• Lanterfanten

    Het liefst lanterfanter ik mijn dagen door. Beetje bramen en appels plukken, taart bakken, boek lezen aan de keukentafel, jampotjes vullen, pakketje aannemen bij deur, koffie zetten, later een wijntje. Dagen die ik graag afwissel met gewoon een dag in bed, beetje schrijven, boek lezen (dat blijft) en dan komen er gedachten los. Over het nut der schijnbare nutteloosheid deze keer. In het aprilnummer van Het Liegend Konijn wijst Jozef Deleu, de bezorger van, ja, ik kan niet anders zeggen, het meest onvolprezen poëzietijdschrift, ons op het nut van de nutteloze kunsten. Bezigheden die economisch gezien niets opleveren en derhalve nutteloos zijn. Deleu schrijft dat in een tijd waarin alles wordt afgewogen, kunst in de marge van de maatschappij wordt bedreven. Dat dichters (goddank!) er in blijven geloven ‘dat in de orde van de levende wezens de mens de nutteloze dingen, zoals het schrijven van gedichten en het maken van kunst, moet blijven doen.’

    Wie naar kunst kijkt, ziet vaak een vervorming van de werkelijkheid, maar juist die vervorming maakt dat we -bij herhaaldelijk kijken- vastgeroeste beelden loslaten. Wie een gedicht leest, ziet een wereld zoals die nog nooit getoond werd. Waarna je de grote, serieuze realiteit (verlorenheid der dingen, tweespalt tussen culturen, leven en dood) met zachte hand kunt benaderen. Een kunstenaar kent geen vaste contracten of werktijden. Geconditioneerde kunst is een kunstje. Stel je voor dat de kunstenaar een vaste baan aanneemt, in de pas gaat lopen van het rendementsdenken. Waar halen wij, lezers dan onze inspiratie vandaan? Ik ben blij dat Deleu zijn dichters opport tot het schrijven van poëzie (geloof maar dat elke dichter, gearriveerd of beginnend, ervan droomt dat Deleu ook hun nest met dichterlijke schrijfsels aandoet, daar een keuze uitmaakt en opneemt in Het liegend konijn. Voor de eeuwigheid gebundeld, een tijdsbeeld van poëzie.

    Dan, wat mij steeds weer treft, ongelooflijk grof en vernietigend, maar zo schoon beschreven, is dit. De wereld opgetrokken uit poëzie:
    ‘Ik vertrek uit ruïnes, met bloedende voeten zoek ik
    een weg door het puin. Het is even wat stiller, stof
    daalt neer, de scherpschutters zijn aan het bidden,
    daarna eten ze een broodje en duwen grappen en
    grollen brakend een tiener op haar knieen – de boog
    kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’

    Wie bekommert zich om de dichter die weggestopt in een kamertje of bezemhok zijn strofen schrijft. Schrappen en herschrijven tot de dood erop volgt en het de wereld in kan (Pessoa). Wie betaalt de schrijver voor zijn dagelijkse brood, wie betaalt de moeder (ik denk aan Hagar Peeters nieuwe dichtbundel De schrijver is een alleenstaande moeder) die haar kind klaarstoomt voor de wereld? Dat zijn wij natuurlijk, lezers die het lanterfanten tot kunst verheffen en heilig geloven in een soort zelfvoorzienendheid van het leven. Poëzie, dat is opium voor de ziel. En het kost niet veel.

     

    Gedicht fragment van Hier en daar van Esther Jansma, opgenomen in: Het liegend konijn 2019/1.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Meesterlijk

    We zitten in de tuin. De hemel kleurt roze, gekoelde wijn veroorzaakt druppels condens aan de buitenkant van het glas die op onze kleren druppen telkens wanneer we een slok nemen. We nemen het er van, ik ga voorlezen. Verhalen van Thomas Verbogt die, zo blijkt, niet allemaal met droge ogen tot een goed einde gebracht kunnen worden. Ik had ze al gelezen, me ermee vermaakt maar nu, bij het hardop lezen komt het slapstickachtige van sommige verhalen pas goed naar voren. In het verhaal ‘Uitslapen’, waarbij de schrijver, jawel, tracht uit te slapen, kom ik bij de passage waarin alles samenkomt. Terwijl de uitslaper nergens aan wil denken dat het uitslapen kan verhinderen, hoort hij de vuilniswagen. Denkt aan twee vuilniszakken in de gang, als hij ze nu niet aan de weg zet, gaan ze stinken. En hij probeert uit te slapen, dat lukt dus niet meer. Hij springt uit bed, kamerjas aan en haast zich op blote voeten met de vuilniszakken naar buiten. Eenmaal buiten glijdt de voordeur in het slot. Hij trapt in een stuk glas. Wiebelend op een been probeert hij met beide handen de gewonde voet naar zich toe te trekken. Als twee agenten hem naderen, komt het besef dat hij onder zijn kamerjas niets aan heeft.

    Tijdens een redactievergadering hadden we het erover hoe plat taal kan zijn. Zegswijzen als ‘helemaal goed’, of ‘Ik doe wel een belletje,’ zijn niet aan ons besteed. Van de aanspreekvorm ‘Hé buuf’ gruwden we en bij ‘heb je een momentje’ gaven we niet thuis. Zeiden we, serieus. Het werkte wel aanstekelijk. Ik kon nog net ‘zullen we nog een bakkie doen?’ voor me houden, gevolgd door ‘moet je net mij hebben. In de verhalenbundel Olifant van zeep van Thomas Verbogt komt het allemaal voor. Verbogt ontmoet mensen die hem vragen, ‘heb je nog leuke dingen gedaan’, of ‘dit is toch niet de afspraak’. Op het moment dat hij zijn bloedende voet omhoog houdt vraagt een van die agenten dan ook, ‘Wat zijn we precies aan het doen?’ Toen begaf mijn stem het, ik zag het voor me en moest overnieuw beginnen met lezen.

    Verbogt is goed in het samenbrengen van een veelheid aan onhandige dingen, goed gebruiker van nietszeggende taal. Ook kleine gebeurtenissen, die in seconden afspelen worden bij hem beleefbaar gemaakt (het vallen van een vaas uit Rome, herinneringen die daarmee loskomen). Wie lacht kan zo in huilen uitbarsten. De achttien verhalen in Olifant van zeep geven een beeld van een schrijver in zijn zestiger jaren die in het onhandige een zeker bestaansrecht zoekt. Met zinnen die een heel tijdsbeeld neerzetten: ‘En zo liepen we naar het huis waar hij een kamer had gehuurd, bij een hospita van wie hij in de late avond tot acht uur in de ochtend maar één keer naar de wc mocht.’ Thomas Rosenboom zei eens dat Verbogt een schrijver is die ‘een heel groot publiek’ verdient. Dat wil ik nog eens benadrukken. Wij vermaakten ons meesterlijk met Verbogts verhalen, zoveel beter dan Netflixen.

     

    Olifant van zeep / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam ( juni  2019).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Handtekening

    Het is leuk gesigneerde boeken te hebben. Hoewel, ergens vind ik het kinderachtig. Alsof de schrijver belangrijker is dan het boek. Alsof het een pop- of filmster betreft. Sommige schrijvers wekken overigens graag die indruk. Maar het maakt het boek wel persoonlijker. Dichter bij de schrijver kun je niet komen, tenzij je tot de literaire incrowd behoort. Zoals biograaf Wim Hazeu ooit schreef: de schrijver heeft het boek toch in zijn handen gehad. Het vastpakken van een gesigneerd boek als een verre handdruk. En een mens mag iets verzamelen. Het moet wel een bewonderde schrijver zijn, hoewel je daar gradaties in hebt. Er zijn weinig schrijvers voor wie ik in de rij ga staan. Op zich al iets waar ik een hekel aan heb. Het gedrang voor een balie of tafeltje.

    De interessantste schrijvers zijn op leeftijd en signeren niet of nauwelijks meer of zijn – de grootste groep – overleden. Veel gesigneerde boeken koop ik dus antiquarisch. Het is opvallend hoe weinig zo’n handtekening kost. Een gesigneerde Mulisch, Wolkers of Haasse tik je voor 25 euro op de kop. Natuurlijk bestaan er van deze schrijvers tienduizenden gesigneerde boeken, die in boekenkasten gekoesterd of vergeten worden. Belangrijk is dat het boek alleen gesigneerd en – liefst – gedateerd is. Zonder opdracht dus. Een opdracht aan een ander maakt het minder persoonlijk. Bovendien heb je het gevoel te raken aan andermans intimiteit. Op de laatste Deventer Boekenmarkt zag ik bij een antiquariaat tot mijn vreugde een hele kast gesigneerde boeken. Maar allemaal met een opdracht voor een verzamelaar die onlangs was overleden. De familie zag van de gesigneerde boeken blijkbaar de waarde niet in of vond dat zij er niets mee te maken had.

    Later scoorde ik op de Boekenmarkt een gesigneerde Het stenen bruidsbed. In een antiquariaat in de stad kwam ik nog een gesigneerde Brakman tegen, in de gelegenheidsdruk Oom Anton. Uniek ook omdat de kluizenaar uit Boekelo weinig signeerde. Brakman is een van mijn grote helden. Verder vond ik een gesigneerd boek van Maarten ’t Hart: De droomkoningin, gedateerd Zutphen, 9 september 1980. De volgende avond las ik in De IJssel stroomt feller dan de Amstel, de herinneringen van de Zutphense ex-boekverkoper Ad ten Bosch,  dat ’t Hart dat jaar de eerste schrijver was die ooit in zijn boekhandel signeerde. Alles viel even op zijn plaats en dat maakt dit exemplaar extra bijzonder.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers en dichters uit het verleden.

     

  • Beloved Toni Morrison

    Er zijn van die literaire boegbeelden waarvan je denkt dat ze nooit zullen verdwijnen. Toni Morrison, die maandag op 88-jarige leeftijd overleed, was zo iemand. In haar jeugd voelde ze zich totaal niet aangesproken door de boeken van de in die tijd als belangrijk geldende zwarte schrijvers als James Baldwin en Richard Wright. Die schreven volgens Morrison verhalen met een wit lezerspubliek in gedachten. ‘Ze gingen over mij, en waren geschreven door iemand als ik, maar de stem was bedoeld voor andere oren.’ Zo voelde dat, liet ze tien jaar geleden in een interview met Hans Bouman weten. Ze besloot zelf  te gaan schrijven. Verhalen met zwarte jonge vrouwen in de hoofdrol, de witte figurerend op de achtergrond. De rol van de vrouw van de slavenhouder op Sweet Home in Beloved, mevrouw Garner, is dan ook verwaarloosbaar. Wat Morrison voor haar verhaal nodig had gebruikte ze, maar ze creëerde geen podium voor de witte. Zij construeerde met haar personages een zwarte geschiedenis van de slavernij.

    Tien jaar na het verschijnen van Morrisons beroemde boek Beloved, bracht een vriendin haar eigen exemplaar voor me mee. Het was 1997, ik lag wekenlang in het ziekenhuis door een complicatie tijdens de zwangerschap van mijn jongste zoon. Mijn zelfbeeld was gedaald tot een nulpunt. Mijn leven was overgenomen. Lezen was mijn redding, al kon ik na een paar weken zelf geen nieuwe titel meer verzinnen. Toen kreeg ik Beloved, over een moeder die haar dochtertje vermoordt om haar een leven in slavernij te besparen. Ik vroeg me af wat mijn vriendin bezielde toen ze dit boek voor me meebracht. Bevond ik me op een roze wolk volgens haar, of gedroeg ik me teveel als het slachtoffer van niet te beïnvloeden omstandigheden?

    Schuldgevoel en vrouwen zijn al zolang de mens bestaat een pact aangegaan. Sethe, in Beloved, gaat gebukt onder het gewicht van de dood van haar tweejarige meisje dat later als geest haar huis teistert en haar en haar tweede dochtertje geen rust gunt. Het huis verlaten is geen keuze. Toen, in mijn hoedanigheid van patiënt die dagelijks een paar stappen buiten het bed mocht zetten; voetje voor voetje, schuifeldeschuifel, voelde me gegeneerd. Ik had geen weet van de wereld buiten me, nooit gedacht aan op witte lezers gerichte schrijvers. In het ziekenhuis  had ik Amerikaanse pastorale van Philip Roth gelezen en dat voelde goed. De helderheid, de directe verbinding tijdens het lezen door het ons kent ons gevoel. Ik had Toni Morrisons Beloved nodig om ergens van los te komen, een andere kant te zien. Te beseffen dat ik niets ken, niets weet. Het leverde een geweldige leeservaring op die nooit zal verdwijnen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest de godganse dag.

     

  • Bijproducten

    Een stukje schrijven kan opeens a hell of a job zijn. Ik heb niet te klagen, maar schrijvers die wekelijks meerdere stukjes schrijven, met een deadline, zullen dit beamen. De kronkels in je hoofd, de beelden op je netvlies omzetten in woorden die het moeten doen. Hoe dichter de deadline nadert, hoe minder de schrijver zichzelf is. De blik vertroebelt, er wordt naar buiten gekeken maar niets gezien, de geest is traag, verworden tot een marshmallow-achtige substantie waarin wordt gedregd naar iets zinnigs. De onrust dwingt tot lopen, van beneden naar boven, raam open, raam dicht. Er worden boeken uit de kast getrokken, naar een passende pen gezocht die dit stukje kan helpen schrijven. Deuren worden open en dicht gedaan op zoek naar bruikbare gedachten. Voor ik het weet sta ik stapels was te vouwen, of het gasfornuis te poetsen.

    Remco Campert schreef tot zijn achtentachtigste wekelijks stukjes voor de krant, toen stopte hij daarmee. Deze week werd hij negentig en bleek het schrijven niet te kunnen laten. In een interview met de schrijver door Mirjam van Hengel, zijn biografe, merkte Van Hengel op dat hij veel zwijgt in interviews. Er bestaan interviews waarin hij niets zegt, enkel kucht of zijn typische Campert lachje grinnikt. Toch waagde zij het erop, interviewde hem. De reactie van Campert was: ‘Jij weet alles al’. Twee jaar lang had ze hem gesproken over zijn leven, alles staat in de biografie Een knipperend ogenblik.
    De dag na zijn verjaardag stond er een verse CaMu-column op de voorpagina van de Volkskrant, (een traktatie als was het een stukje taart). Campert schrijft in amper 220 woorden over het ouder worden, hoe je de negentig haalt. Zijn remedie is eenvoudig: gewoon doorgaan met leven. Als ik het lees besef ik hoe deze stukje gemist worden. Ik trek de bundeling  CaMu-column 2001, Het jaaroverzicht uit de kast en lees een CaMu over een deadline. Hoe de schrijver zich verliest in niet ter zake doende handelingen:

    ‘Ik sta op en zet koffie. Dat doe ik vele malen. Omdat ik van mezelf niet naar buiten mag, kijk ik naar buiten, maar zie eigenlijk niets. Ik blader de krant door zonder hem te lezen. Ik voel me een kind dat voor straf naar zijn kamertje is gestuurd.
    Soms levert het verhaal waar ik zo zenuwachtig aan werk bijproducten op. Daar ontsnap ik dan even in. Ik maak aantekeningen voor een film, voor en toneelstuk, producten die in de toekomst nieuwe deadlines zullen veroorzaken. Of er doemt een gedichtje in me op. Dat is nog het meest bevrijdende, want poëzie heeft geen deadline.
    Gericht op mijn gezicht / priemen bundeltjes licht / zich heen door de blaadjes / van de boom / waaronder ik / ongelofelijk lichtzinnig / tijd door te brengen lig.’
    Het mag duidelijk zijn dat Camperts afleidende bezigheden meer opleveren dan een stapel was wegvouwen of het fornuis poetsen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze leest de godganse dag en heeft een NS-kortingskaart.

     

     

  • Mijmerweer

    Lezen doe je in stilte. Het is een ideale bezigheid voor mensen die de eenzaamheid verkiezen. Het cliché luidt overigens dat je bij het lezen nooit alleen bent: je bent immers in gesprek met de schrijver. Het fijnste is om op een mooie zomerdag buiten te lezen. Onder de parasol of – beter nog – onder een boom, als je die in je tuin hebt staan. Het is iets om je op te verheugen: de badwaterwarmte van de atmosfeer, een zacht zomerbriesje dat af en toe een beetje koelte aanwaait, de dromerigheid van zo’n zomerdag die zich vermengt met woorden.

    Enthousiast installeer ik mij op zo’n dag in een oude tuinstoel met het zorgvuldig uitgekozen boek en dan weet ik opeens weer hoe het werkelijk is. Buren krijgen bezoek waarbij er om het hardst moet worden gepraat en gelachen. Het zwembadje wordt opgepompt en de lucht even daarna gevuld met uitzinnig kindergekrijs. Het springkussen is een standaard bron van onrust. De opdringerige geur van de barbecue kringelt algauw mijn neusgaten binnen. Het gezinsleven is meer dan ooit een kermis.
    Al die tijd probeer ik me te concentreren op mijn roman. Er komt niets terecht van het gesprek met de schrijver: flarden geleuter komen tussen zijn goed geplaatste woorden terecht. Ik zou willen dat er geluidswallen om mijn tuin stonden in plaats van houten schuttingen.

    Dan besluit ik er iets van te zeggen, weer later toch maar niet. Het is per slot niet altijd zomer. Hoewel, met de zomers van tegenwoordig? De dag daarop is het weer raak. Urenlang. Ik krop mijn woede op. Val ik hén soms lastig? Mijn verbeelding wordt nu alleen nog maar aangewakkerd door de buren en neemt steeds onfrissere vormen aan. Het begint met de tuinslang om de overlast weg te vegen met dikke waterstralen. De meurende barbecue te blussen.
    Maar natuurlijk ga ik op een gegeven moment gewoon naar binnen. Het is er koel. De boeken uit mijn boekenkast staren me onbewogen en verstandig aan. Er gaat een enorme rust van uit. Voordat ik mij ongestoord in mijn boek verdiep, denk ik nog even aan Maarten ’t Hart, die het meest van de maand november houdt. Dan kun je ongestoord lezen. Buiten valt druilerige regen of hangt een kille mist waarin niemand zich waagt. Ook dat is mijmerweer.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers en dichters uit het verleden.

     

  • Suikerfabrieksterrein

    In mijn gedachten is alles mogelijk en slapen in een tot jeugdhostel verbouwde container leek me een mogelijkheid. Het is de werkelijkheid waarover ik meestal struikel. Ik boekte twee overnachtingen voor Mijn lief en mij. Het hostel lag op tien minuten fietsen van het centrum van Groningen en de prijs was zeer billijk. Groningen kent een Puddingfabriek en een Suikerfabriek, de een produceerde pudding, de ander suiker. Zo eenvoudig kan het zijn. Nu bieden ze plaats aan festivals en is er een hostel op het Suikerfabrieksterrein. De openingsavond van het poëziefestival Dichters in de Prinsentuin vond plaats in de Puddingfabriek, het dagprogramma in de Prinsentuin. Waar door loofgangen werd gegaan en door een gat in de heg naar gedreven, timide en volleerde dichters geluisterd, die dingen zeiden als: ‘Met mij is niet te doen’.

    In de container sliepen we met zijn tienen in vijf stapelbedden. Tijdens de nachtelijke uren was er veel in- en uitloop. Een groep Duitse jongeren bleef op tot alle drankflessen die ze hadden meegezeuld leeg waren, strompelden toen hun stapelbedden in. Er werden hoofden gestoten, voeten glipten van bedranden bij de klim naar het bovenbed, er klonk veelvuldig een hartstochtelijk ‘Scheiße’. Waarna het ruften begon, het snurken in alle toonaarden en de lucht zich verdichtte tot een alcoholwalm. Verscholen onder het dekbed in een benedenbed vroeg ik me oprecht af hoe ik in godsnaam hierin verzeild was geraakt. Soms ontbreekt mij het verstand. Ik had iets nodig – geen drank of andere verdovende middelen – om uit deze werkelijkheid te verdwijnen. Er was een nachtlampje en ik had het ultieme boek voor op reis bij me, Het oog van de naald van A.L. Snijders.

    In ‘Wal mijner tanden’, haalt Snijders een stukje aan van J.H. Donner, schaker, schrijver en vriend van Mulisch. Tijdens een zondagmiddagwandeling vraagt zijn dochtertje, Marian: ‘Hoe heten die poppen ook alweer aan touwtjes, die we laatst gezien hebben, papa?’ Voor Donner kon antwoorden, doet het meisje een gok: ‘Majoretten?’ Daar raakte de geest van in verwarring, het correcte antwoord floepte weg. Donner: ‘Haar eenvoudiger woord had het mijne met één klap weggevaagd.’

    Niet wetende dat J.H. Donner een dochter had, kwam ik haar die dag twee keer tegen. ’s Ochtend in de trein naar Groningen las ik in de krant ‘Tien geboden’ van Arjan Visser met schrijfster Marian Donner (1974). Haar ontnuchterende meningen: ‘Verlangen naar zuiverheid is funest, domweg omdat het niet haalbaar is’, bracht een heerlijke verschuiving in de geest teweeg. Evenals: ‘Weet je wat ik doe met herinneringen waarover ik me mogelijk zou kunnen schamen? Daar maak ik gewoon ándere verhalen van. Nee joh, ik heb helemaal niet over iemand heen gekotst die keer, ik was net op tijd bij de wc!’
    ’s Nacht was ze het kind in het zkv van Snijders dat met haar vader wandelde en voor woordverwarring zorgde. Of ik slecht geslapen heb die nacht? Welnee, ik heb me kostelijk vermaakt in Groningen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, heeft een NS-kortingskaart en schrijft.

     

     

     

  • Lees in je eigen tuin

    Er zijn twee soorten lezers. De reguliere lezer, die elk verloren kwartier gebruikt om een paar bladzijden te lezen. Standaard een stapeltje boeken naast het bed. Mensen die de dag met een boek beginnen zoals anderen met een sigaret. En de vakantielezer, die zelden of nooit lezen en plotseling een korte periode van geletterdheid doormaken. De laatste categorie leest vooral thrillers of andere ‘light reads’. Lezen doe je namelijk wel om te ontspannen. In het vliegtuig of op het strand. De e-reader is dankzij deze groep lezers geen totale mislukking geworden. Je wilt toch geen grote stapel boeken meesjouwen in je bagage? Het is alsof je met stenen verzwaard op reis gaat. Ik begrijp het dan ook niet, dat vakantielezen. Ik moet dan aan Harry Mulisch denken. Die zei: ‘als ik reis dan ben ik bezig met reizen en met niets anders.’

    Gelijk had hij, reizen is een ervaring op zich. Je moet dan om je heen kijken en niet in een boek of op een scherm. Zelfs op treintrajecten die ik al mijn hele leven afleg, kijk ik graag naar buiten. De werkelijkheid is altijd anders.
    Ik kende ooit iemand die zowel hartstochtelijk lezer als reiziger was. Als hij op reis ging, nam hij een tas vol boeken mee. Acht tot tien dikke pillen. Hij bleef vaak lang weg, en begaf zich in verre, exotische streken. Landen waarvan menigeen droomt er ooit geweest te zijn, zelfs in deze tijden waarin mensen makkelijk het vliegtuig instappen. Hij las in bussen, boten, vliegtuigen en treinen, terwijl het landschap aan hem voorbij trok. Uitgelezen boeken liet hij achter in hotelkamers, zodat zijn ballast steeds lichter werd. Ze hoefden dan thuis de boekenkast niet meer in, in een huis dat al uitpuilde van de boeken. Want hij kocht en las ze het hele jaar door. Mooie literatuur. Klassieke meesterwerken. Thuisgekomen vertelde hij enthousiast waarover ze gingen. Zo weet ik dit.

    Waarom ga je dan op reis? vroeg ik me af. Lees ze in je eigen tuin. Reis in je hoofd en bespaar je een hoop geld. Wat je weer aan boeken kunt besteden. Overtollige boeken vinden een gretige ontvangst bij de kringloopwinkel. Of die kennis inmiddels een e-reader heeft aangeschaft, weet ik niet. Maar ongetwijfeld bevindt hij zich deze zomer weer in een of ander fantastisch land. Al lezende.

     


    Mathijs van den Berg volgt literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers en dichters uit het verleden.

     

  • Tussenman

    Dimitri Verhulst schreef over de verhouding van een eenzame man met een jonge weduwe. Het speelt aan een groot meer. Dat het in Zweden is, hoorde ik in een interview met de schrijver, die ooit voor de liefde daarheen verhuisde. De liefde ging, de schrijver bleef, tot hij  weer naar België verhuisde, naar Gent om precies te zijn. De schrijver wisselt, net als de Mattis in zijn roman even vaak van geliefde als van woonstee. De schrijver en Mattis kruisen elkaars paden in De pruimenpluk, een roman over je terugtrekken uit de wereld. En waarin eenzaamheid het denken over vergankelijkheid aanspoort.

    Jeroen Brouwers is niet ver weg in deze roman. Het allenig leven in het blauwe huis aan het meer, roept de sfeer op van huize Krekelbos te Rijmenan, waar Brouwers in de jaren zeventig zijn schrijverscarrière grondde. De hang naar zelfvernietiging. De lege drankflessen – door Brouwers aan de takken van een boom in het Krekelbos gehangen zodat de wind er klingelende geluiden mee voort zou brengen – verwacht je elk moment rond het huis aan het meer te zullen aantreffen. Maar Mattis drinkt wijn uit kartonnen pakken, leeft van diepvriesmaaltijden en wordt ‘tussenman’ van weduwe Elma.

    Een bijvrouw is een soort bijzaak voor een man, vaak omwille van de voortplanting. Er is het Bijbelverhaal waarin Sara haar man, Abraham de slavin Hagar schenkt als bijvrouw. Omdat Sara onvruchtbaar is en zij haar man een erfgenaam wil bezorgen. Een bijman bestaat niet; onvruchtbaarheid werd toegedicht aan het vrouwelijk falen. Een man die een liefdesrelatie aangaat met een weduwe – die de nagedachtenis van haar overleden man koestert en het graf met deze enige echte zal delen – is een tussenman.
    ‘De eeuwigheid was voor twee gereserveerd. Op een dag zou zij dus bovenop Erik komen te liggen. (…) Wat Elma met mij doorbracht was wachten. Ik was haar tussenman. Haar verstrooiing in de antichambre.’

    Ik zoek naar verbanden. In de liefde is het verlangen de ‘enige’ te willen zijn, dodend. Gelukkig voor ‘altijd’ en ‘eeuwig’. Eeuwig als van nooit meer anders. Wie houdt dat vol. Het liefst zou Mattis op de vlucht slaan voor elke menselijke hang naar gezelligheid. ‘(…) het geluk zat mij nog wat ongemakkelijk. Het vooruitzicht stilletjes weg te teren had me zeker niet over de hele lijn onprettig geleken. Ik zag er best iets in om nog eventjes, niet te lang, schimmig over de aardbol te struinen. Als een hotelgast die niemand nader hoeft te kennen.’

    Het zou de loop van het verhaal goed passen wanneer Mattis opnieuw alleen achterbleef, (hij haalt nogal wat onverkwikkelijke strapatsen uit om zijn nieuwe lief te ontweduwen). Dat Verhulst hem laat kiezen voor een leven waar constant water bij de wijn (uit kartonnen pakken) wordt gedaan, ligt niet in die lijn, en dat prikkelt. Een verdraaid mooi werkje.

     

    De pruimenpluk / 151 p. / Uitgegeven bij Pluim.


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover.

     

     

  • Aanstekelijk

    Een op de drie jongeren houdt niet van lezen, de helft van alle scholieren leest nooit een roman of lang verhaal. Romans gaan volgens hen over één onderwerp en die verhalen, ja die zijn te lang, dat vinden ze vervelend. Dit staat in een leesoffensief dat deze week gepresenteerd werd door de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad. Schrijver Jacques Vriens zei desgevraagd in een nieuwsprogramma op radio 1: ‘Wat een kletskoek. Er zijn zoveel verschillende boeken. Die juf of meester, die moeten het doen en als die niks met boeken hebben, ja, dan… Je zegt toch ook niet: ik reken maar niet met de kinderen want ik hou niet zo van rekenen?’

    Het was de zaterdag net voor de hittegolf losbarstte en de katten nog niet voor dood op de keukenvloer lagen dat recensenten en redacteuren van Literair Nederland naar Utrecht afreisden voor de jaarlijkse recensentenborrel, dit keer bij antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Een jaarlijkse ontmoeting van literatuurliefhebbers die enkel over boeken spreken, wat literaire roddels (Horrortheater van Arie Storm) delen, vragen naar het laatst-gelezen-boek (Grand hotel Europa), het wat-lees-je-nu-boek (Asymmetrie, Lisa Halliday) of het lang-geleden-gelezen-boek (Anna, Dezsö Kosztolányi). Met een glas in de hand en de blik, steeds weer verschietend van gesprekspartner naar de boeken rondom.

    Zo kwamen we bij de niet-meer-gelezen schrijvers, zoals Vestdijk, en hoe dat toch kan. Het was amper uitgesproken of er sprong, (bij wijze van spreke) een deel van de Anton Wachter reeks uit de boekenkast. Er werd gelachen, gememoreerd aan die andere wachters, uit Ivoren wachters. Over het verrotte gebit van lyceumleerling Philip Corvage, die zijn tanden breekt op de bast van walnoten die hij onderweg naar school kraakt. Gezien de vorm van de walnoot, gelijk de hersenen, zou het eten van walnoten de geestelijke denkkracht bevorderen liet Philip anderen geloven. Wie het leest wil het ook graag geloven. Een meesterlijk boek, net zoals De koperen tuin nog steeds in vervoering brengt, overtuigden we elkaar. En dan de poëzie van nog zo’n vergeten schrijver, Hans Warren.

    Voor jou

    ‘Ben jij het die dit leest? Heb je niet
    je astrakan muts afgezet, en vallen nu
    je zwarte krullen warm naar het papier?
    Slaat het licht van deze bladzij
    op in de goudspikkels van je ogen,
    glimlach je gelukkig, nu je merkt
    dat ik dit weet, en breng je ook
    je donkere lippen zo dicht bij de woorden
    dat het lijkt of je ze gaat kussen?
    Leg je, toch even onzeker, je vinger
    tussen de bladzijs, druk je het boek
    tegen je borst, waar het ritselt
    door het bonzen van je hart?
    Ben je nóg mooier nu, kijk je door het raam?
    wees gerust: dit is werkelijk voor jou geschreven.’

    Kijk, hoe mooi dit is. Als elke leerkracht nu de dag gewoon begint met een gedicht een wereld te scheppen die verlangens wekt. Verlangens die de geest voeden, zoals de walnoten in Ivoren wachters van Vestdijk. Laten we  dan gelijk boekwinkels zien als ontmoetingsplaats, waar de een de ander aansteekt. Vergeet niet je kind mee te nemen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zij leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

     

  • Waanzin

    In ieder van ons schuilen ongewenste verlangens die de grens van het betamelijke overschrijden. In een flits (als ik nu een duw geef aan degene die voor me de stationstrap afloopt hoe wordt er dan gevallen?) kunnen bevreemdende gedachten de geest binnensluipen. Die je natuurlijk negeert, want je bent niet gek. In het boek Gevallen engelen – een titel die terecht ‘hoogmoed komt voor de val’ oproept – worden zulke verlangens tot uitvoer gebracht, waarmee ik niet teveel verklap. Vijf studenten, drie jongens, twee meisjes wonen eind jaren tachtig antikraak in een oud landhuis aan de Kromme Rijn in Amelisweerd. Ze hebben het goed met elkaar, maken afspraken (geen gebruikelijke corvee afspraken) over de omgang met elkaar: geen ongevraagde bemoeienissen, geen seks onderling, altijd zoeken naar de waarheid.

    De bijna vijftiger, ooit gesjeesd filosofiestudent, Michel van Bourbon Wittelsbach woont in een huisje naast het landhuis en hangt de leer van filosoof Foucault aan. De studenten in hun onbekommerde manier van omgang en Michel met de uitstraling van een kluizenaar, voelen zich tot elkaar aangetrokken. Er wordt gekookt en samen gegeten. Het landhuis heeft een gevulde wijnkelder waar gretig gebruik van wordt gemaakt. Onder invloed van Michel ontstaan er vijf opdrachten voor Paul, Breteler, Kim, Djoera en Hubert die hen zullen helpen hun waarheidsbevindingen te toetsen en elkaar beter te leren kennen. Michel observeert wanneer ze samen zijn, geniet en stelt dingen als: ‘De waarheid is de naakte waanzin van de mens.’

    Wanneer elk van de studenten hun diepste verlangen onder aanmoediging van Michel als wens opschrijft, is dit de laatste opdracht en luidt het einde van hun vriendschap in. Ook dit is geen spoiler, want het geheim van Gevallen engelen zit in de constructie en hoe het leest, als een verleiding. De man zonder eigenschappen van Robert Musil komt er in voor. Niet enkel als terloops genoemde titel wanneer Paul en Hubert dit boek in de bibliotheek zoeken. Het standpunt van Musil – dat het voldoen aan maatschappelijke verwachtingen je allerlei eigenschappen verleent maar tot vervreemding van jezelf leidt –  voert in Gevallen engelen de ondertoon. Een geweldig verhaal, met intrigerende karakters. En nee, we gaan het niet vergelijken met een ander geweldig  boek. Dit boek is zichzelf genoeg.

    John Cheever opent zijn boek Bijna een paradijs met een leesadvies: ‘Dit is een verhaal om in bed te lezen, op een regenachtige avond in een oud huis.’ Voor Gevallen engelen wil ik voorstellen het boek in tijdloze ruimten te lezen, zo gauw de kinderen naar school zijn of de baas het pand verlaat. Maar bij voorkeur in de ochtend trein van 06:17 uur richting Berlijn. Heb dan weet van het ritme en de trillingen van de trein alsook van de stopmomenten op tussenliggende stations waar de ochtendzon nog net onder de overkapping van het station doorschijnt. Wanneer je aankomt ben je een ander mens. En kun je, zoals de personages in Gevallen engelen nooit meer terug naar wie we waren. Anthony Mertens zou zeggen: ‘Lezen, man!’

     

    Gevallen engelen/ Almar Otten/ 414 pagina’s/ AFdH Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

  • Geluk met een hamer

    Tussen de regels door ontstaat het inzicht, daar waar je het laat afweten verschijnt een witregel, naar behoefte in te vullen. Moeders zijn verantwoordelijk voor het geluk van hun kinderen en (oh nee) van hun man. Jawel, het komt (nog) voor dat vrouwen die gedachte aanhangen. Geluk moet zo nu en dan met een klap van de hamer uiteen geslagen worden om het contact met de werkelijkheid niet te verliezen. Ook het zoeken naar een betere, idealere versie van onszelf en de ander, het beter presteren, lief zijn en alles sans rancune, mag gestaakt worden.

    Andrea zit in het onderwijs en heeft samen met Tjibbe (oogarts, betweterig type) twee kleine kinderen. De compromissen, het eeuwige goede voorbeeld geven, de teleurstellingen, het venijn (altijd in de staart) die hun samenleven beheerst, maken Andrea wanhopig. Alles normaal, alle in orde, is het mantra waarmee ze haar leven op de rails houdt. Ze zegt enkel wat de ander wil horen. Haar gedachten zijn verontrustend. Zo laat ze in gedachten Tjibbe dood gaan in zijn slaap. Het zou haar het gedoe en de schaamte van een scheiding besparen. Ze zou oprecht verdrietig zijn, dat wel. Dan: als het werkelijk zou gebeuren, is het haar schuld, haar gedachte moet zijn dood wel in werking hebben gezet. Deze grenzeloze en moreel niet aanvaardbare gedachten geven aan hoe beklemmend het leven kan worden.

    In een van die opwellende gedachten ziet Andrea hoe ze haar tegenspartelende jongste van de commode afduwt of door  het openstaande raam naar buiten gooit. Weg ermee. Ze breekt een derde zwangerschap af zonder Tjibbe hierover in te lichten (wat niet weet, wat niet deert). Drie weken na de ingreep gaat ze naar een onderwijsconferentie in Helsinki. Op de ochtend van vertrek krijgt ze het stikbenauwd. Als een gewond dier verschuilt ze zich in het berghok op de zolder van hun huis. Drie tassen met boodschappen om de komende dagen (tot ze wordt terugverwacht uit Helsinki) door te komen, sleept ze mee naar boven. Terwijl Tjibbe denkt dat ze in Helsinki een conferentie bijwoont, ligt Andrea op zolder in een slaapzak op een matje haar leven te overdenken, scenario’s te bedenken over hoe nu verder en volgt ze gespannen de geluiden in huis als die opeens ernstig dichtbij komen.

    En dan is er de angst voor de onoverbrugbare afstand die ze tot Tjibbe voelt:
    ‘Ik kan die verwijdering niet benoemen zonder ons gezin kapot te maken. Alles is met elkaar verbonden. Zodra ik die worsteling woorden geef, is het onomkeerbaar, die woorden kruipen nooit meer terug in je strot. Ze zullen voor altijd de lucht doen trillen.’

    Onderdak van Elisabeth van Nimwegen is een beklemmende roman over samenleven, een gezin vormen. Zonder twijfel worden hier de benauwende gedachten van veel jonge mensen verwoord. Met een sterk en ja, hilarisch einde. Andrea zegt gewoon wat ze denkt. Wetend dat wat ze zegt niet is wat de ander wil horen.

     

    Onderdak werd uitgegeven bij Van Oorschot (2018).


    Inge Meijer is een pseudoniem. Ze leest de godganse dag en schrijft daarover.