• De ster

    Vannacht is de ster terechtgesteld. Zijn laatste wens – te mogen sterven met het hem zo kenmerkende rode sjaaltje om – is ingewilligd, en tot het allerlaatste moment prevelde hij de namen van zijn slachtoffertjes voor zich uit. Alleen mijn naam noemt hij twee keer, aan het begin en aan het einde.
    Ook ik heb de ster nagedaan, net als alle andere jongetjes in die tijd. Eindeloos oefende ik zijn danspasjes voor de tv en ik had bijna altijd een rood sjaaltje om.

    De ster werd gearresteerd in Bogota, waar hij zou optreden in een uitverkocht voetbalstadion. In een van zijn huizen, dat ook wel ‘het kasteel’ werd genoemd, waren eerder die dag de alkoven aangetroffen.

    In zijn twee jaar geleden verschenen en in de gevangenis geschreven autobiografie wijdt de ster weinig woorden aan de jongetjes. Hij vertelt alleen over hen in relatie tot zichzelf: ze hielpen hem zich levend te voelen, schrijft hij, en omdat hij zelf nooit kinderen heeft gehad, voelde hij zich genoodzaakt bezit te nemen van de jongetjes.

    Wij, de jongetjes van dit land, droegen sjaaltjes. Onze moeders kochten stukken stof voor ons op de markt. De vierkante rode lap vouwde je diagonaal dubbel en het was belangrijk dat de knoop iets scheef zat, dus niet precies midden in je nek, maar wat naar voren geschoven, aan de linkerkant.

    Ik won de imitatiewedstrijd en werd ontboden op het kasteel. Mijn ouders was verteld dat ik een van de vijftien winnaars was, maar nadat ik afscheid van hen had genomen en het toegangshek vol camera’s was doorgelaten, bleek ik de enige te zijn. De metershoge voordeur werd opengedaan door een soort butler, die, zo herinner ik het me nu, zijn best deed oogcontact te vermijden.
    Hij bracht me naar boven en aan het einde van een lange gang met trofeeën aan de muur liet hij me een kamer binnen. Daar lag de ster op de grond, in het midden van een groot rood kleed, hij zei dat ik langzaam en dansend naar hem toe moest komen.

    Keer op keer bekijk ik de korrelige opnames van zijn executie die een van de bewakers met zijn telefoon gemaakt moet hebben. Net als vroeger kijk ik telkens een stukje, zet de opname op pauze, oefen een paar keer, spoel iets terug, en beweeg dan met hem mee.
    Hebben de andere jongetjes ook onder het sjaaltje mogen kijken? En waarom liet hij mij gaan? Was ik niet goed genoeg, of zag hij in mij juist iets speciaals en heeft hij me daarom gespaard?

    De opname duurt iets minder dan drie minuten en ik heb al zijn bewegingen bijna onder de knie. Ik kleed me uit, doe mijn sjaaltje om, en scroll naar het begin van het filmpje. Nu moet het in één keer goed gaan.
    Ik ben ouder geworden, en veel minder lenig, maar het imiteren gaat me nog altijd goed af.
    Dansen is moeilijker dan doodgaan.

     


    Vincent Merjenberg (1983) werkt aan een roman. Eerder publiceerde hij verhalen in De Gids en Revisor. In het verleden werkte hij bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam

     

  • Vooruitgang

    Ik moest aan Honder jaar eenzaamheid denken. Dat kwam door de toestand in Venezuela waar ze het al dagen zonder elektriciteit moeten stellen. In Trouw stond een artikel Langzaam rot alles weg in Venezuela. De verslaggever merkt op dat vlees, vis en andere bederfelijke waar niet meer verkrijgbaar zijn. Winkels en markthallen zijn onverlicht. Er wordt geplunderd, de plunderaars worden gewelddadig gestraft. Door hyperinflatie werden er voor de stroomuitval al geen bankbiljetten meer gedrukt, door de stroomstoring is pinnen niet meer mogelijk. Een man die een tros bananen koopt (‘een beetje groene’) moet beloven dat hij het eens zal betalen. Venezuela krult zich gedeeltelijk om Colombia, waar de schrijver Gabriel García Márquez vandaan komt en er begin jaren zestig Honderd jaar eenzaamheid schreef.

    Ik ben aanhanger van de gedachte dat afhankelijkheid eens bekocht moet worden. Als er één radartje uitvalt van het systeem waar we ons dagelijks leven op bouwen, zakt de boel in elkaar. Zoals een brug het niet lang houdt zonder die ene moer die het lostrillen van onderdelen moet tegengaan.
    Ik pak het boek erbij. ‘Vele jaren later, voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendia denken aan de lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs dat de verrotting van bederfelijk voedsel zou tegengaan.’ Deze openingszin deed me toen beseffen dat een ijskast ooit een toekomstdroom was. De derde zin, ‘De wereld was nog zo jong dat vele dingen nog geen naam hadden en om ze te noemen, moest je ze aanwijzen met je vinger.’ verleidde me onherroepelijk tot doorlezen. Nog steeds, als ik deze zin lees, scherpt het mijn blik, alleen nu meer op het verleden waar het voorheen op de toekomst was gericht.

    De geschiedenis als tijdsbubbel waarin alles aanwezig is dat nodig is om het leven in beweging te brengen, ten goed of ten kwade. Waar soms wat van zolder wordt gehaald dat er eerder (ongewenst geacht of uit de mode) naartoe was verbannen maar toch weer dienst kan doen. In Honderd jaar eenzaamheid herhaalt de geschiedenis zich voortdurend zonder werkelijke vooruitgang of verbetering. De eerste generatie Buendia begint met Kolonel Aureliano, die na de dood van zijn grote liefde, de oorlog ingaat en tijdens zijn omzwervingen zeventien vrouwen zwanger maakt. Alle zeventien bevallen ze van een zoon, Aureliano genaamd. Vijf generaties later verliest de laatste Aureliano zijn vrouw tijdens de geboorte van hun zoontje. Hij raakt aan de alcohol en verwaarloost zijn zoontje, dat sterft. Daarmee eindigt het verhaal.

    Het artikel in de krant eindigt met de observatie van een vrouw die een paar zakjes ijs voor drie dollar per stuk koopt bij een vrachtwagen. Door gebrek aan functionerende ijskasten deden ijsblokjes bijeen gehouden in een zakje, het weer goed. De vrouw kan, dankzij het geld dat familie haar vanuit het buitenland stuurde, een paar zakjes kopen. Onder de verzuchting ‘Net de Middeleeuwen’ loopt ze ermee weg. In Venezuela bijt de vooruitgang zichzelf in de staart.

     

    De 73e druk van Honderd jaar eenzaamheid verscheen in 2017 bij uitgeverij Meulenhoff, vertaling Mariolein Sabarte Belacortu en C.A.G. van den Broek.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Plusjes en minnetjes

    Er was weer tijd om over de liefde na te denken. Ik dacht: wat is het toch verschrikkelijk hoe ik mijn geliefden beoordeel, hun plusjes en minnetjes tegen elkaar afweeg op criteria als intelligentie, daadkracht, enthousiasme voor het leven, enthousiasme voor mij, zelfstandigheid, emotionele stabiliteit en schoonheid. Hoe ik mijn ideale geliefde samenstel uit de positieve eigenschappen van alle geliefden die ik heb gehad. Wat intellectualiteit van A, aangevuld met het praktische inzicht van B en de algemene gezelligheid van C. Alsof het gebruiksvoorwerpen zijn in plaats van mensen.

    Er was ook weer tijd om te lezen. Ik las het enige door een vrouw geschreven literaire boek dat ik had kunnen vinden in de AKO op Schiphol: The Ministry of Utmost Happiness van Arundhati Roy. De achterkant, de binnenkanten en de eerste paar pagina’s stonden vol met lovende citaten uit Indiase, Engelse en Amerikaanse tijdschriften en kranten. En de recensieschrijvers hadden gelijk. Het was een bijzonder goed boek. Het had een mooie taal, een wervelend verhaal, intrigerende hoofdpersonen, scherpe maatschappijkritiek en verrassende vormen van vriendschap en liefde. Het was een boek dat ik zou willen kunnen schrijven, maar het was te boeiend om me daar tijdens het lezen druk over te maken. Ik kon het niet meer wegleggen.

    Pas op twee derde van het verhaal bleef ik ergens haken, bij een passage over oorlogsstrategie, maar dat lag aan mij, dat wist ik, want dat heb ik altijd bij boeken waar oorlog in voorkomt. Als het over strategie gaat, ga ik uit. Mijn brein kan zich er niet mee verbinden. Ik ben ook niet goed in schaken, dat heeft denk ik dezelfde oorzaak. Een hiaat in mijn begripsvermogen. Hoe dan ook, ik kon het het boek niet kwalijk nemen, en bovendien was ik op dat punt al zo gehecht aan het verhaal dat het me er niet meer van kon weerhouden verder te lezen.

    Toen het boek uit was, had ik opnieuw tijd om over de liefde na te denken. Ik dacht: je zou een geliefde misschien wel met een boek kunnen vergelijken. Daarmee zou je de geliefde niet beledigen. Een boek is geen gebruiksvoorwerp, het is veel meer dan dat. Het heeft minstens, als het een goed boek is, zo veel eigenheid en diepgang als een mens. En ik stelde me een geliefde voor als een boek dat je niet weg wilt leggen, bij wie je vergeet om plusjes en minnetjes uit te delen. Eentje met lovende citaten op zijn voorhoofd. En dat je als je het saaie, vervelende stuk tegenkwam zeker wist dat het aan jou lag en niet aan hem. Dat je dan, hoe dan ook al te gehecht aan hem was om hem nog weg te willen leggen.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Saffraanperenboom

    De tuinbonen staan te weken op het aanrecht. Het weekwater haalde ik gisteravond uit de regenton achter het huis. Vijfentwintig gerimpelde, tot in hun kiem verdroogde tuinbonen schudde ik vanuit een zakje in mijn hand en liet ze in het bakje glijden waar ze zich lispelend en knisperend volzogen met minuscule waterelementen. Straks gaan ze de grond in, vijf centimeter diep. Terwijl ik de tuin inloop denk ik aan de schrijfster wiens boek Moord op de moestuin diezelfde avond bij dwdd tot ‘Boek van de maand’ werd uitgeroepen. De boekverkoopster die het mocht onthullen liep over van enthousiasme: ‘het sleurt je naar binnen…, een whodunit…, droogkomisch…, met vaart…’, en eindigde tenslotte met: ‘Ik heb zó genoten jonge.’ (inderdaad zonder ’n’). En ik, die altijd geërgerd de stickers van gelauwerde boeken afpeuter, voelde geen aversie tegen dit Himmelhoch bewonderen.

    De karakters in Moord op de moestuin zijn, zoals in de Engelse detectiveserie Midsomer Murders, vormvast in hun handelingen. Met hier en daar een kleine afwijking in hun gedrag waardoor ze (oh heerlijke suspense) voor even de mogelijkheid van verdachte claimen. Er is een dertig jaar oude vermissingszaak en er vallen doden, al dan niet door moord. Bijzonder is de rol van een honderdjarige saffraanperenboom, de enige in zijn soort in Nederland. Ik had er geen weet van en zocht het op. In 1652  liet Jan van Riebeeck in Zuid-Afrika een park aanleggen voor groente en fruit om de VOC-schepen te kunnen voorzien van vers voedsel om scheurbuik te voorkomen. Anno 2019 staat er in het Van Riebeeckpark in Zuid-Afrika de oudste saffraanperenboom ter wereld, die blijkt uit Nederland afkomstig.
    Het voortbestaan van de saffraanperenboom in het moestuinencomplex is aanleiding tot een van de moorden.

    In de ik-figuur Judith is (voor wie de Faxen aan Ger gelezen heeft) de schrijfster te herkennen. Als de vrouw die zwijgen kan wanneer dit nodig is maar die, als ze spreekt, op het puriteinse af eerlijk is. Ook als Judith een herinnering wil delen en de anderen roepen: ‘Dat weten we al uit je boeken!’, is zo’n mooie verwijzing.
    Wanneer halverwege het boek de ontwikkelingen opeens wel erg snel gaan, deelt ze met onderstaand fragment een knipoog uit aan de lezer.
    ‘Tante Lidewij stierf nog diezelfde dag. Volgens Cora was zij over het hek rond haar bed geklommen omdat in haar verwarde geest toch iets was blijven hangen van de terugkeer van haar man [de schedel van haar vermiste man was gevonden]. Ook haar dood konden we hieraan toe schrijven, ze had gewacht tot hij terugkwam en toen het leven eraan gegeven.
    Het klonk allemaal wat al te mooi en ik zag dat Thijs bedenkelijk keek, maar het was toch troostrijk.’

    Ik stel me zo voor dat de man van de schrijfster, die in het boek de rol van Thijs kreeg, haar eerste lezer is. Dat hij bij deze passage de wenkbrauwen fronste en vroeg: ‘Is dit niet wat al te mooi?’ En inderdaad, dat is het. Maar door de manier waarop het er staat, wordt het Meesterlijk.
    Nu wil ik dus ook die dwdd sticker op mijn boek.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Ansichtkaarten

    Het was niet te doen, het was werkelijk niet te doen, alleen achterblijven in de stad terwijl de anderen waren weggegaan, in de bus gestapt, het vliegtuig, teruggevlogen naar huis, terwijl ik nog een dag moest wachten, overnachtend in een kleine hotelkamer zonder daglicht, zonder liefde, zonder de anderen, met alleen een kleine waterkoker op een plastic voet met twee precies in de gaten van de voet passende plastic theekopjes om me te troosten.

    Het was niet te doen, op een trapje zitten in het drukste stukje van de haven, kijkend naar de schommelende boten, de verkopers van spullen op kleden, de skaters, de muziekluisteraars, de wandelmensen, de gezinnen, de stellen, het veel te hard blaffende hondje, de groepen vrienden en de mensen in zakenkleding die bijna thuis waren, met alleen een pen en een paar ansichtkaarten die bedoeld waren om naar de anderen te sturen, maar die nu bij gebrek aan notitieblaadjes werden gepromoveerd, of gedegradeerd, tot dagboekpagina’s, dagboekpagina’s van één euro twintig per stuk, en dat met een stroom van gedachten die met een gewone pen niet bij te houden was, maar gelukkig was er ook nog het zakje van de kaarten, dat had geen geld gekost, het was bij de prijs van de kaarten inbegrepen geweest en het had een voorkant, een achterkant en twee binnenkanten die konden worden beschreven, meer dan genoeg ruimte voor uitingen van eenzaamheid, want dat was het centrale probleem waarover moest worden geschreven, over de afwezigheid van iemand om mee te praten, aan te raken, vast te houden of te slaan, en het enige wat hielp om het gebrek aan deze persoon of personen weg te nemen was om het naar het papier te verplaatsen, desnoods papier op ansichtkaartformaat van één euro twintig per stuk, desnoods papier dat bedoeld was als kaartenzakje, desnoods met het risico dat ik de zon niet zou zien ondergaan boven de haven omdat ik naar beneden aan het kijken was, als het verlangen naar de anderen maar kon worden opgeschreven, zodat het niet zo in mijn hoofd hoefde te blijven hangen, en in mijn armen en mijn benen en het stuk dat ertussen zat, als het maar naar het papier kon verhuizen, of als dat niet kon, als het papier dan straks in ieder geval maar van het verlangen kon getuigen, en van het feit dat het niet te doen was, dat het eigenlijk niet kon, alleen achterblijven in een stad terwijl de anderen al bij hun eigen mensen en hun eigen boeken en hun eigen bedden waren, helemaal alleen met het vooruitzicht op een kleine warme hotelkamer zonder daglicht, een pen, een paar ansichtkaarten in een zakje en een ondergaande zon boven de haven.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Mijn zoon

    Mijn zoon is zes maanden oud en kan al heel behoorlijk praten. Als hij honger heeft zegt hij dat hij melk wil – ‘warm, maar niet heet’ – en als hij moe is vraagt hij of ik hem zijn slaapzakje wil aantrekken en in bed wil leggen.
    Soms zegt hij dat hij zich ‘een beetje zwaar’ voelt en moet ik hem troosten.

    Steeds vaker vraagt hij hoe het met mij gaat. Hoe mijn dag is geweest en wat voor boek ik lees, of hoe het nieuwe vaderschap me bevalt en of het wel goed gaat met zijn moeder en mij; het moet toch zeker een hele aanslag zijn op een relatie, het krijgen van een kind. Waren wij eerst niet altijd met zijn tweeën? En hadden wij niet kortgeleden nog maar alle tijd voor elkaar?
    Ik probeer hem dan zo eerlijk mogelijk antwoord te geven – ik vind eerlijkheid belangrijk in de opvoeding – en verbaas me er telkens weer over hoe wijs hij dan reageert, begripvol ook, en op zulke momenten moet ik mezelf er echt aan herinneren dat hij nog maar zes maanden oud is. Dat zijn leven nog altijd korter is dan (bijvoorbeeld) de reizen die zijn moeder en ik vroeger hebben gemaakt.
    ‘Pappa’, zegt hij dan, ‘ik denk dat mamma het niet zo slecht bedoelt wanneer ze je voor gek verklaart. Voor haar is het ook een hele omschakeling en ze heeft natuurlijk veel aan haar hoofd, zeker nu ze weer begonnen is met werken. Echt, ze komt heus weer terug, en je moet erop vertrouwen dat ze nog altijd hartstikke trots is op jou en veel van je houdt,’ en vervolgens geeft hij een opsomming van alles wat ik in zijn ogen goed doe.

    Met voorlezen neemt hij al een tijdje geen genoegen meer, en op die momenten zie ik een heel andere kant van mijn zoon. ‘Verzin zelf eens wat,’ zegt hij dan, ‘leg de lat nou eens wat hoger.’
    Maar ook als ik hem vervolgens mijn eigen verzinsels vertel is hij meedogenloos: ‘clichématig’ zegt hij dan verveeld, of hij haalt zijn neus op, letterlijk, en begint met een van zijn speeltjes op de rand van de box te slaan.
    Een keer las ik hem een verhaal voor dat ik net had afgemaakt en toen ik klaar was zei hij eerst een hele tijd niets. Toen draaide hij zich naar me toe en met een uitdrukkingsloos gezicht poepte hij zijn luier vol. Zo liet hij me het verhaal telkens weer herschrijven en pas toen het in zijn ogen perfect was sprak hij weer: ‘Mooi,’ zei hij, ‘je beste tot nu toe.’

    Met vallen en opstaan leert hij nu zelf schrijven. Hij verkiest, gek genoeg, de pen boven het toetsenbord en hoewel zijn verhalen soms nog wat onbeholpen zijn herken ik in zijn stijl – die tegelijkertijd sinister en warmbloedig is – een groot talent. Ze gaan allemaal over zijn moeder.

     


    Vincent Merjenberg (1983) werkt aan een roman. Eerder publiceerde hij verhalen in De Gids en Revisor. In het verleden werkte hij bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam.

     

  • Een tirade van…

    Het leek een leven geleden dat ik me onder flanerende wandelaars en fietsers bevond. Met geknepen ogen tegen het zonlicht fietste ik over de dijk. Halverwege knoopte ik mijn jas open, trok de sjaal los van mijn hals. Wat een lentedag. In de bocht van een landweg zat een zilverreiger in de berm. Toen ik dichterbij kwam, vouwde de reiger zich in een oogwenk om tot een liggende witte steen. Nu zag ik meerdere witte stenen, om een bocht in de weg te markeren. Een waarneming voor een gedicht. Het zou ‘origami’ kunnen heten. Maar ik ben geen dichter, wel een lezer van gedichten. In die hoedanigheid las ik een Tirade van eind vorig jaar. Lang voor de ‘Week van de Poëzie’ begon, was deze Tirade geheel gewijd aan poëzie. Je moet niet overal op in willen spelen zullen de makers van het blad gedacht hebben.
    In de laatste rubriek van het blad, ‘De tirade van…’ – waarin een schrijver zijn hart inzake de literatuur mag luchten – schrijft Alfred Schaffer ‘Poëzie mag best een beetje moeilijk zijn’.

    Schaffer gaat tekeer (nouja, tekeer,… hij is verongelijkt) tegen al diegenen die poëzie niks vinden. In het bijzonder tegen muzikante Eefje de Visser. Hij verwacht van Eefje – gezien haar teksten – enige affiniteit met poëzie te hebben. Dat heeft ze niet. Ze is oprecht wars van poëzie. Terwijl haar teksten pure poëzie zijn, meent Schaffer. Maar Eefje zou ze niet gedrukt willen zien, ze gelooft niet dat iemand dat wil lezen: poëzie. ‘Poëzie kan ik heel goed verdragen als het in popmuziek is verwerkt, maar poëzie lezen in een bundel vind ik maar zelden zeer interessant.’ Een opmerking te eenvoudig om je lang druk over te maken. Eefje is een niet-lezer van dichtbundels. Daar valt niets mee te beginnen als je het over poëzie wilt hebben.
    Zoals bij elke goede tirade, komt pas halverwege de aap uit de mouw, datgene waar het ten diepste om gaat.

    Bij Schaffer gaat het om de verwachting dat poëzie leesbaar en begrijpend moet zijn. Hij vindt dat poëzie niet alleen gericht op ‘directheid, verstaanbaarheid en instemming’ moet zijn. Dit onderstreept hij met een citaat van de Amerikaanse dichteres Dorothea Lasky: ‘Poets should get back to saying crazy shit. All of the time.’ Wat hij een (bijna) cliché vindt, maar ook: ‘clichés zijn waar’. Ik had nog nooit van Lasky gehoord, ook dit citaat was me onbekend. Als een gedicht teveel van me vraagt, blader ik door. Uit luiheid. Daar schaam ik mij nu wat voor, nu ik Schaffer over poëzie heb gelezen. En dan nog die laatste regels, waarin hij aanhaalt wat een leraar eens tegen dichteres Maud Vanhauwaert zei: ‘Maak jij maar iets waar niemand op wacht.’ Schaffer gunt iedereen zo’n leraar.
    Wie nu deze Tirade (nr. 473) in handen krijgt: lees eerst Alfred Schaffers tirade en dan de gedichten in het nummer. Want in het licht van Schaffer spelen er krachten mee die dwingen verder te kijken. Dan ga ik op zoek naar iets moeilijks, iets van Dorothea Lasky.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Gedroomde eindes

    Ik vraag me af of ik aan het dromen ben. Niet omdat er iets geks gebeurt, ik zit gewoon te schrijven op de bank, maar ik heb gelezen dat je lucide dromen kunt krijgen door je overdag regelmatig af te vragen of je droomt. Een dezer nachten hoop ik te beseffen dat ik droom, zodat ik de droom naar mijn hand zal kunnen zetten.
    Deze bijvoorbeeld, die regelmatig terugkeert: ik ben weer samen met een van mijn minder fijne exen en ik besef dat ik de relatie wil beëindigen, maar ik doe het niet. Ik zeg tegen mezelf dat ik het straks wel zal vertellen, maar dat ik nu het spelletje nog even meespeel, en ik blijf meespelen tot de droom voorbij is.

    In de verhalenbundel Dingen die we verloren in het vuur van de Argentijnse Mariana Enriquez ontmoette ik een personage dat me aan mijn droom deed denken: een vrouw die ‘veel te snel’ getrouwd is en een enorme hekel aan haar man heeft. Ze besluit hem mee te nemen naar haar oom en tante, in de hoop dat vreemde ogen hem leuker zullen maken. Het omgekeerde gebeurt: ze ziet nu echt in dat ze genoeg van hem heeft, en haar familieleden zien het ook. Desondanks neemt haar nicht het echtpaar mee op een reisje van Argentinië naar Paraguay. Op de terugweg krijgen ze autopech. Ze worden opgepikt door een vrachtwagen en overnachten in een truckershotel, waar de hoofdpersoon tot diep in de nacht aan de bar blijft hangen om te luisteren naar horrorverhalen over verdwijningen. De volgende ochtend blijkt dat haar echtgenoot weg is, zijn bed onbeslapen, zijn bagage verdwenen – opgelost in het niets.

    Ook in de andere verhalen hebben de personages van Enriquez geen enkele moeite zich van ongewenste geliefden te ontdoen. Eentje laat haar vriend op straat liggen tijdens een paniekaanval door een verkeerde dosis drugs, een ander ruilt haar man in voor een op straat gevonden schedel die de liefkozende naam Delletje draagt.
    De hoofdpersonen zelf komen er trouwens ook niet altijd goed vanaf. Een vrouw die lichtelijk in de war is, wordt verlaten door haar vriend omdat hij denkt dat ze spoken ziet, en inderdaad, ze ontdekt een klein monsterachtig kind met vlijmscherpe puntige tanden in het huis van haar buurman. Het verhaal eindigt in haar eigen slaapkamer, met het kind dat op haar afkomt en de gedachte dat ze weet dat ze niet droomt, omdat je in dromen geen pijn kunt voelen.

    De eindes van Enriquez zijn nachtmerrieachtiger dan mijn engste dromen. Ik was blij het boek dicht te kunnen slaan met de gedachte dat het maar verhalen waren. Dus als ik straks wakker word in een droom ben ik niet van plan hem in een nachtmerrie à la Enriquez te veranderen. Maar een klein beetje meer in de geest van haar verhalen dromen lijkt me wel wat. Misschien kan ik de volgende keer als mijn ex in mijn droom verschijnt, zeggen dat ik helaas verliefd ben geworden op een schedel.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Iets ongemoeids

    Een druilerige zondagmiddag dient om te lezen, boek op bank. Al wordt het steeds moeilijker onbevangen te lezen. Het gebeurt te vaak dat in één week een boek en zijn schrijver op radio/tv èn in de opiniebladen breeduit besproken wordt. Dat er nog andere boeken bestaan buiten die uitzonderlijk lovend en doorbesproken boeken, lijkt nauwelijks een mogelijkheid. De veelheid aan reacties op de nieuwe roman van Pfeiffer maakte mij uiteindelijk leesdoof (de betekenis kon ik niet zo gauw vinden maar het is zoiets als wanneer de inhoud van een boek zo vaak en meerstemmig geduid is, dat je niet meer kunt horen wat de schrijver vertelt). Ik zocht dus iets ongemoeids, een boek waarnaar niemand nog taalde.

    Vanaf de bank tuurde ik naar de stapels boeken op de grond, (de bank een boot, de boeken het water waarop ik drijf), en zag De wateraap. Een witte cover waarop een dierlijk schepsel met een vogeltje op zijn puntige oor op de rug van een goudbruine vis met kippenpoten zat. Wezens van een ander land. Een debuutroman van een mij onbekend auteur. Er zijn schrijvers die in hun proza lijken te roepen ‘kijk mij, kijk naar mij!’ En er zijn schrijvers die zich verbergen voor de lezer, die lijken van geen lezer te weten. Zoals het werk van Minke Douwesz en Miek Zwamborn, daar moest ik aan denken toen ik in De wateraap begon te lezen:
    ‘Naar de slapenden kijk je niet, naar de doden wel. Zonder schaamte. We vonden hem ’s ochtends, liggend in een krul alsof hij sliep, zomaar een ding geworden. Ko legde haar hand op haar smalle keel, alsof ze de groeven en plooien wilde beschermen, en zei dat het nu begonnen was. Ik keek weg. Ze zei het tegen zichzelf, niet tegen mij.’

    Die ‘mij’ is Elke, student biologie, die haar afstudeeronderzoek richt op het fruitvliegje en zijn alcoholadaptatie. ‘Waar het op aankwam was steeds maar weer bewijzen dat de evolutietheorie klopte.’
    Wat daar ligt, ‘in een krul’, is een dode vos. Ko is een zelfvoorzienende oudtante en woont in een huisje onderaan de dijk bij de IJssel. De vos, Ko en de rivier zijn de peilers in deze roman waar de wateraap zich omheen slingert.
 Elke logeert veel bij Ko en helpt met de groentetuin. Elke is zoekende, naar een huid waarin ze past, een identiteit, een oorsprong die haar ruggensteun geeft. Ze gelooft in de hypothese van de wateraap. Een hypothese die aanneemt dat onze voorouders lange tijd in water hebben geleefd. ‘…hoe hij ooit door het water had gewaad, rechtop, met trage passen, hoe zijn handen tot de polsen in het water hingen, de vingers gespreid,…’.

    Elke verlaat Ko en gaat op reis naar Wenen, waar ze de schrijfster van haar lievelingsboek over de wateraap zal ontmoeten. Het wordt een enorme deceptie, die het boek naar een intens mooi beschreven einde leidt.

    Daarbij heb ik nog nooit in de literatuur zo’n mooie echo van Rutger Kopland horen weerklinken als in De Wateraap:
    ‘Ik verzweeg hoe het was om op je knieën sla te oogsten. Wanneer je met een blikkerend mes de krop van de aarde lossneed, bleef het bittere melksap nog even doorstromen, de voldongen feiten tartend. Maar het was vooral de aanblik van een leeg geoogst bed dat ik slecht verdroeg.’
    Een boek om stil van te worden. Laat Mariken Heitman de lezer vergeten en verder schrijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Rol

    Een verhaal van mij, over een mislukte acteur, zou verfilmd worden en de regisseur vroeg mij de hoofdrol te spelen. Hoe acteer je een acteur, was de eerste vraag die ik mijzelf stelde, en omdat ik überhaupt nog nooit geacteerd heb, vroeg ik me onderweg naar L.A. nog wel méér af.

    Ze hadden mijn hele verhaal gereconstrueerd: in een gebouw dat er van buiten uitzag als een hangar was een theater nagemaakt. In het midden bevond zich een podium, het was net echt, en daaromheen stonden stoelen van rood pluche, op sommigen zaten figuranten. Ze waren van vlees en bloed maar leken op mijn personages. In mijn verhalen beschrijf ik personages met slechts één uiterlijk kenmerk, maar desalniettemin (of juist daardoor) staan ze mij en mijn lezers altijd zeer precies voor ogen. Het was dan ook vreemd ze zo te zien zitten, precies zoals ik ze bedoeld had. En gek genoeg keken zij mij ook vreemd aan toen ik door het gangpad naar het podium liep: alsof ze in mij hun schepper herkenden.

    Theater heb ik altijd verafschuwd. Je hebt film en je hebt literatuur. Dus waarom is er theater? Om te klappen voor iemand die een kunstje doet?

    Deze opvatting vormde het uitgangspunt van mijn verhaal over de middelmatige acteur, en dat ik hier nu stond – op een podium, in een theater, in een studio in de schijnwereld van Los Angeles – kwam op een vreemde manier op mij over als een zoete wraak van mijn verhaal op mijzelf; je kunt een verhaal immers zien als een acteur die geregisseerd is door zijn schrijver, nietwaar, en mogelijk had ik het mijne gekwetst.

    Dus daar stond ik dan, op mijn zelfverzonnen podium – met ‘middelmatig’ zou je mij als acteur te veel kwaliteit toekennen. Ik had mijn kostuum al aan en samen met alle anderen – velen van hen professioneel acteur, vermoed ik – wachtte ik op de regisseur.
    We hadden al eens gefacetimed, dus ik dacht te weten hoe hij er uitzag, maar dat bleek niet het geval: door de lichtgevende kier die piepend groter werd tussen de enorme loodsdeuren betrad een vreemd mannetje de set. Zijn schaduw was enorm, hijzelf minuscuul, en zijn gezicht – dat ik inderdaad al kende van onze digitale kennismakingen – vloekte zo met zijn lichaam dat zijn voorkomen in het geheel me als volstrekt onbekend voorkwam.
    Hij nam plaats op een klapstoeltje helemaal vooraan dat buiten beeld moest staan; hij trok zich niets aan van de camera’s die om hem heen zwierden, en ook nadat de kleine lichtjes net naast de lenzen rood opgelicht waren, bleef hij druk gebaren. Hij beeldde uit hoe ik mijn eigen verhaal moest vertolken. Hij schreeuwde zinnen die ikzelf geschreven had.
    Ik bracht er helemaal niets van terecht, het leek allemaal nergens op. Toch stond de regisseur na een paar uur ineens op vanuit zijn stoel en riep opgetogen ‘cut!’.

    Iedereen in de hangar begon te klappen, en ik deed ook maar mee. Diezelfde dag nog vloog ik weer naar huis, vreemd voldaan.

     


    Vincent Merjenberg (1983) werkt aan een roman. Eerder publiceerde hij verhalen in De Gids en Revisor. Eens werkte hij bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam.

     

  • Donkere dagen

    De aanhoudend donkere dagen, de wind en regens die het huis geselden, deden me verlangen naar verlichting. Google verwees me naar de dichtstbijzijnde plek waar ik dit zou kunnen vinden. Naar de Grote kerk in Velp, waar filosoof en schrijver Stine Jensen in het kader van de ‘Maand van de Spiritualiteit’ een lezing zou geven. Het was uit geestbehoud dat ik ging.
    Jensen was gevraagd door het CPNB het essay te schrijven voor de ‘Maand van de Spiritualiteit’. Ik was verbaasd toen ik het hoorde. Zijzelf ook, vertelde ze in de Grote kerk in Velp. Toen ze, nadat haar die vraag was voorgelegd, even had opgezocht wie haar waren voorgegaan als schrijver van zo’n spiritueel getint essay, vatte ze moed. Ze dacht, als Jan Mulder het kan, kan ik het ook. Met het thema, ‘Aandacht’, kon ze wel wat, zo ze zei. Nu geloof ik dat Stine Jensen met veel dingen wel wat kan.

    Onlangs las ik haar boek Licht op het Noorden. Het lag op het krukje in de wc en ik begon het te lezen (wat aantoont dat boeken die voor het oprapen liggen, verbonden met enige mate van verveling, aanzet tot lezen.) 
Het was een verder kijken dan wat je ziet boek- en ging over het uit blank hout gedesignde en opgetrokken Scandinavisch leven. Jensen ging op zoek naar hoe de Scandinaviers dat doen, dat gelukkige leven enzo. Met dat geluk bleek het trouwens nogal mee te vallen.
    Ze bezocht het hol van de Black Metal scene in Noorwegen die – dit wist ik niet – in Scandinavië zijn oorsprong vond. En in Denemarken, wereldwijd het gelukkigste land, heerst de wet van Jante. Een ongeschreven wet waardoor Denen nooit – zoals Nederlanders op de vraag naar hoe het gaat: ‘Gaat wel’ (dubieus lachje), of ‘Niet zo goed’ (zucht) zullen antwoorden. Een Deen zegt ten alle tijde: ‘Uitstekend!’ Ook al is het tegendeel waar.

    In Helsinki heerst stilte, schrijft Jensen, alsof er een spreekverbod van kracht is. Veel mensen zijn er depressief. Daarom werd er een Helsinki-social app ontworpen. Een soort digitaal prikbord waar mensen kunnen aangeven verlegen te zitten om een praatje. Jensen plaatste een bericht: ‘Hi I am Stine from Holland. I’m on tram 13, who wants to talk to me?’ Waarna geen respons.

    In de Grote kerk in Velp vroeg Stine Jensen aan het publiek ‘waar denken jullie aan als het over aandacht gaat’. Ik had wel een idee maar zei niets. Ook niet toen er na de lezing vragen gesteld mochten worden. Bang dat de goed geformuleerde vragen in mijn hoofd er in onbegrijpelijke stukken uit zouden vallen zo gauw ik begon te spreken. Met verschrikt rond dwarrelende woorden waar ik geen touw aan vast zou weten te knopen.
    Na afloop kocht ik haar boek Ik lieg, dus ik ben wat me een mooie tegenhanger leek voor het spirituele, waarin ik niet besta.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Briljante schrijversatire

    Soms bestel ik een pizza met veel kaas en kijk ik series waarin het schrijversleven op zo’n krankzinnige manier wordt neergezet dat ik me lachend in mijn laatste hap verslik. Aan het einde van mijn pubertijd was er Californication, met David Duchovny als gekwelde maar aantrekkelijke romancier. Tien jaar later volgde The Affair, met Dominic West als de alles-heus-niet-zo-kwaad-bedoelende-maar-ja-pfffffff-oerdriften schrijver Noah. En sinds enkele weken is er The Truth About Harry Quebert Affair. Daarin gaan maar liefst twee (!) schrijvers gebukt onder melodrama dat op een of andere manier nooit hun eigen schuld is. Wat deze fictieve schrijvers gemeen hebben, is dat zij sterk autobiografisch getinte boeken schrijven. Die boeken komen er altijd in een beweging uit, eventuele writer’s block is van korte duur, de eerste versie wordt zeer succesvol uitgegeven. Vrouwen komen als sprinkhanen op hen af. En de muze is een mooie, zeer jonge en zeer getroebleerde vrouw.

    Even inzoomen: Zo de serie geschreven lijkt door mensen die nog nooit een schrijver van dichtbij hebben gezien, laat staan een boek hebben gelezen, zo is de betreffende muze in The truth about the Harry Quebert Affair geschetst door mensen die nog nooit een meisje van vijftien van dichtbij hebben gezien en die Lolita vooral als begrip kennen, niet als romanpersonage. Harry’s Nola is beeldschoon, houdt van opera’s, maakt sandwiches (…), blijkt op de juiste manier gek, seksueel actief en begrijpt ieder woord dat de schrijver uitkraamt. Natuurlijk gaat ze dood, niemand kan deze mysterieuze levenskracht immers aan.

    De serie blijkt gebaseerd op een roman van Joël Dicker. In hoeverre deze afwijkt van het boek weet ik niet, maar ik kan me voorstellen hoe Dicker gierend van het lachen het ene na het andere cliché over schrijven heeft opgetekend. Hield Dicker het droog toen hij, bij het bekijken van het televisieresultaat, het titelpersonage tegen de minderjarige Nola hoorde zeggen dat deze zijn eigen eenzaamheid zo beu was? Wat ging er door de makers heen tijdens het filmen van dialogen over hoe je altijd een laatste troefkaart in handen moet houden, hoe wachten op inspiratie doodeng is?
    Harry Quebert wordt bovendien gespeeld door Patrick Dempsey, die zijn rol als McDreamy uit Grey’s Anatomy voortzet, maar dan nog gekwelder. Kan dat? Ha!

    Het spektakelstuk uit Quebert is een confrontatie. De jonge Marcus maakt zich zorgen om zijn mentor, de gevluchte Harry, en vindt hem in een motel – of niet in, maar daarbuiten. Het regent. Harry heeft een stoel op een verlaten parkeerplaats gezet, hij is zeiknat. Na wat verwijtende vragen aan Marcus verlaat hij prompt de stoel en gaat hij OP DE GROND liggen. Kijkers zitten door al deze emotie inmiddels aan de hartbewaking. Niks geen relativerende ‘doe niet zo slap, man’ volgt, Marcus kruipt er gewoon NAAST. De regen klettert door.
    Even uitzoomen: Bromance. Gekwelde mannenzielen. Getroebleerde schrijvers. Het gewicht van de kunst, van de liefde. Die Dicker moet een enorme clown zijn. Ik zou graag eens een pizza met hem eten.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.