreid gebruik van een handcamera, waardoor Limite modern aandoet. De drie schipbreukelingen kunnen geen kant op in hun onbestuurbare boot midden op zee, maar de camera beweegt naar believen vrijelijk rond. Bekijkt het drietal van alle kanten, zoomt in, draait rond, vliegt langs de kust en de kolkende branding en kiest ongebreideld de meest uiteenlopende en bijzondere kaders, standpunten en perspectieven, nu eens de hoogte in wervelend, dan weer de horizon aftastend. Juist die totale vrijheid aan beelden benadrukt het beklemmende lot van de drie protagonisten.

    Limite ging op 17 mei 1931 in première in de Chaplin Club in Rio de Janeiro. De kritieken waren gunstig, maar het publiek moest er weinig van hebben en de film werd nooit commercieel uitgebracht en werd slechts sporadisch vertoond. In 1959 bleek de nitraatkopie van de film er zo slecht aan toe te zijn dat hij niet meer vertoonbaar was. De restauratie duurde achttien jaar, waarna Limite aan een gestage opmars begon en ten slotte een wereldwijde doorbraak beleefde. Alom werd uitgeroepen tot beste Braziliaanse film aller tijden. De eerste Nederlandse vertoning, schrijft filmhistoricus Peter Bosma op zijn website, ‘vond in 1995 plaats tijdens het eerste Festival Latino Americano de Cine y Literatura, georganiseerd door Leo Hannewijk bij Lantaren/Venster’. In datzelfde jaar werd de film in De Doelen vertoond, begeleidt door het Escher Ensemble met een score van Frank Mol. Zelf zag ik Limite voor het eerst in 2008 op het IFFR, waar de film ook volgend jaar weer op het programma staat.

    Mário Peixoto stierf in 1992, 83 jaar oud. Hij liet een aanzienlijke hoeveelheid literair werk na, bestaand uit poëzie, verhalen, toneelstukken en een zesdelige, sterk autobiografische roman getiteld O inútil de cada um (Iedereen is nutteloos), alsmede filmscenario’s en een fragment van een geplande tweede speelfilm, die nooit werd voltooid en grotendeels verloren ging bij een brand.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman, Tenminste voor een bepaalde tijd verscheen bij uitgeverij IJzer.

  • Woordeloos graf

    Ik was een paar dagen in Zeeland, waar ik niet eerder was. Bij Zeeland dacht ik aan de Zeeuwse dichter en dagboekschrijver Hans Warren. In de jaren tachtig/negentig werd elk nieuw verschenen deel van Geheim Dagboek gelezen. Ik dacht erover zijn graf te bezoeken, appte een Warren kenner of hij wist waar de dichter begraven lag. Nadat ik en de man bij Oostkapelle de tent hadden opgezet, zochten we de zee. Na een urenlange, prachtige wandeling door een bos met herten, een kudde wilde paarden, hadden we de zee nog niet gezien. Toen ik later in mijn slaapzak lag te draaien, verschenen er twintig foto’s van gefotografeerde pagina’s uit een boekje met wandelingen van Hans Warren, ‘pingend’ op mijn mobiel. Het verscheen in 2006 (je woonde nog in Portugal), als onderdeel van de serie ‘Literaire wandelingen’ bij Bas Lubberhuizen en was je geheel ontgaan.

    In Borssele was er geen mens op straat. Er heerste een jaloersmakende zondagsrust. Of wacht, daar zaten twee Litouwse bouwvakkers op de hoek van de Weststraat. De een op een stoel, de ander op de stoeprand, blote voeten, kijkend op hun mobiel. Het enige café was dicht. Ik liep de Weststraat in, naar nr. 15, er stond een wit busje voor. Ik herinner me de ongelukkigheid van Warren over deze gedwongen verhuizing van het ruime, vrijstaande huis aan de Zeedijk naar een gezinswoning.
    Daarna zochten we Warrens graf op de begraafplaats aan de Oostsingel. We namen ieder een stuk voor onze rekening, liepen af en aan. Tot de man zijn hand opstak, het graf gevonden. Het lag er open en bloot. Geen grafzuil, geen tekst. Enkel een wit marmeren plaat met rechts, op een zwart marmeren rand ‘hans warren     dichter’, afstand tussen naam en dichter zoals op het graf. Ik stond bij dat woordeloos graf van de dichter die had afgezien van elke vorm van bewondering. Legde wat takjes vrouwenmantel bij zijn naam, zei enkel maar, ‘dag hans’.

    In 1957 was Warren met zijn gezin, na vier Parijse jaren teruggekeerd naar Zeeland. Op 29 juli 1957 schreef hij, ‘Sinds 1 juli wonen we Pijkesweegje 1 in Kloetinge. Een zeventiende-eeuws huisje, vervallen maar pittoresk, aardig van verhoudingen en met aangenaam licht in de kamers die op het oosten gelegen zijn. Toen ik met de verhuiswagen aankwam wist ik aanvankelijk niet goed waar ik wezen moest: ik zag een zwartgeteerde schuur met een paar kapotte planken waardoor de boerenzwaluwen in en uit zwierden. Het leek me een geitenstal. Maar het bleek de zijkant van ons toekomstige huis, dat eigenlijk uit twee arbeiderswoninkjes bestaat die spiegelbeeldig tegen elkaar gebouwd zijn.’ Het beviel hem, hij zou er tot aan zijn dood in 2001 blijven wonen.
    In het boek Augustus zoekt het dan drieëntwintigjarige alter ego van Eric de Rooij in augustus 1988 de dichter op. Hij verwachtte er veel van, tegelijkertijd niets. Bij zich een exemplaar van  Geheim Dagboek 1945-1948. ‘Mijn hoofd gloeide. Somber, nerveus en ontheemd fietste ik rechtsaf het Pijkeswegje op, en daar passeerde mij, nagenoeg gelijktijdig, een donkerbruine Volvo die de weg richting Goes insloeg.’ In die Volvo zat de dichter met zijn partner Mario Molegraaf maar hij zag het niet. Hij had zich voorgesteld hoe de dichter hem zou ontvangen. ‘Dag jongeman, (…). Wil je een kopje thee, dan signeer ik jouw exemplaar. Is het Erik met een k of met een c?’ Het werd niets.

    De dag na zondag stond ik op dat pad naar het voormalige huis van de dichter. Ik keek naar het van de weg afliggende donkere huis, verscholen tussen bossages waar de zon doorheen speelde. Je dacht aan de vele bezoekers die over dit pad de dichter hadden bezocht. In een van zijn dagboekdelen beschreef Warren een scene waar je nog wel eens aan denkt als er ongewenst bezoek voor de deur staat. Hoe hij zich met zijn vrouw tussen de ingeklapte tuinstoelen in een klein berghok verstopte. Warren in halfzit tegen de stoelen gedrukt, Mabel op schoot, haar bij de heupen vasthoudend, hoorden ze hoe de ongenode gasten rond het huis liepen. Na enkele benauwende momenten werd plots de deur van het berghok opengetrokken, Warren en zijn vrouw tuimelden naar buiten. Reactie van bezoekers , ‘Oh, zitten jullie hier?’ En hoe je je hier weer uitdraait.

    Sinds Zeeland ben ik opnieuw in de Geheim Dagboek ‘mood’. Lees die van 1945-1948. Bestelde het literaire wandelboekje Hart van mijn land ik ben terug door Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Met dank aan beiden voor de uitmuntende informatie over leef en wandelgangen van Hans Warren.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.



  • Paul Auster (1947-2024) lezen

    In de week dat Paul Auster overleed, was ik in Den Haag bij mijn dochter. In haar boekenkast vond ik tussen het rijtje Auster boeken, Bericht uit het innerlijk. Een autobiografie over zijn opgroeien, zijn perceptie van het leven, van Amerika. Nu hij er niet meer is, zie ik pas goed dat Auster in dit boek de vorming van zijn wereldbeeld beschreef. Als een bewonderd schrijver sterft, spreken zijn boeken des te meer. Ik lees en herlees. De dood is de ‘final countdown’, geen dagen, geen uren, niets wordt er meer toegevoegd.

    Auster werd zich al jong bewust van zijn eigen sterfelijkheid. Hij schreef erover in verschillende boeken, hoe een jongen tijdens een zomerkamp door de bliksem werd gedood. ‘Ik was 14 en werd mij er op dat moment van bewust hoe fragiel en onvoorspelbaar het leven is.’ Ook in Bericht vanuit het innerlijk wordt dit genoemd in een opsomming van voorvallen die hem gevormd hebben. 

    ‘In de zomer [van 1961] werden de Freedomridders, die met bussen door het Zuiden trokken, door blanke groepen in elkaar geslagen, pleegde Hemmingway zelfmoord, en werd op een zomerkamp in de bossen van New York State een jongen uit jouw groep dodelijk door de bliksem getroffen, de veertienjarige Ralph M., die nog geen halve meter van je afstond toen de bliksemflits uit de hemel schoot en hem elektrocuteerde, en hoewel je redelijk gedetailleerd over deze gebeurtenis hebt geschreven (Why write?) ben je altijd blijven denken aan wat er die dag is gebeurd, het is je er altijd aan blijven herinneren hoe je daarna de wereld bent gaan zien, want het was je eerste les in de alchemie van het toeval, je eerste kennismaking met de onmenselijke krachten die in een oogwenk je leven kunnen vernietigen.’

    Later, toen ik thuis was, zocht ik naar het kunstboek Double Game, van de Franse kunstenares Sophie Calle. Wat had dat ook weer met Paul Auster te maken? Zo gauw ik het opensloeg, de gefotografeerde pagina’s uit Austers roman Leviathan zag, wist ik het. Een personage in Leviathan, Maria, is gebaseerd op Sophie Calle. Auster was gefascineerd door haar conceptuele kunst en gebruikte in zijn boek feiten uit haar leven, maar verzon ook kunstprojecten in de stijl van Calle’s werk. Zo laat hij Maria allerlei objecten van vreemdelingen fotograferen om daaruit de werkelijke aard van hen te reconstrueren. 

    Als antwoord op hoe zij in zijn roman werd geportretteerd, maakte Calle later Double Game. Er is sprake van eenkleurige maaltijden die Maria zou bereiden, voor elke dag een andere kleur. Calle creëerde die maaltijden, voegde er dingen aan toe, fotografeerde ze. Ook fotografeerde ze pagina’s uit Leviathan waarin ze eerst met rode pen correcties had aangebracht.

     

    Paul Auster schreef met vulpen op ruitjespapier (dit is belangrijk). Als hij een alinea af had, typte hij die uit op zijn tweedehands Olympia typemachine (de toewijding). Je zou zo’n schrijver (denk ook aan Brouwers) willen zijn. De getypte vellen werden door iemand anders in de computer ingevoerd, waarna Auster de prints corrigeerde. Uit Bericht vanuit het innerlijk: ‘Ik woon in mijn schrijven – het verteert mijn gedachten. Ik heb een hoop ideeën, plannen tegelijk – zodra ik maar even vrij ben, spelen ze door mijn hoofd; ik ben voortdurend aan het verfijnen, bijstellen, en concentreer me tegelijkertijd op datgene waar ik momenteel mee bezig ben…’ Er was veel waaraan hij nog wilde werken.

    Ik lees Brooklyn dwaasheid, waarin Nathan, in tegenstelling tot Auster zelf, niet rookt, al jong longkanker krijgt. Een klein detail uit een roman over drie vrienden die elkaar door het leven helpen. Een van de vrienden, Tom krijgt naar het einde van het boek een nieuwe relatie die hem zo goed bevalt dat hij tien kilo aan overgewicht verliest. Zijn vrouw Honey kookte voor hem gezonde maaltijden. ‘[…] er was geen sprake van dat Honey hem uitputte, hem kort hield of zijn geest verstikte. Langzaam maar zeker veranderde ze hem in de man die hij al die tijd in potentie al was.’ Dat is mooi hoe Auster deze vrouwelijke neiging de man te corrigeren, beschreef. Uit zijn boeken spreekt een zekere tederheid.

    Bij de verschijning van Austers laatste boek, Baumgartner was hij al een jaar ziek. Wat begon als longontsteking, bleek longkanker. In zijn vijftigjarig schrijverschap publiceerde Auster meer dan dertig werken, fictie en non-fictie en vertaalde verschillende boeken vanuit het Frans. Lees zijn boeken, van voor naar achter. Austers vertelkracht is groot, dingen rijgen zich aaneen, leiden je ergens heen waar je niet eerder was, uiteindelijk kom je altijd bij Auster zelf uit.

     

     

    Bron: Volkskrantinterview door Hans Bouman.
    Recensie van Baumgartner


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.