• Als onmisbaar

    Reizen begint met de drang eropuit te willen, bakens verzetten, zoiets. Voor je het weet ben je je rugzak aan het pakken. Toen de man en ik midden jaren tachtig ons huis verkochten, ieder een eigen woonruimte vonden, besloot ik per trein naar Rome te vertrekken. Iets dreef me. De man, de toen nog twee  jonge kinderen gingen mee. Op een warme augustus ochtend kocht ik aan het loket van station Arnhem de treintickets naar Rome. De trein was vol, we bleven in de doorgang steken. Sliepen op de vloer van het gangpad terwijl de kinderen tussen een oud Italiaans echtpaar ingeklemd zaten. In die tijd ontstond de liefde voor Italiaanse literatuur, Elsa Morante, Natalia Ginzburg, Cesare Pavese, Luigi Pirandello. Dat je een land leert kennen door haar literatuur. 

    In De wereld in 48 stukken wordt in evenzovele hoofdstukken de wereldkaart uitgespreid. Je kunt stuk voor stuk een werelddeel doorlezen, of neem het register als leidraad. Zoek de naam van een schrijver, laat je geografisch vervoeren naar het land waar de schrijver verbleef, wat hij er deed, over schreef, of vandaan kwam. Of neem een plaats die je bekend voorkomt. Dan blijkt niet het doel maar de reis zelf (door dit boek) je in vervoering brengt. Onder de M, vind ik ‘Mull, eiland’, net boven ‘Murray, Les’. Het zet iets in beweging.

    Bij het eiland Mull, denk ik aan Miek Zwamborn, aan haar geweldige boek Onderling waar ik zeer van onder de indruk was. Ik lees, ‘In Onderling zie je gebeuren hoe een mens een gebied wordt, hoe literatuur en kunst een territorium helpen definiëren, en wat aandacht en liefde voor de natuur aan prachtigs oplevert.’ Dat dus.

    Ik lees over schrijvers die ik lang geleden gelezen heb in de context van de plaatsen waar ze verbleven. Henry Miller, Lawrence Durrell, Paul Léautaud. Elke levensfase brengt de literatuur die je nodig hebt. Aan Lawrence Durrell werd ik enkele jaren terug al eens herinnerd door de serie The Durrells, gebaseerd op de boeken van de jongste broer van Lawrence, Gerald. In de tijd dat ik Henry Miller las, dienden ook Anaïs Nin, Djuna Barnes en Lawrence Durrell zich aan. Literatuur is als een lopend vuurtje. 

    Griekenland was geliefd onder schrijvers. In De wereld in 48 stukken lees ik. ‘Byron reisde door Griekenland. Oscar Wilde, Henry Miller, Lawrence en Gerald Durrell woonden met hun familie op Corfu. Allen doen gewag van de bevolking: benaderbaar, vriendelijk, niet gereserveerd, gastvrij.’ Dan, de eigen beleving van Hartman. ‘De felle zon brandt op je gezicht en je schouders als je loopt of zwemt. Het is een sensuele omgeving. Een gebied dat schrijvers die zintuigelijk schrijven en leven wel moet bekoren, omdat er ook daadwerkelijk wat waar te nemen valt. Kruiden als tijm en oregano, wilde munt zijn overal te vinden, bijna als onkruid (…). Je ruikt er oleander, jasmijn, citroen en gentiaan, malve.’ 

    Dit in een stuk dat eigenlijk over reisboeken schrijver Leigh Fermor gaat. ‘Leigh Fermor (…) kon je altijd geven als je wilde dat iemand iets goeds ging lezen dat hij waarschijnlijk niet kende.’ Ik bewonder de drang tot het delen, het overbrengen van ontdekkingen, van literatuur.  Zelf kreeg ik eens de tip Marilynne Robinsons Genesis te lezen, en Joseph Mitchell, waardoor nieuwe wegen zich openden. Nu moet ik Fermor wel lezen, eenmaal op een spoor gezet, is er geen omkeren mogelijk.

    Over het 48ste en laatste stuk van de wereldkaart schrijft Hartman (daar is het waarschijnlijk allemaal begonnen, die liefde, die gedrevenheid voor het onbekende), ‘Op deze kaart een land van mijn keuze, Nieuw-Zeeland, een land dat tot mij spreekt op de manier waarop Rusland tot Nabokov doet in zijn memoires Speak Memory: in de taal van gelukzaligheid.’ 

    Dat een boek, een continent, een gebied gelukzalig maakt spreekt uit al die 48 stukken. Een bron van informatie voor wie zijn geografische en literaire blik wil verleggen. Al die boeken die Hartman las, de landen en continenten die hij bezocht komen voort uit een gretigheid te ‘willen weten’. Een welhaast onuitputtelijk boek om je vingers bij af te likken en waarin je onvermoeid aan het dwalen raakt. Voor wie zich Het volkspark in China wil begeven, nooit gehoord heeft van de expeditie van Edward Shackleton op de Falklands, kan dit zomaar een onmisbaar boek zijn.

     

     

    De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Dingen achterlaten

    Wandelen zou ik, elke dag, in het Leudal van Limburg, waar het goed wandelen moet zijn. Maar eerst met de poes naar de dierenarts voor een check-up. Altijd goed dit te doen. Poes had een ontstoken kaak door een afgebroken hoektand. Het diertje had  er niets van gezegd, had nu dagelijks antibiotica nodig. Er diende zich de mogelijkheid van vakantie in eigen huis aan. Ik bekeek de omgeving met de ogen een vakantieganger. Ik zei, wat een prachtige tuin hebben ze hier, en die twee heerlijke hangmat-achtige met canvas beklede stoelen! Ik leunde erin achterover, staarde naar de hemel (blauw met witte wolkjes) zoals ik er nog nooit naar gestaard had. 

    De volgende ochtend gingen we naar een van de kleinste filmtheaters van Nederland in het nabij gelegen stadje Zutphen en zagen de film The Salt Path. Ik leefde mee met Moth en Raynor Winn die hun huis moesten verlaten. Met hun weinige bezittingen in hun rugzak het South West Coast Path liepen, zonder te weten wat ze konden verwachten. Beelden van sterke wind, gekookte pasta of rijst lepelend uit een pan, slagregens, koude nachten in een flinterdunne tent. Hoe ze dit samen doorstonden. Ik kon het niet helpen, tranen nauwelijks te bedwingen. Hoe beiden, de zorgzaamheid, de moed, om elkaar gaven, het was me wat. Dat het de liefde is die blijft, dat je het daarmee moet doen. Ik fluisterde naar de man, laten we de huur opzeggen, rugzakken inpakken, al wat verzameld is achterlaten. Hij glimlachte, begripvol. Ik veegde langs mijn ogen. Beelden van onverbiddelijk voortploeteren, de strompelende Moth. Niemand die hen begrijpt, hoe alleen ze staan. Dat liefde, echte liefde dus, een eenzame aangelegenheid voor twee personen is.

    Na de film dronken we een koffie bij de Italiaan. Ik was hongerig, ging naar de boekhandel schuin tegenover de Italiaan. De man naar de Hema, om sokken, voor als je weet maar nooit. Toen hij afgelopen zondag jarig was, zei de man, we moeten eigenlijk naar Den Haag, die rode lijn. En we gingen. Nu ik fluisterde over dingen achterlaten, rugzakken, wie weet. Bij de boekhandel rommelde ik wat bij de afdeling ‘wandelen’. Zag het prachtige boek Het wilde vrouwenpad van Brigitte Ars. Dat moest ik hebben. De man was geen pad te gek of hij liep het wel.

    Een boek over ‘stoere’ vrouwen die er alleen op uittrokken. ‘Dwalen met Emily Brontë’, ‘Op expeditie met Simone de Beuavoir’, een wandelreis van Nan Shepherd, en hoe Virginia Woolf haar dagelijkse wandelingen liep. ‘In Naar de vuurtoren worden wandelingen bijvoorbeeld gebruikt om de innerlijke gedachten en emoties van personages te verkennen.’

    Hoe ik dan toch weer bij schrijven uitkom. Ja, Willem Brakman, altijd ging hij wandelen. Voor vandaag lopen we van Ruurlo naar Zelhem, vijftien km zegt de man. Wandelen geeft het gevoel ergens aan te ontsnappen. Vooruit lopen, steeds maar door, en dan, de dingen die achterblijven. ‘So, there I go’.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

  • Wereld van onvermogen

    Dat je aan niemand, zo in het dagelijkse leven, kunt zien dat er seks in het spel is. Dat er verlangens zijn. Ik bedoel, de mens, netjes gekleed, goed gekapt, zeg maar, presentabel. Hoe vreemd gedachten kunnen zijn, hoe goed verborgen de dingen kunnen blijven. Alleen ik zelf ken mijn slechtste gedachten. In een boek vinden die hun plaats. Een boek als manier om onverbloemd de waarheid te zoeken.

    Wie ik ben, van Levi Jacobs is rauw en dwingend. De ik lijdt aan eenzaamheid. ‘Een eenzaamheid zo diep dat ik erin verdrink.’ Schrijven de manier zichzelf te ontdekken. ‘Ik moet gewoon ergens beginnen. De rest komt later wel.’ Om die eenzaamheid te overwinnen, verlaat hij zijn vriendin. Begint een relatie met een jongere vrouw. Is verslaafd aan porno en drugs. Het wordt er allemaal niet mooier op als hij tijdens een triootje een van de vrouwen tegen haar zin penetreert. Diezelfde nacht een zwerver in elkaar slaat. 

    Dit boek voelt als het betreden van een gebied waar vergeten is het bordje ‘Verboden toegang’ bij te zetten. Het is intiem, en heftig. Al is er met de constructie, de intentie van de schrijver, niets aan de hand. Ik lees over de transitie van een jonge advocaat naar schrijver.

    Over het verlaten van zijn vriendin zegt hij tegen zijn vader, een gepensioneerde huisarts die in zwijgzaamheid excelleert, ‘Ze belemmerde me. Een schrijver hoort niet in een gerenoveerd appartement in een Haagse yuppenwijk.’

    In Why I Write zegt Joan Didion dat ze schrijft ‘om te ontdekken wat ik denk [..] Wat ik wil en waar ik bang voor ben.’

    Levi Jacobs raakt aan zijn diepste zelf, iets om te herschrijven. Juist vanmorgen belde ik met een vriendin die zei dat ze een nieuw mensbeeld van zichzelf moest schrijven. Haar zelfbeeld klopte niet meer met hoe ze de wereld om zich heen verdroeg.

    Hokwerda’s kind was een heftig boek. Zelfdestructie, mentale verwaarlozing, seksuele uitbarstingen die in vechtpartijen eindigen. Wie ik ben blaast je van je sokken. Levi Jacobs overschrijdt de grens van het toelaatbare. Dat is wat schrijven vraagt, de naakte waarheid.

    Hij wil Salinger, zegt hij tegen zijn ex-vriendin als hij met zijn sleutel haar (voorheen hun) huis binnendringt om zijn boeken te halen. Welke boeken zou ik willen als ik huis & haard verlaten had? Ik denk Ginzburg, Zo is het gebeurd, Pruis, die me in het gelid zet, in schrijvende zin. En Braaf meisje van Philip Roth.

    Het noemen van schrijvers als Nanne Tepper zijn als een plaatsbepaling van Jacobs  in het literaire veld. Jeroen Brouwers schreef over Nanne Tepper: De avonturen van Hilliebillie Veen is even autobiografisch als De eeuwige jachtvelden […]  men komt er dezelfde ingekookte ikken in tegen en Hillie Veen, […] is geen ander dan Nanne Tepper zelf.’ Ik zou hier kunnen zeggen dat de Levi in Wie ik ben, de ingedikte ik, geen ander is dan de schrijver Levi Jacobs zelf. Ondanks de roman aanduiding.

    Als twaalfjarige zet Levi een jongen die hem had afgerost met een afgebroken ruitenwisser, een revolver tegen het hoofd. De macht die hem bij deze overspoelt. ‘Ik Levi, onaantastbaar. Gevreesd. Niemand kan mij wat maken.’ Een beeld dat zijn leven toonzet, hem opbreekt.

    Meer over schrijven. Toen hij in Marokko was. ‘Ik struinde wat door Marrakesh, was vrij en gelukkig. Schreef verhalen, at tajine, rookte aan een stuk door’ Het is de enige passage in het boek waar van geluk gesproken wordt. Annie Dillard karakteriseert het maken van een boek als ‘het leven in zijn meest vrije vorm’. Dat we onszelf een beeld maken waarin we geloven, ten goede of ten kwade.

    Dan, de onbetrouwbare moeder. Als kind las ze hem voor uit Marga Minco en Mulisch. De jongen wil niets liever dan dat het leven zo blijft. ‘Mama die op me wacht. Mij rondrijdt, haar jongste kind, haar cadeautje, verrassing, haar kroonprinsje, haar liefje.’ Onbetrouwbaar omdat de volgende dag er geen warm welkom is, moeder rokend in haar stoel, haar theemok als asbak. Houdt ongemakkelijke monologen over de wereld die naar de klote gaat. God, wat laat dit zich goed lezen.

    Levi voelt de ogen van zijn moeder overal, het stempel dat ze op hem gezet heeft. ‘In alles wat ik deed schemerde haar oordeel door. […] Ik raakte angstig terwijl ik vree, bedacht op het beeld van haar dat zomaar weer kon komen opzetten.’ En dan: ‘Iets in mij is misvormd.’

    De moeder: ‘Waarom nemen mijn kinderen me zo serieus?’

    Het is nog niet genoeg. Levi is onaardig, een obsessieve mastrubeerder, een fetisjist van dames ondergoed, sokjes, en dat alles kan zijn onpeilbare eenzaamheid niet dempen. Hij wil een raadselachtig figuur zijn, een schrijver. Net las Robert Bolanõ en B. Traven. ‘Ik sla mijn notitieboek open en schrijf dat ik naar het vliegveld moet gaan en een vlucht moet boeken naar Mexico.’ Wat hij niet doet. Er is een wereld van onvermogen die aan zijn voeten ligt.

    Wat er doorschemert. Zijn ouders hebben hem gevormd, maar zijn niet verantwoordelijk voor zijn eenzaamheid, het ontbreken van geluk. Dat is wat waard.
    ‘Waarom, vraag ik me af, waarom moeten we overal woorden aan toekennen?’, denkt Levi als zijn vader bij de uitvaart van diens zus enkel, ‘Lieve zus… Slaap zacht.’, in de microfoon fluistert. Dit is geen biecht, maar een knap geschreven bildungsroman.

     

     

    Wie ik ben / Levi Jacobs / 205 blz. / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en wat haar beweegt.

     

     

  • Tulip Time

    Tulip Time in Pella is een fenomeen. Drie dagen lang feest rondom Nederlandse bloemen, tradities, eten en niet te vergeten de verkiezing van miss Tulip Time. Zelfs in het Chinese restaurant hangt een grote plaat met tulpen erop. In het centrum zijn Nederlandse liedjes als ‘Bij ons in de Jordaan’ en ‘Geef mij maar Amsterdam’ te horen. 

    Zo’n 150.000 mensen bezoeken jaarlijks deze stad om het feest mee te vieren. Amerikanen schrikken niet terug daar vier of vijf uur voor te moeten rijden. De inwoners van Pella zelf kijken er enorm naar uit. Ze betalen grif 15 dollar om plaats te nemen op de tribune voor een podium op het centrale plein en klappen vrolijk mee met de jongens en meisjes op klompen die oud-Hollandse liedjes zingen over beren die broodjes smeren. Bij het aanhoren van Amerikaanse en Nederlandse volksliederen zingen ze mee met de hand op hun hart.

    De middag- en avondparade zijn het hoogtepunt van het feest. Vanaf zes uur ’s morgens mag er een plaats langs de route gereserveerd worden door het plaatsen van een klapstoeltje. Daar wordt veel gebruik van gemaakt. De parade is een goed georganiseerde optocht waarin iedere praalwagen een aspect van de stad en haar verleden uitbeeldt. Fanfares en harmonieën schetteren erop los. Mijn vrouw en ik zitten in geleende klederdrachtkostuum op een wagen getiteld ‘Vriendschap’ samen met een stuk of tien kinderen die, net als wij, zwaaien naar het publiek. Voorbij elke bocht klinkt een luide stem die onze wagen voorstelt aan het publiek. Zo hoor ik vele malen mijn naam uit een luidspreker schallen. Dutch author. Wrote a historical novel. Based on facts. Mijn vrouw zit als een koningin op een hoge stoel en houdt mijn boek omhoog. We schamen ons hier nergens voor.

    De duizenden bezoekers van dit bloemen festival zijn op zoek naar een wereld die niet meer bestaat. Alles lijkt hier nog netjes, schoon en overzichtelijk, zoals vroeger. De gemoedelijkheid is groot. De auteur Bill Bryson herinnert zich dat hij onderweg met zijn ouders vaak in dit stadje stopte, omdat het er zo vriendelijk en mooi was. Het Archie Bunker gevoel maakt zich zelfs van mij meester. ‘Those were the days’. Ik geniet, maar het verwart me ook. Diep van binnen schuilt in mij blijkbaar nog die hang naar de ogenschijnlijke duidelijkheid van de kindertijd. 

    Ik was gevraagd om in Pella een lezing te geven over de stichter van het stadje, dominee Hendrik Peter Scholte. De zaal in de bibliotheek was afgeladen met belangstellenden. Nederland is het vaderland in de verte en velen willen graag horen wat een echte Nederlander over hun stichter te vertellen heeft. De rij wachtende mensen na afloop wordt maar niet kleiner. Als ik vele boeken gesigneerd heb, zing ik samen met een inwoner psalm 42 in de oude berijming van 1773, die ik vroeger op de ‘School met den Bijbel’ heb geleerd. Als we het lied inzetten, ben ik weer een jongen van tien. Het wordt zelfs de organisator te bont. Hij spoort mij aan haast te maken, hij wil naar huis.

    Het stadje trekt dit jaar ook de aandacht van Birgitta Tazelaar, de Nederlandse ambassadeur in Amerika. Ze bezoekt enkele grote bedrijven. Pella heeft meer arbeidsplaatsen dan inwoners en trekt personeel van heinde en verre aan om de machines draaiende te houden. Ondanks dat Trump hier een meerderheid behaalde, zijn er nu heel wat mensen die hem verafschuwen. Hij behandelt niet alleen mensen als koopwaar (commodity), maar helpt ook de hele economie naar de knoppen. Wie zal hier het werk doen als hij iedereen over de grens jaagt?

    De in oranje geklede ambassadeur brengt een spontaan bezoek aan het prachtig bewaard gebleven Scholtehuis waar ik mijn boek signeer. Het huis werd direct na aankomst door de dominee zelf ontworpen. We praten bijna een uur aan het boekentafeltje, waar oud-Hollandse koekjes, thee en prikkertjes met augurk en kaas worden geserveerd. Tot mijn vreugde zingt de ambassadeur uit volle borst mee met ‘Een Nederlandse Amerikaan’, een raadselachtig liedje, waarover de volgende keer meer. Daarna krijgen we nog een rondleiding van coördinator Lisa Zylstra. Het is voorbij sluitingstijd als de ambassadeur het pand verlaat.

     

     


    Michiel van Diggelen reist vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Voor Literair Nederland doet hij hiervan verslag.

  • Janken

    Mijn tranen zitten nogal hoog. Ik ben gauw ontroerd en huil snel bij zowel goede als slechte dingen, in de woorden van Emily Dickinson: ‘all we know of heaven, and all we need of hell.’ De laatste tijd wordt het alleen maar erger, in een oogwenk stijgt het waterpeil en de oevers van mijn ogen stromen over. Het ligt niet aan mij, denk ik, maar aan de wereld, waarin zoveel meer gebeurt om over te huilen. Er zal wel een heel oud verdriet onder liggen, dat weet ik niet. Gerry van der Linden schreef er een gedicht over.

    Porseleinen tranen

    Op een avond kwam ik aan
    in de werkplaats, in het huis
    van de hoekige dame
    die ronde vormen maakt

    van klei en aarde.
    Ik zag wel vijftig
    porseleinen tranen naast elkaar
    op de vloer gelegd en ze zei:

    ‘Tja, ik weet het ook niet,
    het gaat maar door.
    Misschien als ik suja zeg
    of tot honderd ga…’

    Misschien, dacht ik
    als je ze rangschikt
    naar verdriet.

    Ik had daarom beter moeten nadenken welk boek ik meenam toen ik naar een afspraak met de fysiotherapeut ging. In de wachtkamer waren twee mannen met hun telefoon bezig, ze bromden wat zonder op te kijken toen ik goedemiddag zei. Ik pakte het boek Uit het leven van een hond van Sander Kollaard uit mijn tas, waarin één dag uit het leven van goeierd Henk van Doorn en zijn hond Schurk wordt beschreven. Ik had het bijna uit, moest nog maar een paar bladzijden voordat ik geroepen zou worden. Maar ik had er niet op gerekend dat aan het einde van dit heerlijke boekje de schrijver zijn zelfopgelegde restrictie van 24 uur zou overschrijden door iets in de toekomst te beschrijven: Henk zal weliswaar gelukkig worden, maar zonder Schurk, die hij zeven maanden later moet laten inslapen: ‘[…] nog een keer zijn gezicht in die verrukkelijke Schurkvacht duwen, en nog een keer [..] maar zich dan abrupt omdraaien en weglopen, naar buiten, dat gedrocht van een wereld in.’
    Henk herinnert zich dat de dierenarts die bij het afscheid aanwezig is, een zoon verloren heeft en wil hem omhelzen, maar hij doet het niet. 

    Toen de fysiotherapeut me riep, zaten de tranen me hoog. Ik wilde nog een valse verklaring geven, zo van: wat een gure wind, he? Maar hij was de trap al op. Toen hij tijdens een oefening mijn arm hoog boven mijn schouder tilde, zag ik een kans om mijn tranen ongegeneerd te laten vallen, waarop hij geschrokken vroeg of het echt zo zeer deed. 

    Waarom kan Henk de dierenarts niet omhelzen, waarom kan ik niet gewoon tegen de therapeut zeggen: ik heb een boek gelezen waardoor ik geraakt ben en nou moet ik een beetje huilen. Waarom doen we onszelf altijd anders voor dan we zijn? Waarom moet schaamte altijd de overhand krijgen boven andere emoties? Ik zal toch niet de enige zijn die jankt om een boek?

    Enfin, volgende keer maar een woordenboek meenemen om te lezen in de wachtkamer, of iets anders dat geen tranen kan trekken. Ik sta open voor suggesties.

     

     

    Uit: Gerry van der Linden, Aan mijn veren hand (1993)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Het verleden dichtbij

    ​​Eén van de beste verhalenvertellers die ik heb gekend, was mijn grootmoeder Gerda Headley-De Wit. Als kind kon ik uren luisteren naar de verhalen die ze vertelde: over haar jeugd, over hoe ze mijn opa ontmoette en over haar kinderen, mijn ooms, tantes en vader. Ik stelde veel vragen en ze beantwoordde die zonder enige verveling. Soms zat mijn grootvader, Stanley Headley, erbij en wanneer mijn grootmoeder iets vertelde, voegde hij een anekdote toe.

    Ze hield ervan om als tiener naar de bioscoop te gaan. Wanneer de gelegenheid zich voordeed, ging ze naar Bellevue, Star of Luxor. Zowel naar matinees als avondvoorstellingen. Ze heeft veel films gezien, zoals ‘Gone with the Wind’. Ik denk dat ik mijn liefde voor film van haar heb meegekregen.

    Ze las ook veel en vertelde me dat ze de hele collectie van het CCS (Cultureel Centrum Suriname) in die tijd had gelezen. Al deze plekken bezocht ze te voet, want in die tijd waren vervoersmiddelen, zoals ezelskarren en fietsen, weggelegd voor de welgestelden. Veel plekken die mijn grootmoeder bezocht, bestaan niet meer of zijn in vervallen staat. Toch moet ik, wanneer ik langs deze locaties en plekken kom, aan haar verhalen denken.

    De afgelopen jaren ben ik veel bezig geweest met onderzoek naar het verleden van Suriname en hoe dit interessant kan worden gepresenteerd aan de samenleving, vooral aan jongeren. Het verleden bestaat namelijk niet alleen uit jaartallen en feiten, maar ook uit mensen die hebben geleefd en gevoeld. En je moet die verhalen goed kunnen vertellen.

    Zo vertelde mijn oma mij over haar leven als getrouwde vrouw en moeder van acht kinderen, wonend te Jacobusrust waar nu het Venezolaans Centrum staat. Ze vertelde hoe mijn ooms van jongs af aan werden gestimuleerd om een sport te doen en op deze manier hun tijd nuttig te besteden. Ze waren vaak te vinden bij het nabij gelegen zwembad Parima. Op een gegeven moment werden ze zelfs bekend als één van de sportfamilies van Suriname. Mijn grootmoeder vertelde hoe ze bij zwemwedstrijden op de tribune zat te juichen wanneer een van mijn ooms meedeed. Ze hadden het niet breed, maar mijn grootmoeder probeerde met wat ze had vooral tijd met hen door te brengen.

    Op school moest ik voor geschiedenis vooral jaartallen en feiten uit mijn hoofd leren. Soms moest ik uitleggen wat tot bepaalde ontwikkelingen had geleid. Pas op latere leeftijd leg je verbanden en ga je op zoek naar de persoonlijke verhalen van de mensen die verantwoordelijk waren voor sommige van deze ontwikkelingen. Hoe waren deze mensen, zoals Sophie Redmond, Jagernath Lachmon en Henck Arron? Los van hun acties: hoe waren ze als persoon?, hoe leefden ze?, wat vonden ze interessant?, wat hield hen bezig? Hierdoor breng je het verleden dichter bij de samenleving.

    Wanneer ik met deze onderwerpen bezig ben, denk ik ook aan hoe mijn grootmoeder het verleden, haar verleden dichtbij bracht door haar verhalen. Tijdens mijn werk voel ik me dan weer even met haar verbonden.



    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De ware tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

  • Dit drieluik

    Het begon met het ogenschijnlijk onschuldige brievenboek 3lingnieuws. Waarin Felix Oestreicher, soms Gerda Oestreicher-Laqueur, familie en vrienden per brief op de hoogte houden van de ontwikkeling van hun drie dochtertjes, waarvan de jongste een tweeling. De brieven doen verslag van een gelukkig gezinsleven waar hier en daar de oorlogsdreiging doorheen sijpelt. Brieven waaruit een grote opmerkzaamheid en liefde spreekt die, met het oog op het verloop van hun geschiedenis, me ten diepste raken.

    Op 1 februari 1938 schrijft Gerda een brief over een dag met de meisjes. Hoe ze voor het slapengaan hun lievelingsliedjes zingt. Dat Beate voortdurend roept, ‘En nu voor mij’. Dat Maria stilletjes luisterend op haar duim zuigt. Hoe, als ze bij haar komt, Maria met beide handjes over haar arm wrijft. ‘Als dit misschien wel mijn beste tijd is, dan mag ik die nooit vergeten.’ (Nooit vergeten)
    Als op  27 april 1938 blijkt dat in Sudetenland de naziwetten worden ingevoerd, een verzoek voor een inreisvisum naar Engeland is afgewezen, vlucht het gezin vanuit Karlsbad, Tsjechië halsoverkop naar Nederland.

    Dit is het verhaal van een Joodse familie, vader, moeder, drie dochtertjes, de oudste 3, de tweeling 1 jaar. De komende vijf jaar verblijven ze op verschillende adressen in Nederland. Tot ze op 1 november 1943 worden opgepakt. Een van de tweelingmeisjes wordt met difterie naar De Joodse Invalide gebracht. Van daaruit naar een onderduikadres in Gorssel. De rest van het gezin, plus een grootmoeder, komen via Westerbork in Bergen-Belsen terecht. Grootmoeder overlijdt in het kamp, Gerda en Felix overlijden kort na de bevrijding aan vlektyfus in Tröbitz. Maria (9 jr.) en Beate (10 jr.) blijven alleen achter tot het Rode kruis hen naar Nederland vervoert, waar ze met hun zusje Helly worden herenigd. 

    Naderhand, is het tweede deel. Gedichten van Felix Oestreicher die hij in Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz schreef. In een van zijn laatste gedichten, april 1945, net bevrijd, schrijft hij, ‘Heel langzaam sluipen we weg, / heel langzaam, vredesvreugde komt / niet in ons op. Te lang zijn we / geknecht en in de strijd vertrapt,’. En deze (stille) woorden: ‘Maar zien we een bekend gezicht, / dan glimlacht onze stille groet: / je leeft nog! Dat is mooi, heel mooi.’ Het ontbreken van zwartgalligheid, de vergevingsgezindheid van deze woorden, het breekt me op.

    Dan de finesse. In 1993  gaan de drie zussen op zoek naar het graf van hun ouders in Tröbitz. Helly, die van haar zussen hun verhaal over de oorlog wilde horen, heeft hun gesprekken tijdens hun reis opgenomen met een cassetterecorder. Gesprekken over hoe het was. Hoe een kind (dat moet je je steeds voorhouden, dat het kinderen waren) zich het kampleven, de dood van de ouders herinnert, de honger. Hoe ze twee weken lang in overvolle treinwagons door verwoest landschap reden, toen nog met hun ouders. Een dialoog uit De Wittenbergtape:

    Maria: ‘Ik heb van die Duitsers nog een kopje soep met worst gekregen.’

    Beate: ‘O ja?’

    Maria: ‘Ik mocht van mammie niet nog een keer langs die trein om wat te halen.’

    Helly: ‘Had je dat wel gewild?’

    Maria: ‘Ja, natuurlijk. Ik wilde worst. En ik was ook stomverbaasd dat hij mij dat gaf. Een Duitser die je wat geeft?’

    Beate: ‘Ja.’

    Maria: ‘Hij had een verband om zijn kop.’

    Helly: ‘En jij liep daar gewoon met je handen op je rug langs?’

    Maria: ‘Nee, want ik bedelde. Niet met mijn handen op mijn rug, natuurlijk niet. Bedelen. Ik wist niet dat het Duitse soldaten
    waren.’

    Helly: ‘Je wist niet dat het Duitse soldaten waren?’

    Beate: ‘Je zag hen als gewonden, verder niet.’

    Maria: ‘Ja, nee. Eerst wist ik het natuurlijk niet. Ik ga toch niet bij Duitse soldaten bedelen? Dat doe je natuurlijk niet.’

    Dat schokt me. Die wijsheid waar ik onbezonnenheid verwacht. Dat ik vergeet dat het nog kinderen waren. Nee, het is dat ze zelf vergeten zijn dat ze nog kind waren.

    Hoe aangrijpend deze reis achtenveertig jaar na de bevrijding is, blijkt uit de emoties die soms opspelen. Als ze de boerderij in Tröbitz  terugvinden. ‘Bij het hek van de boerderij krijgen Maria en Beate schreeuwende ruzie. Ik heb hen nog nooit zo tegen elkaar tekeer zien gaan. Het gaat nota bene over het huisnummer van de boerderij.’, schrijft Helly.

    Martien Frijns vertelt in een nawoord hoe de doden uit de overvolle wagons werden gegooid, in de spoorbermen achterbleven. Hoe de trein na een reis van twee weken, het passeren van verschillende steden Tröbitz bereikte, ‘waar in de weilanden de paardenbloemen volop bloeiden.’

    Lijken in spoorbermen, die bloeiende paardebloemen, het contrast. Het ongewone dat zich niet met het gewone verenigen laat. Moet daar niet iets van geleerd worden. Dat wat gewoon lijkt, niet altijd gewoon is? De gedoseerdheid waarmee deze familiegeschiedenis wordt opgediend bracht me nog nooit zo dicht bij de onnoembare gevolgen van genocide. Dat ik een korte column wilde schrijven, dat me dat niet gelukt is. Lees dit drieluik.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

     

  • Our guy

    Een vrouw van een jaar of zeventig loopt met grote passen op me af, pakt mijn hand en zegt dat ze zo blij is dat er in Grand Rapids eindelijk iemand aandacht besteedt aan ‘My guy Scholte’. Zij is oorspronkelijk afkomstig uit Pella (Iowa) en vindt het maar niks dat Scholte in Michigan niet meetelt. Hier is Albertus van Raalte de grote man, over wie bijna ieder jaar wel een boek verschijnt, terwijl haar Scholte, die toch minstens zo interessant is, er wordt doodgezwegen. Vindt zij.

    Ik ben op het Theologisch Seminarium van de Calvin University om samen met de in Pella wonende Bruce Boertje een lezing te geven naar aanleiding van de verschijning van de Engelse vertaling van mijn beide historische romans over Hendrik Peter Scholte. Tot mijn grote verbazing zijn er meer dan 100 mensen op de lezing afgekomen en, zo vertelt organisatrice Sonja de Jong vol trots: ‘Online luisteren en kijken ook nog 150 mensen mee.’

    Zelden werd ik enthousiaster ontvangen bij een lezing. Zelden ook waren de geluidsinstallatie en het projectiescherm zo professioneel als hier. Vier jonge mensen waren continu in de weer om de zaken te regelen. Het leeft hier allemaal nog, al zijn de bezoekers – alumni van Calvin University – wel allemaal boven de zestig. Tijdens mijn lezing wordt er veel gelachen. Terwijl ik toch echt niet leuk wil zijn. Volgens vertaalster Carol Hoeksema lachen ze ook omdat ze mijn accent zo grappig vinden. Ik knauw niet als een Amerikaan en mijn uitspraak houdt het midden tussen een betere versie van Rutte en die van mijn middelbare schooldocent Jan Bertens.

    Uit de vragen die mij gesteld worden blijkt dat sommigen heel goed op de hoogte zijn en een docent Engels heeft mijn boek zelfs in drie dagen uitgelezen. Hij wil graag weten of Scholte zelf niet beter is geworden van de landverkoop in de kolonie Pella. Ik kan hem verzekeren dat Scholte een ‘fair price’ heeft gerekend en dat niet ik dat heb onderzocht maar de in Grand Rapids hooggewaardeerde professor Robert Swierenga. Dat maakt me meteen geloofwaardig. 

    Een dag later spreek ik in het Museum van Holland, de stad die door dominee van Raalte in oktober 1846 werd gesticht. De kleine zaal is vol ook al moeten de bezoekers entree betalen. Voorafgaand aan de lezing ontbijten we bij restaurant De Boer, die ook als bakker van traditionele producten als speculaas en krentenbrood zijn broek ophoudt. Voorvader De Boer was afkomstig uit Kollum. De huidige eigenaar De Boer komt, als we aan de maaltijd zitten, naar ons toe om de mensen uit zijn vaderland te begroeten. Hij spreekt zelf geen enkel woord Nederlands meer, maar trakteert ons wel spontaan op ‘Sinterklaas Kapoentje’ dat hij met volle bariton zingt. Dit feest wordt hier nog altijd gevierd.

    Als bakker van traditionele Nederlandse producten heb je er natuurlijk belang bij dat dit feest gevierd blijft. Ik heb hem maar niet verteld dat Scholte wilde dat de landverhuizers zo snel mogelijk Amerikanen werden. Maar de meeste volgelingen, hier in Holland, maar ook in Scholte’s Pella hielden tradities vast. Zo wordt er in beide steden een Tulip Festival gehouden, waar klompen en klederdracht tevoorschijn worden getoverd. Het is een meerdaags feest waarvoor heel de gemeenschap als vrijwilligers tienduizenden bezoekers vermaken. Het is een feest voor iedereen en zeer in het bijzonder voor de plaatselijke middenstand. Volgende week gaan we dit feest meevieren in Pella, waar ik nog een lezing zal geven.

    Na afloop van de lezingen komen mensen enthousiast op me af. Of ik met hen op de foto wil en of ik het door hen gekochte boek wil signeren. Even, heel even heb ik het gevoel dat ik een beroemde schrijver ben. Maar het draait hier niet om mij, maar om dominee Scholte: ‘He’s our guy, you know.’

     

    `

     


    Michiel van Diggelen, reist vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Voor Literair Nederland doet hij hiervan verslag.

     

  • Meesterlijk beschreven

    Had ik nu echt tijdens een borrel tegen een schrijver gezegd dat ik aan een boek werk? Op de gekste momenten komt het bij me naar boven. Als een pop-up op de online pagina van een dagelijkse krant. Het verstoort mijn denken, zou het willen wegklikken.

    Het is dat hij het vroeg, de schrijver. Tijdens die borrel werd hij geïnterviewd over zijn boek Het archief. Na afloop vroeg hij (indringende blik) wat ik meer deed dan redactiewerk, columns. Alsof ik iets op te biechten had, zei ik het, van het boek. Hij knikte, ‘Ja, ja.’ Alsof hij het wel gedacht had. 

    Als iemand me in ‘real life’ aanspreekt op dingen die online verschenen zijn, hakkel ik me erdoorheen, spreek met stompe woorden. Zoiets. Ik vrees dat het ook werkelijk een boek gaat worden. En dan. Hoe houd je de dingen uit elkaar.

    Nog een geluk dat ik niet over zijn moeder begon. Niet dat gesprek voerde dat fietsend vanaf het station naar de borrel zomaar in mijn hoofd ontstond. ‘Goh, ik zag je moeder afgelopen zomer op Terschelling.’ Dat hij zou zeggen, ‘Oh, wat leuk, ja, ze heeft daar een huisje.’ Ik onderbrak mezelf: ‘Oh nee, geen sprake van. Je zegt niet dat je zijn moeder op een vroege ochtend bij een duinopgang op Terschelling zag.’ 

    Ik ging die ochtend met de jongste dochter zwemmen in zee. We kwamen niemand tegen.Toen zag ik haar aankomen fietsen. Ze stopte bij duinopgang Formerum, juist waar wij naar boven moesten. Ze zag er ontspannen uit, mooi ook, ze droeg iets in zwart wit. Mijn dochter had geen idee. Ik fluisterde, alsof het een zeldzaam duinvogeltje betrof dat ik niet wilde doen opschrikken, ‘Kijk, daar staat een belangrijk feministisch schrijfster, weduwe van die en die.’ Bij het zien van haar aanwezigheid, begreep ik opeens dat het wegvallen van een partner verdrietig en bevrijdend kan zijn. Het Beladen huis was nog niet verschenen. 

    Eigenlijk wilde ik het hebben over Het archief. Ik loop er al maanden mee, maar dan verschijnt die pop-up weer in mijn hoofd. Nee, dat is niet het ergste, wel het ontbreken van de juiste omschrijving van dit boek. Steeds denk ik, het is meer dan een geweldig knap geschreven boek over een literair tijdschrift. Het gaat om hoe de dingen samenvallen. De schrijver met zijn verhaal, het alter ego van de schrijver met de vader, de moeder uit Het archief, en dat weer met het dus later verschenen Beladen huis. Dat het oprechte personages zijn, er oprechte verlangens spelen. Dat verlangens een drijfveer zijn om ergens te komen. 

    Het alter ego van de schrijver wil van betekenis zijn in de literatuur. Al is het maar in de marge, als redacteur van het literaire tijdschrift Arabesk bijvoorbeeld.  Even was het alter ego bang dat hij gevraagd werd op de merites van zijn bekende vader. Dan wordt duidelijk hoe belangrijk de goedkeuring van zijn vader voor hem is. Hij legt het aanbod zijn vader (oud-hoofdredacteur opinieweekblad, programmamaker, acteur, schrijver) voor. Die zegt: ‘Mijn advies: gewoon ja zeggen.’
    Als je daarvoor gevraagd wordt, zeg je geen nee. Vertel mij wat.

    Maar dat de dingen zich niet laat dwingen, ook niet in een literair tijdschrift. Literatuur op zich is geen ‘spread the word’ ding.

    Ik lees over de nauwgezet beschreven redactievergaderingen, kwaliteit van ingezonden stukken, presentaties nieuwe edities, hoop (die gaandeweg vervliegt) op meer abonnees, zoeken naar een nieuwe uitgever, weer een nieuwe uitgever.En daar tussendoor de uitzonderlijk tedere beschrijvingen van de vader. De meesterlijk beschreven observaties. Zoals de dag dat zijn vader de diagnose kanker stadium vijf krijgt. De specialist zegt: ‘“(..) ik kan me voorstellen dat dit alles u nu een heel onwerkelijk, akelig gevoeletje geeft. Maar ik zou u willen vragen: heeft u een fijn leven gehad?” Mijn vaders handen belanden op de stoelleuningen, vielen ervan af, hij knipperde druk met zijn ogen. (…)
    “Jawel”, zei mijn vader. “Alleen het was nog niet helemaal klaar. En… ik ben niet zo geneigd tot grote tevredenheid.”
    “Het gras is groener aan de overkant?” vroeg de specialist.
    “Het gras is gewoon niet zo groen.’”

    De vader die daarna in het  ziekenhuiscafé bibberend een kopje thee drinkt. ‘Pas in de taxi naar huis vloekte hij. “Godverdomme zeg,” doorbrak hij de minutenlange stilte. “Had die arts het nou over een gevoeletje?”’
    Dat de vader overal bovenuit stijgt, daar kan een literair tijdschrift niet tegenop. Ik heb het over een zeer goed boek. 



    Het archief / Thomas Heerma van Voss / 274 blz. / DasMag


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en ziet.

     

  • Geen rozen zonder doornen

    Ik heb nooit geluk met rozenstruiken in mijn tuin. Of ze gaan onmiddellijk dood, of ze zitten al na een week vol met luis. Ze willen niet bloeien en ontwikkelen in plaats van knoppen alleen zwarte valse scheuten met doornen van een duim dik. De rode stamroos die ik nu in de tuin heb staan – die ik niet op de mesthoop kan gooien omdat ik hem van een vriendin gekregen heb – heeft zich ontwikkeld tot een vervaarlijke hydra met meer uitsteeksels en prikkers dan zelfs Hercules zou kunnen bevechten.

    Toch ben ik op een zonnige middag de strijd aangegaan, gewapend met een scherpe snoeischaar die ik achter mijn rug verborgen hield. De struik loerde vals naar me uit al zijn oogjes en stond in gevechtshouding, klaar om zich te verdedigen. Het duurde niet lang of ik was overdekt met schrammen en krassen waar het bloed uit sijpelde, alsof ik was aangevallen door een boosaardig creatuur met enorme klauwen en tanden. Uiteindelijk behaalde ik de overwinning en was de struik gesnoeid, maar nog dagenlang droeg ik de sporen van de slacht en werd me gevraagd of mijn katten echt zo vals waren.

    Hoe had zo’n gemene bloem ooit het symbool van de romantische liefde kunnen worden? Ik kon niets vinden in de literatuur dat wees op de duistere kant van deze plantaardige harpij. Ik herkende wel iets in het vreemde, enigszins masochistische gedicht van Nijhoff, al waren het niet de rozen zelf die zich agressief gedroegen:

    ‘ De rozen 

     Hij zei me: ‘Zoolang deze rozen
     Bloeiend zijn, groot en rood –
     Zoolang zal ook mijn liefde
     Bloeiend zijn, groot en rood’.

      Ze stonden stil in de vazen,
     De rozen van mijn geluk:
     Toen kuste ik waanzinnig van vreugde,
     Toen kuste ik zijn rozen stuk. 

     Ik heb in de bloemen gebeten,
     Ik proefde het bittere bloed –
     En hij nam de doornige steelen
     En sloeg mij – en dat was goed.’

    Alleen in het gedicht van Goethe uit 1789, ‘Heidenröslein’, door Schubert op muziek gezet, wordt iets verteld over de dreiging die van een roos kan uitgaan. Als een jonge knaap een roosje wil plukken – symbool voor het verlies van maagdelijkheid – en de roos haar doornen gebruikt om hem te steken. Het viel me op dat bij zowel ‘der Knabe’ als ‘das Heidenröslein’ het persoonlijk voornaamwoord in de derde naamval gelijk is: ‘ihm’ , waardoor het niet duidelijk is op wie de laatste strofe betrekking heeft:
    ‘Und der wilde Knabe brach/ ’s Röslein auf der Heiden;/ Röslein wehrte sich und stach,/ Half ihm doch kein Weh und Ach, / Musst’ es eben leiden.’

    Ik dacht ook altijd dat de gestoken knaap het slachtoffer was, maar nu denk ik dat het de roos is. Heeft Goethe daarmee echt een gedicht geschreven over een brute verkrachting? Er zijn weliswaar meerdere interpretaties, maar nu zal ik het lied nooit meer anders kunnen lezen. Daarom wil ik de rozenstruik volgend jaar liever niet meer snoeien, beter voor de roos, maar ook voor mijzelf.

     

    Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Prometheus (1990)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.



  • Verschuivingen

    Dat ik steeds minder veranderingen verdraag. Ik, die niets liever doet dan de woonkamer anders indelen. Columnisten die verdwijnen, ergens anders weer opduiken. Sylvia Witteman weg bij de Volkskrant (onbestaanbaar). En waar blijft Stephan Sanders? En een boekenprogramma waarbij het publiek onzichtbaar is. Na het verdwijnen van het radioprogramma De Avonden ben ik eigenlijk uit de koers geraakt. Nu switch ik als een op hol geslagen paard van podcast naar podcast. Ik verlang naar oogkleppen. Nu de zon zo fel de lente verkondigt, sluit ik de gordijnen, treed gezonnebrild naar buiten. 

    Ik hecht dus aan dingen, aan gewoonten. Waarom dan die woonkamer. Schuiven met kasten en tafels door de kamer, eerst de chaos. Dan wordt het een andere beleving, die kamer. Soms wekelijks, naar gelang het seizoen, weertype ook. Humeur heeft er ook wel mee te maken. Tot zover de zelfanalyse. Het ontbreekt me aan een onderbouwing.

    De vrouw van Nick Cave doet hetzelfde, my sorrowful wife / Who is shifting the furniture around’. Hij vindt het niet leuk die veranderingen. ‘Dus gebeurt het als ik niet thuis ben’. Dat vrouwen dat dus gewoon zijn te doen, de dingen om zich heen verschuiven, ‘the furniture around’. Dat daar geen plan aan ten grondslag ligt.

    Er is nog iets wat ik niet verdraag. MarjaPruis heeft haar column plek in De Groene Amsterdammer afgestaan. Er staat: ‘Op deze plek wordt Marja Pruis de komende tijd vervangen door Maartje Wortel’. Dat niet weten hoelang de komende tijd gaat duren.

    Terug naar Nick Cave. Hij bezocht een psychiater om velerlei redenen. Uiteindelijk hadden ze het alleen maar over zijn vrouw, Susie. ‘Die veel interessanter is dan ik’, volgens Cave. De psychiater zei dat herinrichten iets is dat vrouwen doen als ze niet doen wat ze eigenlijk moeten doen. En wat ik daarvan moet denken. Dat ik ga schuiven als ik eigenlijk moet schrijven. Alsof een veranderde omgeving de ideale zal zijn.    

    Ik dacht er weleens over om in therapie te gaan. Te onderzoeken waar die onbedwingbare drang om banken en kasten van hun plek te verslepen vandaan komt. Nick Cave vertelde over een man wiens vrouw dit ook deed. De man timmerde alle meubelen aan de vloer vast. De vrouw rukte ze weer los, ze scheidden. Dwang is niet met dwang te bestrijden. Dat ik er wel eens van droom een schuurtje midden op een kaal stuk land te betrekken. Of en nieuwe taal te leren.

    Dan, terwijl ik aan dit stukje typ, klik ik naar Tirade.nu. Oh, afleiding, dit online open veld is niet te weerstaan. Klik, en weg ben ik, lees. ‘Net buiten de dammen op de hoogte van Ooltgensplaat begon de wind in de zeilen te blazen en begon het schip te lopen. De meeste binnenvaarders waren al snel uit het zicht; een verschillende manier van tijdsbeleving. Tango klonk op het achterdek en toen de zon doorbrak werd een gitaar buiten gebracht. De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’

    Verscholen in een aantrekkend blog van Wiebe Radstake staan namen als ‘Ooltgensplaat’, begrippen als, ‘en begon het schip te lopen’. En deze zin, ‘De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’ Een woord als ‘kluiver’, ‘aangeslagen en gehesen’, geeft me vleugels, tilt me op. En dan die tango en gitaar op het achterdek, betoverend gewoon.

    Kunst werkt evenals het verschuiven van meubels, van woorden het gemoed te verlichten. Depressieve jongeren in Brussel krijgen al langer van hun arts een recept voor museumbezoek. Deze week volgde Zwitserland met dezelfde receptuur. We moeten van de bank af, of die bank tegen een andere muur zetten, liefst midden in de kamer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest en ziet.

  • Kunst en literatuur in Suriname

    Op 14 januari werd aan Cynthia Mc Leod een belangrijke Surinaamse Cultuurprijs, vernoemd naar de Surinaamse dichter Trefossa, uitgereikt. Kevin Headley schreef erover voor de Surinaamse krant De Ware Tijd.


     

    De Henri Frans de Ziel (Trefossa) Cultuurprijs 2025 is dinsdag uitgereikt aan de gerenommeerde schrijfster en cultuur ambassadrice Cynthia Mc Leod. Naar mijn mening geheel verdiend. Tante Cynthia, zoals ik haar ook respectvol noem, heeft door haar boeken, maar ook door haar onderzoek en presentaties, Suriname steeds waardig gepresenteerd. Daarbij blijft ze kritisch. Ze is nog steeds een bron van inspiratie voor velen, ook voor mij.

    De samenleving van Suriname is in ontwikkeling en moet geprikkeld worden met diverse bronnen om kritischer te worden. Kunst en literatuur zijn daarbij belangrijke onderdelen. Veel mensen in Suriname weten nog te weinig over hoe je naar films of beeldende kunst kunt kijken, hoe je literatuur kunt interpreteren en hoe je zowel kunst als literatuur kunt inzetten om vraagstukken van de samenleving zichtbaar te maken en te bespreken. Het is vrij makkelijk om dit op het bord van het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur te leggen, terwijl wij als samenleving er zelf ook wat aan kunnen doen.

    Het stimuleren van kunst en literatuur kan al vroeg beginnen. Samen tekenen en kleuren met onze kinderen, met hen naar goede en educatieve films kijken, boeken lezen en daarna met hen praten over wat ze hebben gezien of gelezen, zijn simpele acties die kinderen en jongeren kunnen prikkelen om zelf op zoek te gaan naar kunst en literatuur. Denk bijvoorbeeld aan het voorlezen van klassiekers zoals ‘Hoe duur was de suiker’ van Cynthia Mc Leod of verhalen van Edgar Cairo. Deze verhalen kunnen niet alleen een inkijkje geven in onze geschiedenis en cultuur, maar ook een basis leggen voor kritisch denken en waardering voor het geschreven woord.

    Naar de mensen toegaan met kunst en literatuur is meer dan ooit een must. Velen focussen zich nu vooral op overleven door de economische crisis en hebben nauwelijks ruimte voor culturele uitstapjes die juist belangrijk zijn voor de mentale gesteldheid. In het verleden heeft zowel Readytex Art Gallery als Villa Zapakara kunstprojecten uitgevoerd waarbij zij scholen bezochten. Gedurende deze projecten kregen jongeren de kans om kunst te ervaren en samen te werken met kunstenaars, wat resulteerde in de creatie van diverse kunstwerken. Ook projecten zoals het Jongeren Boekenweek Festival hebben de doelgroep in aanraking gebracht met Surinaamse schrijvers, waardoor literatuur tastbaarder en relevanter werd.

    Kunst en literatuur zijn altijd belangrijke onderdelen geweest in mijn leven. Als kind volgde ik tekenlessen op de Nola Hatterman Art Academy. Daarnaast heb ik veel geleerd door gesprekken met schrijvers en kunstenaars zoals George Struikelblok, Marcel Pinas, en Sri Irodikromo. Mijn waardering voor literatuur is gegroeid door ontmoetingen met schrijvers zoals tante Cynthia, maar ook Chris Polanen en Robby Parabirsing, beter bekend als Rappa. Ook gesprekken met filmmaker Pim de la Parra hebben mijn appreciatie voor filmkunst verhoogd.

     

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo, is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.