• Schrijversjas

    Er wordt een schrijver vermist op facebook. Al heb je duizenden vrienden, het zijn vaak dezelfden die langs komen, soms met in hun kielzog een nieuw gezicht, door algoritmes bepaald. Het gebeurt ook dat iemand uit het zicht verdwijnt. Tot voor enkele weken kwamen de berichten van schrijver Joubert Pignon geregeld voorbij. Hij berichtte veel over dingen die er misgaan in zijn leven, dat hij behoefte heeft aan wijn of rosé. Een half jaar terug ontving hij een brief van zijn uitgever, of hij een deel van het overschot van zijn in 2017 verschenen verhalenbundel Mooie lieve schat wilde overnemen. De titel werd zogenaamd afgeroomd. Zo gaat dat met boeken. De uitgever had er zesenvijftig verkocht, zelf nam hij zevenenvijftig boeken af. Via facebook verkocht hij in een paar dagen tijd alle zevenenvijftig boeken.

    Ik ben in het bezit van exemplaar 19/57, met ballpoint op de eerste bladzijde genummerd, daaronder: ‘Voor inge / Van jouBert’, precies zo staat het er. De titel, Mooie lieve schat lijkt misplaatst voor wat erin staat. Impressies van dagelijkse dingen, onwerkelijk vaak, maar zo is het leven. Soms onsmakelijke verhaaltjes over poep en pies, er wordt veel gedronken, drie flessen wijn op een avond is een begrip. Ik begrijp nu opeens niet meer, nu ik dit opschrijf, waarom ik ze zo graag lees. Het is iets met hoe hij de woorden rangschikt, wat hij erin stopt aan dagelijks leed. Wat hij schrijft gaat erin als koek, zelfs als ze over menselijke uitwerpselen en stinkende kattenbakken gaan. Een talentvol schrijver. Al wist zijn uitgever na jaren nog steeds niet wie hij was: schrijver Joubert Pignon, verhaaltjes schrijver, genomineerd voor de Biesheuvelprijs 2019.

    Toen viel ergens het besluit de schrijversnaam los te koppelen van de werkelijke naam, alsof je een jas uittrekt. Ik weet niet wanneer dit gebeurd is. Als ik nu googel op Joubert Pignon, komt de naam Robert Schuit naar boven. Achteraf gezien waren er voortekenen. Achteraf is alles eenvoudig. In maart postte hij op zijn tijdlijn dat hij iets gaat drinken met een uitgever die zijn schrijfstijl fileert. Het roer moet om. Drie jaar zal de uitgever hem bewerken tot ‘ik daarna misschien eindelijk eens iets goeds schrijf.’
    Enkele maanden daarvoor beschrijft hij een kerstborrel bij zijn uitgeverij. Iemand heeft zijn jas geleend, om buiten te roken. Dan wil hij naar huis. ‘Ik wil haar niet storen en loop de uitgeverij uit, de metro in, onder de grond, ooit kom ik, als het goed is, weer boven, op zoek naar een nieuwe jas.’ Het lijkt een verzinsel, een gekkigheidje. Ondertussen zoek ik nog dagelijks onversaagd door naar een spoor van Joubert Pignon.

     

    Mooie lieve schat / Joubert Pignon / Atlas Contact (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, leest dagelijks en schrijft over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Herontdekte meesters

    Als lezer is het ontdekken van een nieuwe schrijver het mooiste wat er is. Dat wordt alleen maar geweldiger naarmate je ouder wordt, omdat je steeds meer het gevoel hebt alles al gelezen te hebben, wat natuurlijk klinkklare onzin is. Je wilt niet blasé zijn, een lezer is nieuwsgierig en wil blijven lezen. Alleen moeten de boeken wel het niveau hebben van de romans die je fantastisch vond. Om die reden staat de Boeken-top 10 je maar matig aan. Het vermoeden bestaat dat dit niet van die geweldige boeken zijn, maar van slim gemarkete auteurs, gepusht door hippe televisieprogramma’s. Om de doorgewinterde lezer te bedienen, worden er  steeds meer ‘herontdekte meesterwerken’ uitgegeven, hoewel je daarbij ook op je hoede moet zijn. Eveneens een marketingstrategie tenslotte.

    Bekend is de ‘Schwob-serie’ met ‘de mooist vergeten klassiekers’. Hierin bevinden zich inderdaad prachtige boeken. Zo was ik bekoord door De grote angst in de bergen van de Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz. En onlangs door Grote Dieven Kleine Dieven van Albert Cossery. Ik had nog nooit wat van Cossery gelezen. Het bleek een omissie: de gebeitelde stijl, humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek bevielen mij zeer. Ook de achtergrond van de schrijver sprak mij meteen aan. Dan wil ik meer van zo iemand lezen. Bij de gewone boekhandel hoef je niet te zijn als je op zoek bent naar oudere titels: de omloopsnelheid van een boek is hooguit twee jaar en ik heb wel eens gehoord dat als een boek niet binnen drie maanden aanslaat, de kans op succes verkeken is. Hoogstwaarschijnlijk ligt het dan al in januari in de uitverkoopdozen.

    Het eldorado voor de echte lezer zijn de antiquariaten. Boekwinkeltjes.nl is hiervoor de ideale wegwijzer. Al is het altijd leuker een boekwinkel binnen te lopen, is dit minder efficiënt als je al weet wat je wilt hebben. Ik vond al snel enkele titels van Cossery. Eveneens vertaald door Mirjam de Veth. Uitgegeven door de mooie kleine uitgeverij Coppens & Frenks, die ook meesterwerken aan de vergetelheid wil ontrukken en eren met een bibliofiele uitgave. Ik ben vrees ik, u voor geweest, maar er zijn nog titels van Cossery antiquarisch te verkrijgen. Zoals bijvoorbeeld het hilarische De luiaards in de vruchtbare vallei, over een nest Egyptische Oblomovs. Hét antigif tegen calvinistisch arbeidsethos.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Stokkermat

    Er zijn werkmannen in huis, jongens nog. Het huis een open veld waar de wind vrij spel heeft. Ze ontmantelen een rookkanaal dat vanaf de begaande vloer twee verdiepingen omhoog door het dak naar buiten gaat. Inloopkasten worden deels afgebroken en op zolder is door ontbrekende dakpannen een gat naar de hemel ontstaan. Ik trek me terug in het enige kamertje van het huis waar de werkmannen, jongens nog, niets te zoeken hebben. Ik hoor ze roffelend de trappen afgaan, wat klinkt alsof het huis op instorten staat en ze zich het vege lijf moeten redden. Ik hoor ze roepen vanaf het dak naar de straatkant, ‘Hee, heb je de stokkermat geladen?’ ‘Wat?’. Ik hoor een Arabische beat vanaf de bovenverdieping het huis instromen en duik in het proza van Clarice Lispector. Haar verzamelde verhalen wegen een kilo en honderd gram en moeten daarom wel in bed met opgetrokken knieën gelezen te worden.

    Een jonge vrouw adoreert een trieste man met destructieve neigingen. Ze ontmoeten elkaar in een café, de man voert een eenrichtingsgesprek waarbij hij zich over de zwarte haren strijkt alsof hij over ‘de warme vacht van een poesje streek’. De jonge vrouw is sprakeloos en betreurt het ‘geen gebaar achter de hand te hebben’, om aan het sprakeloze te ontsnappen. Alsof er een handel in bestaat, het verzamelen van gebaren die je in een gebarendoosje doet, wanneer nodig neem je er eentje uit, om dingen kracht bij te zetten of je een houding geven. Dit komt uit het verhaal, ‘Onderbroken verhaal’. Een goede titel. De jonge vrouw heeft zich in het hoofd gehaald dat ze om de man te redden wel met hem moet trouwen. Hoe vreselijk dit ook voor haar zou zijn, het moet gewoon. Dan schiet de trieste man zich door het hoofd. ‘En plotseling brak het verhaal af. Het had niet eens een mooi einde. Het eindigde met de abruptheid en het gebrek aan logica van een klap in het gezicht.’

    Is het arrogant geen deel te willen uitmaken van een groep, een actiegroep, het klimaat, een mening? Een verbond beheerst algauw het denken en ontneemt het zicht op het dagelijkse leven. Leven met aandacht, zorg voor en dank aan de omgeving. In ‘De koortsdroom’, voert Clarice Lispector de Aarde als een partij op. De Aarde geeft het op, verdwijnt. Is hier sprake van een winnaar? Een klein mannetje roept, ‘Ik kan vertellen wie gewonnen heeft.’ Iedereen wordt boos, roept om stilte. Het mannetje vat moed, roept: ‘Maar ik weet het! Ik weet: de overwinning is aan de Aarde. Het was haar wraak, het was wraak…’. Daar word ik stil van, alsof we het wisten en decennia lang niets deden. Clarice schreef dit verhaal zo’n zeventig jaar geleden. Haar verhalen zijn doordesemd van inzichten. Even lijkt het alsof op weg naar de globalisering van de wereld er niets veranderd is. Zo zijn haar verhalen, alsof ze vandaag geschreven zijn.

     

    Alle verhalen, Clarice Lispector, Samengesteld en inleiding door Benjamin Moser, vertaald door Adri Boon / De Arbeiderspers.


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV en leest dagelijks.

  • Stof en prullaria

    ‘Literatuur is dood!’, is een uitspraak die ik, sinds ik me in het land der letteren begeef, regelmatig hoor. Is dat zo, is literatuur een afgeschreven kunstvorm? Laatst was ik bij Yvonne Kroonenberg in verband met mijn nieuwe manuscript. Haar appartement in het hart van de hoofdstad is, los van de kippen en het interieur, een literaire tempel in optima forma: boeken van de grond tot aan het plafond, in meer talen dan Amsterdam nationaliteiten heeft. Zittend aan haar keukentafel vroeg ik aan Yvonne: ‘Is literatuur dood?’
    ‘Flauwekul!’ antwoordde ze met een vermakelijk elitaire tongval. ‘God is dood, de democratie is dood, de literatuur is dood, wanneer opiniemakers zo gauw niet weten wat ze nu weer moeten beweren, verklaren ze iets of iemand dood. Mensen zijn verhalenvertellers. Alle belevenissen en gedachten worden doorgegeven met verhalen. Literatuur is het geschreven verhaal. De ene verteller is beter dan de andere. Hoe beter de auteur, hoe fermer er wordt ingestemd met de kwalificatie literatuur.’

    Een antwoord dat in alles lijnrecht staat tegenover de bewering die mij als beginnend schrijver angst inboezemt, voorzichtig stelde ik haar de volgende vraag: ‘Wat heeft literatuur nodig om vitaal en aantrekkelijk te blijven?’
    ‘Lezers. Vergis je niet! Er wordt veel geklaagd over het teruglopende aantal lezers. Maar vijftig jaar geleden werd heel wat minder gelezen en honderd  jaar geleden waren de meeste mensen nauwelijks geletterd.’ Met stomheid geslagen hoorde ik haar aan. Natuurlijk, zo eenvoudig kan het zelfs binnen de literatuur zijn. ‘Er zijn lezers,’ ging Yvonne verder, ‘die graag spannende lectuur lezen, er zijn lezers die alleen non-fictie de moeite waard vinden en er zijn mensen die zichzelf enorm hoogstaand vinden omdat ze boeken lezen die te moeilijk zijn voor anderen. Ik kijk ook een beetje neer op detectives, maar eigenlijk reken ik alles goed wat mensen lezen. Alle lectuur, literatuur, alle kunstvormen tillen je een beetje op uit het dagelijkse bestaan.’

    Die avond stond ik voor mijn boekenkast te kijken naar een handvol klassiekers, enkele verdwaalde titels die ik me heb laten aansmeren door het boekenpanel van DWDD en verder prullaria, kaarsen, afgepakt speelgoed van de kinderen, blauwe enveloppen en veel stof. ‘Literatuur heeft lezers nodig,’ herhaal ik het antwoord van Yvonne. En terwijl ik een laag stof van een ongelezen bundel blaas rijst het besef dat ook ik medeplichtig ben aan de moord op een  kunstvorm die ik zo bemin.

     


    Valentijn de Heer (1986) werkt aan zijn debuutroman en ziet literatuur als een hoger goed dat constant aan evolutie onderhevig is.

  • Pacificatie

    De autobiografische roman van Alfred Birney, De tolk van Java, getuigt van de verpletterende last van de geschiedenis. Over de wreedheden begaan door ‘onze jongens’ in Nederlands-Indië tijdens de zogenaamde politionele acties wil niet iedereen graag horen. Over de doorwerking daarvan op het leven van latere generaties is vrijwel niets bekend. Het besluit van de Nederlandse regering in 2017 om de gang van zaken tijdens de dekolonisatie te laten uitzoeken komt dan ook niets te vroeg. Het uitgestelde eindrapport van de onderzoekscommissie wordt tenslotte eind 2021 verwacht en belooft nu al veel explosief materiaal te bevatten. Voor mij was het aanleiding om onlangs de collegedag over de koloniale geschiedenis bij te wonen in Museum Bronbeek, georganiseerd door Het Historisch Nieuwsblad.

    Bij de opening werd door een medewerker vol trots en als nieuwe aanwinst een kolossaal schilderstuk gepresenteerd van koning Willem III in vol ornaat en ten voeten uit door Nicolaas Pieneman. Over deze Oranjetelg, oprichter van Bronbeek als tehuis voor oud-KNIL-militairen en schenker van het landgoed, weet de website Historiek het volgende te melden: ‘Omdat Willem III bekend staat als een bruut, die volgens sommigen enkel geeft om jacht, drank en vrouwen, krijgt hij internationaal de naam ‘koning Gorilla’. Volgens de socialisten bestempelt Willem III zijn volk als ‘domme ossen, gepeupel en uitschot’. Je vraagt je af waarom je blij moet zijn met zo’n protserig schilderij van deze ‘Gorilla’.

    In Bronbeek staat de geschiedenis van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en zijn tegenstanders centraal. Het museum wil de kennis en het bewustzijn van het Nederlandse koloniale verleden vergroten en hiervoor belangstelling wekken. Maar de collectie bestaat grotendeels uit rommel zoals militaire parafernalia met kanonnen en ander wapentuig, medailles, linten, uniformen en borstbeelden van, eh,… van Van Heutz!? Verder kiekjes van soldaten en van wreedheden begaan door de Japanners. Het verhaal van Alfred Birney kan ik hier niet goed plaatsen. Nog vóór de verschijning van het rapport van de onderzoekscommissie wordt de presentatie van het museum op de schop genomen. Tsja, je zou zeggen: ‘Wacht even’. Op een vraag uit de zaal of er ook aandacht komt voor het pacifisme, klonk een onderdrukt gelach, zeker toen de medewerker eventjes van slag leek en vervolgens met militaire duidelijkheid antwoordde: ‘Nee, ik begrijp niet wat u bedoelt’. Met een gevoel van bitterheid, grinnikte ik bij de gedachte: ‘Geen pacifisme, wel pacificatie natuurlijk.’

     


    Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Landbrug


    Ik kocht een bank en alles raakte op drift. Vanachter mijn laptop bezag ik de chaos. De nieuwe bank stond zich pontificaal voor het raam te verkneukelen om mijn besluiteloosheid, ruimte zou hij hoe dan ook innemen. Net als de oude, die nu ongemakkelijk in een hoek stond te schuilen. De roman waar ik aan werkte, liet zich eveneens niet kennen. Ongebreideld als algengroei in een overbemeste sloot schreef ik verschillende passages die elkaar niet raakten. Onderhuids leken ze iets te willen zeggen maar eenmaal samengevoegd, misten ze aansluiting. Ze gedroegen zich als de eilanden waar ze over gingen: geïsoleerd. Door die isolatie ziet de flora en fauna er op eilanden vaak uitgesproken anders uit dan die op het vasteland. Die uitzonderlijkheid was waar het me om ging, een landbrug zou alles teniet doen.

    De afwezigheid van orde kan experimenteel zijn in de literatuur maar niet in mijn woonkamer. De nieuwe bank was aanzienlijk groter dan mijn oude, dus moest er ruimte gemaakt worden. Met een overzichtelijk aantal van drie muren leek dit een hanteerbaar probleem maar als ik in gedachte een meubelstuk verschoof, schoof er een exponentieel groeiend aantal mee.
    Er moesten boeken weg. Haastig griste ik ze van de planken uit angst dat ik me de titels zou herinneren die ik later onherroepelijk zou gaan missen. Twee volle bananendozen bracht ik weg. Daarna was het eenvoudig: de helft van de dubbele kast kon weg en soepel gleed de bank in de vrijgekomen ruimte als het laatste vlakje van een rubik kubus. Het contrast met de ongelapte ramen,
    de schilferende radiator, het stof en de oude bank viel nu wel extra op. En dit was nog maar het begin.

    Om uit het zicht te zijn van mijn niet te beteugelen tekst en de nieuwe bank met zijn problemen, verstopte ik me in de achtertuin. Deze zomer had zich daar een braam over de heg geslingerd en eenmaal beneden opnieuw wortel geschoten. Glanzend en royaal bezet met dorens, zou hij van hieruit de kolonisatie van mijn tuin bestendigen. Zijn vestiging was recent en de wortels prematuur, de plant zou weinig tegenwerken als ik hem nu uit de aarde zou trekken. Maar zo drastisch kon ik nog niet zijn. Binnen zette ik koffie, dat was in ieder geval te overzien.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijfster. In haar columns schrijft ze over de natuur en soms over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (Atlas Contact).

     

  • Trucs


    Al een paar dagen verkeer ik in het hoofd van een drieënzestigjarige man in de nabije toekomst. Er zijn robots op dienstverlenende plekken, iedereen heeft een basisinkomen, het leven lijkt eentonig. De man wordt nergens verwacht en het regent nogal veel. Ook denkt hij vaak: ‘Ik ging niet met hem in discussie hierover!’ Zijn moeder, die hij twintig jaar wekelijks bezocht, is op honderdjarige leeftijd overleden. Dan komt een oude bekende hem ophalen, waarheen het gaat is voor de man niet duidelijk. Alles blijft op afstand. Wat aanzet tot een verlangen naar empathische verhoudingen, naar contactmomenten. Na honderd bladzijden heb ik nog geen idee waar het heen gaat en wil ik uit dat hoofd.
    Ik lees een ander boek over  een liefdesrelatie die na twintig jaar door de vrouw verbroken wordt. De man ervaart het als een natuurramp, de vrouw als een bevrijding. Er zijn kinderen, die vinden het vooral gênant en onbegrijpelijk. Ik wordt er door geraakt, vraag me af wat liefde nu eigenlijk is. Tussen neus en lippen door lees ik verder in De goede zoon, waarbij ik ergens in de kantlijn krabbel: ‘langdradig, raakt me kwijt’. Wat ik mezelf verwijt.

    In het boek over de liefde: ‘Als je elkaar leert kennen is er ontzag voor de ander, een heel mens, met een heel leven, een geschiedenis los van jou, een mysterie dat zich voor je opent, een uitzicht dat zich ontvouwt, je bent behoedzaam en verbergt wat minder fraai is van jezelf, (..).’ Begint daar het bedrog, het misverstand dat de relatie onontkoombaar naar een einde voert?
    Een liefdesverbond  is dansen langs de afgrond want, ‘Je begint je te bemoeien met elkaars gewoonten, je begint elkaar te leren waar je je voeten moet zetten, wat je moet eten of dragen of zeggen, je stemt je smaak en je bedtijd op elkaar af, je voelt je verantwoordelijk voor het gedrag van die ander in het openbaar.

    In de laatste honderd bladzijden over de zoon voert een sprekende robotauto hem naar een onbekende bestemming. Tijdens de twee dagen durende reis ontstaat er een band tussen hen, er ontstaat contact. Er zijn prachtige scenes in een bos, de afstandelijke zoon wordt menselijk. Dan vertelt hij over zijn moeder, dat ze op een dag buiten zaten, over een heidevlakte uitkeken en zijn moeder op volkomen natuurlijke wijze zei, ‘Ach wat is dit prachtig’. Zonder komma. Ze zei het niet voor hem. Het klonk, zegt de zoon, ‘berustend, zonder al die trucs die ze zichzelf in het contact met anderen had aangeleerd omdat ze op die manier de meeste respons kreeg.’ Het is een openbaring zijn moeder als autonoom figuur te zien. Dit was het moment waarnaar je verlangt, het hele boek door. Als een E.T. ervaring, wanneer E.T. zijn vinger tegen het voorhoofd van het jongetje Elliot legt en met die trage stem: ‘Phone Home’ zegt. Ik had geen idee waar dit boek me brengen zou. Wat een ingenieus geschreven toestand.

     

    De goede zoon, Rob van Essen (Atlas|Contact)
    Cursiefgedrukte uit: Liefde, als dat het is, Marijke Schermer (Van Oorschot)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest dagelijks.

  • Aangeraakt

    ‘Lees drie maanden lang goede boeken en je bent een ander mens,’ stelt schrijver Roxane van Iperen in een interview in HP/de Tijd. Het is haar versie van een boodschap die al langer rondzingt: dat we fictie nodig hebben om de wereld, en dus elkaar, beter te begrijpen. Het is ook een noodkreet van een groep die van die veranderende mensen leeft: de schrijvers zelf. Daar bedoel ik niets cynisch mee. De lezer die een ander mens wordt (of ten minste een vermáákt mens) kan prima samengaan met een schrijver die, naast zijn of haar nobele ambities, graag wat aan het geschreven woord verdient.
    Waar het om gaat en waar de schoonheid van lezen in zit, is de aanraking. Iemand die leest, is op zoek naar wijsheid, naar nieuwe inzichten, afleiding, plezier, maar wil bovenal geraakt worden, betrokken worden. De schrijver steekt met zijn of haar woorden een hand uit, kom, ik neem je mee, raakt je aan – of nodigt daar toe uit. Iedere ontmoeting verandert je, ook een ontmoeting op papier.

    Daar moest ik aan denken tijdens het lezen van Kleine brandjes overal van Celeste Ng en De onsterfelijken van Chloe Benjamin. Twee lijvige wervelwinden van romans met een veelheid aan personages, stemmen, het grote vlechten van thema’s. Ng werpt een paar grote lijnen uit – adoptie, immigratie, de druk en verwachtingen van het Amerikaanse gezinsleven (ook wanneer dat gezin afwijkt van de norm) – maar de kern van het verhaal is ontroerend klein: een moeder en een dochter die elkaars uitgestoken hand steeds maar weer mislopen. Als je niet oppast, lees je er overheen. En blijft er nog steeds genoeg over.
    Benjamin gebruikt een intrigerende onderzoeksvraag – wat als je weet wanneer je sterft? – als ketting om de kralen van het verhaal, twee zussen en twee broers, aan te rijgen. Maar het gaat helemaal niet om die vraag, het gaat over familie en hoe die kralen tegen elkaar aanliggen of juist niet. Over de afstand ertussen en wat het betekent om met elkaar verbonden te zijn. Over aanraken, dus.

    Nu kan ik me niet voorstellen dat beide schrijvers zichzelf met een opdracht aan het schrijven zetten, dat zou de lezer immers direct doorhebben: o, hier komt een Boodschap of een Moraal aan, nee hoor, dank je, daar heb ik er thuis ook al een van rondlopen. Wanneer zou Ng, tijdens het schrijven van dit verhaal, erachter zijn gekomen dat het om Mr. Richardson gaat? En om Izzy? En op welk moment zou Benjamin hebben beseft dat ze, tussen al die schitterende sprongen door, een familieverhaal schreef? Jezelf zo te verrassen, wat een feest moet dat zijn. Minstens zo groot als het feest, lijkt me, te ontdekken dat je uitgestoken hand wordt aangenomen. Je hebt en bent aangeraakt. In mijn geval voel ik nog de afdruk die de Goldkinderen, de Warrens en de Richardsons achterlieten. Ze gloeien. Wie weet word ik door hun ontmoeting weer een ander mens.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

     

     

     

  • Touwfiguur

    Terwijl de avonden kouder worden en ik de houtkachel vanwege het stikstof quotum niet durf aan te steken, blijken we ineens in het grootste drugsland van Europa te wonen. Bekentenissen dat de regering de criminaliteit niet meer in de hand heeft volgden. Al decennia lang was het goed mis. Het was alsof je ouders, die jarenlang deden alsof ze de wijsheid in pacht hadden, opeens bekenden dat ze ook maar wat deden. Zo stal Prometheus ooit het vuur van de Olympische goden om het aan de mensen te geven. Hij wist niet wat ie deed. Daarna kon de vooruitgang beginnen. Metaalbewerken werd de aanzet tot  de huidige wapenwedloop. En door deze Robin Hood-achtige goedheid van Prometheus zit ik nu met een dilemma. Als ik de houtkachel verkoop schuif ik het probleem in andermans schoenen. En moet ik de eventuele koper vertellen dat als je de kachel neemt, je er geen auto bij kunt hebben? Ik ga iets verkopen dat niet deugt, al mankeert er aan de kachel niets. Mijn gedachtenstroom ging verder, kun je in deze tijd nog wel fatsoenlijk schoorsteenveger of pizzabakker zijn. En kan de cokesnuiver nu ook moord verweten worden?

    Ga, als alles verloren lijkt naar een tweedehands boekwinkel. Loop de rijen boeken van a tot en met z langs, waarbij de onderste rijen op de knieën worden onderzocht op iets bruikbaars. Neem er af en toe een boek uit, als het je niets zegt, schuif het weer terug. Bij de V had ik beet, Geen kind en geen wieg van Kurt Vonnegut. Zijn Slachthuis vijf had me al eens opgevrolijkt. Ik las het eerste hoofdstuk, ‘De dag dat de wereld ten onder ging’. De verteller is een freelance schrijver die belang hecht aan hoe hij genoemd wil worden: ‘Jonas. Mijn ouders deden het, of tenminste bijna. Ze noemden me John.’ En dat zelfs als hij Sam had geheten, een Jonas zou zijn omdat hij altijd ‘op elk aangewezen ogenblik, op elke aangewezen plaats aanwezig was.’ Gek genoeg verwarde deze tekst me niet.

    Jonas begon materiaal te verzamelen voor een boek dat nooit geschreven werd. Hij wilde weten wat belangrijke Amerikanen deden op de dag dat de atoombom op Hiroshima viel. Het blijkt dat belangrijke mensen op dagen dat de ellende zich over de wereld stort, heel gewone mensendingen doen. Zoals een van de medewerkers aan de atoombom, de fictieve wetenschapper en Nobelprijswinnaar Dr. Felix Hoenikker. Deze was tijdens de aanval op Hiroshima gewoon thuis. Een man in pyjama die in zijn studeerkamer een sigaar rookte en speelde met een lus van vliegertouw. ‘[Hij] keek een tijdje naar dat touwtje en toen begonnen zijn vingers ermee te spelen. Zijn vingers maakten de figuur die ‘kinderwieg’ heet.’ En hij zong: ‘Schommel maar kindje hoog aan de tak, als de wind waait dan gaat de tak, krak. Als de tak breekt komt ’t wiegje ten val. Omlaag komt het wiegje, kindje en al.’ Waarmee hij zijn zoon aan het huilen bracht.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Derde Man Syndroom

    De eerste keer dat ik de stemmen hoorde, was toen ik ’s morgens mijn tanden poetste. Ik stond nergens speciaal aan te denken, toen ik me er ineens van bewust werd dat er mensen aan het praten waren. Luid maar niet duidelijk, zodat ik niet kon verstaan waar ze het over hadden. Het klonk alsof er verschillende mensen in een drukke conversatie gemengd waren en ze spraken allemaal tegelijk. Toen in de dagen daarna de stemmen bleven spreken elke keer als ik mijn tanden poetste, ging ik naar de dokter. Hij vertelde me dat ik misschien leed aan tinnitus, waarbij je een geluid hoort zonder dat er een geluidsbron aanwezig is. Later las ik over de ontdekkingsreiziger Ernest Shackleton: toen hij op zijn Antarctische expeditie was, dacht hij dat er nog iemand aanwezig was naast hemzelf en twee groepsleden: ‘Gedurende die lange en uitputtende mars van 36 uur over naamloze bergen en gletsjers van Zuid-Georgia leek het vaak alsof we met zijn vieren waren en niet met drie.’ Dit zogenoemde Derde Man Syndroom wordt verklaard als een ‘gecultiveerd innerlijk karakter’ in tijden van trauma en afzien.

    Ook Gerrit Achterberg moet het verschijnsel ervaren hebben, zij het op een iets andere manier:

    ‘Ik kwam in ’t park de jachtopziener tegen
    en vroeg hem naar de stand van het roodwild.
    Hij draaide er om heen en trok verlegen
    met een schoenpunt raadsels in het grint.
    Ik was hem sinds zijn aanstelling genegen
    en hij mij wederkerig goedgezind.
    Waarom werd ik opeens geheel ontsteld
    of hij reeds maanden iets had doodgezwegen?
    Er is er dikwijls één meer dan ik tel
    zei hij bezorgd en keek me in de ogen.
    Waanzin en waarheid lagen in de zijne
    voortdurend voor elkander te verschijnen.
    De bomen stonden naar ons toegebogen.
    Toen klonk ginds op het huis de etensbel.’

    Als ik mag kiezen, dan prefereer ik de verklaring van de Derde Man Factor boven die van de tinnitus, hoewel het woord een mooie klank heeft en me doet denken aan het ‘tintinnabulum’ van de componist Arvo Pärt. Als geen van de verklaringen voldoet, dan zal ik aan iets veel ergers moeten gaan denken. Daarom heb ik er van afgezien om mijn tanden ’s avonds te poetsen wanneer ik naar bed ga, om de stemmen te vermijden voor ik ga slapen. Het wordt dus óf de psychiater óf de tandarts die ik een bezoek moet brengen.

     

    Afbeelding: Ernest Henry Shackleton


    Hettie Marzak is poëzierecensent bij Literair Nederland en een groot lezer.

  • Tuinfeest

    De Hongaarse schrijver György Konrád is vorige week op 86 jarige leeftijd overleden. In 1989 hoorde ik voor het eerst van deze schrijver door de vierdelige interviewserie Nauwgezet en Wanhopig. Wim Kayzer interviewde langdurig vier grote schrijvers uit de wereldliteratuur, waaronder György Konrád en Gabriel Garcia Marquez, met als doel de menselijke geschiedenis van de twintigste eeuw in beeld te brengen. Marquez zegde op zeker punt zijn medewerking op. Hij beleefde het dagenlange interviewen als een marteling, hij had al meer losgelaten dan in alle interviews die hij ooit gegeven had. Het was genoeg. Als je terugkijkt valt op hoe herinneringen het tot een bijzondere literaire vertelling maken. Van Konrád ging ik daarna de roman Tuinfeest lezen en de De bezoeker. Van de eerste herinner ik me een man in een lommerrijke tuin in een stoel, een lange tafel vol glazen op een grasveld, schalen met eten en personen die aan de man in die stoel voorbijtrekken. Dat van die tuin en die stoel zal waarschijnlijk niet kloppen, het is wat me bijbleef.

    Zondagochtend ontving ik het zkv ‘Lage landen’ van A.L. Snijders in mijn mailbox. Ik las dingen die ik niet helemaal begreep, toch ontsnapte me een, ‘fantastisch’ toen ik het uit had. Over een hoogopgeleide man die in een huis met drie daken woont en last heeft van ratten. Dan klopt er een onbekende aan, de hoogopgeleide man biedt hem onderdak. Ze spreken elkaars taal niet, ze communiceren in gebarentaal. De onbekende is goed in ratten doden. Na een half jaar zijn de ratten verdwenen. Hier neemt Snijders een sprong naar voren, ‘Nu sla ik dertig jaar over.’ De hoogopgeleide man is allang dood, in het huis met de drie daken zit een yogacentrum. Dan gaat Snijders weer terug naar het moment dat de laatste rat verslagen is, de onbekende vertrekt. ‘De rattendoder is teruggelopen naar Ulaanbaatar, waar hij een bedrijf is begonnen voor toeristen (…). In het halve jaar dat hij in ons land heeft gewoond (…), heeft hij geen woord Nederlands geleerd. [Wel] ontwikkelde hij een verfijnde gebarentaal die hem het recht verleende bij de Kamer van Koophandel in Ulaanbaatar geregistreerd te staan als kenner van de Lage Landen.’ Einde van het zkv.

    ‘Literatuur is pas literatuur als de auteur de tekst ook niet helemaal begrijpt.’, zei György Konrád eens. Ik weet niet of Snijders zelf begreep waarom die sprong in de tijd gemaakt moest worden, hij sprong gewoon. En ik vroeg me af: waar ligt Ulaanbaatar, bestaat die stad eigenlijk wel? En wat moet dat yogacentrum erin (waar staat het, ik wil het huis met de drie daken zien). En als Ulaanbaatar bestaat, heeft het dan een Kamer van Koophandel? Mijn hoofd en de geschiedenis ligt door zo’n stukje van voor naar achter overhoop. Iets niet begrijpen, is een zegen. En weet je, Ulaanbaatar is gewoon de hoofdstad van Mongolië, en Tuinfeest van Konrád ga ik opnieuw lezen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

     

     

  • Geboren boekenwurm

    Vreselijke term: boekenwurm. Alsof het om iemand gaat die niet helemaal serieus genomen hoeft te worden. Om van de connotatie van een kruipende diersoort nog maar te zwijgen. Toch wordt het woord vaak gebruikt om het lezen aan te prijzen. Zelfs als het om volwassenen gaat. Dat is dus ook nog eens heel kinderachtig.
    Wilma van Meteren (Trouw, 31 augustus) wil ze zelfs kweken in een zoveelste pleidooi om de jeugd aan het lezen te krijgen. Want slechts een kwart van de Nederlandse basisscholieren vindt lezen ‘erg leuk’, schrijft ze bezorgd. ‘Bij middelbare scholieren neemt het dramatische vormen aan.’

    Het is een bekend verschijnsel, want decennia oud. W.F. Hermans zegt in een interview uit 1969 (Scheppend nihilisme, Amsterdam, 1979) dat van de driehonderd leerlingen op zijn gymnasium er maar twee interesse hadden in literatuur, waarvan hij er een was. De rest las nooit. Hij zegt er trouwens bij dat er ‘tegenwoordig’ wel door meer jongeren wordt gelezen.
    Toch blijft dit een minderheid. Ik weet dit van mijn eigen middelbareschooltijd (begin jaren ’80), waar ik ook tot een kleine minderheid literatuurliefhebbers behoorde. En in de twintig jaar dat ik docent Nederlands aan middelbare scholen was, zag ik hetzelfde beeld. Per klas had je hooguit vijf geïnteresseerde leerlingen. Gelooft u mij dat ik al die jaren mijn stinkende best heb gedaan om de schone letteren te propageren. De vraag is of deze beperkte belangstelling erg is. Zelf had ik bijvoorbeeld de pest aan wiskunde en niemand had me zover kunnen krijgen dit vak ‘erg leuk’ te vinden.

    Ik voelde dus dezelfde ‘emotionele weerstand’ als de leerlingen waar Van Meteren over schrijft. Er moet volgens haar meer gelezen worden omdat ‘lezen en taalvaardigheid onontbeerlijk zijn om verder te komen in de samenleving’. Literatuur dient dus voornamelijk een educatief en ‘nuttig’ doel.
    Zelf las ik om een heel andere reden: ik had fantasie, hield van verhalen. Het boek was een vlucht uit de werkelijkheid. Later herkende ik me in hoofdpersonages die met dezelfde problemen worstelden als ik. Lezers hebben verbeeldingskracht en een bepaalde intellectuele belangstelling. En ze hebben een natuurlijk concentratievermogen. De lezer is, met andere woorden, een bepaald type, net als ‘de wiskundenerd’. Dit soort kinderen zit niet te wachten op  ‘voorleesmaatjesprojecten’ of dergelijke flauwekul. De literaire auteur moet niet gedegradeerd worden tot leesbevorderaar. Literatuuronderwijs is vanwege de culturele waarde van het grootste belang. Al was het maar voor die vijf belangstellende leerlingen.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers uit het verleden.