• De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Huldebiet

    Wat ik gehoord heb, kan ik me later niet goed meer herinneren, maar wat ik gelezen heb, vergeet ik niet meer. Daarom ben ik geen liefhebber van voordrachten en werken luisterboeken niet voor mij. Als ik een tekst goed wil begrijpen, wil ik die graag zelf lezen. Dan ontstaat er ook geen misverstand doordat ik iets verkeerd verstaan heb. Zoals vroeger op school tijdens de catechese, waar we vragen en antwoorden van buiten moesten leren. Op de vraag ‘Waarom kunnen wij God niet zien?’ gaf ik met volle overtuiging het antwoord: ‘Hij heeft geen licht aan.’ Dat het ‘lichaam’ moest zijn, had ik niet verstaan. Zo liet ik ook Kortjakje uit het kinderliedje met een ‘broek vol zilverwerk’ lopen in plaats van een ‘boek’. Muntgeld bewaarde je toch in je broekzak? En het meisje in ‘Daar was laatst een meisje loos’ werd ‘een meisje boos’, want het woord ‘loos’ was me niet bekend. Dit soort vergissingen, waarbij je zelf invult wat je denkt te horen, wordt Mondegreens genoemd, naar een Schotse ballade uit de 17e eeuw, waarin de volgende strofe staat:

    ‘Ye Highlands and ye Lowlands,
     Oh, where hae ye been?
     They hae slain the Earl of O’ Moray,
     And laid him on the green.’

    De laatste versregel werd verkeerd verstaan en is de geschiedenis ingegaan als: ‘And Lady Mondegreen.’ Zo’n aanpassing ontstaat als de luisteraar niet goed bekend is met de brontaal, als woorden niet begrepen worden of als de spreker niet duidelijk articuleert. In het lied ‘Hallelujah’ van Leonard Cohen speelt David op zijn harp voor koning Saul, die door Cohen in mijn oren ‘the battle king’ genoemd werd en soms, bij twijfel, ‘the barefoot king’. Toen ik de tekst opzocht, bleek het ‘the baffled king’ te zijn. Ik was net zo verbijsterd als de koning zelf.

    In het Nederlands wordt de term ‘Mondegreen’ vaak aangeduid door ‘mama appelsap’, naar een verkeerd gehoorde regel van een lied van Michael Jackson. Maar mooier vind ik de vondst die taalkundige Nicoline van der Sijs voorstelde: ‘Huldebiet’, omdat in het Liedboek voor de Kerken het lied ‘Neem mijn leven’ de versregel bevat: ‘Neem mijn stem, opdat mijn lied/ U, mijn Koning, hulde biedt.’ Een jongetje wilde weten wie koning Huldebiet eigenlijk was. 

    Een gedicht dat je niet goed verstaan hebt, kan een huldebiet opleveren; Toon Tellegen schreef een gedicht dat een huldebiet als onderwerp heeft:

    ‘Ik schreef je dat je geen illusies…
     ik heb het je meteen gezegd, de eerste keer,
     ik had het bij me op een briefje
     en ik schreef het op de rand van een krant
     en op een kalender aan je muur,
     en ik zei het in je oor, in de deuropening,
     en op straat, aan een kade,
     ik riep het naar je over het water
     in het licht van een zwiepende straatlantaarn,
     en jij riep terug;
     “Ik ook van jou”.’

    Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig, zegt men, maar een slechte heeft aan een heel gedicht nog niet genoeg. Daarom geldt voor mij: liever lezen dan luisteren.

     

    Uit: De andere ridders (1984) / Toon Tellegen


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Schermeriaanse wijze

    Marijke Schermer staat op de shortlist van de Librisprijs. Ik veerde op van de bank toen de goednieuwsbrenger met het goudkleurige tasje van de Libris Literatuurprijs bij haar de trap opliep. Schermer zei, ‘Oh, oh, oh, oh’ (vier keer). Toen vroeg ze of ze de eerste was die ze bezochten (maandagochtend voor 9 uur). ‘Uhm’, zei de goednieuwsbrenger en het beeld ging van Marijke Schermer naar een opname van Maurits De Bruijn, die uit eenzelfde tasje een pakket boeken haalde, bij opening Schermer bovenop vond. ‘Oja, Marijke Schermer met in het oog’. 

    Ik riep naar de man in de keuken dat het een geweldig boek is. Over een vrouw, (Nicola) pragmatisch als een  timmerman die bij het zien van een losse trapleuning hamer en spijkers pakt. Nicola deed me wel wat aan de man denken. Vooral in de conflictoplossing. Ik liep naar de kast, legde In het oog naast me op de bank. Keek naar de beelden van de andere genomineerden. Daar was Schermer weer in beeld. Voor haar op tafel lagen de vijf boeken. Ze tikte ze een voor een aan. Zei, (tik op Joost de Vries) ‘Ik heb deze gelezen’, (tik op Ellen Faun), ‘Deze gelezen’, (bij Safae el Khannoussi) ‘deze heb ik al wel maar nog niet gelezen’. Bij het eerste en laatste boek, ‘Niet gelezen, niet gelezen’. ‘En wie wordt de winnaar?’, vroeg de goednieuwsbrenger alsof hij met een van de juryleden sprak. ‘Tsja’ zei Schermer (ik zag haar denken), ‘Daar zeg ik… daar doe ik geen uitspraak over.’ 

    Ik houd van de romanfiguur Nicola, om haar onconventionele manier van leven. Haar relaties lijken niet te slagen omdat ze niet op zoek is naar geborgenheid (weten we eigenlijk wel wat geborgenheid doet met de mens?). Haar geliefde ‘trekt’ dat niet meer, verlaat haar. In een poging het uit te praten, dacht Nicola: ‘Bee zag er mooi uit en een beetje verhit en ze had al een tijdje niets gezegd, geloof ik. Of was ik aan de beurt? (..) ‘Zullen we naar bed gaan vroeg ik.’ Ze dacht als we tegen elkaar aanliggen, komt het wel goed. Vertel mij wat. In elke relatie is er een natuurlijke verdeling. De een houdt de boel in beweging, de ander beweegt mee, of niet. Niks mis mee. Tot die ene vindt dat die ander ook weleens in beweging mag komen. Ik denk geregeld aan Rudger Koplands ‘Geluk is gevaarlijk’. Toen ik dat voor het eerst las, leefde ik ervan op. Door In het oog moest ik daar weer aan denken.

    Over liefdesrelaties schrijft Schermer: ‘…begeerte is vaak de motor achter liefdesrelaties en daarmee ook het net waarin je gevangen kunt raken. Het opent allerlei zuchtigheid, of wakkert die aan, zoals het verlangen naar geborgenheid bijvoorbeeld.’ Zie hier, geborgenheid in de betekenis van geestdodend middel. En ‘zuchtigheid’, wat een prachtig woord om verlangen, aanbidding mee te vervangen.
    Marie, de dochter van Nicola is actievoerder voor het klimaat. Hoe Schermer het doet weet ik niet, maar naast het belang van liefde, dringt de teloorgang van alles dat vaststond, waar we op bouwden, tot ons door. En dan het einde, dat niet het einde is. ‘Dit is nog maar het begin.’, schrijft ze. Ik bewonder de schrijfster die zulke boeken schrijft. Dat je hoopt dat op 19 mei, als… dat dan… Omdat het een knap boek is, met verhaallijnen die steeds kantelen, ten goede, ook als het niet goed gaat.
    Lees dit boek. Wordt gelukkig op Schermeriaanse wijze.



    In het oog / Marijke Schermer / 191 blz. / Van Oorschot
    Lees ook: interview Marijke Schermer


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

  • Kleine details

    Boeken verzamelen zich op de keukentafel, tussen de kommen op het schap aan de muur, de trap naar boven, naast de bank, in vensterbanken. Soms valt er een stapel om, struikel ik erover. En dan. De man begon steeds meer te lezen. Eerst merkte ik het niet zo. Tot ik zag dat hij alweer in een ander boek begonnen was. Hij las meer boeken dan ik kon weglezen in een week. Dat alles omdat ze voorhanden waren (is dit geen tip?). Een goed gesprek was niet meer mogelijk, hij hummend vanachter de kaft van een boek. Daar moest iets mee. Ik begon met de boekenkasten. Stopte boeken van Brouwers, Roth, Van der Heijden, een deel van Palmens oeuvre, Primo Levi, Flaubert en veel van wat daar tussen stond in dozen. 

    Met die boekendozen verdween er een bepaalde zwaarte naar zolder. Zoals de woede van Antonius, een personage in een verhaal in de bundel Tussen de mazen, in een scheur in het plafond verdwijnt. Geweldig om iemands woede in een scheur in het beton te laten verdwijnen. Dat kan een schrijver. Dat doet Mariska Kleinhoonte van Os.

    Dagelijks bezorgt de post hier boeken (jaja, vandaar). Vorige week werd Tussen de mazen  bezorgd. Ik begon er meteen in te lezen. Niet elk boek is direct pakkend, deze verhalen lieten niet los. Door de details, de beschrijvingen die onder een eerder geschetst beeld worden gezet. Voornamelijk mannen in deze verhalen. Verloren mannen, achtergebleven in een leven waarin ze in de steek gelaten werden door hun vrouw, de dood of hun geest. Wat de verhalen beslist niet een van hetzelfde soort maakt. De verschillende vertelstemmen boeien me bovenmatig.

    In ‘De Onwetende’ gaat een dochter haar vader in een verzorgingshuis bezoeken. ‘Ik overwin mijn weerzin en stap de spruitjeslucht in, mijn voetstappen worden gedempt door hoogpolig tapijt waar ik onder geen beding met blote voeten op zou willen lopen.’ Dit zet iets in beweging, doet me aan Jeroen Brouwers denken. Aan iets waarover hij schreef in een van zijn boeken die hij in het Krekelbos in België schreef. Details als huidschilfers, huid die zich zevenjaarlijks vernieuwd. Onzichtbare schilfers die loslaten, in bed achterblijven, in tapijt verdwijnen. Dat je op een tapijt dat niet je eigen is niet met blote voeten gaat. Daar staat iets dat ik ten volle begrijp.

    Brouwers noemde zichzelf geen verhalenverteller, maar ‘boetseerder’ met taal. Er moest een onderstroom zijn die het verhaal naar boven stuwt, die kneedde hij erin. Stuwend zijn ook de verhalen van Kleinhoonte van Os. Vanaf de eerste regels van elk verhaal wil je door. In het prachtige verhaal ‘Oom Karel’ worden de geheimen van een familie belicht. Sommige dingen blijven duister, wat bovenmate intrigeert. Het begint zo: ‘Ik was zeventien toen ik hem leerde kennen. We zaten in de achterkamer van het huis van opa Vos. Als kind mochten we niks van opa Vos, zoals we hem steevast bleven noemen.’
    Ik wil direct weten: Wie leerde ze kennen, waarom mochten ze (wie zijn ‘ze’) niks van die opa en waarom bleven ze hem ‘steevast’ opa Vos noemen. Met soepele vertelstem wordt er een familie geschiedenis naar boven gehaald. Tijdens de uitvaart van opa Vos ontmoet ze oom Karel voor het eerst. Een zachte man, een man met een trauma. Opgroeiend raakt ze aan hem verknocht. Een rijk en mooi verhaal. Tot je het einde leest.

    Later trok ik op zolder dozen achter het schot vandaan. Mijn ogen scanden de naar boven gekeerde ruggen van boeken. Dat weerloze. Geen Brouwers. Volgende doos. De man vraagt wat ik zoek. Ik vraag niet of in de laatste drie dozen die hij vorige week naar de kringloop bracht, boeken van Brouwers zaten. Ik geloof graag dat ik geen ondoordachte dingen doe. Tegen beter weten in ging ik naar beneden, naar de boekenkast. Weer die ruggen (sterker als ze staan). En kijk dan toch, De zondvloed! Het boek dat ik in 1988 gelezen heb bleef staan. Wie leest verzamelt onvergetelijke dingen, ook als je denkt ze te zijn vergeten. Een schrijver in een andere tijd kan alles wat was weer in beweging brengen. Door kleine details, door het voorstellingsvermogen van een schrijver van een indrukwekkende verhalenbundel.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Papa de Kom

    Wij slaven van Suriname (1934), het baanbrekende boek van Anton de Kom, was het eerste werk dat de geschiedenis van Suriname vertelde vanuit het perspectief van de tot slaaf gemaakten en de onderdrukten. Dit maakt De Kom een pionier in de dekoloniale geschiedschrijving. Zijn nalatenschap leeft voort in de strijd voor sociale rechtvaardigheid, onderwijs en emancipatie. Zijn naam is verbonden aan instituten, zoals de Anton de Kom Universiteit van Suriname en zijn gedachtegoed blijft relevant in discussies over koloniale erfenissen en identiteit.

    Deze week vonden in Suriname en Nederland diverse activiteiten plaats die verband hielden met Anton de Kom. In Suriname werd dinsdag 18 februari de lezing ‘Wil de echte wereldburger opstaan?’ georganiseerd door de Anton de Kom-leerstoel en de Adekus. Inleider en leerstoelhouder Guno Jones verklaarde dat Anton de Kom zich verzette tegen onderdrukking en uitbuiting. ‘De Kom was een organische activist die de noden van arbeiders uit verschillende etnische groepen in kaart bracht. Na zijn uitzetting voltooide hij zijn manuscript.’
    Donderdag bood de Gemeente Amsterdam een speciale heruitgave van Wij slaven van Suriname aan de stad Amsterdam aan, ter gelegenheid van het tachtigjarige jubileum van de bevrijding van Nederland van de nazi’s. Vanaf 22 februari, de geboortedag van De Kom, is deze editie gratis verkrijgbaar bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA). Exemplaren worden ook naar Suriname gestuurd.

    Het is duidelijk dat De Kom zich inzette voor alle Surinamers. Bij zijn huis in Paramaribo, in de straat die naar hem is vernoemd, nam hij plaats op een stoel en tafel en deed iets dat nauwelijks werd gedaan in die tijd: hij luisterde naar de noden van de arbeiders en schreef die op. Arbeiders van verschillende bevolkingsgroepen, hij maakte geen onderscheid. Zij noemden hem uit respect ‘Papa de Kom’.

    Voor zijn open oor en kritische blik op de overheersers werd hij opgepakt en in de gevangenis gezet. Op dinsdag 7 februari 1933 volgde er een protest voor de vrijlating van De Kom. De politie kreeg het bevel om het vuur te openen op de demonstranten. Er vielen twee doden en 22 gewonden. De dag staat in geschiedenisboeken bekend als ‘Zwarte Dinsdag’.

    Zijn boek kwam ik jaren geleden tegen toen ik informatie zocht over de vrijheidsstrijder Boni. Ik werd aangenaam verrast, want naast de informatie was ik ook onder de indruk van de schrijfstijl van De Kom. Wij slaven van Suriname is geschreven in ouderwets Nederlands, maar nog steeds goed te begrijpen.

    De Kom was sarcastisch over verschillende aspecten van het verleden van Suriname, zoals de manier waarop de overheersers naar de Surinaamse samenleving keken. Wat het boek destijds echter duidelijk maakte, is dat ik – en wij – van veel niet afweten over ons eigen verleden. Veel zaken zijn onbekend en nog verborgen, niet alleen over het slavernijverleden.

    Iemand tot een held maken is subjectief. Je bepaalt namelijk op basis van je eigen inzichten of je iemand als een held beschouwt. Ik vind De Kom een held, omdat hij het lef had om tegen de stroom in te gaan, informatie te onderzoeken, vast te leggen en te delen, met het besef dat dit ooit van belang zou zijn. De Kom moedigde mensen aan om op te komen voor hun rechten en achter hun principes te staan.

    ‘Is het gedachtegoed van De Kom goed doorgedrongen in de Surinaamse samenleving?’ vroeg onderminister en historicus Maurits Hassankhan aan de zaal aan het einde van de lezing van Jones. Een vraag die ik ook meegeef aan de lezers.

     

     

    Notie: Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De ware tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo, is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

  • Woede als aanjager

    Ik las over de dood van een moeder. Terwijl de dochter op een vroege zondagochtend onderweg is naar station Sloterdijk om naar Nijmegen te reizen, wordt ze gebeld door de vriend van haar moeder. Ze wil het wegdrukken, later terugbellen. Iets weerhoudt haar. Het is het vroege tijdstip waardoor ze toch opneemt. Ze hoort dat haar moeder is gevallen. Gevallen en overleden. In de momenten daarna, onderweg naar het huis van haar moeder, groeit er in de dochter een grote woede. ‘Als ik straks aankom zal ik het haar zeggen. “En nu doe je normaal godverdomme. Nu hou je op! Ik heb er schoon genoeg van. Je gaat godverdomme nu gewoon naar een dokter.” Dan zal ze wel begrijpen dat ze deze keer te ver is gegaan.’ Wat er gebeurt als een ouder overlijdt, een familiegeschiedenis zichtbaar wordt, daar is dit boek een verslag van.

    De dochter is kwaad op haar moeder omdat ze nooit een dokter wil consulteren. Ze vertrouwde op alternatieve genezers. Er is een jongste broer, die hersenletsel opliep door een val, tijdens corona in complot theorieën begint te geloven, de moeder daarin betrekt. ‘Als jij het gevoel niet had gehad dat je moest kiezen, dat je altijd, altijd, altijd de deur voor Rein open moest laten, dat je er altijd voor hem moest zijn, dan was de wereld misschien wat minder zwart geworden voor je.’ Dat ze misschien nog had geleefd ‘als ze dit of dat’. De valkuil van het ‘als’, waarmee de dood op pauzestand wordt gezet. Maar dat ongeloof, die woede.

    A.F.Th. van der Heijden werd op 31 mei 1993 gebeld door zijn moeder. Zijn vader lag met longemfyseem in het ziekenhuis. Terwijl hij luistert, wordt hij kwaad. ‘Hoe haalt hij het in zijn hoofd om in het ziekenhuis te gaan liggen, en zo mijn leven te ontregelen?’ Nooit gaf zijn vader gehoor aan zijn raadgevingen te stoppen met roken, met alcohol. Na enkele weken is zijn vader overleden. Van der Heijden schreef er het prachtige boek Asbestemming, Een requiem over.

    Op het moment van sterven van een ouder, ontstaat er iets dat een uitweg moet vinden. Er moet iets afgerond worden dat niet af te ronden is, het moment van sterven als punt van terugkeer.

    Ik denk aan mijn vader, een zachtmoedig man. Toen hij overleed heb ik geen afscheid kunnen nemen. Na een bepaalde verslagenheid was ik opeens driftig van woede. Uit woede tekende ik een portret van mijn vader, (als ik er nu naar kijk, kan ik niet geloven dat ik het maakte) de zachtheid die ik als schuld van zijn dood zag, verdrukte ik met krachtige lijnen. Er ontstond een portret van een onverzetbaar man. Het leek wel wat op Theodor Holman, waaraan ik verder niets verbinden kan.

    Op dag achttien (onderschat niet het belang van de precieze aanduiding van tijd, plaats en dag, alsof het houvast biedt) na het overlijden van haar moeder, denkt de dochter haar moeder de volgende morgen even te bellen. ‘Wat doet mijn brein? Het is alsof het de hele tijd op zoek is naar manieren om het tij te keren, ondanks het feit dat ik zo godvergeten doordrongen ben van het feit dat je dood bent, dood. Dood.’ Die woede, de catharsis die gezocht moet worden. 

    Michael Ignatieff schreef over de dood van zijn vader in Reis naar het ongerijmde. ‘Ieder stervensverhaal dat je vertelt, is bedoeld om de indruk te wekken dat je de dood hebt overwonnen, dat je het sterven hebt aanvaard en je ermee verzoend. Het is een leugen, iets wat je jezelf wijsmaakt om door te kunnen gaan.’ Hij aanvaardt de dood van zijn vader niet.

    ‘Noch heb ik er vrede mee. Ik ben het gewoon beu en dat op zichzelf is de beste reden om het verhaal opnieuw te vertellen. Vertel het verhaal om jezelf terug te vinden, om hem terug te vinden. Vertel het verhaal zodat zijn dood eindelijk plaatsvindt.’ Schrijven over verlies. Om dat definitieve punt te bereiken.

    Het is niet de bedoeling de doden tot leven te wekken, dat nu ook weer niet. De dochter stelt zich voor hoe het dan zou gaan, als haar moeder er weer/nog was. ‘Bovendien realiseer ik me maar al te goed dat jouw dood betekent dat we nooit meer ruzie hoeven te maken. Dat we niet mee hoeven te maken dat je nog meer lichamelijke klachten zou krijgen en dat je niet meer zelfstandig had kunnen wonen. Ik zou tegen je gaan roepen: “als ik er geen dokter bij mag halen, dan zoek je het maar uit!”‘ Dat de dood daar een stokje voor had gestoken.

    Wat me treft is de onversneden boosheid waarin zoveel liefde resoneert. Woede als aanjager om over liefde te schrijven is een combinatie die ten diepste ontroert.

     

     

    Dat zijn wij zelf / Heidi Koren / 175 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Linedancen

    In de trein naar Den Bosch klampte een dame met vuurrood geverfd haar elke reiziger aan om te vragen welke bus naar de Brabanthallen ging. Haar stem, die hoog en luid was, schoot door de paniek nog wat door toen niemand haar antwoord kon geven. Toen ik aan de beurt was, zei ik naar waarheid dat er geen bus reed en dat ze zo’n tien, vijftien minuten zou moeten lopen. Haar helblauwe ogen sperden zich wijd open toen ze me angstig vroeg naar de route. Na een paar omstandige, maar vruchteloze pogingen om het haar uit te leggen, besloot ik haar onder mijn hoede te nemen. Ik moest toch dezelfde kant uit. Ze liep gewillig met me mee naar de parkeerplek achter het station waar ik afgesproken had met mijn vriendin.

    Elk jaar in januari wordt er in de Brabanthallen in Den Bosch een gigantische, driedaagse boekenmarkt gehouden ten bate van het goede doel. Al jaren zijn mijn vriendin en ik trouwe bezoekers: boeken zoeken en bijkletsen, de hele dag lang. Ik wist zeker dat ze geen bezwaar zou hebben om ook deze dame mee te nemen.

    Zoals ik al verwacht had, wuifde mijn vriendin mijn uitleg weg en zette de dame achter in de auto. Ze kwam uit Gouda, vertelde ze, en wij keken elkaar waarderend aan: dat was een echte boekenliefhebster! Die had er een lange reis voor over! Toen mijn vriendin de auto bij de Brabanthallen parkeerde, vertelde ik de dame dat ze gerust met ons mee kon gaan naar de boekenmarkt. Waarop ze luidkeels brulde: ‘Ik wil geen boeken, ik wil linedancen!’

    Wezenloos staarde ik haar aan, maar mijn vriendin was sneller van begrip. We hadden al diverse mannen en vrouwen op de parkeerplaats zien lopen met grote cowboyhoeden, laarzen met rinkelende, blinkende sporen en kleding met franje, – maar geen enkele Indiaan – die naar een Western-festival gingen in een ander gedeelte van het enorme complex. Het was niet tot me doorgedrongen dat er nog andere evenementen waren waar je naar toe kon gaan. Mijn vriendin keek me bestraffend aan: boeken zijn niet voor iedereen een levensbehoefte, zei ze, er bestaan ook mensen met andere passies, al kon ik me dat niet voorstellen. Ze had gelijk, daarom is het volgende gedicht, met welgemeende excuses, voor de dame met het vuurrode haar:

    Los

    Dans en weet dat je bestaat
    dans een dans op hete kolen
    dans de gaten in je zolen
    dans tot de planeet vergaat

    dans als alles is gezegd
    dans tot je de tijd vergeet
    dans zoals je ademhaalt
    dans tot je de weg weer weet

    dans om nooit meer stil te staan
    dans de sterren en de maan
    dans de bomen en het bos
    niets meer vast en alles los

    We hebben haar een fijne dag gewenst en weg was ze. Daarna hebben we haar niet meer gezien; ik hoop dat op het einde van de show een stoere cowboy haar met zijn Mustang een lift gegeven heeft terug naar het station.

     

    Uit: Ingmar Heytze, Alle Goeds, 2001.


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Tot de kern

    Ik stuitte op een interview met Paul Auster (1949-2024) waarin hij zegt dat de essentie van een schrijver is ’to make a maximum effort all the time’. Dat een kunstenaar nooit achterover kan leunen, ‘you can’t be a writer, or a painter, or a musician unless you make maximum effect.’ Je elke dag op te sluiten in je kamer om tot een werk te komen. Auster zegt, ‘Which is a very strange way to live, alone in a room every day, putting words on pieces of paper.’ Dat hij na een hele dag in zijn werkkamer te hebben gezeten er uiteindelijk een zin op papier komt die kan blijven staan. Dat het verfrommelen van beschreven vellen papier ook schrijven is.

    Toen Frida Vogels acht jaar was sprong ze van de duikplank in het diepe. Ze beschrijft de aanloop naar die sprong in een kleine scène in haar laatste boek, In den vreemde. In die scène is de essentie, de eigenheid van een persoon te lezen die tekenend is voor haar verdere leven. Ze schrijft ‘er gebeurde op een dag iets dat ik me nu nog herinner’. Ze was alleen naar het zwembad gegaan, lag bij het ondiepe bad vanwaar ze een groep jongens en meisjes op de hoge duikplank zag staan. ‘Wat deden ze daar dan?’, vroeg ze zich af. Ze sprong op en liep naar de hoge duikplank en klom naar boven. ‘Ik liep tussen de luidruchtige jongens door, die bij het zien van mij stilvielen van verbazing, bereikte het einde van de duikplank en sprong eraf.’ Dat je van een eenmaal ingeslagen weg niet omkeert.

    Als ze vanuit de diepte weer boven komt, werkt ze zich ‘Hijgend en puffend, mezelf zo goed mogelijk helpend met mijn armen en benen’, naar de rand van het zwembad en klampt zich vast aan de ijzeren railing, ‘duwde me toen op aan de tegels, stapte uit en keerde terug naar mijn plek op het zand. Ik wist nog steeds niet hoe ik zwemmen moest.’ Dat zij het zich herinnert als iets dat ‘gebeurde’, alsof het haar overkwam, er omstandigheden waren die ertoe bijdroegen dat ze zo onbevangen van die duikplank sprong.

    Schrijvers als Paul Auster en Frida Vogels hebben mijn grote bewondering. Dat het allemaal in hun werkkamer gebeurde, al dat schrijven, de boeken die daaruit voortkwamen. 

    Ik blijf bij de kamer van Vogels. Waar zij zit als Ennio thuiskomt met Tagliavini, kenner van orgels en klavecimbels. Hij roept, ‘“Frida!” en ik antwoordde “Ja’, maar zonder van mijn plaats te komen. Natuurlijk had ik Tagliavini moeten gaan begroeten. Daar heb ik nu de pest over in.’ Dat onbeweeglijke, dat starre, die werkkamer als bastion.
    Ennio maakte van het bouwen van een virginaal, klavecimbel en als laatste een orgel zijn levensinvulling. Zoals Frida haar boek De harde kern voor Ennio schreef, en hij voor haar die instrumenten. ‘Zonder mij zou hij nooit dat klavecimbel hebben gebouwd (…) en ik zou Kanker en De naakte waarheid niet hebben geschreven’. Ze schrijft, ‘het klavecimbel is wat er goed tussen ons is.’

    Iemand zei me eens, ‘Wat een leuke man heb jij! Weet je dat wel?’ Natuurlijk wist ik dat, hij was immers mijn man. Maar om eerlijk te zijn, er werd op dat moment iets in werking gezet. Want sindsdien overkomt het me dat als de man slapend naast me ligt, koffiedrinkend aan de keukentafel zit, of op de trap zijn wandelschoenen aantrekt, ik denk, ‘Ja, wat een leuke man.’ Dat de dingen me gezegd moeten worden, pas dan zie ik het ook. 

    Als Han (Voskuil) tegen haar zegt ‘Wat Ennio doet, is goed. Als je jullie samen ziet kun je dat volledig accepteren.’ Ontroert haar dat.
    Op
     2 maart 2017 zit Frida aan Ennio’s sterfbed. ‘Ik streelde hem zachtjes over zijn wangen. Hij scheen dat prettig te vinden. Misschien. Ik dacht het wel en ik vond het ook prettig om het te doen, maar ik wist het niet zeker.’ Hoe dat mij ontroert.

    ‘The essence of being an artist is to confront the things you are trying to do, to tackle it head on, and if it is good, it will have its own beauty – an unpredictable beauty.’, zei Auster in dat interview.

    Dat de gedachte aan de rollen papier die ik vol schreef, me soms aanvliegt. Dat daar iets mee moet. En dat ik denk met deze persoonlijke verhalen, brieven en bekentenissen tot de kern van Frida Vogels gekomen te zijn. Haar werk geeft dat uitzonderlijke gevoel getuige te zijn van een zelfontleding die je nergens anders tegenkomt. Dat ze schrijft om te weten wie je bent. Het is van een grootse veelheid, al die duizenden bladzijden van Frida Vogels, maar mag het nog een ietsje meer zijn?

     

     

    In den vreemde, Kronieken / Frida Vogels / 538 blz. / Van Oorschot (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

  • Man en kat

    Op de dag waarop ik me voorgenomen had een stukje te schrijven, werd mijn man met gillende sirene naar het ziekenhuis gebracht en bleek een van de katten nog maar op drie poten te kunnen lopen. Dagenlang pendelde ik met de bus, met lekkere hapjes, schone kleding, kruiswoordpuzzels, op en neer naar het ziekenhuis, en met de kat in het bakkie achter op de fiets naar de dierenarts. Ondertussen stapelde op het aanrecht de afwas zich op, bergen wasgoed groeiden, stond de telefoon geen ogenblik stil, moest ik boodschappen doen, afspraken afzeggen en talloze formulieren invullen. De kat had door de bezoeken aan de dierenarts verlatingsangst ontwikkeld. Ze klampte zich voortdurend aan me vast als een babyaapje aan zijn moeder. Waardoor ik alles met één hand moest doen, net als vroeger toen de kinderen klein waren. Geen tijd om een boek te lezen, laat staan om iets te schrijven.

    Ik vroeg me af hoe beroemde auteurs de hobbels van het dagelijkse leven namen eer ze aan schrijven toekwamen. Ik wist dat de vrouw van Sigmund Freud de kinderen fluisterend tot stilte maande, op dat vader zijn meesterwerken kon schrijven in zijn studeerkamer. Vestdijk liet de brommende stofzuiger alle andere geluiden absorberen als hij schreef, Rilke moest zich afzonderen in ‘heilige eenzaamheid’ en William Faulkner kon niet aan zijn boeken werken zonder een groot glas mint julep. En de vrouwen? Agatha Christie schreef overal, zolang er maar een vel papier, een pen en een enigszins hellend vlak te vinden waren. Ze kreeg haar beste ideeën voor een boek tijdens de afwas, zei ze, omdat die idiote bezigheid haar altijd op moorddadige gedachten bracht. Maya Angelou betrok een hotelkamer die ze vrijmaakte van alles wat haar kon afleiden. Shirley Jackson sloot zichzelf uren op in haar werkkamer, omdat zij met de verdiensten van haar schrijfwerk het gezin moest onderhouden.   

    En Annie M.G. Schmidt schreef  het gedicht ‘Moeder dicht’, waarin huiselijke beslommeringen, de zorg voor een kind en de dichtkunst op voet van oorlog met elkaar verkeren, maar waar het kind het uiteindelijk weet te winnen van de poëzie:

    […]

    ‘als dauw die druppelt van de trage bomen’
    Als jij nog één keer binnen durft te komen,
    dan krijg je geen vanille-vla vanavond!
    ‘zo druppelt in dit hart tezeer gehavend’
    Je moeder dicht. Ze heeft geen tijd, totaal niet.
    Als vader thuiskomt gaat het helemaal niet.
    Je moeder zou een Shakespeare kunnen zijn.
    Ze is het niet. Dat komt door jouw gedrein.

    […] Wat is dat? Hoofdje zeer?
    M’n schatje toch… Gevallen met je beer?
    Je moeder komt… na na… daar is ze al.
    Wees nou maar zoet – ’t genie staat weer op stal.

    Het leek erop dat vrouwen zich alleen aan het schrijven konden wijden als ze kind noch kraai hadden, of een stoet aan personeel die hen vrijwaarde van huishoudelijk werk. Ik hoor tot geen van beide categorieën. Ik ben allang blij, nu het met man en kat weer wat beter gaat, met een uurtje voor mezelf .

     

     

    Fragmenten uit: Annie M.G. Schmidt, Huishoudpoëzie, 1957.


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Kwetsbaarheid van een bril

    Dat ik steeds vroeger opsta om migraine voor te zijn, vraagt om actie. Dus weeg ik vroeg in de ochtend 500 gr. meel af. Doe het in een kom met zout, 95 gr zuurdesem, meng het met 330 ml handwarm water (alsof je niets anders doet dan dingen bakken). Onderwijl focus op de bril van je broer, waar die gebleven is. Ik maakte me van veel een voorstelling. Hoe hij door rood fietste, een motor hem schepte, hij door de lucht vloog. Vanuit de lucht neerkwam op het asfalt, de doffe klap die dat gemaakt moet hebben. Dat is er als je aan het ongeluk denkt. En dan nu die bril. Was deze misschien verbrijzeld in de goot van de Haarlemmer Houttuinen terechtgekomen. Daar, door niemand opgemerkt, was blijven liggen, later door een gemeentewagen weggeveegd. Of zat het verkreukeld achter zijn oor, door een ambulancebroeder er voorzichtig achter weggehaakt, in een zakje gedaan. Ik heb er nooit aan gedacht, wel hoe kwetsbaar iemand is die door rood rijdt. En dat ik nog nooit zo dicht bij hem kwam nu ik aan die bril op zijn gezicht denk.

    Dat ik er nu (geschokt) aan denkt, komt door de Finse schrijfster Pirkko Saisio. Het eerste deel van haar trilogie gaat over haar kinderjaren in Helsinki. Herinneringen komen bij haar boven terwijl ze haar vader, die op sterven ligt, in het ziekenhuis bezoekt. Na zijn overlijden, krijgt zij een plastic tasje mee waarin zijn ondergebit, bril en ring zitten. Ze vraagt zich af wat er ‘met de tanden en brillen van dode mensen wordt gedaan.’ Daar schrok ik van. Dat ik, die dacht nu alles te weten over hem, niet wist waar zijn bril gebleven was.

    Halverwege Bewogen selfies, (een overweldigend boek, zoveel meer dan een autobiografie, een zelfonderzoek) ga ik terug naar het begin. De draad opnieuw volgend tot waar ik die kwijtraakte (bij ’10 Tips For Strong Dick Pic Etiquette On Snapshot’). De betekenis van de opsomming die ik volgde, ontglipte me. Dus kom ik opnieuw bij het essay ‘Mijn Kevin, Ons Parijs’, over de Amerikaanse dichter Kevin Killian. De schrijver ontmoette hem een paar keer, mailde met hem tot deze in 2019 overleed. Hoe Alkema zich al schrijvende zich zijn vriendschap toe eigende, dat dat is wat rouwenden doen.

    ‘En inmiddels realiseer ik me ook dat het niet per se Kevin is die het object van mijn rouw vormt, omdat het niet zozeer gaat om wie je verloren hebt, […] maar wat je aan diegene verloren hebt.’, schrijft Alkema. Ik denk aan mijn broer in Amsterdam, ijzerboer op het Waterlooplein. Ik maakte er een romance van. Terwijl ik eigenlijk zoek naar wat ik aan hem verloren heb.
    ‘En alle dingen die er op de wereld bestaan wachten erop dat ik ze gebruik om er boeken mee te verzinnen.’, schrijft Pirkko Saisio. Hoe een vergeten bril en wat je verliest als er iemand sterft een nieuwe ingang tot het verhaal bieden. 



    Het kleinste gemene veelvoud / Pirkko Saisio / vertaling Annemarie Raas / 237 blz. / De Geus
    Bewogen selfies / Obe Alkema / 243 blz. / Het Balanseer


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

  • Waagstuk met impact

    Het was bijna kerst. Ik dacht aan boodschappenlijstjes, badkamer poetsen, bedden opmaken, verzamelen van ingrediënten. Terwijl ik bloem en suiker afweeg, appels klaar leg, rozijnen in gembersap te weken zet voor mince pies, (vrij naar een recept van de moeder van Jeanette Winterson), zie ik voor me hoe een moeder haar handen om het gezicht van haar kind legt. Met beide duimen veegt ze het kwijl uit haar mondhoeken. Het kind lacht, een grimas waarin enkel de moeder een lach herkent. Een beeld ontstaan uit tekstfragmenten uit Dagen als vreemde symptomen. Over een vrouw die bevalt van een meisje. 

    Wanneer het kind op de borst van de moeder, Sisyphus ligt, bekijkt ze ‘het hoofdje met geronnen bloed en beseft dat dit kind ‘alleen bestaat omdat zij bestaat’ en ‘niks belangrijker zal zijn’ dan de zorg om dit kind. De eerste pagina’s van Dagen als, zijn (ik zei het al) fragmentarisch en begint met ‘Sisyphus vindt een overkoepelende stem’. Waarin ze kiest voor ‘allegorie’ en een ‘caleidoscopische benadering’ van het verhaal dat verteld gaat worden. En ook, ‘Uit elk fragment poetst ze zichzelf tevoorschijn’. Betekenisvolle regels, aanwijzingen voor wie het ziet. 

    Toen de kerstdagen voorbij waren, de mince pies verorberd, bedden afgehaald, was het huis stiller dan ooit. Dat er altijd een missen ontstaat na wat geweest is. 

    ‘Alle vrouwen zijn TOPoverlevers’, plaatste Astrid H. Roemer op social media. Ik denk aan Over de gekte van een vrouw. Een indrukwekkend boek over vrouw zijn in de jaren zeventig. Met een citaat van Albert Helman. ‘Maar de grootste Liefde blijft onbegrepen en niemand heeft ooit durven zeggen, dat daar een stuk van de hemel begon: het eenzaamste stuk…’. Dat liefde nooit gaat over samenzijn. Dagen als, gaat over vrouw, moeder zijn van een meervoudig gehandicapt kind in deze tijd. Dat de mannen uit beide romans Louis heten is een overeenkomst, evenals de beschreven lustgevoelens bij de vrouw, en de man die denkt dat het hem toekomt. Hoe in de  literatuur het ene boek het andere vindt. Hoe geschiedenis zich in vele vormen herhaalt. 

    Als de relatie met haar man kapot is, kan Sisyphus eindelijk met haar dochter op vakantie naar een Grieks eiland. Want kou verslechtert haar toestand. ‘Niet zelden overnachten ze in het ziekenhuis. Haar dochter worstelt tussen de lakens met een of andere infectie. Zuurstofmeter, vochtinfuus, sondevoeding. Sisyphus zit naast het bed, wacht op een nieuw jaargetijde.’ 

    De mythische Sisyphus tartte de goden, moest voor straf met een rotsblok op zijn schouders een berg beklimmen. Eenmaal boven gekomen rolde het rotsblok weer naar beneden, hij opnieuw… Zoals een moeder elke dag opnieuw haar kind liefheeft, verschoont, kleedt, voedt, leert lopen. ‘En dan ziet ze het: de kans dat haar dochter de paar vaardigheden die ze met zoveel moeite heeft weten te ontwikkelen ook weer zal verliezen.’ Waarna hoop verandert in een ‘leeggelopen ballon die richtingloos door de kamer stuitert’. Hoe hoop steeds van richting verandert. Van, ‘Hoop is nu alleen nog maar gewenning.’, en ‘Hoop is een reflex.’, tot ‘Hoop is een roestvrijstalen geluid’. Van die lege rolstoel dus. Het werkt intens.

    Elke dag met die lege rolstoel naar het dagcentrum om haar dochtertje, die daar niet meer is, op te halen. Ze ontmoet een vrouw die haar helpt zich te herinneren wat er gebeurd is. ‘Alles bestaat nog. Ook als het allang verloren is.’ Ook dit werkt intens. 

    En kijk, daar staat het dan toch. ‘Je vindt het fijn als ik je gezicht in mijn handen neem, als ik met mijn vingers de lijnen van je schedel volg, met mijn duimen je wenkbrauwen streel. Je hoofd klapt naar achteren. Je malende kaken ontspannen even.’ Het beeld in mijn hoofd was er een van liefde. Er is ontroering, bewondering ook om de vorm, de kracht van taal en elke witregel die geldt. Een geweldig waagstuk met een geweldige impact. Lees het!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

     

     

     

     

  • Mensen van goede wil

    Met de kerstdagen gaan wij dit jaar naar een restaurant. Ik zie er tegenop om thuis te koken: een van onze kring is vegetariër, twee moeten glutenvrij eten, eentje eet halal, en een heeft diabetes waarmee rekening moet worden gehouden. Kerstmis heeft ook niet voor ieder van ons dezelfde betekenis. Ons kleine gezelschap bestaat uit een afvallige katholiek, een vrome moslim, drie overtuigde atheïsten, een orthodox-christelijke gelovige en een twijfelende agnost. Het wordt vast een feestelijke bijeenkomst, maar de reden ervoor is bijna uit het geheugen verdwenen. 

    Ik denk een beetje weemoedig terug aan Kerstmis toen ik klein was en mee mocht naar de nachtmis. Hoe ik van mijn moeder dikke truien moest aantrekken, met kranten op de borst tegen de felle kou. Hoe we naar de kerk liepen en onze voetstappen kraakten in de sneeuw. Het gezang in de kerk, dat wel van engelen leek te komen, de lichtjes, de kaarsen. En dan door de stille nacht naar huis, waar mijn vader op ons wachtte met hete chocolademelk en zelfgemaakte worstenbroodjes. De wereld was nog veilig klein en vredig. Nu is de wereld groot geworden en verre oorlogen zijn verontrustend dichterbij gekomen.

    Maar met Kerstmis praten we niet over politiek, niet over de brute inval in Oekraïne of de verschrikkelijke slachtingen in Palestina. Voor één keer in het jaar wil ik ogen en oren sluiten voor alle ellende in de wereld en denken aan ‘vrede voor mensen van goede wil’. Maar die vertaling van Lucas 2:14 is in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2021 veranderd in ‘vrede voor mensen die God liefheeft’, waarmee een onderscheid geschapen wordt dat niet verbindt maar verdeelt. Bovendien ligt de nadruk nu op de willekeur van het opperwezen en niet meer op goede intenties van de mensen.

    Ik denk aan Kerstmis 1914, toen twee vijandige legers het kerstfeest met elkaar vierden vanuit de loopgraven en de waanzin van de oorlog voor één nacht vergeten werd. Dat na het kerstbestand de wapens weer werden opgepakt, doet niets af aan het feit dat zij bereid waren zich te verbroederen in de wetenschap dat zij allen als lammeren naar de slacht gestuurd waren om te sneuvelen voor een politiek geschil waarvan ze de reden niet kenden. In die éne nacht was er vrede, omdat zij van goede wil waren. 

    ‘Kerstvrede

     Er werd gevuurd en gekorven,
     In de loopgraaf werd het stil.
     Vredeloos zijn gestorven
     Menschen van goeden wil.

     Thans naket de ongeëvenaarde
     Wonderzachte nacht.
     Wit staat de dood op wacht.
     Gods kinderen hebben de aarde.’

    Nu wankelt de wereld opnieuw omdat de machtsverhoudingen scheefgetrokken zijn. Wie het hardst schreeuwt, krijgt de meeste aandacht. Voor velen is de nacht nooit meer stil en vrede lijkt een vergeten begrip te zijn. Waar zijn nu de mensen van goede wil, die hun wapens weggooien en zich verbroederen met hun vijanden? Niet in de politiek, niet in de kerken, niet eens meer in de Bijbel. Misschien vind ik ze in het restaurant. 

     

    Uit: De zware kroon van René De Clercq (1877-1932)


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.