• Teksten tentoonstellen

    Ik kwam – natuurlijk – voor The Elgin Marbles, maar was misschien wel meer onder de indruk van wat er tijdelijk in één van de vitrines lag: het manuscript van Alice in Wonderland van Lewis Carroll. De door Carroll zelf geïllustreerde eerste versie van het verhaal maakte deel uit van een tentoonstelling waarin nog veel meer bekende werken in het handschrift van hun maker te zien waren. Alice’s Adventures under Ground – die titel gaf Lewis Carroll zijn kerstcadeautje voor Alice Liddell – bewonderend, had ik het gevoel dat ik  Lewis Carroll aan kon raken.

    Het zal de samensteller van de tentoonstelling in The British Library – toen nog gevestigd in hetzelfde gebouw als het British Museum – weinig moeite gekost hebben om met al het materiaal dat voorhanden was die mooie expositie te maken. Terwijl tentoonstellen eigenlijk niet de core business van deze bibliotheek was en is. Laten zien wat ze in huis hebben, is in zekere zin bijzaak. Het gaat The British Library net als de Nederlandse evenknie – de Koninklijke Bibliotheek – om het verzamelen van wat verschijnt, zodat het culturele erfgoed behouden blijft en bestudeerd kan worden.

    Voor musea ligt dat anders. Van musea wordt juist verwacht dat zij iets laten zien. Dat zij aan de hand van voorwerpen een verhaal vertellen.
    Bij voorwerpen denk je in dit verband niet meteen aan teksten, maar soms durft een museum het aan om documenten en teksten centraal te stellen in een expositie. Veertien jaar geleden zag ik zo’n tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel: Arthur Rimbaud (1854-1891). Een seizoen in de hel. Zorgvuldig uitgelicht waren daar onder andere de processtukken van de zaak Rimbaud versus Verlaine te zien, maar ook andere paperassen, en wie dat wilde kon op een bed in de ziekenzaal naar Un saison en enfer luisteren. Ik las, luisterde en keek mezelf aandachtig door de veertien zalen die de tentoonstelling telde.

    Aan die voorbeeldige tentoonstelling moest ik denken toen ik op de laatste zondag van de Boekenweek gratis met Griet naar Leeuwarden reisde en in het Fries Museum Mata Hari: de mythe en het meisje zag. Vooraf verwachtte ik vooral voorwerpen te zien. Ik hoopte op een tentoonstelling à la Sarah Bernhardt – De Kunst van het Grote Drama, die de actrice tot leven bracht aan de hand van objecten die haar omringden.
    Ik kwam enigszins bedrogen uit. Er waren voorwerpen te zien, maar de meeste verkeerden nooit in de nabijheid van Mata Hari. Er was vooral veel te lezen, waaronder de aanklacht, het bewijsmateriaal, het doodvonnis en de brief waarin zij zichzelf vrijpleit en om gratie vraagt (en fanmail in een glazen kastje).
    Het zag er mooi uit, maar inhoudelijk schoot de tentoonstelling wat mij betreft tekort. De mythe en het meisje kwamen allebei onvoldoende uit de verf. Na afloop wilde ik vooral meer weten, bijvoorbeeld of er terecht vraagtekens gezet worden bij het jaar waarin Isaac Israëls Mata Hari portretteerde. Daarom ben ik inmiddels weer in een biografie over Margaretha Zelle begonnen. Weer, want ik las er het afgelopen jaar al drie.

     

    Foto: fanmail in een glazen kastje

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Verzinsels

    Voor je het weet wijkt de waarheid af naar een leugen. Dat heeft te maken met hoe je iets brengt, belangrijke feiten verdraait of weglaat. Enthousiasme speelt daarbij een rol. De vis is altijd groter dan toen die gevangen werd. De geest verzint er lustig op los als het om afmetingen, aantallen en vermogens gaat.
    ‘Dichtung und Wahrheit’, het hield me bezig nadat ik de biografie van Boudewijn Büch had gelezen. Hij sierde zijn leven met verzinsels. Leugens eigenlijk. Maar dat klinkt weer zo hard. Liegen als een soort ‘met voorbedachten rade’. Plannetjes maken om er zo voordelig mogelijk mee weg te komen. Hij decoreerde zijn leven met verschillende verzonnen levens.

    Ik heb wel een idee hoe een van de mythen, rond het vermeende kind van Büch, is ontstaan. Het begon tamelijk onschuldig. Hij raakt als begin twintiger bevriend met zijn voormalige en tien jaar oudere lerares Nederlands, en haar man. Hij komt bij hen thuis, vermaakt ze met zijn verhalen en humor, blijft eten, slaapt op de bank. Het is gezellig al verlangt hij wel haar onverdeelde aandacht. Als ze zwanger is, verbreekt Büch alle contact met haar. Dan ontvangt hij een brief van haar, waarin ze schrijft dat ze een zoontje heeft gekregen. Dat ze het kind naar hem hebben vernoemd; Boudewijn. Ze besluit met de wens het kind graag aan hem te willen laten zien want ‘hij is ook een beetje van jou’. Waarop Boudewijn extatisch van vreugde zijn vrienden meedeelt dat hij ‘vader’ is geworden.

    Daar begon de waarheid af te wijken van de werkelijkheid. Hij is overweldigd dat het kind ook ‘een beetje van hem is’. Alsof die mededeling hem een licence to live gaf. Zijn vrienden zijn oprecht verrast, feliciteren hem met zijn zoon. Die felicitaties maakten hem pas echt tot vader. Op dit punt zeg je niet: ‘Oh nee, wacht. Het is niet écht mijn kind’. Dat doe je niet, je wilt dat verzinsel laten voortduren. Er staan vele verzinsels in de roman De kleine blonde dood beschreven. Waarin hij van de moeder een alleenstaande alcoholiste maakt die haar kind verwaarloost en laat hij het kind, door een val van de trap, op zijn zevende doodgaan. Die roman, met de dood van het kind, kan gezien worden als een manier om die hele geschiedenis achter zich te laten. Al bleef hij, desgevraagd, volhouden dat hij vader van een zoon was. En wie zijn twijfels toonde, die bande hij uit zijn leven.

    Op 17 januari 1969 schreef hij in zijn dagboek: ‘Als je alles neemt wat ik geschreven heb, brieven en gewoon proza, en je neemt daar alle franje en overdrijving vanaf. Dan heb je mijn leven. Heel netjes op de lijntjes.’ Tja, tussen Boudewijn Büch en de werkelijkheid hingen vele verzinselen.

     

    Citaat uit: Boudewijn Büch, het verzameld leven. (Prometheus 2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.

  • Half Holland reist… gratis (dankzij Griet Op de Beeck)

    Heel veel hoeft hij deze laatste zondag van de Boekenweek niet te doen. Zodra hij de coupé binnenkomt  en het ‘uw plaatsbewijzen alstublieft’ heeft laten klinken, wappert iedereen met Gezien de feiten van Griet Op de Beeck. Bijna iedereen. Aan de andere kant van het gangpad zitten twee jonge jongens die met een OV-chipkaart hebben ingecheckt. Kwamen ze niet op het idee om een boek te kopen of willen ze niet met Griet gezien worden?

    Waar veel van mijn medereizigers het Boekenweekgeschenk ook daadwerkelijk zitten te lezen, stop ik het zodra de conducteur gecontroleerd heeft dat ik over een geldig vervoersbewijs beschik weer weg. Ik had Gezien de feiten al uit. Het was mijn eerste Griet Op de Beeck. Weliswaar had ik al menig interview met haar gehoord, gezien en gelezen, met haar werk had ik nog niet eerder kennisgemaakt. Ik denk dat ik niet de enige ben die het Boekenweekgeschenk aangegrepen heeft om eindelijk eens iets van haar te lezen.

    Ik had me voor vertrek voorgenomen weer eens ouderwets lekker te lezen in de trein. Met een beetje geluk en niet te veel afleiding zou ik Aardbei en chocola van Senel Paz en Na Mattias van Peter Zantingh aan het eind van de dag allebei uit moeten kunnen hebben.
    Dat kan alleen als ik afzie van het aanknopen van gesprekken met medereizigers over het Boekenweekgeschenk. Terwijl ik na de niet malse kritiek van degenen die er met een kennersblik naar keken juist heel benieuwd ben wat de eigenlijke doelgroep van Gezien de feiten vindt. En een dwarsdoorsnede van de lezers die de CPNB op het oog moet hebben gehad toen zij de keus op Griet Op de Beeck liet vallen, zit in deze treincoupé.

    Van ongelimiteerd naar buiten kijken, moet ik eveneens afzien. Jammer, want ik ken hele stukken van het traject van vroeger en ik wil weer eens het zwart-wit van ooievaars zien afsteken tegen op kleur komend gras. Voor het veelvuldig noemen van de naam Mata Hari moet ik me afsluiten, anders ga ik me nog afvragen of ik aan het eind van de reis – ik ben onderweg naar Leeuwarden – mijn bestemming – Mata Hari: de mythe en het meisje – wel kan bereiken. Ook dat leidt af van het lezen.

    Ik lees dus en vraag me ondertussen af wat Griet Op de Beeck eigenlijk fout gedaan heeft. Gezien de feiten gaat over levens die na de dood van iemand in de naaste omgeving weer op gang moeten komen. Daar geeft ze op zich een interessante draai aan.
    Misschien zitten er te veel kanten aan dat verhaal voor een Boekenweekgeschenk. Dat kan. Wie niet veel woorden tot zijn beschikking heeft, moet de verbeelding van de lezer op slinkse wijze sturen.

    Ik vermoed dat Griet Op de Beeck zichzelf behoorlijk trouw gebleven is tijdens het schrijven van Gezien de feiten. Daar zit ‘em waarschijnlijk de kneep. Literatuur is een kwestie van stijl en stijl (ook) een kwestie van smaak.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Jazz improvisaties

    Het Zuidelijk Toneel & het paleis hadden rond het tournee met King Lear op de website een stemwijzer geplaatst. Als je die invulde, kwam je erachter welk personage uit dit toneelstuk van Shakespeare je het meest nabij kwam. Dat zou voor mij, was de uitkomst, neerkomen op King Lear/Kent/Gloucester, maar dat was niet om te schrikken, aldus het geruststellende commentaar. Het betekende alleen maar, dat ik naar zekerheid in het leven zocht. En dat kan wel een beetje kloppen.

    Het deed me denken aan een schitterende passage in Herfst van Karl Ove Knausgård:
    Voor mijn vader was het protestantse vermoedelijk verbonden met mijn moeders voorbeeldigheid, en dat hij altijd hard reed, altijd andere auto’s inhaalde, was, denk ik nu, een poging om aan alle regels, alle verboden, alle plichten en alle betutteling in zijn wereld te ontsnappen. Politiek gezien was hij liberaal, voor individuele vrijheid en tegen de sterke staat, terwijl mijn moeder juist voor de sterke staat was en zich solidair met de zwakkeren betoonde. Het moge duidelijk zijn dat mijn moeder altijd langzaam en voorzichtig reed.’

    Ik heb, denk ik het meest met Knausgårds moeder: voor een sterke staat, solidair met de zwakkeren en – in de tijd dat ik nog een auto had – voorzichtig rijdend. Maar ik herken wel zijn vaders poging om aan alle regels, alle verboden, alle plichten en betutteling te ontsnappen. Enige recalcitrantie is mij ook niet vreemd.
    Misschien hield Knausgårds  vader, meer dan zijn moeder, wel van jazzmuziek, improvisaties die regels aan hun laars lappen. Maar dat niet alleen; Gert Verbeek, een oud-collega, schreef op zijn blog over de film M (Sara Forestier): ‘Het lijkt erop dat de regisseuse haar film een realistische tintje heeft willen meegeven door improvisatie toe te laten. Het voordeel daarvan is dat de acteurs alle ruimte hebben om zich vrijuit uit te drukken.’ En dan komt zijn – en mijn bezwaar –: ‘Het grote risico is dat ze geen maat weten te houden en hun overdaad aan teksten uitmondt in vrijblijvend gekeuvel waarbij de gedachten bij de kijker dreigen af te dwalen.’

    Dat is wat ik namelijk ook tegen sommige (jazz)improvisaties heb: de ideeën rijgen zich aaneen zonder dat er op een gegeven moment nog een lijn te ontdekken valt. Maar, dat moge duidelijk zijn, dat geldt lang niet voor alle improvisaties. Er is één pianiste die het zó mooi doet, dat ik er wel pap van lust: Kaja Draksler. Zij weet eenvoudige thema’s uit te werken tot stukken die staan als een huis, doorwrocht én van een verfijnde structuur. Wat ze doet, beweegt zich tussen improvisatie en compositie. Het is spannend, maar nooit oeverloos zoals in de film M. Verre van dat. Het is allemaal weloverwogen en niet in een hokje te stoppen, oftewel jazz oftewel modern klassieke muziek. Dat maakt haar tot één van de interessantste musici van dit moment, denk ik.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • De Spaanse griep


    De Spaanse griep, dat was nog eens een griep. Goed, ik blafte al dagen van me af en woelde door m’n bed dat verlaten was door Mijn lief die ergens anders sliep. Dit is echte griep zei de dokter. Daarmee leek alles gerechtvaardigd. Mijn geklaag, gepruttel en gepiep, bedelend om koude washandjes, slokjes water aan wie er aan mijn bed verscheen. Maar het was niets vergeleken bij de Spaanse griep van 1918, dat was nog eens een griep. Zo gauw de eerste symptomen van blaffende hoest en koorts zich aandienden moest je in quarantaine. In Nederland stierven er zo’n 28.000 mensen aan deze Spaanse griep die welbeschouwd niet eens uit Spanje kwam maar uit de VS – waar 675.000 slachtoffers vielen –  maar omdat de kranten in Spanje er het eerst melding van maakten, werd het de Spaanse griep. Mijn fantasie ging met me op de loop, ik wist niet of ik slapende of wakende was en zonk tot op de bodem van mijn leesgeheugen. Daar kwam ik Bunny en Robert tegen, twee broertjes die in 1918  in Illinois (VS) de Spaanse griep meemaakten.

    William Maxwell was Bunny en schreef er het autobiografische boek They came like Swallows over. Over een griep die een strijd was van leven op dood, waaraan je niet meer kon doen dan je eraan overgeven, er was geen vaccin tegen. Ziekte als verlossing van de moeilijke dingen in het leven. Zoals voor Bunny, acht jaar oud, een moederskindje dat om veel moet huilen. Tot hij, op de dag dat de kranten berichtten dat de Eerste wereldoorlog is afgelopen, zijn hoofd in zijn moeders schoot legt en hij haar hoort zeggen: ‘(…) dit kind brandt van de koorts!’ En Bunny dromerig denkt: ‘ik word ziek’ en genoot van de koele hand van zijn moeder op zijn hoofd en wist ‘vanaf dat moment was het leven niet langer onzeker of onvolledig’. In bed en verzorgd worden door je moeder, dat is het fijnste dat er is. Eindelijk had Bunny haar onverdeelde aandacht.

    In een romantisch verhaal staat een koortsachtige ziekte voor een beproeving, terwijl de patiënt ziek in bed ligt worden er intriges ontrafeld, volgt er een happy end; ogen openen zich, een glimlach plooit zich rond de mond en alles is goed; ‘we zijn er weer.’ In het echt is de uitkomst nogal schokkend. Nadat Bunny de griep heeft overwonnen, wordt zijn moeder ziek. Zij was zwanger en mocht hem niet verzorgen vanwege het besmettingsgevaar. Ze onderschat de ernst hiervan en bezoekt hem op zijn kamertje terwijl zijn broer daarvan getuige is. Als ze kort daarna aan de Spaanse griep overlijdt, voelen beide jongens zich (hun hele leven) schuldig. De een omdat hij haar besmet heeft, de ander omdat hij haar niet heeft tegengehouden. Een prachtig boek, een aanrader voor wie met griep in bed ligt. Om het klagen te bedwingen en te beseffen dat het altijd erger kan.

     

    De eerste zwaluw – William Maxwell (Cossee 2010)


    Inge Meijer schrijft over boeken als steunpilaren van in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Dat was… Adriaan van Dis

    Ik had nog nooit van Adriaan van Dis gehoord, dus waarom ik die avond per se naar de eerste uitzending van Hier is… Adriaan van Dis wilde kijken, is me, nu ik daar vijfendertig jaar na dato voor het eerst echt bij stilsta, een raadsel. Welke argumenten ik gebruikte om mijn ouders te overtuigen om naar de omroep te kijken die voor hen altijd vrijzinnig protestants is gebleven, weet ik ook niet meer.
    Wat ik nog wel weet, is dat het bij één keer samen kijken gebleven is. Hoewel ze maar met een schuin oog naar de televisie keken – mijn vader las zijn krant, mijn moeder een boek – hadden zij hun oordeel heel snel klaar. Mijn ouders vonden Van Dis helemaal niks. Als ik daar de volgende keer weer naar wilde kijken, moest ik dat maar op mijn eigen kamer doen. Daar stond een klein draagbaar tv’tje dat ik van mijn zakgeld bij elkaar gespaard had.

    Daar zat ik dan. Verbannen. Alsof ik iets heel onoorbaars aan het doen was. Maar ik hield vol.
    Keek ik de eerste keren nog voornamelijk voor de gasten, daarna ging het mij om de man die de vragen stelde. Ik probeerde er achter te komen hoe hij dat precies deed. Hoe hij een gast voor zich wist te winnen. Wanneer hij het nodig vond de teugels aan te halen en wanneer hij een gast alle ruimte gaf. Welke omwegen hij bewandelde om uiteindelijk toch dáár uit te komen waar hij wezen wilde. Hoe hij zich herstelde als een gast in de aanval ging. Kortom: ik probeerde zijn kunst af te kijken. Want ook al was ik bezig bibliothecaris te worden, dankzij Adriaan van Dis wist ik dat ik dat niet altijd zou blijven.

    Denk niet dat ik niet kritisch was. Ik zat regelmatig met kromme tenen voor mijn ronkende televisie. Het klikte niet altijd even goed tussen de water en wijn schenkende gastheer en de man of vrouw die een reputatie te verliezen had. Van Dis liet echt wel eens een steek vallen (neem het gesprek met voormalig Stasi-spion Andreas Sinakowski) of een kans liggen. Een keer – toen Roberto Benigni het gesprek heel knap kaapte – liet hij het hilarisch uit de hand lopen. Nee, zeker niet elk gesprek dat in Hier is… Adriaan van Dis / Van Dis in de IJsbreker werd gevoerd, was perfect.

    Vorige week is Adriaan van Dis voor de derde keer gestopt met zijn praatprogramma. Na zes keer onder de vlag van De wereld draait door aan het begin van de Boekenweek een Hier is… Adriaan van Dis gemaakt te hebben, vond hij het welletjes.
    De eerste keer dat hij dat gevoel had, was al na drie seizoenen. Hij had toen – in 1986 – net de Zilveren Nipkow-schijf gewonnen. Hem werd een glanzende televisiecarrière voorspeld, maar hij wilde veel liever schrijver zijn. Twee keer liet hij zich vervolgens nog overhalen, maar drie keer is scheepsrecht. Dat geldt ook voor stoppen. Dus dit keer zal het doek van Hier is… Adriaan van Dis wel definitief gevallen zijn.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Steeds meer wit


    Het ongelofelijke wordt niet zelden werkelijkheid. Zo zou Remco Campert nooit stoppen met schrijven. Het zou allemaal wat kaler en minder worden maar hij zou blijven schrijven want zonder schrijven kan hij niet leven. Campert maakte allang geen wandelingetjes meer door de buurt om wat hij daar tegenkwam (de wind die waaide, de regen die drupt, een man die op zijn smartphone kijkt) in zijn columns te verwerken. Het was er langzaamaan uit verdwenen, een soort to fade away van levensklanken. Zoals op het einde van een langspeelplaat de laatste tonen steeds zachter worden om dan geheel te verdwijnen. Zo zou Campert minder schrijven, zichzelf uitgummend, maar hij zou blijven schrijven.

    Maar nu, na zijn laatste bundel wordt de pen neergelegd. Open ogen voelde al een beetje als een afscheid, dit is wat er nog kwam. De gedichten zijn op een enkele na, ontdaan van zijn gewoonlijke observaties en innerlijke beroeringen. Het is het nieuws en de krantenberichten die hem tot dichten hebben aangezet. Ze tonen een afwezige dichter, die stilvalt bij wat hij ziet. Wel een bijzonder afscheid, de dichter die met zijn laatste strootjes een gedicht doet ontvlammen, soms enkel een aanwakkeren van kwesties waar de dichter niets aan kan veranderen.

    Ik was ziek deze week toen het nieuws me bereikte. Koortsig kroop ik onder de dekens. Later bevond ik me in een kamer zonder muren. Het was de kamer van een dichter die de muren geslecht had om zijn poëzie de ruimte te geven. Er stond een tafel bedekt met een kleed waarop een enorme hoeveelheid boeken en manuscripten. Daartussen zag ik de dichter. Achter een typemachine. Hij was gekleed in een kamerjas met goudglans, zijn haren zorgvuldig over zijn schedel gedrapeerd. Ik wilde hem vragen of schrijven zijn levenselixer was en of het dan wel verantwoord is ermee te stoppen. Maar ik durfde niet. Zelfs in dromen kan domme bescheidenheid mij parten spelen. Wel dorst ik zwijgend een bundel papieren, wat een manuscript leek, van een hoek van de tafel te pakken. Er stond geen woord in. Toen keek Campert  op en zei: ‘Tsja, wat zal ik zeggen. Ik zal er toch een keer mee moeten ophouden.’

    Wilfried de Jong meende in Met het oog op morgen dat Campert zichzelf had weggeschreven uit zijn stukjes; er kwamen meer citaten in voor dan regels van hemzelf. Jan Mulder, die ooit met Campert de wisselcolumn CAMU schreef voor de Volkskrant, vond dat fantastisch ‘dat hij [Campert] voor zijn boekenkast stond en er iets voor mij uit zocht’.
    Ondertussen vroeg ik mij af hoe dat nu verder moet met de dichter die niet kan leven zonder schrijven. Onverwacht vind ik troost in een van zijn columns waarin hij schrijft hoe hij na een optreden in een troosteloos zaaltje thuiskomt: ‘Daar hoef ik niets te doen, (..). Toch maak ik me zorgen, want dat niets doen lukt me soms verdacht goed.’ En ik kan me opeens voorstellen dat hij in al zijn nietsdoen af en toe eens wat schrijft, gewoon omdat het kan.

     

    Citaat uit: Te vroeg in het seizoen, Autobiografische schetsen. De Bezige Bij (2014).
    https://www.nporadio1.nl/gemist/2018-03-06Campertstopt met schrijven


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken als steunpilaren en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Zo wonen ze

    Je hoeft tegenwoordig niet meer naar Nieuwsuur te kijken om te weten wie de shortlist van de Libris Literatuurprijs heeft gehaald. Op enig moment wordt dat ergens officieel bekendgemaakt door de juryvoorzitter. Daar zijn media bij en voordat je het weet, heeft het nieuws ook jou bereikt. Misschien ging dat altijd al zo en was ik me daar niet voldoende van bewust of wilde ik er niet aan dat het langs de deuren van genomineerde schrijvers gaan een milde vorm van nepnieuws is. Hoe dan ook: dit jaar kwam het me vooral goed uit dat ik niet van Nieuwsuur afhankelijk was.

    Hoewel ik op de avond van de bekendmaking van de nominaties met een gerust hart ver voor tienen in een snotterslaap viel, kon ik het een dag later niet laten om toch even te kijken naar Martin Michael Driessen, Murat Isik, Marjolijn van Heemstra, Ilja Leonard Pfeijffer en Arjen van Veelen die (deden alsof ze) voor het eerst kennis namen van het voor hen goede nieuws. Er werd als vanouds aangebeld en op deuren geklopt, er werd opengedaan en schoorvoetend binnengelaten. Dit keer was het Tommy Wieringa die zijn uitgever de honneurs liet waarnemen.
    Van alle genomineerden leek Ilja Leonard Pfeijffer het meest op een echte schrijver. Hij speelde zijn rol met verve en was op minstens zeven manieren ‘wellevend’.

    Dankzij de ‘sfeerreportages’ die Nieuwsuur sinds jaar en dag maakt, ben ik heel wat huiskamers van Nederlandse schrijvers binnen getuimeld. Hoewel schrijvers bijna altijd onmiddellijk weten wat die cameraploeg voor hun deur doet, weten de meesten toch de indruk te wekken overvallen te worden door de situatie.
    Ondanks dat zijn ze kort daarna tot spreken in staat en hebben ze aardige woorden over voor hun concullega’s. Een enkeling slaagt er zelfs in zinnige dingen te zeggen, zoals Alex Boogers die zich twee jaar geleden niet liet verleiden tot een uitspraak over zijn kansen. ‘Ik win als ik meedoe aan een sportwedstrijd en in de literatuur weet ik niet precies wat het is om te winnen.’
    Er is voor televisiemakers geen eer te behalen aan deze items. Heel creatief kunnen ze in de amper zes minuten die er uiteindelijk overblijven niet zijn en dus lijkt in the end elke reportage op die van het vorige jaar.

    Wat zou ik graag schrijven dat het om sterke staaltjes camp gaat. Dat verslaggever van het eerste uur Tonko Dop met zijn wat lullig aandoende filmpjes liet zien dat hij precies begreep wat Susan Sontag bedoelde toen ze schreef dat ‘liefde voor het kunstmatige en de overdrijving’ de essentie van camp is (en er geen weg terug was, toen hij die toon gezet had).
    Maar zo is het niet. Nieuwsuur is geen kwestie van kunst of Kitsch. Nieuwsuur brengt achtergronden bij het nieuws, en met de berichtgeving over de genomineerden voor de Libris Literatuurprijs is van alles mis.  Het gaat niet om de inhoud van de titels op de shortlist en ook de schrijvers zijn van ondergeschikt belang. Het enige dat van hen verwacht wordt is dat zij het spel vol overgave meespelen. En dat doen ze dan maar. Want dat is goed voor het boek.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Een tekortkoming


    je strompelde als een gewond hert door de steeg
    ik had je al een poosje niet meer gezien
    zonder te struikelen

    Zo begon Joris Miedema zijn gedicht ‘Prooi’ over zijn aan de ziekte van Huntington lijdende vader. Ik schrok toen ik het las – ook van het slot, waarin de zoon zijn vader in de armen sluit:

    in je ogen zag ik de angst van een opgejaagd dier
    sloot je in mijn armen
    zoals jij vroeger met mij deed

    Ik moest denken aan de componist Peter Schat, die eens een klein stukje voor me uit liep. We kwamen beiden bij Donemus aan de Paulus Potterstraat in Amsterdam vandaan, zijn uitgever, mijn toenmalige werkgever. Schat bleef staan, dicht tegen het hek van de tuin van Coster Diamonds aan, omdat lopen hem kennelijk veel moeite kostte.
    Ik hield in, net als de zoon in het gedicht. Niet omdat Schat, net als de vader, hopelijk zou denken dat ik moeite had hem in te halen, maar omdat ik me verbeeldde dat hij, de beroemde componist, het niet leuk zou vinden als ik hem zo kwetsbaar zag staan wanneer ik voorbij liep naar de tram.

    Ik had iets soortgelijks moeten doen als wat de zoon deed: hem aankijken, zeggen: ‘Zullen we samen naar de tram lopen?’ en hem mijn arm aanbieden. Ik weet niet hoe hij gereageerd zou hebben: aanvaardend of afwijzend. Wel dat hij tegen het eind van zijn leven, toen hij en ik juist hadden afgesproken dat we samen mooie foto’s uit ons archief zouden uitzoeken voor op zijn nieuwe, door zijn zoon te maken website, milder was geworden. Want hij kon er wat van: schreeuwen tegen onze muziekredacteuren bijvoorbeeld als een lettertype of lay out van een stuk niet naar zijn zin was.
    Daarom denk ik eigenlijk dat hij, met Camus, gezegd zou hebben: ‘Loop niet achter me (…), loop niet voor me (…), loop gewoon naast me.’

    Ik weet ook dat mensen die dingen vrij kunnen laten, die kunnen improviseren, kwetsbaarheid incalculeren. Hoewel Schat bij de strenge Pierre Boulez studeerde, kon hij in zijn vroege werk, – bijvoorbeeld in zijn Octet uit 1958 -, de musici vrij laten om gaandeweg de uitvoering bepaalde keuzes te maken.
    Ook weet ik dat een assistent van Schat mij eens vertelde dat hij op zijn sterfbed niet alleen alle politieke verwikkelingen in de wereld nog op tv volgde, en daar commentaar op gaf, maar dat hij evenzeer kon genieten van kleine geluksmomenten, omringd door wat mensen.

    Maar daar op straat straalde hij eenzaamheid uit, en ook dat was tekenend voor de nu vijftien jaar geleden overleden componist. Hij behoorde niet tot de door de gezaghebbende musicoloog Leo Samama benoemde Grote Drie (Matthijs Vermeulen, Rudolf Escher en Ton de Leeuw) en zette zichzelf door zijn gedrag ook vaak overal buiten. Al wordt zijn muziek niet vaak meer uitgevoerd, toch hoop ik dat de herinnering eraan zal blijven.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Tegendraadse schrijfster


    Het is altijd verrassend wat er in een boek verborgen kan zitten en dan bedoel ik niet tekstueel inhoudelijk maar aan briefjes, aantekeningen, een foto of de bon van aankoop. Zo dwarrelde er laatst uit een deeltje van de serie Literair Moment Josepha Mendels, een losse (dubbele) bladzijde (blz 77 t/m 80) afkomstig uit een klein formaat boekje. Van zo’n soort boekje herinner ik me niets, ook het stukje herken ik niet. Het is getiteld Een zachte septemberochtend door Josepha Mendels, ondertekend met een (gedrukte) handtekening van haar zelf. Ze beschrijft op de haar ludieke wijze en hier en daar een tikje zwaar aangezet, wat er gebeurde nadat bekend was geworden dat zij in 1986 de (eerste) Anna Bijnsprijs kreeg toegekend. Haar romans en verhalen werden herdrukt, als eerste haar debuutroman Rolien en Ralien (1947).

    Ze woonde in Parijs maar was ten tijde van de bekendmaking in Nederland op bezoek bij haar zoon die voor de tweede keer vader was geworden. ‘Ik wilde terug naar Parijs maar toen ik mezelf de hele dag tegenkwam op affiches naast stapels van mijn boeken in de vitrines van de boekhandels, bleef ik toch.’ Een boekhandelaar vertelde haar trots: ‘Alles uitverkocht. (…) Hij vroeg nog waarom ik zo stom geweest was om zonder verzet in de vergetelheid te verdwijnen.’ Waarop haar antwoord was: ‘Ik loop geen uitgever achterna.’

    Ik moest denken aan Deventer en Josepha Mendels. Van 1916 tot 1920 woonde ze daar om, zoals ze zelf zei: ‘Het leren te leren’. Haar romans leken bestemd voor alle vrouwen voor wie het huwelijk een benauwend instituut was. Voor de vrouwen die in hun leven gevangen zaten, creëerde zij een vluchtweg, liet ze van huis weglopen, niet om een nieuwe liefde maar om zichzelf.
    Ze was vierentachtig toen ze als schrijfster erkend werd en door vele literaire salons werd uitgenodigd. Ook in Deventer maakte ze haar opwachting samen met haar vriendin en huisgenoot Berthe Edersheim. Na vijfenzestig jaar zag ze Deventer terug dat volgens haar weinig veranderd was. Ze was er op uitnodiging van Literair café Bouwkunde. Op vrijdag 29 mei 1987, weet ik uit mijn dagboek, waarin ik tot mijn spijt enkel schreef: ‘Naar literair café Josepha Mendels geweest.’

    Toch herinner ik me nog hoe Josepha Mendels het podium beklom en Berthe zich op de voorste rij op een stoel zette vanwaar ze  gedurende het interview de hiaten in Josepha’s geheugen aanvulde. Mendels vertelde dat er nooit zoveel belangstelling was geweest voor haar boeken. Dat ze ooit zelf de laatste eerste drukken van haar debuut bij De Slegte opkocht omdat ze ‘zo’n medelijden met ze had’.
    Die vrijdag was ze met de pont naar de overkant van de IJssel gevaren, waar de stadsfotograaf haar portretteerde met het stadsgezicht van Deventer op de achtergrond. Deze foto kwam op het voorplat van het deeltje Literair Moment Josepha Mendels terecht.
    Dat Rolien en Ralien door Schwob die, ‘De beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’ onder de aandacht brengt, werd terug gehaald, is een eerbetoon aan een schrijfster die alleen om haar tegendraadsheid al een prijs verdiende.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • De eenheid van verhaal

    De avond had een feestelijk karakter, want er werd een prijs – de J.M.A. Biesheuvelprijs – toegekend en uitgereikt. Dé prijs voor de beste verhalenbundel van het jaar. Een prijs die indirect bijdraagt aan de acceptatie van het korte verhaal als volwaardig literair genre.
    Er werd die avond ook een vrij fundamentele vraag gesteld. Een vraag waar je een hele avond aan zou kunnen wijden. En toch kreeg die vraag niet de aandacht die hij verdiende. Moderator Daan Windhorst stelde hem. Lodewijk Wiener, Ad van den Kieboom en Sander Blom – die aantraden als pleitbezorgers voor de genomineerde bundels van Joubert Pignon, Annelies Verbeke en Vonne van der Meer – probeerden hem te beantwoorden.

    ‘Is een bundel een relevante eenheid?’ Dat was de vraag. Een vraag die een ontsnappingsmogelijkheid biedt. Wie hem beantwoordt, kan nadruk leggen op de relevantie van een zekere thematische verwantschap tussen verhalen die samen een bundel vormen. Die kant ging het die avond vooral op. ‘Het begint bij wat een schrijver wil. Bij Annelies is het uitgangspunt een thema. Op basis van dat thema – in Halleluja is het thema “begin en einde” – kiest of schrijft zij de verhalen die gebundeld worden.’ Dat was de kern van het antwoord van Ad van den Kieboom, als redacteur verantwoordelijk voor het werk van Annelies Verbeke.
    In het verlengde van dat antwoord kwam ter sprake dat het voor het onder de aandacht brengen van een bundel heel handig is dat verhalen iets met elkaar te maken hebben. Een opmerking die nogal wat impliceert en daarom verontwaardiging had moeten oproepen, maar die avond geen enkele ophef veroorzaakte. Blijkbaar waren de aanwezigen reëel genoeg om zich niet tegen deze door de commercie ingegeven realiteit te verzetten.

    Beide antwoorden suggereren dat de kleinste eenheid van verhaal niet het korte verhaal maar de verhalenbundel is. Als dat echt zo is en als een bundel geen verzameling losse verhalen mag zijn (ook dat werd gezegd), dan – merkte Sander Blom, als redacteur betrokken bij de totstandkoming van het werk van Vonne van der Meer, op: ‘ontneem je de schrijver de mogelijkheid om af en toe een kort verhaal te schrijven.’
    Dat is natuurlijk niet waar. Het staat iedere schrijver vrij om af en toe een kort verhaal te schrijven. De vraag is alleen waarom hij dat zou doen als dat ene verhaal niet de aandacht krijgt die het verdient.

    In het kader van de emancipatie van het genre is het mooi dat er een prijs bestaat voor de beste verhalenbundel, maar iemand die incidenteel een (heel) goed verhaal schrijft, schiet daar (helemaal) niets mee op. Zo kun je de vraag van Daan Windhorst ook interpreteren. Als een kleine kanttekening bij een gewaardeerd initiatief.
    Wat het genre naast de J.M.A. Biesheuvelprijs nu alleen nog nodig heeft, is een aanmoedigingsprijs. Een prijs die ook iemand die nog nooit een kort verhaal geschreven heeft weet te verleiden (zoals de Turing Gedichtenwedstrijd mensen aanzet tot het schrijven van een/één gedicht). Een prijs die recht doet aan de eenheid van verhaal: het verhaal.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • ‘Mooie dingen, allemaal mooie dingen’

    Wat wil je na je eigen dood? Herinnerd worden of niet? Een plek op aarde, in het hiernamaals? Ik weet het niet. Voor het eerst in mijn leven moest ik dagenlang denken aan een dode in zijn graf. Menno Wigman stierf veel te vroeg en bij zijn teraardebestelling mochten intimi, vrienden en aanwezigen een schep zand op de kist gooien. De plof van het zand op de kist deed mij huiveren. Ik ben weggelopen, kon er niet aan meedoen. Een dode begraven. Het was voor mij de eerste keer op Zorgvlied, de beroemde begraafplaats langs de Amstel, net buiten Amsterdam. Het liefst blijf ik ver weg van afscheidsrituelen. De laatste jaren stierven nogal wat bekenden, mannen van rond de 50 jaar. Zelfmoord of het leven van de bohémien verhinderden het tweede deel van het leven. Een vriend vertelde me de namen van dichters, schrijvers, uitgevers, kunstenaars die er liggen. De begraafplaats bleef een begraafplaats. Doden blijven doden en komen tot ons in onze gedachten.

    Menno heeft zijn plek zeer verdiend met schitterende gedichten. Vanaf zijn eerste bundel heb ik hem gelezen, hij droeg ook wel eens voor in onze winkel in de Hartenstraat begin 2000. Dat was na zijn tweede bundel, Zwart als kaviaar. Onlangs kocht ik bij de onvolprezen bibliofiele boekwinkel Minotaurus een prachtige uitgave van Wigmans poëzie. Drie gedichten zonder weerbeschrijving uitgegeven in 2016 door Hinderickx & Winderickx in een oplage van 65 genummerde exemplaren. Het is de opmaat tot zijn laatste dichtbundel Slordig met geluk. Een donkere bundel – ‘Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?’, maar aan het eind schreef hij toch een lichter gedicht die, zoals de dichter Pieter Boskma op Wigmans begrafenis memoreerde, wellicht de opmaat was geweest naar een minder duister levensgevoel:

    Mooie dingen, allemaal mooie dingen: je hand die voor het eerst een kattenvacht streelt, je moeder die bezorgd je knie verbindt, zes moegedraafde paarden in de zon, het onweer waar augustus mee begon, Diana’s hand die naar je broek afgleed, haar lichaam waar je blind de weg in vond, de kleur van een kwatrijn van J.C. Bloem, Nick Cave die dwars door Paradiso zong, een woord als moerbei, huisraad, ravelijn, de vondst van een nog net niet schurftig rijm:- mooie dingen, allemaal mooie dingen, zoals de treinen waarop ik gezoend heb, het zachte golven van een dranklokaal, een meisjeskamer die naar adel geurt, het wonder dat geen dag zich ooit herhaalt, o mooie dingen en mijn mond benoemt het voor ik me met het domme zwart verzoend heb.

    Het gedicht is getiteld Oneindig wakker. Laten wij leven om te blijven lezen, de poëzie verdient dat, wij verdienen de poëzie.

     


    Stefan Ruiters  begon ooit zijn eigen tweedehands boekhandel, JOOT (Just Out Of Time). Eerst in de Amsterdamse binnenstad, vanaf 2014 als webshop. Boeken inkopen is voor hem een van de fascinerendste facetten van het boekenvak. Hij schrijft over dingen in de literatuur en de kunst die hem raken.