• Merijn de Boer lezen

    De herfst staat voor de deur en ik heb gelukkig nog niet al het moois van deze zomer gelezen heb. De geur van miljoenen van Merijn de Boer ligt er nog. ‘Wie wat bewaart, die heeft wat’, zegt het spreekwoord dat mijn moeder vroeger (in armoediger tijden) veel gebruikte. Tijden waarin mijn vader een abonnement op de Wereldbibliotheek nam, dat weer wel. Hij ontving op gezette tijden de Russische schrijvers per post en was dagen zoet met lezen. Uit zijn boekenkast ligt hier een bundeling van twee verhalen De jaarmarkt in Sorotsjínintsy en Kerstnacht van N.W. Gogolj, (in 1952 fonetisch gespeld). Het mooiste stuk in dit boekje is eigenlijk het voorwoord van een imker, Rode Pánjko. Voor wie Gogol kent, weet dat de schrijver zelf dit voorwoord schreef waarin hij het heeft over de ‘Avonden op een hoeve bij Dikánjka’ waar boeren en dorpelingen elkaar verhalen vertellen. Verhalen die door de zogenaamde imker (Gogol dus) op papier worden gezet, en wat voor nut dat heeft. Wijdlopige verhalen met vele terzijdes die op het oog niet zo belangrijk lijken maar een verhaal wel uittekenen tot in alle hoeken waar anders niet gekeken wordt.

    Zo gauw de eerste regen viel, sloeg ik De geur van miljoenen open. Na de eerste alinea’s keek ik, een zucht slakend, een moment dromerig voor me uit en wist dat het goed was, beter dan goed. Ik trok mijn benen op de bank en las het verhaal ‘Een acrobaat in Accra’ over een vriendschap die de uiterste houdbaarheidsdatum heeft overschreden. En daarna het titelverhaal, waarin een oude rekening vereffend moet worden maar de gedupeerden het er om persoonlijke redenen bij laten zitten. Met daarin een hilarisch terzijde over een van de gedupeerden – Anna Graswinkel: ‘Ze was vernoemd naar Anna Achmatova. Een volstrekt overbodig detail, maar als een personage is vernoemd naar een dichteres, dan kan een schrijver dat moeilijk onvermeld laten.’ Prachtig!
    Dan is er nog een zeer (echt waar) liefdevol verhaal, ‘De remise’. Over de laatste dagen van een bejaarde Nederlandse ambassadeur in Marokko die uiteindelijk sterft op straat terwijl een hond hem gezelschap houdt. Dat klinkt triest maar is het niet. Het is of die ambassadeur dit gewenst heeft zo te sterven!

    Merijn de Boer schrijft als een muzikant tijdens een jamsessie. Hij varieert er lustig los, gebruikt een ongewone terminologie en vertelt schijnbaar zonder structuur een verhaal. Zoals in ‘De jaguar, Naar een verhaal van Gogol’, waarin een speech wordt ‘getermineerd’, personen ‘gedefenestreerd’ en een ‘petomane snuiter’ in voorkomt. Een terminologie die pedanterig aandoet maar dat helemaal niet is! Gelijk als in een jamsessie. Nog één variatie  op een verhaal:‘In slechte handen, Naar een roman van Robbert Welagen’, waarin twee identieke ikken voorkomen. Dubbelgangers die elkaar naar het leven staan en waarin de heerlijke en op het oog niets toedoende terzijde als: ‘Na het eten deden we onze twee zoons (Jacob en Jacob, een tweeling) in bad.’
    Om deze terzijdes, de eigenzinnige variaties, lees ik deze schrijver het liefst.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Hype hype hoera

    Eigenlijk heb ik een hekel aan over het paard getilde boeken. Aan boeken die – daar kunnen ze zelf niets aan doen – al voor verschijnen de hemel in geprezen worden. Aan boeken dus die van hun uitgever niet de kans krijgen om voor zichzelf te spreken en op eigen kracht lezers te veroveren.
    Ik heb de neiging om dat soort boeken links te laten liggen tot de publieke belangstelling geluwd is en ik vergeten ben wat er allemaal over gezegd en geschreven is, zodat ik zelf kan bepalen wat ik van zo’n boek vind.

    Door ervaring wijs geworden – de laatste keer dat ik toegaf aan mijn nieuwsgierigheid en niet teleurgesteld werd, was in 1992 toen ik The Secret History van Donna Tartt niet kon weerstaan – weet ik dat voor de meeste gehypte boeken geen langdurige literaire roem in het verschiet ligt. De meeste zijn niet eens in staat gewekte verwachtingen waar te maken. Tegen de tijd dat lezers dat ontdekken is zo’n boek echter al een bestseller.

    Ondanks mijn hekel aan gehypte boeken was er iets – en ik zal zo zeggen wat – dat maakte dat ik nieuwsgierig werd naar Asymmetrie van Lisa Halliday. Ergens op internet zag ik de eerste zinnen uit Asymmetrie voorbijkomen. Zinnen onmiskenbaar geënt op de eerste zinnen uit Alice in Wonderland van Lewis Carroll, die maakten dat ik wilde weten wat voor avonturen Lisa Halliday haar Alice laat beleven.
    Dat die Alice iets met boeken doet, zal vast meegespeeld hebben.

    Veertig bladzijden na die aantrekkelijke, intertekstuele eerste zinnen begreep ik niet waarom de debuutroman van Lisa Halliday zo tot de verbeelding spreekt dat er al ver voor de verschijning van de Nederlandse vertaling aandacht aan besteed werd in de media. Dat Halliday kan schrijven en humor heeft, is dan al lang en breed duidelijk, maar er moest meer zijn. En dus ging ik op zoek naar informatie.
    Het kostte niet veel moeite om het haakje te vinden dat verantwoordelijk is voor de meeste ophef. Ezra Blazer, de schrijver die op de eerste bladzijde van Asymmetrie naast Alice plaatsneemt op een bankje, heeft trekken van Philip Roth, en met Philip Roth had Lisa Halliday toen ze twintig jaar jonger was dan ze nu is kortstondig een relatie. Toen die relatie verbroken werd bleven ze tot het einde van zijn leven bevriend.
    Het duurde daarna even voordat ik tijdens het lezen niet meer aan Philip Roth moest denken. Terwijl het heel duidelijk is dat Ezra Blazer Philip Roth niet is.

    Inmiddels heb ik Asymmetrie uit en vind ik het jammer dat er juist vanwege dat autobiografische detail een kleine hype rondom de roman is ontstaan. Er is zoveel meer over Asymmetrie te zeggen. Dat Lisa Halliday het idee om Ezra Blazer nog een keer op te laten komen – na een ijzersterk, schrijnend tweede bedrijf in de eerste persoon enkelvoud waarin Amar Jaafari heel wat uit te leggen heeft – en wel als gast in het BBC-radioprogramma Desert Island Discs, kreeg toen ze stond te strijken bijvoorbeeld.
    Dat is het grote nadeel van hypen. Er wordt van alles uit zijn verband gerukt en eventueel uitvergroot om dat ene – commercieel succes – te bereiken.

     

    Illustratie: Gartner Hype Curve

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Hou het klein

    Binnenkort komt het boek uit: Bede aan de zee van Khaled Hosseini. Hij schreef het naar aanleiding van een beeld dat op ons netvlies staat gebrand: van de driejarige Alan Kurdi, die in september 2015 na een helse boottocht van Kobani naar het Westen dood op een Turks strand aanspoelde. Een foto van hem ging de hele wereld over.
    Hosseini verbindt het verhaal van dit ene kind met zijn eigen vlucht uit Afghanistan. Zo werden het twee verhalen. Over dat ene jongetje, over die ene man, die allebei symbool staan voor het universele verhaal van 68.500.000 mensen die op de vlucht slaan. Hosseini heeft op die manier het verhaal, dat verteld moet worden, klein gehouden. Misschien moet dat ook wel, wil je het kunnen vatten.

    Hou het klein – dat moeten ook veel componisten na het niet te omvatten drama van de Eerste Wereldoorlog hebben gedacht, toen ze ultiem korte stukken voor kleine bezettingen gingen schrijven als reactie op vooroorlogse, ellenlange en zwaar geïnstrumenteerde, grootse en laatromantische werken voor symfonieorkest. Het grote leed samengebald in minieme bewegingen, waardoor het misschien nog wel indringender overkomt.
    Webern was zo’n componist, en hij zou na de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld op die manier verder zijn gegaan, als hij niet voortijdig was gedood – door een kogel uit de loop van een geweer van een geallieerde soldaat, die het oplichten van zijn sigaret voor iets anders aanzag. Zo klein kan het óók zijn.

    Terwijl ik de foto van Alan Kurdi weer voor me zie, schiet mij het verpletterende boekje De Poolse vlecht van de in maart jongstleden overleden schrijver J. Ritzerfeld te binnen. Daarin beschrijft hij een bezoek van de pianist Mathias Reber aan een concentratiekamp:

    ‘Voor de ingang naar een van de vier miljoenengraven knielde ik om een steen op te pakken. Het is goed om uit de voor het gevoelsleven onbevattelijke miljoenenaantallen een enkele steen, die slechts één enkele, jou en mij bekende naam draagt, in de handen te nemen en te herdenken.’

    Even verderop heet het:

    ‘Bezoek het graf van je grootmoeder. Als je het detail niet kunt verdragen, vermiljoenvoudig het dan, dan wordt het historie.’

    Het stelt het ons op die manier voor een interessant dilemma. Hoe kan een onbevattelijk drama doordringen tot een nietig mens? Door het klein te  houden (één steen) of juist niet (het te vermiljoenvoudigen)? Een dilemma dat soms alleen door componisten met weinig noten in muziek kan worden gevat of door schrijvers met al even weinig middelen verwoord kan worden. Zelfs een opsomming van de UNCHR wordt dan een ogengedicht dat op je toerolt als een golf:

    68,500,000 people.
    68,500,000 stories.
    68,500,000 dreams.
    68,500,000 journeys.
    68,500,000 lives uprooted.
    68,500,000 missed chances.
    68,500,000 longing for home.
    68,500,000 unthinkable tragedies.
    68,500,000 heads full of memories.
    68,500,000 were displaced at the end of 2017.

    Of is het water, dat als een muur blijft staan, om een veilige doorgang te creëren?

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Lezen is het nieuwe roken

    In de zomer ruik ik beter – misschien is het iets hormonaals – en wat ik ruik, naast versgebakken chocoladebroodjes en roombotercroissantjes, is rook. Sigarettenrook. Het gaat overal doorheen, alsof het geen geur is maar een geluid, een radio die net iets te hard aanstaat bij de buren. Ik ben op de camping en misschien lijkt het zo, maar ik heb het idee dat het vooral Duitsers zijn die roken. Of eigenlijk: die openlijk roken, want natuurlijk zie ik jonge moeders met peuken bij een muurtje staan, beschaamd, en later tref ik diezelfde moeders in de rij bij het winkeltje voor verse kaiserbroodjes, veel minder beschaamd, en dan hoor ik ze het platte Utrechts van mijn jeugd spreken – opvallend, want we zijn best wat kilometers van mijn geboortestad verwijderd. De mensen die open en bloot hun rook de wereld inblazen blijken allemaal Duits. Of zo lijkt het, het is te warm om dit te toetsen.

    Als tiener was ik nogal gek van een man die het roken tot iets erotisch verhief. Het was altijd zomer in die tijd en ik wilde het van zijn lippen kussen, de dorre smaak van zijn Gauloises maakte me niets uit. Toch stak ik zelf nooit een sigaret op. Maar het roken bleef lang na deze man nog iets romantisch houden, ondanks alle waarschuwingen, en altijd als ik mensen rond een rookpaal zag staan – op het station, bij de ingang van om het even welk gebouw, bij de bushalte desnoods, of gewoon bij een afdakje, de lichtgevende puntjes een grimmig soort vuurwerk – dacht ik: zij hebben tenminste iets te doen. Ik bedoelde: zij weten zich tenminste een houding te geven. Nu levert de aanblik van rokers me vooral een oorwurm op, mijn hoofd wordt direct in beslag genomen door The Editors: the saddest thing I’ve seen / were smokers outside the hospital doors. Ik heb nooit meer iemand gezien die sexy rookt. Ik heb er ook nooit naar gezocht.

    Over iets te doen hebben en jezelf een houding geven, hoefde ik gelukkig niet lang na te denken. Er kwamen smartphones die afleiden maar, fijner nog, er bleef altijd wat te lezen. Waar ik ook ga, heb ik een boek bij me. En ik ben niet de enige. Op het strand naast de camping zie ik ze overal – Nederlandse boeken, Duitse, Engelse, Tsjechische. Een topless zonnende vrouw (zijn die borsten echt? nee, maar wat zijn ze goed gelukt!) houdt een ereader tussen haar gezicht en de zon. De dames naast me (‘hij lijkt rustig maar geloof me, het is een beest in bed’) steken na hun geroddel geen peuk maar een boek op. Mijn oudste zoon leest een essaybundel over tijd, zestien is hij en hij snapt er niets van, om de paar zinnen vraagt hij hulp aan zijn vader, maar hij probeert het. Mijn nichtjes lezen Duckies, zelf verlies ik me in de verhalen van Denis Johnson. Af en toe ruik ik rook. Sigarettenrook. Dan steek ik mijn neus tussen de bladzijden – veel beter.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

     

     

  • Oxford, stad van Morse, Lewis en Carroll

    Toen ik in 1992 naar Oxford reisde, deed ik dat vooral vanwege Morse, en detective sergeant Lewis. Ik wilde de stad zien die in de serie veel meer is dan een decor. Eenmaal daar – bus, trein, boot, trein en nog een trein – deed de inspector er al snel niet meer toe. Liep ik de eerste dagen nog in de klompvoetsporen van John Thaw – om te constateren dat de makers ondanks het onroerende karakter van de decorstukken de stad voor de op de verhalen van Colin Dexter gebaseerde serie enigszins herschikten; de dagen die daarop volgden, voelde ik me volkomen vrij om Oxford en omgeving op eigen houtje te ontdekken.

    Al gauw bleek dat de stad me veel vertrouwder was dan ik dacht, en dat was niet alleen de verdienste van Inspector Morse. Hoewel ik me dat vooraf niet zo gerealiseerd had, is Oxford ook de stad van Alice uit Wonderland. Haar vader – de vader van de echte Alice dan, Alice Liddell met wie Lewis Carroll een dagje uit varen ging – had het nodige te zeggen in een van de colleges die samen de universiteit van Oxford vormen. Aan datzelfde Christ Church College was Carroll als de wiskundige werkzaam. Dan heette hij Charles Lutwidge Dodgson. Ik hoef alleen maar langs de bolhoeden te glippen die onder Tom Tower de wacht hielden om te kunnen zien waar hij woonde (en fotografeerde).

    Op zoek naar Wonderland wandelde ik naar Port Meadow waar Dodgson/Carroll picknickte met Alice en haar zusjes. En ik liet me tot ver buiten de bebouwde kom varen. Wonderland vond ik natuurlijk niet, maar het was er wel mooi. Idyllisch bijna. En dat zou het ook geweest zijn zonder het ijsvogeltje dat voorbij flitste.
    Het landelijke Oxford dat ik en passant leerde kennen, oogt eigenlijk te onschuldig voor een plaats delict. Colin Dexter zag dat duidelijk anders.

    In de stad – de plattegrond en het straatbeeld – is de universiteit prominent aanwezig. De stad doet er tegenwoordig haar voordeel mee, maar Town and Gown verdroegen elkaar in de loop der eeuwen niet altijd even goed. Jan Morris doet daar in Oxford een klein boekje over open. De universiteit nam lang actief deel aan het stadsbestuur, terwijl omgekeerd inmenging van buitenaf uit den boze was.
    Maar voor de al dan niet toevallige passant, hebben town en gown geen negatieve bijklank. Die hoopt het mee te maken dat gedurende haar verblijf professoren in toga in optocht richting het Sheldonian Theatre wandelen voor alweer een plechtige diploma-uitreiking. Die kijkt haar ogen uit voor de etalage van The University of Oxford Shop waar wat een student dragen moet in de kleuren van alle colleges te koop is.

    Waar studenten zijn, zijn fietsen. Dat is in Oxford niet anders. Nergens in Groot-Brittannië zag ik zoveel fietsers als daar. Zelfs in Londen niet.
    Waar studenten zijn, zijn ook boeken. Hele oude in de Bodleian Library, die ik wel moest bezoeken omdat ik haar ooit van papier op schaal nabouwde, maar dierbaarder dan die ene beroemde bibliotheek waren mij de boekwinkel(tje)s. In één ervan kocht ik The Complete Works of Lewis Carroll: a Wonderland of Stories, Nonsense and Wit. Dat is niets teveel gezegd. En dat 1165 bladzijden lang.

     

    Ik nam mij voor voor de gelegenheid

    Alice in Wonderland – Lewis Carroll
    Last bus to Woodstock – Colin Dexter
    Oxford – Jan Morris

    te (her)lezen. Het kwam er niet van. Maar na het schrijven van deze column heb ik er alsnog zin in.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Ook als je denkt

    De zomer belooft dit jaar alle observaties uit het ‘Liedje’ van Judith Herzberg waar te maken. Om te beginnen: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, / ook als je denkt / het zal wel langer duren dan ik denk / dan duurt het toch nog langer / dan je denkt.’
    In het midden van de zomer duurde alles langer dan ik dacht. De hitte duurde langer, de slapeloosheid, de jeuk van de wespensteek die ik op zo’n hete avond opgeholpen had – een steek die, dat moet gezegd, wel veel minder pijn deed dan ik had gedacht –, mijn zoektocht naar een huis waar ik zo lang zou mogen blijven als ik wilde, mijn verlangen naar drukte en afspraken, het gapende gat tussen mij en september. Het kind dat elk moment geboren kon worden, kon voor eeuwig elk moment geboren blijven worden. Het was alsof ik middenin een boek zat dat op zich best fijn was om te lezen, maar ik wilde niet meer lezen, ik wilde de ontknoping weten. En ik wilde weg uit de stad.

    Alles was ook, zoals Herzberg al voorspelt, duurder dan ik dacht, en kostte meer moeite. Ik moest meer geld betalen voor slaapkamers, meer e-mails schrijven, meer informatie tot me nemen, meer bus- en treinreizen maken en meer bezoekjes afleggen, ondertussen steeds maar vrolijk en vriendelijk naar de mensen lachend.

    En net nu ik de eindeloosheid van de zomer heb geaccepteerd, begint de tijd vaart te maken. Een ontknoping komt in zicht, de laatste bladzijde van het boek dat dus toch best wel fijn was om te lezen. Ik zit lachend op een terras en iemand die ik ken fietst voorbij en knipoogt naar me. Ik moet de rittenkaart van het kickboksen nog opmaken. Ik ben nog niet naar het Stedelijk Museum geweest. Ik heb opeens allemaal goede ideeën voor mijn boek en ik heb geen tijd ze op te schrijven. Ik zou nog met de ene persoon koffie gaan drinken en met de andere persoon een dag in een bibliotheek gaan werken, maar welke dag? Ik ben in al die lange tijd pas één keer naar de bioscoop geweest. Er ligt nog een hele stapel boeken die ik zou gaan lezen. Ik heb een mooie fotocamera die ik wilde gaan begrijpen. We moeten nog met zijn allen in de tuin eten. Ik wil nog een mooi cadeau maken voor het kind dat nu toch écht wel élk moment geboren kan worden. Ik moet mijn website nog updaten, ik zou nog een artikel afmaken en ik moet dat ene hoofdstuk van mijn vaders proefschrift nog uitlezen.

    En ik heb nog maar drie weken.

    Dus ja, uiteindelijk duurt ook deze zomer, ondanks de waarschuwing van Judith Herzberg, toch veel korter dan ik dacht, want ‘ook als je denkt, / het zal wel korter duren dan ik denk / dan duurt het toch / nog korter dan je denkt.’

     

    foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Uit hoeveel Bruxelles bestaat Brussel?

    Toen mijn ouders in 1958 de Wereldtentoonstelling in Brussel bezochten en onder de indruk waren van het Atomium, was Brussel niet langer de bruisende stad die door Jacques Brel bezongen werd. Aan dat onbekommerde Brussel kwam een einde door de Grote Oorlog. In Bruxelles geeft Brel een beeld van de stad in het Belle Époque, maar omdat hij het met de details niet zo nauw nam, zoeken mensen nu nog steeds tevergeefs naar het Place Sainte-Justine.
    Terwijl meer dan 42 miljoen mensen op de Heizel tijdens Expo 58 vrijheid en vooruitgang vierden, ging in de stad het dagelijks leven gewoon door. Daar werden dromen van een kleiner kaliber gekoesterd.
    Dat was allemaal ver voor de tijd dat Brussel het bestuurlijk centrum van de Europese Unie werd, en lang nadat Boorman er de boel bedonderde.

    Ik meed Brussel een hele tijd vanwege het Frans dat er de voertaal zou zijn. In de praktijk bleek dat mee te vallen. En bleek ik het Frans, in elk geval passief, bovendien beter te beheersen dan ik dacht.
    Ik leerde de stad echt kennen in de slipstream van iemand die er dagelijks voor haar werk moest zijn. Daardoor kwam ik op plekken die voor de gemiddelde bezoeker niet voor de hand liggen. Ik liet me leiden, me op dat moment niet realiserend dat ik de meeste plekken daardoor nooit meer terug zou kunnen vinden. Tevergeefs zocht ik een volgende keer dan ook naar die leuke salon de thé gedreven door twee Griekse broers, waarvan er één eigenlijk vioolbouwer was.

    Later leerde ik ook dat andere Brussel kennen. Het Brussel waar de scepter over Europa gezwaaid wordt. Eén keer woonde ik er een commissievergadering bij. Tenenkrommend was het wat ik in verschillende talen door de dames en heren volksvertegenwoordigers hoorde beweren over een onderwerp waar ik niet geheel toevallig nogal wat vanaf weet. Het was voor ingewijden duidelijk dat zij zich zeer eenzijdig hadden laten ‘informeren’. Lobbyen loont.

    Vier weken, dat leek de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse rijkelijk lang om de mores van dat ‘Brussel’ te doorgronden. Toen hij de stad na vier jaar verliet, had hij genoeg materiaal voor een essay – De Europese koerier: de woede van de burger en de vrede van Europa – waarin hij pleit voor een postnationaal Europa, en een roman – De hoofdstad (die titel slaat niet op Brussel)die duidelijk maakt dat het niet eenvoudig is de crisis waarin ‘Europa’ verkeert te bezweren. Het ‘nooit meer’ van na die andere grote oorlog, is uitgewerkt. Niet verstandig dus om het Big Jubilee Project dat het imago van de Europese Commissie moet oppoetsen aan dat thema op te hangen.

    In weer een ander Brussel opereerde in het interbellum Boorman, Elsschots opportunistische uitgever van het Wereldtijdschrift. Een tijdschrift zonder abonnees, maar met een hoge oplage. Boorman kan lijmen als de beste en draait menig middenstander met zijn mooie praatjes en instant artikelen een poot uit. Hij verplicht zijn totaal overrompelde klanten tot het afnemen van het schriftelijk overeengekomen aantal exemplaren. Fake News was het Wereldtijdschrift net niet, laten we het maar op een sterk staaltje bedrijfsjournalistiek houden.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    De hoed van tante Jeannot – Erik De Kuyper
    Lijmen
    – Willem Elsschot
    Het been – Willem Elsschot
    De hoofdstad – Robert Menasse (vertaling: Paul Beers)

    En ik luisterde voor de zoveelste keer naar:
    Bruxelles – Jacques Brel

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Dikke pil of dichtbundel

    Uit een onderzoek naar het leesgedrag van Nederlanders in de zomervakantie door de grootste online boekwinkel van ons land, blijkt dat tachtig procent van de vakantiegangers twee boeken in de vakantiekoffer meenemen: een thriller en een roman. Een voor de hand liggende genrekeuze waar ik jaloers op ben. Het kost mij meestal wel wat hoofdbrekens een goed vakantieboek te kiezen. Vaak ging ik voor de dikke pil. Waar je zo gezegd lang mee doet, soms te lang. Zoals met James Joyce’s Ulysses of De Toverberg van Thomas Mann. Ook Bonita Avenue van Buwalda is een dikke pil maar bleek geen vakantieboek. Ik kwam er maar niet ‘in’. Ook niet na herhaalde pogingen. Enkele zomers terug heb ik het achtergelaten bij een meeneembibliotheekje op de Place du Vieux-Marché van Rouen. Ik verruilde het voor de Franse uitgave van de Kreeftskeerkring, het debuut van Henry Miller (waarvoor hij inspiratie opdeed in Parijs en gelijk wereldberoemd mee werd).

    Deze vakantie overwoog ik een dichtbundel mee te nemen, misschien meerdere. Je kunt er vrij onopvallend mee rondlopen, meenemen naar het toilet. Het geïmproviseerde leven op een camping zou er een wat poëtischer karakter door kunnen krijgen. Ik dacht aan Peter Swanborns nieuwe bundel Het wolkenreparatieatelier, die een soort buiten – (anders dan natuur) – observaties bevat. Zijn gedicht ‘Craquelé’ deed me denken aan gebarsten aarde, veroorzaakt door langdurige droogte. Een uitvergrote craquelé verspreid over de aarde die, als je tussen de opengebarsten spleten kijkt, een andere dimensie van leven doet vermoeden:

    Het glazuur transparant en aan de oppervlakte gaaf, / zoeken onderliggende barsten zijwegen, vertakkend / als ijs onder dun water. Ik weet: deze kom stamt van / voor mijn tijd. (…).’
    Maar ik vroeg me af of een dichtbundel me genoeg zou zijn als ik wakker lag in mijn tent.

    Literaire tijdschriften leken me ook geen gek idee; een Kluger Hans, Terras, Tirade, de Parelduiker, De Gids. Voor elk moment wat wils: poëzie, verhalen, essays. Licht en makkelijk mee te nemen leesmateriaal. Hoewel Terras toch meer het formaat van een boekwerk heeft en een Parelduiker, die zag ik me bij nader inzien ook niet lezen in de blakerende zon.

    De avond voor ik op vakantie ging, keek ik het laatste deel van de vijfdelige serie Patrick Melrose op NPO 2. Een serie die ik niet vanaf het begin had gevolgd omdat ik vreesde dat Benedict Cumberbatch zo goed zou zijn in de rol van de eigenzinnige, aan heroïne verslaafde upperclass jongen Patrick Melrose, dat hij mijn beeld van Melrose uit de trilogie van Edward St Aubyn compleet zou overspelen. Toch, gedreven door nieuwsgierigheid vond ik de laatste aflevering nog net online beschikbaar. Het bleek een fantastische en overtuigende weergave van een romanfiguur die je alleen door over hem te lezen, nooit zo uitgebeeld zou krijgen. Ik wist gelijk welk boek er mee zou gaan: Patrick Melrose romans.  Over een leven, zo ingenieus beschreven dat je  het net zo gretig als de eerste keer, opnieuw leest.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • Rotterdam, wat voor stad is dat?

    H.J.A. Hofland (1927 – 2016) beschrijft het naoorlogse Rotterdam in het nawoord van zijn roman Het diepste punt van Nederland (1993) als een stad die door drie kaalslagen getekend wordt: het bombardement, de oorlog en de niet-wederopbouw. En hoewel

    ‘Geen mens kan zeggen in hoeverre het opgroeien in een bepaalde stad, welke dan ook, bepalend is voor iemands leven en vervolgens, de kijk op zijn leven’,

    weet Hofland zeker dat die drie ervaringen sporen nagelaten hebben bij hem en degenen die net als hij het vooroorlogse Rotterdam nog gekend hebben.

    Terwijl Rotterdam voor veel mensen het toonbeeld van wederopbouw is – dankt de stad daar niet de bijnaam ‘Manhattan aan de Maas’ aan – herinneren de Rotterdammers die de dertien minuten durende bommenregen meemaakten zich vooral dat het centrum voordat de mouwen opgestroopt werden en het bouwen daadwerkelijk begon jarenlang braakliggend terrein bleef.
    Ze maakten niet veel woorden vuil aan hun ongenoegen. Het leven ging door, en er moest ook gewerkt worden. ‘Geen woorden, maar daden’ heeft niet alleen betrekking op Feyenoord 1.

    Sinds ik in Rotterdam woon – en dat is inmiddels een jaar of drie – vraag ik me af of er een relatie is tussen dat werken en die wederopbouw en het feit dat literatuur in Rotterdam een ondergeschoven kindje is.
    Er vinden weliswaar op gezette tijden festivals plaats, maar een literaire infrastructuur waar je het hele jaar wat aan hebt ontbreekt.
    Rotterdam heeft een universiteit, maar geen letterenfaculteit. De uitgeverijen die er gevestigd zijn, zijn klein en spelen landelijk nauwelijks een rol van betekenis. Het aantal ‘betere boekhandels’ is op de vingers van anderhalve hand te tellen. Dat is mager voor een stad met 641.326 inwoners, die zich nadrukkelijk als wereld(haven)stad profileert.

    Literatuur mag in de stad van de arbeid die Rotterdam klaarblijkelijk is – zoveel is mij inmiddels wel duidelijk – bestuurlijk en politiek geen hoge prioriteit hebben, de stad telt de nodige toonaangevende schrijvers, dichters en essayisten. Hardcore Rotterdammers – Deelder, Sleutelaar, Vaandrager, Waskowsky – die heel direct en onopgesmukt opschrijven wat ze te zeggen hebben.
    Maar er zijn ook auteurs van Rotterdamse origine die zich lyrischer uitlaten. Tel daarbij de schrijvers op die om hen moverende redenen voor Rotterdam kozen en zij die de stad verlieten zonder hun afkomst te verloochenen, en het is duidelijk: (de) Rotterdamse literatuur is veelstemmig, en meertalig bovendien. Er worden in Rotterdam minstens 168 talen gesproken, en in al die talen wordt geschreven, gedicht en van alles geprobeerd.

    Niet iedere Rotterdamse auteur schrijft even letterlijk over de stad aan de Oude Maas als Henk Hofland die in Het diepste punt van Nederland zijn personage Arnold Boekestein laat dromen over een modern Rotterdam dat uit de as herrijst (en vervolgens bedrogen uit laat komen), maar ontkennen dat er Rotterdam in gedichten, verhalen, romans en essays sluipt, heeft geen zin. Dat het verbeelde Rotterdam evenveel facetten heeft als het koor van schrijvers stemmen spreekt voor zich. Hét Rotterdam bestaat niet.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik

    Stille grond – Sanneke van Hassel
    Het diepste punt van Nederland – H.J.A. Hofland
    Een vlaag van troost – Nelleke Noordervliet
    De Ramblers gaan uit vissen – Cornelis Bastiaan Vaandrager
    Verzamelde gedichten – Riekus Waskowsky

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Parijs en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Buitenlezen

    De zomer begon vroeg dit jaar. In de tweede week van april dwong hij mij al om van schaduwschots naar schaduwschots te springen. Ik deed dat zo goed en zo kwaad als dat in Londen ging.
    Niet alleen ik, maar ook de Londenaars werden door het weer overvallen. Toch lieten zij de boel de boel. In no time namen zij bezit van de parken en squares om er te luieren of te lezen.
    Er werd opvallend veel gelezen, die eerste dagen dat de zon scheen. Op bankjes lazen mannen kranten. Groepjes studenten, stapels studieboeken torsend, bezetten het gazon. Wie alleen wilde zijn met zijn of haar boek nestelde zich tegen een boom of ging languit in het gras liggen. Dat laatste deden ook degenen die zich bedienden van een e-reader of smartphone.

    Niet in alle parkjes werd even intensief gelezen, constateerde ik tijdens mijn vijfdaagse verblijf in de stad. Russell Square – daar deed ik mijn eerste waarnemingen – is zeker niet representatief voor het Londense buitenlezen. Zelfs vergeleken met andere parkjes in de Bloomsburybuurt is het aantal en het percentage lezers er hoog. Tavistock Square moet het zo goed als zonder lezers doen, en dat geldt ook voor het daar weer dichtbij gelegen Gordon Square. Terwijl de universiteit om de hoek zit.
    Dat deze beide parkjes bezoekers minder beschutting bieden zal een rol spelen. Dat de afwezigheid van een parkcafé doorslaggevend is, kan ik me niet voorstellen. Ook op Russell Square nuttigen lezers vooral zelf meegebrachte etenswaren.

    Er wordt in Londen overigens niet overal zo literair gelezen als op Russell Square. De her en der verspreid zittende lezers – vooral vrouwen van een zekere leeftijd – in het veel grotere Hyde Park lezen aanzienlijk lichtere kost.

    Twee jaar geleden deed ik een soortgelijk onderzoek in Lissabon. Tegen mijn verwachtingen in – ik was op het verkeerde been gezet door iemand die al jaren in Portugal woont en beweert dat Portugezen niet lezen – is lezen, ook in de publieke ruimte, daar heel normaal. Natuurlijk vertekende de populatie lezers in de buurt van de parkbibliotheek in het Jardim da Estrela het beeld, maar het was zeker niet de enige plek in de stad waar ik mensen lezend aantrof. Tot ver in de binnenstad signaleerde ik mensen verzonken in een boek. Ik zag er zelfs één aan de voet van het standbeeld van Luís de Camões. Dat de grote dichter over zijn schouder mee kon lezen, leek hem niet te deren.

    Van participerend onderzoek was in Londen en Lissabon geen sprake: ik ben zelf namelijk niet zo’n buitenlezer, al kan ik me de laatste boeken die ik buiten las nog heel goed herinneren: De naam van de roos van Umberto Eco. Dat was in 1981. Ik las het in afwachting van de uitslag van mijn eindexamen op het terras achter ons huis. Ik deed heel lang over de eerste zeventig bladzijden. Daarna ging het beter.
    Angela’s Ashes van Frank McCourt las ik in 1988 op de grens van binnen en buiten in een tent tijdens een verregende fietsvakantie in Canterbury en omstreken. Ik kan niet ontkennen dat de weersomstandigheden in positieve zin bijgedragen hebben aan mijn beleving van die roman.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Waar is Parijs gebleven?

    Onder de grond ken ik de stad op mijn duimpje. Ik weet dat Châtelet-Les Halles het eerste station is na Gare du Nord, en dat daarna Saint-Michel – Notre-Dame, Luxembourg, Port-Royal en Denfert-Rochereau volgen. Allemaal bestemmingen die het bezoeken waard zijn, maar ik moet verder. Bovengronds volgen er nog 21 veel minder tot de verbeelding sprekende stations voordat ik in de voorstad waar ik moet zijn uitstap, het station aan de achterkant verlaat, bij de acacia’s linksaf sla en na een kort venijnig klimmetje mijn bestemming bereik.
    De keren dat ik echt in Parijs ben geweest, zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar dan reken ik die keer dat ik een houten poppenhuis door het 6e arrondissement zeulde niet mee.

    Ik ken Parijs dus niet goed, wil ik maar zeggen. Dat zou geen bezwaar zijn als ik het Parijs van horen zeggen maar herkende. Dan zou ik er mijn weg wel vinden. Maar dat herkennen, valt niet mee. Hoewel het decor bekend oogt, gaat er achter de gevels inmiddels een andere stad schuil. Ik zoek tevergeefs naar het Parijs dat uit boeken en beelden tot mij kwam. Naar de culturele metropool die als een magneet werkte op bohemiens en jetset, en naar de andere kant. De frivole kant die voor ophef en vertier, en ook voor overlast zorgde. De zelfkant, waar het canaille geur gaf aan de stad.
    Die tweeledige stad lijkt definitief verdwenen. Veel van wat Parijs maakte tot de stad die ze was, is letterlijk, figuurlijk en moedwillig onder het plaveisel verdwenen. Planologie maakte korte metten met het organisch gegroeide stratenplan. Door Hausmanns herinrichtingsideeën werden hele groepen inwoners naar voorsteden verbannen. Waarna een deel van die voorsteden veranderde in beruchte banlieues.

    Gelukkig hebben we de boeken nog. Dat Ernest Hemingway zich in Parijs is een feest niet altijd aan de waarheid hield – zo arm als hij zich voordeed was hij bijvoorbeeld niet, doet aan zijn ontmoetingen met Gertrude Stein, Scott Fitzgerald en Ezra Pound, en aan de roaring twenties niets af. Dat de pleisterplaatsen van de subculturen die in Het andere Parijs door Luc Sante zo liefdevol beschreven worden, tegenwoordig toeristische attracties zijn, weerhoudt mij er niet van ze te bezoeken.

    Ik wil Parijs gewoon heel graag beter leren kennen, en vraag me af welke strategie ik de volgende keer dat ik er ben zal volgen. Flaneren zoals Adriaan van Dis dat in de voetsporen van vele voorgangers deed, of à la Georges Perec gewoon ergens gaan zitten, om me heen kijken en in me opnemen wie ik zie en wat er gebeurt.
    Voor beide valt iets te zeggen. Flanerend ben ik min of meer degene die de route en het tempo bepaalt; vastgepind op één plek ben ik in alle opzichten overgeleverd aan het toeval. Welke keuze ik ook maak: het zal mijn kijken naar Parijs beïnvloeden, en daarmee ook het beeld bepalen.
    Voorlopig voel ik het meest voor de methode Perec (al denk ik dat flaneren effectiever is). De vraag is dan wel welk terras of bankje zich het beste leent voor mijn ontdekkingstocht. Suggesties zijn welkom.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Onder het zink: un abécédaire de Paris – Adriaan van Dis
    Parijs is een feest – Ernest Hemingway (vertaling: Arie Storm)
    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs – Georges Perec (vertaling: Kiki Coumans)
    Zazie in de metro – Raymond Queneau (vertaling: Jenny Tuin)
    Het andere Parijs
    – Luc Sante (vertaling: Hans E. van Riemsdijk)

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Tweede-boekvloek

    Veel van mijn gesprekken met jonge schrijvers (het is even schakelen, want hoewel ik mezelf niet langer als jong-jong beschouw, ben ik wel degelijk schrijver – toch zit ik niet in die hoedanigheid tegenover iemand aan tafel) zijn zoektochten naar het verhaal. Vaak is het het eerste verhaal dat iemand wil vertellen, het eerste Grote Verhaal. Er is geëxperimenteerd, gegroeid, het een en ander gewonnen en/of gepubliceerd, er is misschien gestudeerd, en nu komt het Echte Werk. Een boek! Waarover moet het gaan? Soms komt er een verhaal uit iets dat van henzelf is, soms komt een idee voort uit een fascinatie, soms is er zelfs nog geen idee.
    Je zou kunnen zeggen dat zo’n gesprek dan te vroeg komt, is er al iets om over te praten? Maar er is altijd iets om over te praten en soms komt er tijdens de koffie zomaar iets naar boven: de jonge schrijver gaat met aantekeningen en een paar zorgvuldig uitgekozen boeken naar huis. Geduldig wacht ik af. 

     Dat het Tweede Verhaal nog zoveel moeilijker is, blijkt uit wat we de tweede-boekvloek zijn gaan noemen. Iemand is gedebuteerd, misschien met iets dat een hoog autobiografisch gehalte heeft (er is vaak het verwijt dat de debuten van onze tijd het papieren resultaat zijn van een verwerkte jeugd/trauma – dat er te weinig wordt verzonnen, een verwijt dat de compositie, structuur, de selectie van het materiaal en de manier waarop dat in een fictie wordt gegoten overboord zet), en dan? Heeft hij of zij nog meer te vertellen – is hij of zei, om Rilke maar te parafraseren, een scheppend kunstenaar?
    In een recensie las ik dat iedereen een boek in zich heeft (…) en dat de betreffende debutant er waarschijnlijk niet nog een zal schrijven, maar: ‘Misschien is het beter één keer raak te schieten dan een carrière lang liflafjes te publiceren.”

    Ik denk aan Eminem, die onlangs, voor het eerst sinds 2003, een concert in Nederland gaf. Destijds, in de Amsterdam Arena, was ik erbij. Het was mijn eerste concert en ik vond het magisch, wat hij met woorden deed. Jarenlang riepen critici: wat gebeurt er als Marshall Mathers is uitgeschreven over zijn jeugd, zijn trauma’s – wat blijft er dan over? Genoeg, kennelijk, want hij schrijft en rapt gewoon door. Hij nam de tijd voor nieuw werk. Misschien zorgde dat ervoor dat hij niet dichtsloeg. 

    Want soms komt dat werk niet. Ik ken er genoeg, die worstelen met het vervolg, zichzelf gek maken met verwachtingen. Ooit kende ik bovendien een meisje met heel duidelijk een verhaal – en, belangrijker, een ontkiemend talent. Daar bleef het bij, het kwam er niet uit. Een ander zei: ‘Toen ik eenmaal dingen kon gaan maken, sloeg ik dicht’. Als deze twee nog schrijven, dan is het niet voor de buitenwereld bestemd. Daar zit geen schande in. Je weet pas hoeveel verhalen je in je hebt zodra je je kladblok/laptop openklapt en begint. Wie dat te lezen zal krijgen, is op dat moment niet zo belangrijk. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.