• Helden en hoe fictie de wereld redt

    Op het online literair tijdschrift Papieren Helden las ik een verhaal over een Surinaamse vader en zoon die gingen vissen. Ik ben nog nooit in Suriname geweest, maar weet nu dat De Waterkant de oudste straat van Paramaribo is, gelegen aan de Surinamerivier. Het was aan de Saramacca kreek waar de vader en de zoon op kwie kwie visten. Een klein donker visje, (ik zocht het op), met sprieten bij de kop. Ik lees over een boom. Aan het eind van de kreek staat een enorme Kankantrieboom, die onze verrichtingen gadeslaat als een aasgier. Soms ben je zo bezig met de beslommeringen van de dag dat je vergeet rust te nemen en te waarderen. Vissen dwingt je daartoe. Het vraagt dat je rustig wordt en je omgeving in je opneemt, terwijl je wacht op beet. Je neemt alles in je op en beseft hoe onbelangrijk sommige dingen zijn. Langzaam zien we de zon opkomen. Het geluid van de krekels wordt ingeruild voor dat van de vogels. Ik kan de dauw ruiken, fris en scherp.’ 

    Het fascineert me deze boom. Ik zoek het op. Het is de boom der bomen in Suriname. Als een kankantrieboom om redenen gekapt moet worden, komt hier een uitgebreid ritueel bij kijken. Om de geesten die erin huizen te bezweren. terwijl ik nog met die boom bezig ben, staat er, ‘Het is al een maand uit tussen Melissa en mij. We hadden meer dan zeven maanden verkering. Op een gegeven moment vond ze me saai.’  Een overgang die ik niet verwachtte, maar goed werkt. Soms droomde hij ‘heel even over Melissa; dat we langs de Waterkant liepen om saté te halen bij oom Re.’ Waar ik voor het eerst over De Waterkant las. Kwie Kwie, een mooi en uitgebalanceerd verhaal van Kevin Headley. 

    Op de radio hoorde ik Syriërs die vermiste familieleden hoopten terug te vinden in de cellencomplexen van Assad. Wanhoop vloeide door de ether mijn kamer binnen. In de Sednaya gevangenis bij Damascus werden betonnen vloeren opengehakt op zoek naar ondergronds leven.Ik zag vrouwen met een klein kind uit een cel komen. Een kind dat enkel die gesloten ruimte kende. Mannen en vrouwen schreeuwden omdat hun hoop op de terugkeer van geliefden vervlogen leek. De onmenselijkheid van het niet weten is wat me beschaamt.

    Deze editie kreeg de titel ‘My hare is my cape’. Verhalen als afleiding, ter bescherming. In ‘Het stuureffect van de spooras’ van Lander Govaerts, zint een malicieuze man, die precies denkt te weten wat goed voor de ander is, op wraak op de (verbeelde?) minnaar van zijn (verbeelde?) vrouw. Alles speelt zich af in het hoofd van de protagonist. Een onwerkelijk maar geweldig goed verhaal. Het loopt, overtuigt. Je vraagt je niet af of iemand het in zijn hoofd zou halen uit wraak de hoektanden van zijn rivaal af te schieten zoals hier beschreven. Ik richt de loop van het pistool vanonder mijn half dichtgeknoopte tabaksbruine mantel op zijn hoektanden. Klaar om ze eraf te blazen. Geen voedsel zal zijn gebit nog laaghartig verscheuren. Malen zal hij moeten. Met zijn ronddraaiende kiezen, die hem vanaf nu herleiden tot wat hij altijd al was. Mijn prooidier op de roestige vlakte. Hij ziet mij niet. Ik loer vanuit de schaduw van zijn onwetendheid. Een hijgende rover in het borsthoge savannegras. Het is zeven uur negenendertig op de pendeltrein tussen Geraardsbergen en Brussel. De man waarin mijn vrouw een heimelijke haven vond, zit op een veilige afstand van vijf meter van mij verwijderd. Eerst neem ik zijn hoektanden, dan zijn leven. Zij zal weer thuiskomen en blijven.’  Je denkt, wat een goed en weldoordacht plan! Een verhaal met even ongelooflijke, als verrassende wendingen. 

    Een verhaal van Ralf de Jong Dekmantel, over een valse verdachtmaking van een Russisch vertaalster door de marechaussee, er is een dossier over haar aangelegd. ‘Al ruim twee jaar werkte ze aan een vertaling van Een winter zonder tanden, een Russische roman uit 1886. De vertaling was zo goed als af, haar uitgever moest alleen nog een publicatiedatum prikken. Hij zei dat hij een ‘haakje’ zocht om het verhaal op de markt te brengen, terwijl hij tegelijkertijd moest dealen met een papiertekort als gevolg van de paperbackeditie van de Bijbel. Volgens hem draaide de boekenmarkt tegenwoordig om timing, zeker als het ging om een klassieker van een Russische schrijver uit de negentiende eeuw.’ Ook hier fantastische als even geloofwaardige drogredenen om onwerkelijke dingen (er zijn geen onwerkelijke dingen) geloofwaardig te maken. Ik denk aan ondergrondse cellen, aan marteling, hoe dit kan bestaan.

    Meer mooie bijdragen in deze editie van, David Alberti, Julien Staartjes, Sander Ausems, Sharona Maguette Diop, Caroline Ligthart, K.C. Woong en Wim Lankriet. Schrijven omdat je moet, dat proef je. Zoals vaders en moeders in onveilige landen niet anders kunnen dan blijven zoeken naar hun kinderen, een leven lang. Papieren Helden en ‘Hoe gaat fictie de wereld redden?’

     

     

    Papieren Helden



    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

  • Schitterende gedichten in het donker

    Op Instagram ging een filmpje rond van conducteur Robbert die positieve boodschappen verkondigt op het traject Amsterdam Utrecht. ‘Beste reizigers, een leven zonder liefde is als een landschap zonder zon. Daarom is het van belang van uzelf te houden. Ik wens u een geweldige dag.’ Het was zo’n dag dat ik overwoog een reis naar Amsterdam, en vandaar naar, nou ja, Utrecht te ondernemen. Zover was het met mij. Ik zocht compassie, gevleugelde woorden. Ik zocht naar poëzie. Maar ik moest de andere kant op, met de intercity richting Zwolle.

    Onderweg naar het station fietste een oudere, stevige vrouw met een hand aan haar capuchon tegen het afwaaien me tegemoet. Het was de vrouw met het gesloten gezicht die ik wel vaker door onze straat zag gaan. Terwijl ze worstelde tegen de wind, ik met wind in de rug over het trottoir ging, haar stevige benen de trappers verwoed neerdrukten, riep ze plots,‘Kut! Wat een rotweer’. Als van iemand in wier leven alles tegenzit, en dan ook nog dit stormachtige weer. Toen zag ze mij. Hoe haar gezicht zich weer sloot, zoals ik haar kende. 

    Er zijn van die dagen dat er met grote overgave wordt toegegeven aan ons eigen ongelukkig zijn. Dagen dat er een groot verlangen is naar schoonheid, naar relativering, naar in godsnaam, poëzie. Mocht alles zich vertalen naar poëzie om de draaglijkheid der dingen. Dichtregels op muren geschreven, in treincoupes, op winkeldeuren en melkpakken. Regels die de aandacht vragen, iets te vertellen hebben, zich in je hoofd nestelen als een jong vogeltje, dat op een dag uitvliegt. En wat Babs Gons over die overgave aan de ongelukkigheid dicht.

    ‘soms wil je gewoon je hoofd op de aarde leggen
     je vuist naar de hemel heffen
     de tranen laten komen en zeggen
     het is zeker omdat zwart, wit, vrouw
     dik, dun, te groot, te klein
     te lief, onaardig
     omdat ik leleijk, eerlijk
     direct, poëtisch, welbespraakt
     te zichtbaar, onzichtbaar
     kwetsbaar
     onbegrepen, geprezen
     arm, trots en confronterend ben?
     daarom zeker?’

    Op het beeldscherm in de intercity’s van de NS verschijnt sinds maanden een intrigerende boodschap. ‘Mensen die hun afval weggooien maken meer leuke dingen mee.’, (zonder komma). Een regel als een niet te kraken noot, hoe vaak ik het ook in me liet rond liet gaan, er kwam niets uit dat me een ‘aha’ gevoel gaf. Duidelijk is dat de NS wil dat afval in de daarvoor bestemde bakken terechtkomt. Maar van ‘ maakt meer leuke dingen mee’ kon ik niets maken. Ik dacht, zet er een dichter op. Wat is er mis met echte poëzie. Zoals deze regels van Willem Hussem, en dan op een scherm.

    ‘jij rijdt op een bruin paard
     ik op een wit
     eender is ons verlangen’ 

    Geef de leesmoedigen een tekst waaruit zich een betekenis vormt die het leven begrijpelijk maakt. Woorden die iets teweegbrengen, het schone verspreiden, de liefde. Ach, en wie om liefde en verlangen geeft, heeft aan de beginregels van ‘Honderd visjes’ van Floor Tinga genoeg om bij weg te mijmeren.

    ‘Het was vrijdag vijf over vijf.
    Ik zag hem op het schoolplein staan.
    Hij zwaaide en zei mijn naam.’

    Of deze van Bertus Aafjes.

    ‘soms keer ik plotseling om en kijk ik schichtig
    of iemand weet dat ik zo van je hou.’

    Allemaal te vinden in de Poëziekalender. Naast de vitamine pillen om de winter door te komen, ter versterking van de geest elke dag een gedicht (vooruit, voor het weekend een), om ontmoediging in moedigheid om te zetten. Het hele jaar door. Liever de liefde is de titel van deze prachtige poëzie scheurkalender. En wie heeft er niet liever de liefde?

     

    Poeziekalender 2025, Liever de liefde / samenstelling Mia Goes en Jos van Hest / beeld Willem Popelier / Plint


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.


  • Zender en ontvanger

    Ik las ‘To be an artist, you need to exist in a world of silence’, van Louise Bourgeois. En dacht, ‘enkel in stilte kan ik bestaan’, jawel. Dat je deuren en ramen wilt sluiten voor elke indringer in welke vorm dan ook. Gister nog riep je dat je terugverlangt naar de huistelefoon, dat je weer brieven wilt schrijven in plaats van appjes lezen en beantwoorden (of niet). Denk een envelop op de deurmat, in handschrift (waaraan je de afzender al herkent) geadresseerd. Eerst maak je koffie, dan open je de brief. De stilte die daarbij hoort. En dat je een paar dagen later, als de inhoud van de brief in zijn geheel, (fietsend naar de super, ui snijdend, zien van een film, nachtje slapen), aan je ontsloten is, pak je pen en papier. Schrijf je terug.

    Dat ik het liefst in bed schrijf, weet enkel degene die (het is nog vroeg) net uit bed is gestapt. Het moment waarop er geen input is en de verbeelding zijn werk kan doen. Laptop op schoot, notities ernaast, wifi uit.

    Jan Hanlo had geen tafel. Dat weet ik uit een brief die hij schreef aan zijn uitgever Geert van Oorschot waarin het gaat over wespen en plastic lappen die moeilijk schoon te maken zijn. ‘Men zou ze plat op een grote tafel moeten leggen en afsponsen. Maar ik heb geen tafel….’. Ik zie Hanlo op de rand van zijn bed, (geen tafel, dan ook geen stoel) met pen en papier zijn notities maken.

    Wie schrijft is de zender, wie leest de ontvanger in wiens verbeelding een verhaal ontstaat. Beelden gevormd door dingen die je weet of denkt te weten.

    Ik las een boek waarin je kunt wonen, er is een huis, een kust, een groep vrienden. Daarin verandert het beeld van de persoon op het moment dat je de beschrijving leest. ‘Ze droeg een schort zonder bovenstuk. Aan het einde van de avond zat er niet één spatje op haar blouse, wat ik mateloos in haar bewonderde.’ Eerst zie ik een schort met band langs de nek, dan een schort tot haar middel. Wat haar een ander, completer persoon maakt dan ik me eerst verbeeldde. Beelden waarmee de schrijver speelt. En dat het er zo geschreven staat zoals het moet zijn.

    Ik zou het een gelaagd boek noemen als ik niet zo’n hekel aan de uitdrukking had. Een schrijversboek is het. Er worden aanzetten gegeven tot het schrijven van twee romans. Over onderwerpen waarover al door verteller Anna, een schrijfdocent die op zoek is naar de juiste weergave, werd geschreven. Ze wil recht doen aan het onderwerp, waar meerdere boeken voor nodig zijn. Steeds zoekend naar de juiste woorden, een constructie waarbinnen het zijn vorm vindt. Er zijn twee verhaallijnen. Het eerste speelt zich af in 2018, de tweede begint in 1996. Anna is beginnend schrijfdocent. Ze geeft een master schrijven aan vier twintigers, net als zij zelf. Ze worden vrienden, maar niet voor het leven, zoals je graag zou willen. Anna vindt een vriendin in de Amerikaanse Emily (die je weer doet denken aan Emily Dickinson, de schrijfster die geen vrienden had, haar omgeving was haar genoeg). Zo ook deze Emily, die relaties laat lopen, Anna teleurgesteld achterlatend. 

    Ik lees de notities die ik, op alweer zo’n vroege ochtend, maakte over het boek.
    ‘Om 5.45 uur wakker. G. ook. Ik ga thee zetten, hij maakt koffie. Om 6.30 uur zitten we rechtop in bed, thee en koffie bij de hand. We lezen. Hij in ‘Moeder doen van F. Starik, ik in Tot het glinstert van Kathy Mathys. Een geweldig goed schrijfster. Haar boek houdt me vast. Zie er een structuur in die ik zou willen gebruiken. Ook daarvoor lees ik. Om structuren te ontdekken.’
    Het is een groots verhaal dat hier verteld wordt. Een verhaal om in weg te kruipen, in mee te bewegen.

     

    Tot het glinstert / Kathy Mathys / 327 blz. / Ambo Anthos


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Bilocatie

    Op een terras in Tilburg rust ik uit van mijn omzwervingen over de jaarlijkse boekenmarkt en lees een boek van Wim Daniëls dat ik zojuist gekocht heb. Hartje Helmond, een dichtbundel over mijn geboortestad. Ik waan me weer terug in Helmond en ik volg het spoor van Daniëls door de Heistraat, de Molenstraat en over de Steenweg waar ik zo vaak gelopen en gefietst heb. Als er ineens een jonge vrouw voor me staat om mijn bestelling op te nemen, antwoord ik automatisch in het dialect van mijn jeugd. Ik ben vergeten waar ik me bevind. Ze spert haar ogen wijd open en staart me aan alsof ik van Mars kom. Ze verstaat me niet, zegt ze. In één klap ben ik terug op het terras. Toe nou meid, we zijn nog steeds in Brabant en het Tilburgse dialect mag dan niet zo schurend zijn als het Helmonds, het is er niet zo vreemd aan hoor. Maar misschien is ze wat we in Brabant zo onvriendelijk ‘Hoog-Hollandse import’ noemen, van over de grote rivieren. Dus herhaal ik mijn verzoek in standaard Nederlands. Als ze mijn kopje koffie gebracht heeft, vraag ik me af of ik zojuist inderdaad lijfelijk op een andere plek was? Zou ik de gave van bilocatie gekregen hebben, alleen omdat ik een boek las? Het zou me niet verwonderen.

    Je kunt door te lezen Zeven jaar in Tibet doorbrengen, of een Omweg naar Santiago maken, je warmen aan Kampvuren langs den evenaar, je kunt Terug naar Oegstgeest, of met de Nachttrein naar Lissabon gaan. Je kunt de hele wereld zien zonder ook maar een stap te zetten. Niet alleen laat literatuur je reizen in de dimensie van ruimte, maar ook nog eens in tijd. De vraag die op het labeltje van een theezakje wel eens gesteld wordt, ‘in welke tijd zou je het liefste willen leven’, kun je alleen beantwoorden als je boeken over het verleden gelezen hebt en een idee hebt van hoe het leven toen geweest moet zijn. Of boeken in het genre sciencefiction, als je liever naar de toekomst reist. De wereld en alles daarbuiten ligt voor je open zonder dat je een stap hoeft te zetten. De dichter Daniël Billiet heeft dat zo mooi beschreven in zijn gedicht ‘Wat boeken doen’.

    ‘Ook de stoel kan niet meer
     blijven zitten.

     Zo woelen woorden
     zich los van de zinnen, vlammen
     op in mij, binden mij
     vleugels aan, zingen van de wereld
     in dit boek.

     Mijn lezen vreet de kamer
     leeg. Nu duurt nu geen ogenblik
     maar uren avonturen.

     Het raam barst open
     en voert mij, ontvoert mij
     naar de hele wereld buiten
     in mijn boek.’

    De kracht van literatuur brengt je naar andere landen, andere tijden, buiten jezelf. Ze bracht mij in ieder geval helemaal naar huis terug. De jonge vrouw komt mijn lege kopje halen en vraagt of alles naar wens was. Ik antwoord niet, ik knik alleen, wij spreken niet dezelfde taal. Ik ben niet eens meer aanwezig, ik ben allang weer weg.

     

    Uit: Moenie worry nie / Daniël Billiet (1999)


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Alles gebeurt tegelijkertijd

    Nu de wereld in een herhaling van zetten vervalt, er minder dan niets geleerd lijkt van het verleden, weet je niet waar te kijken. Zelfgenoegzame leiders die online hun gelijk halen, wil je de weg versperren. Spreeuwen vliegen schetterend op uit de meidoornhaag. Dat alles tegelijkertijd gebeurt. Terwijl de deurbel gaat, worden op de radio uitspraken van politici herhaald, overhandigt de postbode je een stapel platte dozen, stapt de buurman in zijn auto, verdwijnt de buurkat met gestrekte staart door een gat in de heg, zeg je lachend dankuwel. Denk, spreeuwen, deurbel, radio, meidoorn, politici, kat. Denk buurman, postbode, auto, heg. Denk klein en kijk naar een beeldessay van Mexicaanse kunstenaressen, samengesteld door Fernanda Ramos Mena getiteld, ‘Echo’s van een tijd / Die ontwricht / Aan het ontwrichten is / werd ontwricht’. Zie in de ontwrichting een mogelijkheid. Een reeks afbeeldingen met tekstregels, zie het als een poëtische oefening.

    Je loopt door het huis, een collega appt je dat de voorgenomen btw-verhoging op cultuur niet doorgaat. Je voelt je als een kind met huisarrest dat weer mag buitenspelen. Kijkt naar de opgekrulde kat op de bank, de toegeknepen ogen. Luistert naar de stem van Jimena Casas, ‘no estamos solos, estamos aquí’, op de website van Terras. En leest over een piramide die uit het wegdek steekt, hoe geschiedenis door de aardkorst heen puilt. 

    ‘Telkens als ik terug ben in Mexico’, schrijft Chloe Aridjis (vertaling Caroline Meijer), ‘valt me weer op hoeveel elementen uit het dagelijkse leven je kunt omschrijven als barok: onze zonsondergangen, onze keuken,onze vervuiling, onze corruptie.’ 

    Buiten reinigt een buurman met een hogedrukspuit zijn kant van de schutting.

    Lees Maricela Guerrero (vertaling Lisa Thunnissen), ‘Soms lijkt het knullig en klein om te zoeken naar een taal in bekende termen. / Het geeft moed om problemen te formuleren in inheemse en onbekende talen.’ Getiteld ‘De droom van elke cel’ in de betekenis van een ‘lege ruimte: als een blad dat kan worden beschreven.’

    Er is behoefte aan een verhaal, aan bladzijden omslaan, verder gaan.

    Over  die piramide in Mexico-stad. Het gebeurde in 1978, toen elektriciens een stuk weg openbraken om bedrading weg te werken, ‘stuitten ze op een loodzware, stenen schijf waarop Coyolxauhqui stond afgebeeld. Ze hadden de godin van de Maan gevonden, een belangrijke godin uit de Mexica-cultuur, die wij kennen van de Azteken.’, schrijft gastredacteur Bernke Klein Zandvoort (die sinds zeven jaar deels in Mexico woont), in haar inleiding. En hoe in Mexico verleden, heden en toekomst door elkaar lopen.

    Zoveel meer dat je lezen wilt. ‘Gradaties van bijziendheid’ van Andrea Chapela (vertaling Lies Doms):
    ’49. Wetende dat ik binnenkort op reis ga, pak ik het schrijven weer op. Ik lees Glass (Object Lessons) van John Garrison en bewonder zijn poging om glas te plaatsen binnen de kunst van het verleden en de verbeelding van de toekomst. (…)
    50. Mijn eerste dagen in Madrid gaan voorbij in een waas van de ergste jetlag van mijn leven. Het kost me een week om mijn aankomst te verwerken, mijn koffer uit te pakken en mijn nieuwe kamer op orde te brengen.’

    De hogedrukspuit van de buurman werkt de schutting met geweld tegen de grond (niet echt, maar het zou kunnen). De kat drukt zichzelf in het groene kussen van de bank. Je kunt niet alles lezen, maar dan toch van Gloria Gervitz (vertaling Bart Vonck) nog dit:

    ‘En mijn grootmoeder speelde altijd dezelfde sonate
    Een meisje eet een waterijsje op de zonovergoten straathoek
    Een man wacht op een vrachtwagen en leest de krant
    Het licht breekt
    En het wasgoed hangt in de zon. Ondoorgrondelijk is grootmoeders sonate
    Jij zie dat het zomer was. O, muziek’.

    Het leven in fragmenten. Maar denk niet dat citaten genoeg zijn om het geheel te bevatten. Het is een vleugje van iets goeds, iets dat gelezen moet worden. Werk van zesentwintig Mexicaanse of in Mexico wonende vrouwelijke auteurs (waaronder . Of, zoals Bernke Klein Zandvoort haar inleiding beëindigt: ‘(…) je mee te laten voeren door de scherpe, tedere, kolkende, rauwe en rouwende, zichzelf bekijkende taal – in de hoop dat tijdens het lezen elk woord bloem mag worden.’ Doe maar, kijk maar, lees maar. Verlaat Nederland voor even en zie de dingen in perspectief.

     

    Terras #26 Magia/No Magia



    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.



     

     

  • Wat je niet weet

    De angst uit elkaars verhaal te verdwijnen, dat is waarom je keuzes maakt die als compromis dienen. Lang was ik bang uit elkaars verhaal te verdwijnen. Vroeger dus, waarmee ik gelijk maar aangeef dat ik al langer mee ga. Toen ik begin deze eeuw met de man naar Portugal verhuisde, was er een diepere gedachte dat alles daar beter zou gaan. Elkaar beter begrijpen, konden volgen enzo. Idee van liefde (alsof er een voorbeeld was waarbinnen wij pasten). In een ander land opnieuw beginnen, is een beetje als naar een eiland gaan. Afhankelijk zijn van de omgeving, dat de ander dingen doet die niet in jullie verhaal passen. Denk roken, dieren eten. Als je dit ontdekt, de ander daarop betrapt, ja dan. Het overkomt de vertelster in Dezelfde maan ook. Al gaat het hier om gebitsreiniging. Dat ze op een ochtend de badkamer binnenkomt waar hij zijn tanden flost, wat ze hem nooit eerder zag doen.

    ‘Ik kijk naar je terwijl je de draad tussen je tanden duwt en weer lostrekt. Het is alsof ik naar een onbekende kijk.’ Dan vraagt ze zich af, als om de boel te vergoelijken, ‘Misschien is het de eerste keer in je leven dat je flosdraad gebruikt. Dat zou iets verklaren. Maar nee, je doet het iedere dag, zeg je.’ En ‘Waarom weet ik daar niks van, van dat flossen, vraag ik.’ Zegt hij, ‘Omdat je ooit gezegd hebt dat het een smerig gezicht is. (…) daarom doe ik het wanneer jij het niet ziet.’ Wat gezien kan worden als een daad van liefde, is waar zij hem stiekem gedrag verwijt. Wat hij gelukkig met humor opvat, maar er is een toon gezet.

    Er zijn dingen die je liever niet weet. Dijkhuis schrijft ze op, ‘…van de meeste dingen die in de toekomst zullen plaatsvinden weten we niet dat ze al begonnen zijn te gebeuren. (…) Je zit er al middenin.’ Een gedachte die iets openbreekt, globalisering ten top. Hier krijg ik de neiging mijn gebied af te bakenen, kop in het zand enzo. Waarover zij weet te vertellen (‘Vertel me eens iets wat ik nog niet weet’) dat struisvogels hun kop niet in het zand steken. Dat ze er gewoon vandoor gaan als er iets aan de hand is. ‘En hard ook: een rennende struisvogel haalt zeventig kilometer per uur.’ Dus, is het bij problemen beter er vandoor te gaan (wil je je eigenheid behouden). Waar dit je ook zal  brengen. Naar een eiland bijvoorbeeld, zoals de schrijfster nadat haar relatie geëindigd is. Omdat ze dacht dat ze iemand was die geen kinderen wilde. ‘Ik had me voorgenomen nooit kinderen te willen. Ik zou schrijver worden. Schrijver en moeder tegelijk zijn, dat ging niet, was mijn overtuiging.’

    Dat je dingen denkt te weten, de ander denkt te kennen, jezelf te kennen. Daarover gaat Dezelfde maan. De onzekerheid als de keuze die je gemaakt hebt, begint te wankelen. Dat toch die andere weg begaan moet worden. ‘…als ik, jaren eerder al, besloten had toch kinderen te willen. Het moederschap. Een gezin. Wat was er dan van ons geworden? Van jou?’ De creatie van een andere verhaallijn. Wat als je het over kon doen, dat vraag ik me wel eens af. Welke keuze je dan zou maken. Zelfs als je iets buitensluit, blijft het bestaan. De mogelijkheid het toe te laten blijft. De eenzaamheid die dat tot gevolg heeft, die Dijkhuis ervaart op het eiland waar ze zich heeft teruggetrokken. Ze citeert Carl Jung (zo’n boek is het, auteurs en wetenschappers krijgen een plek in haar verhaal).

    Maar luister, dit dus: ‘…eenzaamheid wordt niet veroorzaakt door de afwezigheid van anderen, maar doordat je de dingen die echt belangrijk voor je zijn verzwijgt omdat ze ontoelaatbaar voor een ander zouden zijn.’ Hoe we onszelf niet laten kennen, en dat er nog zoveel is om te vertellen wat je nog niet weet. En weet, dit is een prachtig boek!

     

     

    Dezelfde maan / Dorien Dijkhuis / 123 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • De deurmat van de buurman

    De Tsjechische film kwam in de jaren zestig met het werk van regisseurs als Miloš Forman, Věra Chytilová, Jan Němec, Jiří Menzel, Juraj Herz, František Vláčil en Vojtěch Jasný tot zo’n ongekende bloei, dat het bijna alles wat er daarvoor in Tsjecho-Slowakije werd gemaakt, naar de achtergrond drong waardoor we van hun voorgangers zelden of nooit iets te zien kregen.
    Een van die voorgangers was regisseur/scenarioschrijver/producent/cameraman en acteur Martin Frič, die tussen 1929 en 1968, het jaar van zijn overlijden, meer dan honderd speelfilms, korte films en documentaires maakte. ‘Als ik een paar dagen geen film heb gemaakt, voel ik me leeg,’ verklaarde hij. Bekende films van zijn hand zijn de literatuurverfilmingen De brave soldaat Schweik (1931, naar de roman van Jaroslav Hašek), De twaalf stoelen (1933, naar de roman van Ilf en Petrov) en Hordubal (1938, naar de roman van Karel Čapek) en Capek’s Tales (1947, gebaseerd op vijf misdaadverhalen van Čapek). 

    Fričs specialiteit was komedies. En een van die komedies, Valentin Dobrotivy (Valentin the Good), behoort tot mijn lievelingsfilms. De film zit boordevol grappen en vondsten en doet zo aan The Apartment denken, dat je je afvraagt of (de in Polen geboren) Billy Wilder Valentin the Good (1942) kende toen hij het  scenario voor The Apartment (1960) schreef. Beide films spelen in de arena van een streng hiërarchische verzekeringsmaatschappij en hebben een brave goedzak als protagonist. De rol van de kleine kantoorman die bij Wilder zo geweldig door Jack Lemmon wordt vertolkt, wordt bij Frič al net zo meesterlijk gespeeld door steracteur Oldřich Nový. 

    De openingsscène – het is vrijdagochtend en we bevinden ons in Praag op het kantoor van Verzekeringsmaatschappij Fortuna – bestaat uit vier stappen. 1) De algemeen directeur gaat een weekendje weg. Hij ontbiedt zijn adjunct en draagt hem op maandagmiddag de nieuwe polisvoorwaarden klaar te hebben.
    2) De adjunct ontbiedt het afdelingshoofd en draagt hem op de nieuwe voorwaarden maandagochtend klaar te hebben.
    3) Het afdelingshoofd ontbiedt de chef-de-bureau en draagt hem op de nieuwe voorwaarden zaterdag klaar te hebben.
    4) De chef-de-bureau draagt zijn medewerkers op de nieuwe voorwaarden nog diezelfde dag klaar te hebben, al moeten ze er tot ’s avonds laat voor overwerken.

    Welkom in de wereld van regisseur Martin Frič (1902-1968) en welkom in de wereld van Valentin Plavec.

    Valentin is een goedmoedige lobbes, die niemand iets kan weigeren en voortdurend het slachtoffer is van de practical jokes van zijn collega’s. Ditmaal maken ze het wel heel bont en loopt de grap finaal uit de hand. Valentin Plavec spaart om te kunnen trouwen en is berucht om zijn zuinigheid (hij veegt zijn voeten op de deurmat van de buurman). Dus wat is er leuker dan hem te laten geloven dat hij een miljoen heeft gewonnen in de loterij! Plavec trapt er met open ogen in, want behalve goedmoedig is hij ook goedgelovig. Hij gooit zijn zuinigheid overboord en begint met geld te smijten.

    Het is moeilijk voor te stellen dat Valentin the Good in première ging een paar weken na de aanslag op de beul van Praag, Reinhard Heydrich. Hoofdrolspeler Oldřich Nový overleefde het concentratiekamp, waarin hij belandde omdat hij weigerde te scheiden van zijn joodse vrouw die op haar beurt Theresienstadt overleefde, maar er voor de rest van haar leven door beschadigd was. Op de dag dat de Russische tanks Praag binnenreden, zou Frič een eind aan zijn leven hebben gemaakt. Maar andere bronnen betwisten dat en wijzen erop dat hij op het moment van de invasie al was opgenomen in het ziekenhuis, waar hij aan kanker stierf.

    Bij de onvolprezen webwinkel czechmovie.com kan de liefhebber van Tsjechische films zijn hart ophalen. Daar worden namelijk, naast heel veel meer, dertig van Martin Fričs films, waaronder Valentin Dobrotivy, aangeboden met Engelse ondertiteling.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer,Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Wim Brands tegenkomen

    Twaalf jaar geleden verhuisde je naar het dorp waar Wim Brands opgroeide. Dat hij opgroeide bij het bos van Voorstonden waar jij wandelde. Je hem daar opeens kunt zien lopen, als jongen. Je denkt zelfs de plek te weten waar hij een hut maakte om te schuilen. Er was altijd de behoefte aan een schuilplaats. Dat huize ‘Oldenhof’ aan de Buurtweg waaraan je gewoon voorbijfietste, het huis was waar hij zijn eerste gedichten schreef. Dat het nu, opnieuw geverfd, tuinmeubels op het erf nog de verlatenheid toont van zijn gedichten uit die tijd.

    Het is de weemoedigheid van de herfst. De aarde lijkt constant in tranen, heeft daar alle redenen toe. Ze druppen langs blad en stam. De grond bezaaid met bladeren van plataan en kastanje, als vochtige zakdoekjes neergelaten. Je liep op weg naar het dorp over de begraafplaats. Bij de achteruitgang kwam je Wim Brands tegen in een gedicht op een kleine vierkante steen. Het gaat over de grootvader op een bank tegen de muur van het huis, die altijd dezelfde kant opkeek, steeds een ander uitzicht had. Het was de gedenksteen van zijn vader. Je dacht dat hij het zelf daar had achtergelaten. Later meende je dat het een dorpsbewoner moet zijn geweest, dit gedicht overtypte, er een hoesje bij zocht en het daar achterliet voor de vader, de zoon.

    Zijn vader werkte in de papierfabriek in een dorp verderop, was ‘fabrieksarbeider’. Hoe Wim zich afkeerde van de man die steeds stuiptrekkend onderuitging. Soms denk je hem te zien, die zwijgende jongen op een fiets. Of denk je te weten in welke sloot zijn vader van zijn fiets donderde door een epileptische aanval. Je ziet de jongen die Brands toen was naast die sloot stilhouden, omkeren, wegfietsten. Hoe de herinnering daaraan hem met schaamte vervulde. Veel later schreef hij erover in een brief aan zichzelf. 

    ‘Beste Wim,
    Het is vandaag Hemelvaartsdag en ik moet opeens denken aan die Hemelvaart – lang voordat hij zelfmoord pleegde – waarop jij met je vader een fietstocht maakte. Jullie hadden een moeizame relatie, om het vriendelijk uit te drukken. De meeste dagen zeiden jullie niets tegen elkaar. Soms een grauw en een snauw, zoals je moeder het uitdrukte. (…) Je moeder riep voortdurend dat ze nooit had moeten trouwen met die man. (…) Tijdens die Hemelvaart fietste hij opeens in een sloot. Je reed achter hem, dus je had niet gezien welk grimassen zijn hersens op zijn gezicht toverden, anders had je wel geweten hoe laat het was. Je kon zijn gezicht lezen zoals je grootvader zijn tuin. Het was een moddersloot. Ondiep gelukkig, zodat hij niet kopje-onder ging. (…) Je zag dat hij niet kon verdrinken, je wist dat hij weer bij zou komen… en je besloot weg te fietsen. Je hebt daar nooit met iemand over gepraat. (…)’

    In die brief aan zichzelf heeft hij het ook over zijn dwangneuroses, hoe hij daaraan ontsnapte door te lezen, te schrijven en programma’s te maken. ‘- je was eigenlijk altijd aan het werk sinds je aan die slootkant snel weer op je fiets stapte.’ Hoe hij ontsnapte, maar toch niet helemaal. Brands lezen is vervoerd worden naar een bepaald evenwicht. Wat achteraf bezien het wankel evenwicht verbloemde.

    En soms kom ik hem nog tegen op Tiradeblog, zoals hier in: ‘Terugkomen’.

    ‘Terugkomen is niet hetzelfde als blijven.
     Staat op een muur onder de brug over de Singel, vlakbij het Amsterdamse centraal station,
    het is geschreven door Belle van Zuylen.
    Hoe vaak heb ik daar niet gefietst?
    Hoe kan het dat ik vanochtend voor het eerst die regel las?
    Ik weet wel dat ik hem graag zelf had geschreven. Een regel
    die somber kan stemmen maar ook vrolijk, het hangt er maar
    vanaf welke kant je op rijdt.’

    Dat alles dus afhangt van welke kant je op gaat.

     

    Wim Brands (1952-2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Fornuisgedichten

    Poëzie was een aanstellerige manier om iets te vertellen dat je ook gewóón had kunnen zeggen, vond mijn vader. Mijn moeder vond poëzie niets voor ‘ons soort mensen’. Mijn tegenargumenten hadden geen zin, de poëzie moest voor zichzelf spreken. Voordat ik op zondagavond terugging naar de stad waar ik studeerde, plakte ik een vel papier waarop met een gedicht dat ik had gekopieerd tegen de tegels boven het gasfornuis. ‘De werkster’ van Achterberg: 

    ‘Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
     ruwhouten planken en vergeten kieren,
     want zij behoort al kruipend tot de dieren,
     die voortbewegen op hun voet en hand.

     Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
     om deze voor de voeten te versieren
     van dichters, predikanten, kruidenieren,
     want er is onderscheid van rang en stand. 

     God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
     gaande de gouden straten naar Zijn troon,
     al slaande met de stoffer op het blik; 

     symbolen worden tot cymbalen in de
     ure des doods – en zie, haar lot ten hoon,
     zijn daar de dominee, de bakker en de frik.’

     Toen ik een week later weer thuiskwam, vertelde mijn moeder dat ze elke dag onwillekeurig het gedicht had gelezen terwijl ze stond te koken. Ze was het steeds mooier gaan vinden, ook al begreep ze niet alles. Ik stelde haar gerust, schoonheid hoeft niet altijd doorgrond te worden. Ze vroeg me of ik nog een gedicht voor haar wilde opplakken waar ze de hele week naar kon kijken. Het werd een jarenlange traditie waar we beiden veel van leerden en genoten. Ik bladerde talloze gedichtenbundels door, schreef de gekozen gedichten in mijn mooiste handschrift over op een vel papier en hing dat elke zondagavond op zonder er verder iets over te zeggen. Zorgvuldig zocht ik steeds iets uit waarvan ik meende dat het haar zou bevallen. Elsschot was altijd goed, Marsman, Nijhoff, Vasalis. Ze was streng in haar oordeel en kon een gedicht rigoureus van de hand wijzen om valide redenen, die nooit bij mij opgekomen zouden zijn. Het liefste las ze gedichten over moeders en kinderen, maar ook ‘Het geitenweitje’ van Jacqueline van der Waals vond ze als boerendochter prachtig. 

    Erover praten deden we pas op de eerstvolgende zaterdagavond als we samen stonden af te wassen: het gedicht bood ons een ingang om gedachten, emoties en verhalen uit te wisselen die anders onuitgesproken zouden zijn gebleven: de zwijgende generatie waartoe mijn ouders behoorden, overlapte voor een gedeelte nog de volgende. Na mijn studie verhuisde ik naar een stad die verder weg was, waardoor ik niet meer elk weekend thuis kwam. Ze zou me missen, vertelde ze, maar de gedichten nog veel meer.

    Toen we na haar dood het huis uitruimden, vonden we een stapeltje oude schoolschriften, waarin mijn moeder alle fornuisgedichten had overgeschreven, voorzien van haar commentaar, met onderstrepingen, uitroeptekens in de marge en fragmenten uit onze gesprekken. Ze vormden tezamen een heel persoonlijke en unieke bloemlezing, een overzicht van wat ze dacht en wie ze was. Ik heb ze behoedzaam een plaats gegeven in mijn boekenkast, tussen mijn meest geliefde dichters in.

     

    Uit: Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Vrouw met woordhonger

    Je moest ergens heen, er was een afspraak , dan toch treuzel je. Hoezo? De man wachtte al in de auto. Je was uitgehongerd (ontbijt was erbij ingeschoten). Maar je hebt het over woordhonger, dat bestaat, net als huidhonger. Je was dus begonnen aan De Parelduiker, die je stukje bij beetje verorberde en de man wachtte. Je begon aan ‘Een schielijke oplichter? – Over de betekenis van Bertus Swaanswijks oorlogsbrieven, (de latere Lucebert) door Graa Boomsma. Lucebert die eens zulke mooie brieven wisselde met Frieda Koch, de vrouw van Bert Schierbeek. Maar in zijn jonge jaren geloofde (en liet dat weten in zijn brieven) in de Duitse bezetters. Boomsma vraagt zich af of het bijvoorbeeld werkelijk zo was dat de latere kunstenaar en dichter in de zomer van 1942 met vrienden een bijeenkomst van het Nationaalsocialistisch Studentenfront bezocht. En waarom schreef hij in een bief aan een vriendin zo neerbuigend over Joden, omdat de vriendin pro Duits was?  Er is sprake van ‘knielzuchtige momenten’, als zijnde onderdanig, met alle winden meewaaiend. Er is sprake van een labiel karakter. Boomsma onderzoekt de omgeving waarin Swaanswijk opgroeide, de vrienden, alles wat invloed heeft op een labiele jongeman. Hoe de beweegredenen van een 16/17-jarige jongeman te begrijpen? Lees het, en je ontdekt dat het niet zo eenduidig is, of toch weer wel.

    Toen moest je echt gaan, de man in de auto enzo. Snel bladerde je nog door, naar de rubriek ‘In gesprek met de vorigen’ waarin jonge schrijvers vertellen over welke schrijvers hen zijn voorgegaan, wie zij bewonderden, door wie zij het lezen lief kregen. Je leest als een hongerige veelvraat. Weten hoe schrijvers aan het schrijven raakten, wie ze op een spoor zette. Deze keer is het Luuk Imhann (Thomas Heerma van Voss, Julie Ignacio – hè, het is toch Julien? – Alma Mathijssen en Merijn de Boer gingen hem voor in deze rubriek) die over zijn voorgangers schrijft. ‘De wereld was al oud toen ik geboren werd, in de herfst van 1986, in het bed van mijn ouders in een klein dorp in het Westland. Ik wist natuurlijk niet hoe oud de wereld was en ik ontdekte alles voor het eerst.’, begint Imhann.

    En daar ga je, het tijdschrift mee de auto in. Er is haast (kans op te laat komen door vrouw met onbedwingbare woordhonger). Maar dat interesseert je niet. Imhanns leren aan literatuur wel. Hoe Vestdijk, Haasse, de grote drie, De avonden van Reve hem niet konden bekoren (gewoon toegeven), en dan eindelijk via Campert en Slauerhoff het te pakken krijgt. ‘Campert was mijn startschot.’ En later Slauerhoff, die hem verder hielp de vaderlandse literatuur te ontdekken. Hoe hij zich een weg zocht door de Nederlandse literatuur, die lijn van voorgaande schrijvers  ontdekte. Hij schrijft, ‘Zie je, je kunt schrijvers in twee categorieën opdelen: zij die zich bewust zijn van de schrijvers die hen voorgingen of zij die denken uniek te zijn, alsof de (literaire) geschiedenis begon met hun geboorte. En daar maakt hij een prachtige vergelijking met de zalm, die al millennia met duizenden de rivier opzwemmen. ‘Ze volgen hun blinde intuïtie om terecht te komen op een plek waar hun ouders al waren. Een reis naar de plek waar ze vandaan kwamen.’

    En lees dan ook ‘Stichter Luc Coorevits blikt terug op veertig jaar literair ondernemen’, een interview met Coorevits door Martine Cuyt. Samen met zijn vrouw Marianne Janssen stichtte Coorevits in 1984 ‘Behoud de Begeerte’, kunstencentrum voor literatuur. Vraag: ‘Waar en wanneer viel u voor literatuur op het podium?”
    Antwoord: ‘De coup de foudre was in 1983, Nacht van de Poëzie, Utrecht. Hugo Claus las zijn “Jan de Lichte” zo majestueus en bezwerend dat ik voorgoed in de ban kwam van schrijvers die uit eigen werk lezen.’ Prachtige verhalen uit veertig jaar aan schrijvers een podium bieden.
    Neem het in memoriam ‘Nergens bang voor geweest’ aan Lisette Lewin (1939-2024) door Vic van de Reijt nog even mee. Hoe Lewin ooit bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar kwam. Over haar oeuvre en haar overlijden in het Sarphatihuis, waar ze op een ‘verborgen’ kamertje lag, ‘met de stukgelezen exemplaren van Tsjechov en Carmiggelt naast haar bed’.
    En er is meer. De Parelduiker heeft altijd meer te bieden dan je denkt aan te kunnen. Voor een woordhongerige zijn dat beslist geen parels  voor de zwijnen. Lees De Parelduiker!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Het moment van afdrukken

    Je had keelpijn en geen stem, cancelde alle afspraken en bleef thuis. Sjaal om je hals en vrij om op te gaan in het vuistdikke fotoboek, Maria Austria – Fotobiografie. Je bekeek elke foto, verdween in al die levens, de verhalen van die levens. Een foto uit 1947, je denk de situatie te herkennen, in de houding van de jonge vrouw op de voorgrond. In de afwezigheid van aandacht voor de drie kinderen die opzij van haar staan. Ze is gefocust op iets in haar handen. Je denkt ‘smartphone’, maar dat kan niet. De foto werd in september 1947 gemaakt in Het Apeldoornse Bos, waar in dat jaar vijfhonderd Roemeense kinderen verbleven in afwachting van hun vertrek naar Israel.

    De kinderen kijken alsof ze hen heeft buitengesloten. Je begrijpt dat je je soms moet afsluiten voor de gretigheid van kinderen. Je ziet afwezigheid. Vergelijkbaar met jonge moeders achter kinderwagens, mobiel in hun ene, met de andere hand de wagen duwend. Bij de vrouw op de foto is het of haar duimen een touchscreen aanraken, ze een bericht verzend. Je kijkt nog eens, ziet dan de bol wol onder haar linkerarm, een breinaald in haar hand, een stukje van een gebreide lap daaronder.

    Wie de foto’s van Austria ziet, begrijpt meteen waarom biograaf  Martien Frijns gefascineerd raakte door haar werk. Met haar foto’s legde ze belangrijke momenten in de geschiedenis vast. Een tijd waarin circussen nog rondtrokken, de watersnoodramp in Zeeland. Foto’s van het Nationaal ballet, Rudi Dantzig, een jonge Hans van Manen, van acteurs, schrijvers (prachtige foto van Leo Vroman met dochter Peggy uit 1969). En daarnaast de armoede in de jaren na de oorlog, beelden van het achterhuis met de vader van Anne Frank, Otto Frank. Het beeld dat je dacht te hebben van een situatie uit de geschiedenis, wordt met haar foto’s waarachtiger. 

    Meer dan achthonderd pagina’s aan foto’s, genomen over de jaren 1929 tot 1975. Ze geven je het gevoel dat er iets verloren is gegaan, de coherentie van het leven in die foto’s die is verdwenen. Het stemt weemoedig. Dat je enkel terugkijkend de geschiedenis kunt  begrijpen, dat besef als je naar Austria’s foto’s kijkt. De Nederlandse fotograaf Vincent Mentzel was bij Austria in de leer. Hij maakte bij haar veel uren in de doka, ‘waar ik leerde wat een goede druk nu eigenlijk was.’ En hoeveel papier daarbij verloren ging, ‘Verdomd veel.’ Dat zegt wat over het werk, waaraan geschaafd, gepolijst werd. En dan de vele portretten die ze maakte. Van James Baldwin, Maria Calles, Reinbert de Leeuw, Ramses Shaffy,  Chr. J. van Geel, Hans Dagelet. Een fotoreportage van Josephine Baker met haar twaalf pleegkinderen.

    Tussen al die foto’s dit portret van een jongen, vermoedelijk tien jaar. Het is de zoon van een vriendin van Austria, genomen in 1947 op de luchthaven waar hij met zijn moeder op hun vlucht naar Amerika wachtte. De jongen straalt een vermoeide gelatenheid uit, tegen droefheid aan. De schouders afhangend, armen zwaar naar beneden. Berusting en een niet weten wat komen gaat tekenen het moment. Je vraagt je af wat er van de jongen in Amerika geworden is. Zal hij zich het wachten, dat moment van de foto, zich Maria Austria nog herinneren.

    Wie was Maria Austria? Dat is een vraag die Frijns zich in de biografie stelt. Ze moet wel een hartelijke en toegenegen vrouw zijn geweest gezien de vele portretten die ze als een open boek met haar Rolleiflex vastlegde. Je vormt je een beeld van haar door haar foto’s. Altijd onderweg voor een opdracht, gegrepen door het moment waarop ze afklikte. Austria stierf onverwachts in 1975  door uitputting na een griep. Haar nicht Helly Oestreicher, die met haar twee zusjes voorkomt in 3lingnieuws, waarin haar vader Felix Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochtertjes van 1937 tot 1943 vastlegde, zegt over Austria’s werk, ‘Haar foto’s zijn geen momentopnames, ze vangen het veelzeggende moment.’ Austria’s beelden treffen je als een ijkpunt in de geschiedenis. Vol en scherp.   

     

     

    Maria Austria – Fotobiografie / Martien Frijns / 818 blz. / Uitgeverij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken.

  • Amalgaam van stemmen

    Er zat een haas in het midden van het veld waar ik langsfietste. Fier rechtop berekende Haas zijn kansen. Ik fluisterde, ‘Ik zie je Haas’, stapte af en weg was Haas. Dat ik een haas aanspreek als was het een opperwezen dat een hoofdletter verdient, komt door Paul Biegel. Sinds zijn trilogie over Haas, raak ik betoverd als ik er een zie. De machtige kracht van het gestrekte lijf wanneer Haas ervandoor gaat. Telkens als ik er een zie, geloof ik graag dat het de enige echte is. Haas, waar in een verwilderde tuin door pad en goudvis, de gezusters nachtvlinder en het bijenvolk op gewacht werd. Haas als brenger van het goede. Alleen de mieren geloofden daar niet in.

    In De mierenkaravaan van Mariken Heitman komt ook een haas voor. Maar anders dan in die verwilderde tuin bij een verlaten huis, bezoekt deze haas de groentetuin van tuindersvrouw Kiek. Hij vervult haar met ontzag, maar ziet hem liever gaan dan komen. En dan zijn er de mieren. 

    ‘Stel, je ontdekt drie mieren op de muur. Al snel blijken het er dertig te zijn, honderd, een veelvoud, je ziet dat ze allemaal in dezelfde richting lopen maar ook dat is incorrect: sommige lopen heen en andere terug. Dan zie je dat ze nooit botsen, dat het enige contact eruit bestaat dat ze elkaar soms betasten met hun voorste pootjes. Je zet een stap terug en overziet dan pas hun hele route, die over de muur slingert maar gemiddeld genomen als een stijgende lijn een duidelijke richting heeft, je volgt die machtige zijderoute als een drone en al die moeite, denk je, al dat lopen. Zowel oorsprong als doel ligt buiten beeld.’ 

    Je denkt na herlezing (zo’n boek is het, je leest het nog eens), is dit niet de kern van het boek? Je nergens iets van aantrekken, nergens in geloven, zoals mieren dat doen. Geen doel stellen, niet achterom kijken, het nu is wat geldt. Wat voor Kiek – die met zichzelf te stellen heeft sinds uit een scan bleek dat ze MS heeft – betekent dat ze zal zaaien, oogsten, grond bewerken, teeltplannen maken, opnieuw zaaien. De seizoenen stuwen haar voort. In de vier hoofdstukken Herfst, Winter, Lente en Zomer heeft Kiek te maken met krachtverlies in handen, zwabberbenen, en moe, zo moe. Er is een intens proces gaande.

    Bij eerste lezing was het de reikwijdte van liefde die me trof. Waarom verbreekt Kiek haar liefdesrelatie nu ze MS heeft. Is een ziekte het waard de liefde af te wijzen? Ik denk aan de oudste zus van Jan Fontijn waarover hij schreef in Opgebouwd uit hetzelfde. Ze had hartproblemen waardoor ze, zo zei de arts, niet kon werken. En beter was het, zei de arts, met zo’n hart niet te trouwen. Waarmee hij haar de kans op een partner, die na haar dood om haar zou treuren, ontzegde. Dat is wat ook Kiek doet, zei ontzegt zich het medelijden en zorg van haar vriendin. Omdat ze de eenzaamheid beter verdraagt dan de liefde.

    Wat me bezighoudt, is de ik-verteller. Is het Kieks alterego, is het de tuin? Want als aan groenten, aanvliegende ganzen en een composthoop menselijke eigenschappen worden toegekend, waarom zou de tuin dan niet de verteller kunnen zijn. Hoe de ik de staat van een composthoop beschrijft. ‘Wekenlang gebroeid. In zijn hete buik is materie veranderd, hij is geslonken en inmiddels is de koorts gezakt. Na het smeulen volgt lauw wachten, zijn ademhaling oppervlakkig.’ Hoe mooi je dit vindt.

    Of is de ik bedoelt om bij afwezigheid van Kiek hiaten op te vullen. Kijk, in het volgende fragment stelt de ik zich voor als nettenboeter.  ‘Want dat is wat ik doe, ik vertel en boet het net. Vul gaten op en verknoop draden, zodat het een logisch uit het ander, zodat al die draden samen een weefsel vormen, (…) zodat ook de toekomst weer kloppend klinkt en de samenhang is verzekerd.’ Het fascineert me. Lees hoe rabarber groeit, elke lente opnieuw. Kijk dan toch! ‘de wortelstokken duwen hun toverballen boven de grond. Groen met rood dooraderde drakeneieren, bruin geschubd. Als over een paar dagen die leerachtige schaal barst, verschijnen er stijve bladeren op zuurstokstelen.’ Mooier zag ik de groei van rabarber nog niet eerder omschreven. Een betoverende en rijke roman.

     

     

    De mierenkaravaan / Mariken Heitman / Blz. 206 / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken.