• Eerbied voor het gewone

    Een vriendin vertelde me onlangs over een uitstapje met een stel vrijwilligers. Het was een klein groepje geweest, wat iemand de volgende reactie ontlokte: ‘Jullie waren dus de elite.’ Waarop zij antwoordde dat juist degenen die thuis waren gebleven dat geweest waren en zich – begreep ik – verongelijkt hadden getoond dat ze ‘van niets wisten.’ Twee interessante visies op wat ‘elite’ inhoudt: de mensen in een bevoorrechte positie, die mee waren geweest met het uitje, of juist degenen die boos zijn dat hun een privilege door de neus is geboord.

    Beide omschrijvingen komen voor in het dubbeldikke jubileumnummer van De Groene Amsterdammer: ‘De elite bestaat, en ze heeft een taak.’
    Het etiket ‘bevoorrechte positie’ kwam er zelfs drie keer in terug, maar ook omschrijvingen als: mensen met belangen, mensen die in een bubbel leven, de meest welvarende mensen van de bevolking, de bovenlaag, de geprivilegieerde klasse, mensen die hoog in de boom of in een ivoren toren zitten. En – opvallend – het zijn de pioniers van een samenleving, de progressieven. Als je het zo bekijkt heeft de elite inderdaad een taak.

    In dezelfde week dat ik De Groene had gelezen, las ik in Trouw een ‘Klein verslag’ van Wim Boevink. Hij besprak een boekje over Nol Prager dat in eigen beheer was uitgegeven, geschreven door Hanna Bakker. Nol Prager was een violist met een grote belangstelling voor Stravinsky, wis- en natuurkunde, filosofie en literatuur. Ook was hij bevriend met beeldhouwer Mari Andriessen en schrijver Lodewijk van Deyssel. Bovendien was hij lid van de rebellenpartij Hadjememaar. Boevink eindigt zijn verslag met de conclusie: ‘Een liefdevol boekje over een elitaire, belezen, charmante neuroticus.’
    Over het net surfend zag ik dat de VPRO in 1994 een uitzending aan Prager heeft gewijd waarin tussen de muziek door het gedicht Kennis van Vasalis werd voorgedragen. Dit leek me wel passend en dacht aan een ander gedicht van Vasalis, ‘Fanfare-corps’, zoals zij het spelt. Hierin weet ze zich in deze verre van elitaire – eerder volkse muziekuiting – in te leven en de gevoelens die dit oproept, raak te verwoorden. Immers: ‘voor elk verstaanbare muziek’ speelde de musici, ‘die aan het ademloos publiek / ieder gevoel met name noemde.’ Geen Stravinsky in ieder geval, maar

    eerbied voor gewone dingen,
    neiging om hardop mee te zingen,
    en dan te huilen om dit lied,
    ontstond in mijn verwend gemoed.

    Hier is iemand aan het woord die weet dat ze tot de verwende elite behoorde, en er ook uit wilde treden. Misschien is dat de taak die welke elite dan ook heeft: het niet ontkennen ervan én er wat mee doen. Wellicht bedoelde de Groene dat en brachten Prager en Vasalis dit in praktijk.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Leesdieet

    Ik geloof in de kracht van de gedachte. Beweerde Einstein niet dat elke gedachte tot leven komt en werkelijkheid wordt? Ik werd er dan ook akelig van na een week het miesmuizerige nieuws over de leesstand in ons land te hebben aangehoord. Krant en radio verkondigden in vele varianten dat Nederland ontleesd raakt. En nog wel in rap tempo. Dat komt door de jongeren, die steeds minder vaak een boek ter hand nemen. En dat komt weer doordat ze aldoor een smartphone in de hand hebben. In een stukje in dagblad ‘Trouw’ was zelfs sprake van een ‘leesdieet’. Waarbij de Nederlandstalige literatuur het meest was afgeroomd, een zogeheten mager product was geworden.

    Een medewerker van een boekenwinkel liet desgevraagd in dat stukje weten dat we in een wereld leven met teveel afleiding, dat een boek lezen een bewuste keuze is geworden. En dat die keuze niet meer gemaakt wordt. Deze boekenman illustreerde ons schamele leesgedrag met een koekje van eigen deeg. Hij bekende dat hij zelf ook steeds vaker met zijn ‘smartphone bezig was’, (het klonk als iets onbetamelijks, zoals steeds obsessiever in je neus peuteren of ander heimelijk gedrag). Tot hij opeens besefte dat hij de goden verzocht door als boekverkoper het gedrukte papier links te laten liggen. ‘Sindsdien zet ik elke woensdagavond mijn telefoon uit en ga ik lezen.’  Wat een fantastische boekenman, die zich een avond per week opoffert voor een groter doel: het boek. Al voorziet hij wel dat het te laat is, gezien zijn: ‘Ik hou mijn hart vast: voor de jongeren, (…) voor de boekwinkel.’

    Ik raakte hierdoor in een vreselijke dip en piepte tegen Mijn lief dat we zonder het lezen van boeken zouden eindigen in een geesteloze wereld. ‘En waar moeten al die schrijvers heen’, riep ik met een groot gevoel van meelevendheid. ‘Als er niet meer gelezen wordt, wat moeten die dan?’ Al die uren, dagen, jaren dat er aan een boek wordt gewerkt en geen hond die het lezen zal. Die in onbruik geraakte boeken die in boekenkasten, bibliotheken en in bananendozen op zolders zullen verblijven tot de eeuwigheid hen verstoft heeft… Mijn lief zei dat ik ook altijd alles zo overdreef. Dat het zo’n vaart niet zou lopen.

    Toen las ik de column van Christiaan Weijts (NRC 19-01-’18). Ook hem had het ‘rampnieuws’ over ontlezing bereikt. Juist op de dag van de storm was hij met de trein op weg naar een school waar hij het wilde hebben over verbeeldingskracht en hoe dat een kind aanzet tot leren. Dat verbeeldingskracht verdwijnt waar verplicht wordt te lezen. Weijts pleit voor ‘Lesuren in vrije verbeelding’. Waarbij scholieren één uur per week in een wifi-loos lokaal samenkomen waar je mag ‘ lezen, luisteren en kijken wat je maar wilt, als je er maar in opgaat.’ Wat moet dat heerlijk zijn, freewheelen door tijd en ruimte, bladerend door een boek, dat je misschien wel gaat lezen. Zo maar omdat niemand het zegt.
    Maar Weijts kwam nooit aan. Door die storm strandde hij met vele anderen in een pannenkoekenhuis. Daar zag hij zowaar dat er wel vijftien jongeren een boek zaten te lezen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Ik ben geen Murakamista

    Oké, ik geef het onmiddellijk toe. De feiten spreken het tegen. Ik heb de drieëntwintig in het Nederlands verschenen titels van Haruki Murakami niet alleen allemaal in de kast staan, maar ook – en de meeste meer dan één keer – gelezen. Van zeker de helft van zijn romans heb ik een Engelse vertaling. Ik had het vrijdag verschenen tweede deel van De moord op Commendatore uit op het moment dat ik zaterdag om twaalf uur aan boord ging van het SS Rotterdam voor het Murakami Weekend.
    Dat is allemaal waar, maar ik ben geen Murakamista. Ik ben geen hondstrouwe fan en hoef ook niet bij elke tomaat die ik snijd aan Murakami te denken.

    Ik begon niet blanco aan zijn oeuvre. Murakami werd me namelijk van harte aanbevolen, eerst door Tim Krabbé, daarna vond ook Abdelkader Benali dat ik niet om hem heen kon. Ik liet me niet kennen en begon, en het moet gezegd: De jacht op het verloren schaap kostte me geen enkele moeite, ook al had ik sinds De trein der traagheid van Johan Daisne geen magisch-realistische roman meer gelezen.
    Van sciencefiction en fantasy houd ik niet en ook Murakami’s universum is eigenlijk het mijne niet, toch werd ik een gretige lezer van zijn werk, en dan met name van dat deel waarin parallelle werelden de vanzelfsprekendheid zelve zijn. Tijdens dat lezen geef ik mij volledig aan hem over, maak ik geen enkel voorbehoud en geloof ik alles. Een pop van lucht, sprekende reuzenkikkers of een Idea die weggelopen lijkt uit een schilderij: ik zie het allemaal voor me. In kleur en driedimensionaal.

    Daarom snap ik ook niet waar die beelden en de bijbehorende betovering blijven als ik een boek dichtsla. Normaal gesproken zindert een boek nog geruime tijd na, maar bij Murakami blijft dat onder de huid gaan zitten uit. Dat niet beklijven doet denken aan wat Ype de Boer in Murakami en het gespleten leven schrijft als hij het heeft over de ervaringsarmoede waar veel van Murakami’s personages aan leiden: ‘Een ervaring is een gebeurtenis die ons verandert, ons vormt en richting geeft. Een belevenis kan ons daarentegen volledig onaangedaan laten, (…)’, en dat baart mij zorgen. Dat zou namelijk betekenen dat wat ik lees mij niet raakt en dus ook niets teweegbrengt. Dat ik na het lezen nog precies dezelfde ben als degene die ik daarvoor was. Zo’n lezer wil ik niet zijn.

    Ik ben geen lezer die denkt dat sake drinken, Japanse karakters schrijven en mediteren helpt om dichter bij Murakami te komen. Literatuur heeft geen belevenissen en ook geen toegevoegde waarde nodig.
    Daarom moest ik anderhalve dag stug doorlezen. Het tweede deel van De moord op Commendatore moest uit voordat ik incheckte op het SS Rotterdam. Ik ben geen Murakamista, ik gunde mezelf gewoon een leeservaring zonder toeters en bellen.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Op naar de boekhandel

    Hoewel ik de jaren van goede voornemens al ver voorbij ben, legde ik me voor dit jaar toch een beperking op (want daar komen voornemens meestal op neer). In plaats van online boeken bestellen moest ik erop uit. Niet meer de eenvoudige klik met de muis en hup, daar ligt het boek ‘in winkelwagen’. Als ik nu verzeild raak op een online boekwinkel trek ik mezelf aan de mouw en turf ik het aantal keren op een notitieblaadje. Bij een volle turf moet ik erop uit. Na drie dagen was het zover. Met een flinke slag in het achterwiel, fietste ik de straat uit. Het zwiepende wiel maakte mijn gang behoorlijk onzeker. Ik vroeg me opeens af of het wiel het zou kunnen begeven bij onverwachte manoeuvres. Dat het zou dubbelklappen en ik ter aarde zou storten waarbij een gewelddadig bonken van staal op steen te horen zou zijn en het rinkelen der spaken. Hmm, ik kon nog terug en via die muisklik een boek bemachtigen.

    Doorfietsend  mijmerde ik verder over hoe het moest, als het wiel het dus begaf. Kilometers naar huis lopen met een lekke band was wel te doen. Met een fiets waarvan het achterwiel onbruikbaar is, zou ik niets kunnen beginnen. Ik herpakte mezelf – kijk aan, ik fiets nog – en zag in de verte de brug over de IJssel liggen. In de stad bezocht ik de tweedehands boekenzaak die zich tegenover de breed uitgebouwde  Broederenkerk bevond. In de krappe kelder van de winkel onderzocht ik rij na rij de auteursnamen plus titels. Opeens bleef mijn blik hangen – als bleef ik met mijn mouw achter een spijker haken – bij een dun boekje met een lichtblauw stoffen kaft waarop in gouddruk stond; Hermine de Graaf – Een dag in december.

    Ik nam het boekje uit de kast en zei: ‘Hermine de Graaf. Waar was je al die tijd.’ Ik was haar nooit meer ergens tegengekomen en had haar, hoewel ergens op de achtergrond van het literaire landschap wetende, nooit meer gezocht. Ik dacht aan haar debuut uit 1984. De verhalenbundel  Een kaart, niet het gebied, fascineerde me toentertijd mateloos al had ik het nooit helemaal kunnen doorgronden. De vrouwen in haar boeken waren stugge zich immer verongelijkt voelende personages in hun verhouding tot de man; vader, echtgenoot of broer. Haar proza was net zo strak en mokkend als die vrouwen waren. Maar wat was het mooi proza. Ze schroomde niet om tussen het vertellen van een verhaal zich terug te trekken om een scene daaraan voorafgaand en die van belang leek, in een zin van pakweg 110 woorden op de lezer los te laten. Haar weer lezen is  thuiskomen in een sfeer die ook het werk van Doeschka Meijsing kenmerkt. Ik nam alle drie de boeken; Een dag in december, Stella Klein en Alleen de heldere uren. Mijn voornemen voor dit jaar was nu al geslaagd.


    Op de site van de Koninklijke Bibliotheek staat een necrologie van Hermine de Graaf.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • De zomer dat het bos verbouwd werd

    Bijna overal waar ik als kind woonde, had ik een bos bij de hand. Steeds als wij verhuisden, stonden er weer bomen te lonken aan de overkant van de weg. We kwamen er zelden – mijn ouders waren geen wandelaars – maar dat die bomen daar stonden, was hoe dan ook een groot goed.
    Toen ik volgens mijn vader én mijn moeder oud genoeg was om op eigen houtje een bos te verkennen, kwam ik tot de ontdekking dat bossen in het echt minder eng zijn dan in sprookjes.

    Pas in de zomer dat ik eindexamen deed, profiteerde ik echter optimaal van het bos aan de overkant van de straat waar wij toen woonden. Het avontuur begon met een gammele schuur die er van de ene op de andere dag stond. Er werden paden aangelegd die nergens naartoe leken te leiden. Stukje bij beetje ging het hele bos op de schop, maar ik zag er nooit iemand om op heterdaad te betrappen. Totdat ik op een dag tegengehouden werd door een meneer met een lichtmeter. Terwijl zijn aandacht onverminderd uitging naar de zon en de wolken, gaf hij mij te verstaan dat het pad dat ik van plan was te nemen verboden terrein was.

    Ik bleek op de set van De zevensprong beland en het was niet de bedoeling dat ik in beeld kwam. Er zat niets anders op dan geduldig te wachten. Eerst moest de zon vrij spel krijgen. Daarna moest verderop een scène net zo vaak over tot de regisseur tevreden was. Eindelijk klonk krakend een verlossend woord uit wat waarschijnlijk een walkie talkie was. De omgeving werd vrijgegeven en wandelaars konden hun tocht vervolgen. Ik begaf me richting set en was daar de rest van de zomer niet meer weg te slaan.

    Het boek van Tonke Dragt had ik als kind al verslonden. Die zomer kreeg veel door de verfilming een extra dimensie. Ik zag haar personages én mijn dorp door de ogen van een ander. Niet alleen het bos onderging een metamorfose, ook het dorpsgezicht veranderde. Naast de kerk verrezen een bioscoop en een patatkraam en het plaatselijke kasteel, dat op het punt stond gerenoveerd te worden, kreeg een make-over zodat het voor ‘Het Trappenhuis’ door kon gaan.
    Sinds de zomer dat ik eindexamen deed, liggen schijn en wezen voor mij definitief in elkaars verlengde, en weet ik hoe je, als een verhaal er om vraagt, het heel natuurlijk kunt laten regenen.

    ‘Het Trappenhuis’ doet tegenwoordig dienst als museum. Het is in de oude luister van ver voor De zevensprong hersteld. Ik was er vorige maand. Terwijl anderen er kwamen voor de kunst en aandachtig keken naar schilderijen, tastten mijn ogen minutieus de ruimtes, de muren en de deuren af. Waar zijn graaf Grisenstijn en zijn neefje Geert-Jan gebleven?
    Buiten ligt de slotgracht er bevroren bij. Ik herinner me een meisje dat even verderop – buiten het zicht van ogen die onzeker maken – tevergeefs probeerde op haar houten schaatsen te blijven staan.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Proust is overal

    Samen met een vriendin vorm ik een leesclubje. Met Oud en Nieuw hebben we het eerste deel uit Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust besproken. Niet dat mijn onvolprezen docente Frans op de middelbare school, Dieuwke Eringa (auteur van de prachtige autobiografie Ik ben van elf) Proust niet heeft behandeld, maar dit was anders.

    We kwamen zo’n beetje tegelijkertijd op het idee en sindsdien duikt de naam Proust overal op. Bij mij begon het met een radio-uitzending waarin violiste Maria en pianiste Nathalia Milstein A chloris van componist Reynaldo Hahn (1874-1947) speelden. Hahn bleek een korte liefdesrelatie met Proust te hebben gehad en schreef dit stukje oorspronkelijk voor zangstem en piano. De bewerking staat op de CD La sonate de Vinteuil, een eerbetoon van de zussen Milstein aan Prousts Op zoek naar de verloren tijd.
    Het stukje werkte bij mij op dezelfde manier als bij Proust de madeleine bij een kopje thee: ‘in een seconde doorliep ik eeuwen van beschaving’, om de ik-figuur aan te halen. Bij het stukje van Hahn kun je wegdromen op een nostalgisch aandoende, wiegende pianobegeleiding. Het bracht me door het mooie, bescheiden toucher van de pianiste terug in het ouderlijk huis, waar mijn vader achter de piano zat en een kleinood speelde.

    Een week later zong tenor Mark Padmore met Imogen Cooper aan de piano in het Amsterdamse Concertgebouw enkele Chansons grises van diezelfde Reynaldo Hahn, die Padmore zonder rustmoment aaneenreeg met twee Mélodies van Hahns tijdgenoot Fauré. Het laatste lied van Hahn heet L’heure exquise, het volmaakte uur, waarin heden en verleden samen vielen in een moment dat eeuwig leek te duren. De filosoof Bergson had het erover, herinner ik me van de lessen van Dieuwke Eringa, maar Bergson schijn je volgens mijn vriendin op een of andere manier niet meer met Proust in verband te mogen brengen.

    Voor NBD Biblion recenseerde ik in diezelfde week het literaire essay Over Bach van de Vlaamse schrijver en  tevens Proustliefhebber Bart Stouten. Het kon niet missen: Proust komt ook in dit fraaie boekje verschillende keren voorbij. De Fransman gaat volgens Stouten in zijn Recherche ‘op zoek naar de betekenis van het leven’ – inderdaad: verder dan Bergson dus.
    Stouten heeft het over de ettelijke pagina’s die Proust wijdt ‘aan het herhaald beluisteren van een magisch soort muzikaal zinnetje dat de verteller blijft intrigeren (…). Swann verbindt de geboorte van zijn liefde voor Odette met een frase uit de sonate van Vinteuil: in een mystiek aanvoelend moment laat Proust zich meevoeren door zijn indrukken sine materia die zich enten op het ranke melodietje van de viool en de “massale doorbraak” van de piano. De frase achtervolgt Proust (…) en veeleer dan een intrinsieke betekenis te hebben, “openbaart” ze.’
    Voor mij is dat melodietje sinds die bewuste radio-uitzending toen ik stond af te wassen – hoe gewoontjes wil je het hebben – A chloris van Hahn. En misschien gaat Proust dáár wel over: de gewone dingen des levens.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Knapperend haardvuur


    Waarde lezer, nu de sneeuw gesmolten is, de rivieren zich sinds lang weer overtroffen hebben in het buiten hun oevers treden en het bijna kerstmis is, neemt mijn hang naar Russische  literatuur de overhand. Waarmee ook een vereenzelviging met een bepaalde verteller optreedt die uitblinkt in het aanstippen van stemmingen en uitdiepen van gevoelens. Maar vooral is het zijn verteltrant die me niet meer loslaat. Ik heb het over Ivan Toergenjev, (-jef of jew (op de verschillende uitgaven wordt zijn naam anders gespeld). Wat een charmant schrijver. Toen ik hem decennia geleden ontdekte in de boekenkast van mijn vader, raakte ik zo door hem betoverd dat er sprake was van verliefdheid. Al zou ik hem nooit anders ontmoeten dan in zijn verhalen (hij overleed in 1883).

    Maar is het niet mooier (ook om verliefdheid onverminderd te blijven ervaren) dat het onderwerp van deze innerlijke gevoelens, onbereikbaar moet blijven? In de verhalen van Toergenjev die over de liefde gaan, is het onbereikbare van de geliefde een belangrijk aspect. Het heimelijke smachten om alleen maar een glimp van de begeerde persoon op te vangen zoals in het verhaal ‘Eerste liefde’. Waarin de 16-jarige zoon des huizes een liefde opvat voor de naburige 20-jarige dochter van een vorstin. Zo gauw de liefde verstoord wordt door een kus of het anderszins uitwisselen van deze smachtende gevoelens, is het evenwicht verstoord en wordt het een spel van aantrekken en afstoten. Ja, zo is het beter een geliefde op afstand te houden. Erover te schrijven.

    Zo gauw ik Toergenjev lees, raak ik opnieuw onder zijn bekoring. Hoe hij zijn verhalen, (of zoals hij ze ook wel noemt, schetsen) aanvangt met vertrouwenwekkende zinnen ala, ‘Lezer, kent u die kleine hoeven van adellijke hereboeren, waaraan een vijf en twintig, dertig jaar geleden ons Grootrussische Randgebied zo rijk was?’
    Dan zit ik innerlijk al te knikken en zeg;’ Ja, ja, natuurlijk. Die kleine hoeven. Wie kent ze niet.’ Ik ervaar dan een betrokkenheid die me haast lyrisch maakt. Omdat de schrijver mij betrekt in zijn verhalen alsof ik er toe behoor. Verhalen waarin beschrijvingen van personen en achtergronden nog wijdlopig zijn. Om getuige te zijn van de omslachtigheid aan woorden tussen een doortrapte paardenhandelaar en een onervaren koper (uit: ‘Lebedjanj’).

    Of het verhaal ‘De ongelukkige’ dat begint met: ‘Ja, ja, begon Pjotr Gawrilowitsj, dat waren zware dagen… ik had die herinnering liever niet weer opgehaald… Maar ik heb het u beloofd, dus ik zal alles moeten vertellen. Luistert u maar.’
    En dan luister ik, omdat ik me na deze eerste zin medeplichtig voel; hij heeft me iets beloofd. En niet alleen degene die iets belooft moet iets inlossen, maar ook degene die een belofte heeft losgemaakt moet, in deze, zijn luisterend oor bieden. Dus steek ik deze kerst de waddenzee over met mijn Rus en gaan we bij Nes aan land. Als de dis gedekt is, de wijn ingeschonken zullen wij samen plaatsnemen nemen bij het houtvuur en laat ik hem, wijdlopig als hij is, zijn verhalen vertellen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Dag huis

    Van Heutszlaan 78/I
    Hertenlaan 16
    Am Lochtenberg 48
    Burgemeester van Tuyll van Serooskerkenweg 21

    Voor mijn gevoel ben ik in mijn jeugd vaak verhuisd, maar nu ik de adressen waar ik met mijn ouders woonde op een rij zet, blijkt het eigenlijk wel mee te vallen.
    Op de dag dat ik elf werd, gingen wij wonen in het huis in de straat met een voor dagelijks gebruik te lange naam. Zo er sprake is van een ouderlijk huis, dan is dat dit huis. Mijn ouders waren rond de vijftig toen zij het kochten. Het was hun eerste eigen huis. Het was bijna 44 jaar van ‘ons’.

    Was, want het is inmiddels verkocht en het moest dus leeg. Toen ik aan de klus begon, wist ik me getroost door Nicolaas Matsier, maar hij maakte met zijn Gesloten huis van mij ook een gewaarschuwde dochter. Hij bereidde mij voor op tegenstribbelende voorwerpen. ‘We wilden de dingen kwijt, terwijl de dingen nog van alles zeiden. Ze bleven maar doorpraten, al die relicten van weinig of geen waarde. Opeens werd er over hun lot beschikt.’
    Omwille van de dingen, maar ik zal niet ontkennen dat het mij ook goed uitkomt, heb ik meer bewaard dan ik kan herbergen. Ergens in een loods gaan de voorwerpen voorlopig een gesprek met elkaar aan. Binnenkort hoop ik ze te verwelkomen en te horen wat ze mij te vertellen hebben.

    Toen het onttakelen van het huis al in een vergevorderd stadium was, verscheen Harnas van Hansaplast van Charlotte Mutsaers. Haar ouderlijk huis was van een andere orde dan dat van mij. Bij ons hingen geen grote geschilderde portretten van een vader en een moeder aan de muur en niemand zal de hutkoffer uit Indië aangezien hebben voor de kist waarin Hugo de Groot uit Slot Loevestein ontsnapte.
    Een van de weinige dingen die Charlotte Mutsaers en ik gemeen hebben is een emaillen broodtrommel. Over dat ding heb ik me inmiddels ontfermd. Haar broer Barend bracht mij op een idee.

    Pendelend tussen mijn huis en het huis dat binnenkort het onze niet meer is, lees ik het ene boek na het andere. Deze week is De jaren van Virginia Woolf aan de beurt. De woorden waarmee Woolf duidelijk maakt hoe leeg het huis van de familie Pargiter is, komen hard aan. ‘Ook daar vertoonde de muur verkleuringen, waar de boekenkast had gestaan, waar de schrijftafel had gestaan. Ze dacht terug aan zichzelf, zoals ze daar had gezeten (…)’. Waarschijnlijk omdat ik zelf net geprobeerd heb verkleurd en gescheurd behang en de moeten in het tapijt zo mooi mogelijk te fotograferen.

    Meer dan een jaar was ik bezig met het verzamelen en genereren van ‘huishoudelijke’ herinneringen. Ik heb er nu genoeg om het verleden te reconstrueren en wezenlijke momenten op te roepen.
    Inmiddels begint de tijd te dringen: ik moet mezelf nu echt ontkoppelen van het huis. Ik moet wie ik daar was loslaten en de teugels van het leven dat ik er geleid heb laten vieren.

     

    Virginia Woolf werd vertaald door Barbara de Lange.


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • De eerste keer

    Mijn jongste stiefzoon is twaalf en speelt Zelda: Twilight Princess op de Wii. Zijn drie jaar oudere broer deed dat jaren eerder al. Continu was ik destijds het stroperige Engels aan het vertalen – voor iemand met een Cambridge-diploma duurt het schakelen tussen twee talen bij mij altijd zo lang dat tegen de tijd dat ik de knop heb gevonden, mensen allang moeten denken dat ik niet helemaal goed ben. Nu speelt de jongste het spel, een van mijn favorieten omdat het zo rijk is aan verhaal, dus voor het eerst. Mijn hulp heeft hij niet nodig. Ik ben een beetje jaloers op hem, hij kan het nog helemaal ontdekken. Misschien zal hij op een dag ook Bioshock spelen, nog zo’n favoriet. Halverwege dit vrij lugubere verhaal, je moet er van houden, zit een kantelmoment – er blijkt iets helemaal anders te zitten dan je dacht, je had het kunnen weten als je had opgelet. Ik zou er graag bij zijn als het kwartje bij zoon valt. 

    Er zijn verhalen, in boeken en films en kennelijk ook in games, die je gelijk weer zou moeten kunnen vergeten, zodat je ze opnieuw en opnieuw kunt beleven zonder dat de overdondering sleets raakt. Hoe heerlijk moet het zijn als de verrassing je weer zou overvallen – erachter komen wie Keyser Söze is in The Usual Suspects, The Sixth Sense voor het eerst zien, de laatste bladzijde lezen van Iain Banks’ Wasp Factory en denken: hoe heb ik dat over het hoofd kunnen zien?
    Een boek dat ik nooit meer zal lezen omdat het moment waarvan ik wel wist dat het zou komen gewoon te groot voor me was, is Life of Pi van Yann Martel. Maar wat had ik het graag nog niet gelezen – het nog niet geweten. 

    Toch heeft die behoefte aan vergeten en opnieuw verrast zijn niet alleen met een plot te maken. Als kind las ik, wanneer ik verdrietig was maar er niet bij kon, Spijt van Carry Slee of Achtste groepers huilen niet van Jacques Vriens. Beide boeken moet ik zeker tien keer van kop tot kont hebben gelezen, net zo lang tot ze me niets meer deden: er was verdrietsgewenning ontstaan. Nu, om hetzelfde effect te bereiken, kijk ik soms de allerlaatste minuten van Six Feet Under. Zo hop ik van boek naar boek, film naar film, van huilbui naar huilbui, altijd op zoek naar overdondering en catharsis.
    Terwijl de jongste druk in de weer is met zwaard en paard, sta ik voor de boekenkast me af te vragen welke boeken ik het liefst nog niet had gelezen. De mansarde en De wand van Marlen Haushofer bijvoorbeeld, Beatrice en Vergilius van Yann Martel, De groene mijl van Stephen King – geen plotverhalen maar wel grote emotionele reizen. 

    Voor Sinterklaas kreeg oudste stiefzoon de complete serie van The Sopranos cadeau. Ook Six Feet Under heeft hij nog niet gezien. Hij mag het nog allemaal meemaken, voor het eerst, die beide series, beide reizen. Wat moet dat heerlijk zijn. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

  • Terloopsheid der dingen


    Enkele weken geleden zat ik in Utrecht tegenover een schrijfster die begin dit jaar debuteerde met een verhalenbundel. Daarvoor zag ik haar optreden tijdens een literair festival. Ze las voor uit haar bundel alsof het haar niet interesseerde wat ze las. Alsof ze in het voorbijgaan een mededeling deed. Voordat ze klaar was, stond een festivalvrijwilligster met gebaren haar aandacht te trekken. Ze merkte het niet op. De  vrijwilligster wees met een omtrekkende beweging van haar rechterhand op haar linkerpols. Toen de schrijfster klaar was, kwam de vrijwilligster op haar af. Uit haar lichaamstaal begreep ik dat ze de schrijfster alsnog wilde uitleggen dat ze te lang was doorgegaan. De schrijfster glimlachte verontschuldigend. Toen kwam een volgende debutante op, een vlotte prater, ze oogstte succes. Mijn voorkeur ging uit naar de verhalen van de schrijfster. In de pauze kocht ik haar boek.

    Toen we in Utrecht tegenover elkaar zaten, vertelde ze over haar schrijven. Hoe het verhaal eerst op papier komt en dan herschreven wordt. Toch wel tien keer, dacht ze. Een bekentenis die me charmeerde; alsof  het een verdienste was als je een verhaal in een keer op papier krijgt. Ooit schreef ze twee romans. Maar die waren niet goed, zei ze terloops. Het was, vergeef me mijn idolatrie, een oprecht schrijver met wie ik in Utrecht bij café Broere zat. Ze noemde haar eerste roman een jeugdzonde. De bedachtzaamheid waarmee ze over haar werk vertelde, ontroerde. Schrijvers ontroeren me wel vaker. Het werken aan een tekst in het verborgene, wat je afziet aan wat er tussen de regels te lezen is. Te zien aan hoe in een verhaal, meerdere verhalen zitten die het mysterie van de mens  vergroot. Dat ontdekte ik, als lezer van haar verhalen waarin je kunt achterblijven in de eenzame keuken waar een jonge vrouw een baby, die ze verborgen moest houden, uit de lade van de diepvries haalt. Het verhaal is getiteld: ‘Blauw, blauw’. Of dat je erbij staat te kijken als een jongetje zijn te water geraakte pingpongbal achterna gaat en dan gebeurt er iets met een krooshekreiniger.

    Het is de terloopsheid der dingen die me zo fascineert in haar verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. Een terloopsheid over ernstige zaken die tot in detail beschreven zijn. Wanneer je haar verhalen tot je neemt (verhalen die uit zovele keren herschrijven ontstaan zijn, die lees je niet, maar neem je tot je; zoals een met zorg bereid gerecht) ga je erin mee, word je er onderdeel van. Fantastische verhalen. Het is zoals het is; ze registreert wat zich voor haar geestesoog schijnt af te spelen. En dan gebeurt hetzelfde als in een spannende film waarin je het onafwendbare ziet gebeuren. Dat je wilt roepen: ‘Nee, kijk uit. Achter je!’ Maar dat helpt niet, je moet het laten gebeuren. En dat is magistraal, als een schrijver dat teweeg brengt.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Schrijfster in spe

    Zou ze haar entrée in de letteren inmiddels gemaakt hebben? Het is december en tijd om de balans op te maken en het jaar af te sluiten. Vandaar dat zij me weer te binnen schoot. Ze had toen ik haar ontmoette net het manuscript van haar eerste roman naar een uitgever gestuurd. Die uitgever had geen moment getwijfeld. Hij heeft haar per ommegaande laten weten: ‘dit gaan we uitgeven’. Wat hij volgens haar ook zo fijn vond: het manuscript hoefde helemaal niet herschreven te worden en redigeren was ook niet nodig.
    Haar verstand stond er bij stil toen ik haar vertelde dat het eerder regel dan uitzondering is dat er nog het een en ander met een manuscript moet voordat het een boek is. Had ze dat geweten: nu had ze uit eigen zak een redacteur betaald om haar tekst te redigeren.

    Ze heeft nooit de ambitie gehad schrijver te worden. Ze zou ook nooit één letter op papier gezet hebben als de warenhuisketen waar ze werkte niet failliet was gegaan.
    Het schrijven van haar eerste roman ging haar makkelijk af. Ze snapt niet waar andere schrijvers zo moeilijk over doen. Al moet ze toegeven dat ze niet gedacht had dat het zo eenvoudig was. Ze was gewoon gaan zitten en had het verhaal dat ze in haar hoofd had opgeschreven. Zonder zich druk te maken over een x-aantal woorden dat ze per dag moest halen. Zonder zich af te vragen of wat ze schreef goed genoeg was om uitgegeven te worden. Op een dag was het boek klaar. Toen ging ze op zoek naar een uitgever.
    Voor haar is de rest inmiddels geschiedenis.

    Ideeën voor volgende romans heeft ze genoeg. Een stuk of vijf boeken zitten er zeker nog in haar hoofd. Die zullen niet allemaal even autobiografisch zijn. Op een keer zal ze uitgeschreven zijn over wat ze zelf heeft meegemaakt. Ze verwacht dat ze tegen die tijd schrijfster genoeg is om op haar fantasie te vertrouwen.
    Overigens is ze niet van plan fulltime te gaan schrijven. Ze is namelijk niet alleen schrijfster maar ook beeldhouwster. Voorlopig is het plan beide disciplines af te wisselen: beeldhouwen in de zomer en schrijven in de winter.
    Schrijven een vorm van seizoenarbeid: op zich een interessante gedachte.

    Ik hoor haar aan en heb niet de behoefte haar te onderbreken. Ze heeft werkelijk geen idee. Daarom zit ze in de stoel naast de mijne. Er wordt een boek gepresenteerd van een schrijver die ik wel en zij niet kent. Ze is gekomen om de kunst van het boeken ten doop houden af te kijken. Binnenkort zal haar roman gepresenteerd worden en ze wil weten wat ze kan verwachten. Wat voor mensen er naar zo’n bijeenkomst komen (vooral veel familie en vrienden), wat er door wie gezegd wordt (vooral veel lovende woorden van de uitgever voor de schrijver v.v.). Zelfs de catering heeft haar volle aandacht (witte wijn, bier, chips, borrelnootjes en cola voor de kinderen).
    Volgens mij gaat zij dat straks heel anders aanpakken.

     

    P.S. De roman is er inmiddels.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • De stijl


    Van Schuberts Fantasie in F mineur voor piano 4-handen, gespeeld door Maria João Pires en Ricardo Castro, is op youtube een uitvoering te beluisteren. De achtergrond daarbij, die aldoor in beeld is, wordt gevormd door De rode boom van Mondriaan (1908-1910). Een beeld dat wat mij betreft niet beter gekozen had kunnen worden: een treurwilg die prachtig samenvalt met de melancholieke sfeer van de Fantasie. Een schilderij uit het Haags Gemeentemuseum waarmee Mondriaan de weg insloeg naar abstractie én evenwicht. Dat laatste wordt wel eens vergeten, maar het is juist dáárin dat het zo mooi samenvalt met de muziek van een classicistisch romanticus als Schubert. Mondriaan schildert de horizontale takken van de boom met als tegenwicht verticale strepen die nauwelijks opvallen, en Schubert laat zijn gevoelens beteugelen door de ratio. Ik herken het, want zelf zit ik ook zo in elkaar.

    Mondriaan op weg naar abstractie én evenwichtig, zoals Léon Hanssen de periode na het ontstaan van deze boom beschrijft in zijn biografie van de schilder die verscheen onder de titel De schepping van een aards paradijs. ‘Hij droomde’, zei Hanssen onlangs in een interview, ‘van een nieuwe fase van harmonie en conflictloosheid in de twintigste eeuw (…). In zijn kunst zocht hij naar een nieuwe beeldtaal om uiting te geven aan dat ideaal.’

    Afgelopen jaar, het feestjaar van 100 jaar De Stijl, hebben we er veel van kunnen zien, maar de mooiste, onbedoelde en onverwachtste bijdrage hieraan zag ik op Canvas. Op 10 september interviewde filosofe Alicja Gescinska in een aflevering van het programma ‘Wanderlust’ de schrijver Marcel Möring. De aan De Stijl verwante bijdrage bestond uit de schitterende cameravoering van Kris Van der Voorde. Plekjes werden op zo’n manier uitgelicht en belicht als waren het abstracte schilderijtjes van Mondriaan. Adembenemend mooi.

    Er bestaat een zekere verwantschap tussen Mondriaan en Möring: hun liefde voor jazzmuziek. Of zoals de schrijver eens in een interview in Bunker Hill zei: ‘Door te improviseren kom je op een bepaalde sequentie en zie je hoe het moet. En dán kun je gaan denken.’ Gevoelens laten beteugelen door de ratio. En dan zie ik weer die boom voor me, of kijk ik met de camera van Van der Voorde mee die scheert over de inrichting van Mörings huis in Rotterdam.

    Misschien net zo mooi als de dromen waar Hanssen het in bovengenoemd interview over heeft. Dromen over muziek, ‘die hoor ik dan kristalhelder in mijn hoofd, nog mooier en helderder dan je die ooit in werkelijkheid ervaart’, zegt hij. Ik vraag me af waar die muziek dan het meest op lijkt: op Schubert of op een stukje jazzmuziek. Zelf hou ik het op dit moment even op zoiets als de Fantasie in F mineur van Schubert.

     

    Beluister  hier  Schubert’s Fantasy in F mineur


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.