• Maskerade

    Carnaval heeft mij nooit kunnen bekoren. Tijdens zo’n feest komen er allerlei onderbuikgevoelens boven die soms beter verborgen kunnen blijven. Zo werd tijdens het carnaval in Aalst antisemitisme verpakt als immaterieel nationaal cultureel erfgoed. Toch kan ik Herman Pleij’s pleidooi voor het carnaval, juist vanwege die functie van uitlaatklep, ondersteunen. Het kan bestuurders een spiegel voorhouden waarbij ze gevoelens van ongenoegen kunnen waarnemen om daaruit voortkomende ongeremde uitbarstingen te voorkomen. Essentieel voor carnavalsfeesten is het gebruik van maskers dat het gezicht verbergt om de drager anoniem te maken. Als de Duitse schilder Felix Nussbaum, op de vlucht voor de nazi’s in eigen land, in 1935 aankomt in Oostende, de stad van zijn grote voorbeeld James Ensor, stort hij zich in het carnaval.

    Ensor en Nussbaum gebruikten beiden sterk geladen beelden met maskers, skeletten; carnaval en de dood om de wereld, waar zij op dat moment beiden slachtoffer van waren, voor schut te zetten, te ontmaskeren. Voor Felix Nussbaum geldt dit in de meest letterlijke zin van het woord. Zijn hele oeuvre is sterk autobiografisch en brengt zijn strijd in beeld. Het toont de weg naar de ondergang. Als Joodse jongen groeit hij op in Osnabrück, waar het antisemitisme een steeds virulenter karakter krijgt. Hij begint als schilder naam te maken en wint in 1932 de Prix de Rome. Als beloning mag hij zich daar verder bekwamen en vindt hij onderdak in Villa Massimo, de Duitse kunstinstelling in Rome, waar ook Arno Breker verblijft, de latere lievelingsbeeldhouwer van de nazi’s.

    Na vele omzwervingen in Europa wordt Nussbaum uiteindelijk in Brussel om zijn jood zijn opgepakt  en vindt in 1944 een kille dood in Auschwitz. Ondanks zijn smeekbede: ‘Als ik ten onder ga, laat mijn schilderijen dan niet doodgaan. Toon ze aan de mensen!’, raakt verreweg het grootste gedeelte van zijn werk verloren en dreigt hij in de vergetelheid te raken. De speurtocht naar de herontdekking van zijn werk en dus van zijn leven wordt consciëntieus beschreven in het prachtige boek Orgelman van Mark Schaevers. Het siert Osnabrück dan ook dat zij haar grote zoon geëerd heeft met een bijzonder museum van Daniël Libeskind, waarin niet alleen een representatief beeld wordt gegeven van het werk van Nussbaum, maar ook de architectuur van het gebouw nauw aansluit bij het leven van deze grote schilder. Misschien een bezoek waard voor de carnavalvierders uit Aalst.

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis, schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Onzekerheid

    Het weer zit nog steeds niet mee, de donkergrijze luchten, de somberte en die kletterende buien. Ik kom nergens; oefening in quarantaine voor als het coronavirus komt. Ik las God en de sociale dienst van Mizee, een strijd met de sociale dienst, en haar God: scenariodocent op de schrijversvakschool. In bed lees ik Blauwe nachten van Joan Didion. Over de dood van haar dochter Quintana, de bloemen in de lange haren van haar kind, handen die elkaar raken, wang tegen wang.
    En ’s ochtends de krant. In de Trouw van donderdag een foto op de voorpagina van Arielle Veerman, ex-vrouw van Joost Zwagerman. Het trok mijn aandacht. Ik ben niet heel bekend met het prozawerk van Zwagerman. Wel met zijn columns, essays en als gedreven kunstkenner. Het interview gaat over een boek dat Arielle Veerman geschreven heeft, over de periode dat zij zich gedemoniseerd voelde, dat het nu tijd is voor haar kant van het verhaal. En ja, ik was ook wel benieuwd naar haar verhaal.

    Ik herinner me een filmpje waarin Zwagerman op een houten bank op een winderige dijk in Tuitjenhorn zit. Na de scheiding had hij zich daar teruggetrokken in hun vakantiehuisje. Hij zei zoiets als, ‘Tja, daar zit je dan,’ verweesde blik in de ogen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar dat het aan zijn ex lag, begreep de kijker wel. Hij had het in ieder geval niet zien aankomen. De dingen keerden zich, hij begon een jarenlange hetze tegen haar in ellenlange nachtelijke mails.
    In Blauwe nachten schrijft Joan Didion: ‘Kan het zijn dat we pogingen doen om verlating te vermijden? Kan het zijn dat dergelijke pogingen worden bestempeld als “krampachtig”? Moeten we ons de vraag stellen wat daarna gebeurt? Moeten we ons de vraag stellen welke woorden vervolgens opkomen? Is een van die woorden niet “angst”? Is een ander woord niet “onzekerheid”?’

    Er zijn boeken die geschreven moeten worden, Arielle Veerman moest De langste adem schrijven, de andere kant van een leven zichtbaar maken. De rafelige randen en de onvolkomenheden die de ontoereikende mens in dit alles laat zien. Denk aan de achterkant van een stad gezien vanuit de trein. De verveloze kozijnen, vergeten wasgoed en vuilcontainers, gammele schuurtjes, grauw beton, incompleet meubilair. Dingen die verborgen blijven, maar om een beeld compleet te maken gezien moeten worden. Een momentum in een leven, er moet gesproken worden en van de doden niets dan goed. ‘Mijn drijfveer was:’ zegt Arielle Veerman, ‘begrijpen wat er is gebeurd. Ik heb niets weggegumd, ik spaar mezelf niet. Ik heb mijn eigen achtergrond, met gescheiden ouders en mijn jeugddepressie; ook die maakt dat ons gezamenlijk leven zich zo heeft ontwikkeld.’ Een openhartig interview, het boek moet nog gelezen worden, daarover later meer.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV of blijft binnen alwaar ze schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Een missie

    Reinbert de Leeuw is overleden. Ik zal hem nooit zien dirigeren, voor altijd te laat. Ter compensatie bekijk ik de documentaire waarin hij zich voorbereidt op de Matthäus Passion: De Matthäus Missie. Bijzonder, omdat hij zijn hele leven wijdde aan de twintigste eeuwse muziek. Het beeld dat blijft: Reinbert, tenger en grijs, zit op een balkon. Je hoort flarden wind, de stad. Hij beweegt zijn hand met sigaret losjes op de maat van een geestelijke melodie, de voet tikt bescheiden mee. Wat zou ik graag horen wat er in zijn hoofd speelt. Maar het maakt niet uit, ik ga er toch in mee. In een volgende scène vertelt hij met vurig opengesperde ogen dat hij gewoon wéét dat zijn interpretatie van de Matthäus de enige juiste moet zijn. Jaloersmakend overtuigd, maar zonder een spoor van hoogmoed, het lijkt hemzelf ook te verbazen. Het moet gewoon zó. Te bedenken dat we bijna niets over Bach weten, we kennen hem alleen door zijn muziek. Gelukkig componeerde hij erg veel.

    Gedurende de hele documentaire hang ik aan Reinberts lippen en wil ik niets liever dan meedoen, geloven. Yuval Noah Harari stelt in zijn bejubelde Sapiens dat de mens als soort dominantie verwierf, omdat ze het vermogen bezit gezamenlijk in een verhaal te geloven: het intensifeert samenwerking. Koren op mijn molen, de zienswijze achtervolgt me al weken. En het klopt, realiseer ik me, als ik deze week over een eiland lees en er ineens heen wil, heen moet. Het klopt dat de verhalen die we elkaar vertellen aanzet tot beweging, of dat nou via kunst, religie of over zoiets abstracts als geld gaat.

    Dat eiland, iets houdt me nog tegen: het is mijn gebrek aan avonturenlust, een eigenschap die ik trouwens deel met de Mauritius-torenvalk. In biologische termen zijn wij filopatrische soorten, de valk en ik. David Quammen beschrijft in Het lied van de Dodo hoezeer deze honkvaste valk van zijn thuis houdt en hoe hij niet van zins is een nieuwe leefomgeving te zoeken. Ondertussen versnippert en verarmt het landschap onder zijn vleugels. Hij stevent af op uitsterving.
    Ergens tegen het eind van de documentaire verzucht Reinbert de Leeuw dat hij voor de bestudering van de Matthäus nog wel een heel leven voor zich had willen hebben. Het is de schuld van de verhalen, ik moet naar dat eiland.
    (wordt vervolgd)

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap(Atlas Contact).

  • Verdoving

    In Londen werd bij een vrouw een hersentumor verwijderd terwijl ze viool speelde. Ze speelde opdat chirurgen dat deel van haar hersenen, waar precieze bewegingen worden aangestuurd en die op een scherm zichtbaar werden, niet zouden beschadigen. Er ging een foto rond van de vrouw in operationele toestand (zuurstofkapje, infuus), de viool onder haar kin geklemd, arm met strijkstok geheven. Even dacht ik dat het om een nieuwe methode van ‘onder narcose brengen’ ging: mensen dingen laten doen waardoor ze boven zichzelf uitstijgen, grip krijgen op hun geestestoestand. Het leek me niet zo gek. Toen ik eens door migraine aan bed gekluisterd was, kon ik het lezen van de ochtendkrant niet laten. Tot me een interview met Martin Michael Driessen trof. Over zijn schelmenroman De heilige. Ik weet niet waardoor, maar ik werd erdoor gegrepen. Er wrong zich iets in mijn linker hersenhelft, er balde zich iets samen, ik registreerde de woorden, las het interview, en knapte er geweldig van op. De hoofdpijn verdween nagenoeg. Nu dacht ik het bewijs gevonden te hebben dat een goed interview, een intelligent gesprek iets met de hersenen doet waardoor migraine (hersenpijn) verslagen kan worden. 

    In Geluk, een geheimtaal, beschrijft Arthur Japin iets soortgelijks. In een periode waarin hij aan een zware depressie leed, zijn gevoelens afgevlakt, is hij getuige van een mishandeling in de tram. Een vrouw wordt bij het uitstappen door een jonge vrouw in haar rug getrapt. De vrouw valt, de jonge vrouw schopt nog eens. Japin grijpt in, trekt ze uit elkaar. Het slachtoffer vlucht naar buiten, de tram rijdt verder. Als Japin weer zit, wordt hijzelf aangevallen. Een man grijpt hem bij zijn revers, stompt hem, dreigt hem te doden. Dan laat hij hem los, gaat achter hem zitten, om hem even later opnieuw beet te pakken. Dat herhaalt zich een paar keer. Als de vrouw en de man eindelijk de tram verlaten, registreert Japin: ‘Korte tijd leefde ik in het moment. Wat voelt dat goed! Het vóélde. (…) De schrik is te midden van de geestesvlakheid eindelijk een prikkel.’ 

    Japin ontmoet veel bekende mensen, (Vanessa Redgrave, Sandro Veronesi, Barack Obama). Ontmoetingen vinden over de hele wereld plaats, Rio, Londen, Houston, Frankrijk, Rusland. Je zou er jaloers van worden, ben ik ook, want wie zou er niet willen sparren met Stephen Fry? Maar er is een verdrietige onderstroom gelijk deze sombere februaridagen. Japin keert wie hem beschimpt (ja, dat gebeurt in letterenland) de andere wang toe, steeds weer, soms op het pijnlijke af. Er is de zelfmoord van Japins vader die zijn leven bepaalt, en dan Wim Brands, Joost Zwagerman, en zelf hoeft hij eigenlijk ook niet meer. De schrijver die in noodgevallen op zijn best is: ’Het is de rest van het leven waarvan ik in paniek raak.’ Die aangrijpende ondertoon, die laat niet los.

     

    Geluk, een geheimtaal, Dagboeken 2008 – 2018 / Arthur Japin / Privé-domein nr. 306 / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, en leest.

  • Ware angst

    Mijn horrorperiodes bestaan uit het kijken van enge films, al dan niet met mijn handen voor mijn ogen, of het lezen van samenvattingen van enge films. Op deze manier hoef ik Cannibal Holocaust nooit te zien maar heb ik hem ook niet echt gemist.
    Binnenkort verschijnt Schitterend lichaam van de Argentijnse Augustina Bazterrica, een roman waarin onze vleesindustrie wereldwijd is vervangen door mensen. Geen varkenspoten meer, geen kippenvleugels of struisvogelbiefstuk: mensenvlees. Hoe die verwerking eruitziet, wat voor taal daarbij gebruikt wordt en wat voor maatschappij het oplevert, is zakelijk uitgewerkt, bijna klinisch. Juist dat klinische houdt niet alleen Marcos, de hoofdpersoon, maar ook de lezer in eerste instantie op afstand – tot je denkt: ho eens even. En misselijk wordt.

    Daarnaast lees ik de verhalenbundel Growing things van Paul Tremblay. In veel van zijn verhalen, ze wisselen van kwaliteit, zit het enge in wat er niet wordt verteld. Zo interviewt in ‘Something about birds’ een jonge journalist zijn literaire held, naderhand krijgt hij een vogelkopje mee – huid, veren, snavel, geen ogen. Er is iets geks mee (joh!), de vraag is hoever de journalist gaat om erachter te komen wat. Knap gedaan.
    Het enge komt in vele lagen. Spinnen zijn voor sommige mensen een beetje en voor anderen heel eng. Tot op zekere hoogte heeft iedereen angst voor de dood – de eigen of voor die van dierbaren. Sommige mensen zijn bang voor clowns. Terecht. Hoe dan ook is er een buiten-eng en een binnen-eng.

    Buiten-eng zijn de monsters, de aliens, natuurrampen, alles wat gebeurt buiten onze controle om. Binnen-eng is wat mensen zichzelf en elkaar kunnen aandoen wanneer ze in hun eigen donkerte hebben gekeken en die mee naar boven nemen. Donkerte heeft een zekere aantrekkingskracht, daarom maken we er zoveel over: films, verhalen, andere kunstvormen.
    Eigenlijk is The Truman Show een doodenge film. Niet omdat er zoveel gruwelijke dingen in voorkomen, maar vanwege het idee dat er een werkelijkheid bestaat waarin mensen dit zouden pikken – iemand zo filmen is van een ongekende wreedheid. Dezelfde wreedheid zit in de wereld die Bazterrica schetst in Schitterend lichaam en in sommige verhalen van Paul Tremblay (The teacher!). Dat we zelf het monster zijn en weten dat wreedheid bij ieder van ons in kiem aanwezig lijkt, daarin zit de ware angst. Af en toe kijk ik heel even over de rand, de donkerte in, om er dan weer zo ver mogelijk van verwijderd te blijven.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Ruzie kan altijd nog

    De wind buldert rond het huis en ik luister naar radiointerviews van Ischa Meijer. Dat hij vijfentwintig jaar geleden overleed wordt groots herdacht. Ik haal zijn boeken uit de kast. Lees De handzame, zijn interviews, blader door De Dikke Man columns. Luister naar degenen die hem gekend hebben. Ieder denkt te weten waarom Ischa was, zoals hij was. In de jaren negentig kwam ik wel eens in café Eik & Linde, waar ‘Een dik uur Ischa’ werd opgenomen. Tussen de gesprekken door, als de band speelde, zat hij doodgemoedereerd achter een tafeltje (flink) in zijn neus te peuteren. Ischa is een verslaving. Hoe meer ik over hem lees en naar hem luister, hoe dichter ik kom bij iets dat mijzelf raakt. Het heeft te maken met een steeds veranderen van richting, niets mag ooit gewoon worden. De gedrevenheid waarmee hij alles deed, Het is om gek van te worden.

    Ik moet er even uit en neem de bus naar Winterswijk met De zoete inval van L.H. Wiener op zak. 

    L.H. Wiener woont in een appartementencomplex aan het Spaarne, met vloerverwarming, een groot bad waar hij niet uit kan komen als hij erin zou gaan, en met ‘zo’n gluiperig kijkglaasje’ in zijn drie meter hoge voordeur, schrijft hij aan A.L. Snijders in een brief die in de bundel is opgenomen. Net als de (poste restante) brief die hij aan F. Starik schreef. De ene dag bezocht hij met F. Starik een kroeg, de dag daarop schreef hij hem een brief: met ‘een goed gevoel’ terugkijkend op hun cafébezoek. Rekent Starik tot een ‘bevriende mogendheid’. ‘Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen aanleiding.’ De brief eindigt met, ‘Blijf gezond, dat is gewoon het beste.’ Ruzie zouden ze nooit krijgen, Starik overleed de avond dat Wiener de brief verzond. ‘Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.’ 

    Wiener: ‘Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd. / Fantasie speelt geen rol. Verzinnen kan men alles wel. / Vormgeven is de kunst.’
    Ik denk te weten hoe de vork in de steel zit, zijn verhalen zeer eenvoudig zijn, maar kom bedrogen uit.
    Lees dit verhaal, waarin de schrijver een buizerd voor dood op straat vindt. In een vogelhospitaal herstelt de vogel, wordt vrijgelaten in de duinen. Wiener gaat er kijken, in de hoop een glimp van de buizerd op te vangen. Dan wordt het verhaal van een vrij droge vertelling, vederlicht. Er komt een buizerd  op hem af, landt op zijn schouders, richt over  zijn hoofd heen de snavel naar zijn gelaat. Ze kijken elkaar aan. Dan verdwijnt de buizerd. ‘Zo staat het nu geschreven. / En zo is het dus gebeurd. / Voor altijd.’
    Kijk, dit is prachtig, en ik geloof het maar al te graag.

    Ik lees graag verhalen van schrijvers waarvan je amper iets verneemt buiten hun verhalen om. Dat is wel zo rustig. Hoewel ik hier moet oppassen dat de verhalen van Wiener, zoals Snijders met zijn zkv’s, niet verslavend gaan werken. Een beetje ruimte is geboden.

     

    De zoete inval (verhalen) / L.H. Wiener / Uitgeverij Pluim


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Bloedende takken

    Mijn druivenstruik bloedt. Ik had nooit gedacht dat het mogelijk was, maar er druppelt nu al een paar dagen een heldere vloeistof uit. In tuindersboeken las ik dat de druivenstruik bloedt omdat ik te laat ben geweest met het terugsnoeien van de ranken. Als je die niet inkort tussen december en januari, zal het sap in de stam gaan rijzen en zich verspreiden. Snoeien als die stuwing al begonnen is, maakt dat de struik gaat bloeden: hij wordt kwetsbaar voor ziektes, waardoor hij later in het jaar kan afsterven. Ik beken nederig schuld. Maar tot mijn verdediging moet ik zeggen dat ik niet echt te laat was, ik kon alleen niet bij de laatste paar hoge ranken komen met mijn schaar toen ik aan het snoeien was. Ik had mijn trap uitgeleend. Toen ik die weer terugkreeg, mocht ik eigenlijk niet meer snoeien. Maar ik deed het toch en nu vallen de druppels vocht van de snijvlakken, langzaam maar onophoudelijk, alsof ze me willen herinneren aan wat ik gedaan heb. Ze brengen een gedicht uit mijn geheugen naar de oppervlakte:

    Rondeel in de wijngaard

    ‘Wijngaardenier, hoe wordt de oogst dit jaar?
    De schrale snoeischaar van de westenwinden
    zag ik vanmorgen langs de trossen gaan.
    Wil de kwetsuren met honing verbinden,
    vlecht zwachtels van verdriet en venushaar.

    Wijngaardenier, ik sterf van dorst dit jaar
    en er zal niet genoeg zijn om te drinken;
    de raaf strijkt neer in lichaams druivelaar
    en oogst de wijn van minnaars en beminden:
    onder het lover der herinneringen
    streel ik het gras als eens haar donker haar.
    Geef mij je wijngaard om hem leeg te drinken
    en bid God om een goede oogst dit jaar.’

    Mattheus Verdaasdonk (1918 – 1966)

    Ik heb geprobeerd de wonden te dichten, maar niets hielp. Ik voel het gestage druppelen als een verwijt. Als ik langs de druivenstruik kom, durf ik niet op te kijken. De bloedende takken doen me denken aan de doornenkroon die Christus droeg. En ik ben niet eens gelovig meer. Maar ik kan er niets aan doen: een katholieke opvoeding en de wereldliteratuur hebben me voorgoed getekend. Ik heb te vaak de ‘Christuslegenden’ en ‘Kerstverhalen’ van Selma Lagerlöf (jawel, van Nils Holgersson) gelezen om niet te beseffen dat ik een vreselijke, heiligschennende daad heb begaan. Als het niet tegen Christus is, dan toch tegen de druivenstruik. Bid God om een goede oogst dit jaar.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

  • Omdraaien

    Ik ben niet zo’n held waar het idolen betreft. Eens schreef ik een brief aan Hans Warren, zijn Geheime dagboeken kende ik van voor naar achter. Ik dweepte met de schrijver. Die brief verstuurde ik niet. Om Jeroen Brouwers fietste ik een middag door de Achterhoek. Uit zijn Kroniek van een karakter dacht ik te weten waar zijn huis in Exel stond. Stel dat ik hem tegenkwam. Ik fietste heen en weer. Bij een pad naar een huis, gedeeltelijk verborgen achter bomen, stapte ik van mijn fiets. Het was een grijze dag, kraaien scheerden over omgeploegd land, er kwam een auto aan, ik keerde snel mijn fiets en ging er vandoor. Bij de boekpresentatie van De Zondvloed in 1988 bij een boekhandel in Zutphen, liep de straat vol. De schrijver werd buiten geïnterviewd op een soort houten spreekgestoelte. Daarna nam hij plaats achter een tafeltje om te signeren. In een lange rij bewogen we richting schrijver. Vlak voor ik het tafeltje bereikte sloeg de onrust toe, ik stapte uit de rij en liep weg.  

    Ik benijd dan ook Jannah Loontjens. Zij schreef Frida Vogels – de meest onbereikbare schrijver, mijn meest geliefde ooit – een brief. In Als het over liefde gaat, dat ze naar aanleiding van haar fascinatie voor Vogels schreef, schrijft ze dat ze zich op de grens  van een ‘lichte vorm van krankzinnigheid’ bevond toen ze die brief schreef. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen.
    Loontjens schreef haar, ‘de opmerkzaamheid in uw schrijven maakt me rustig’. Het is bekend dat Vogels geen bezoek wenst. ‘Toch is bij mij het verlangen ontstaan u te bezoeken, (…) misschien samen een wandeling te maken. Mocht u dat niet willen of kunnen en mij ook liever niet ontvangen, heb ik daar vanzelfsprekend alle respect voor.’ Dan stelt ze voor of ze een route ergens in Italië, voor haar zou kunnen uittekenen, die zou ze dan gaan wandelen om zodoende toch in haar voetspoor te treden. Ze eindigt met, ‘dat lijkt mij “mieters’ om uw woordgebruik te lenen’.

    Frida Vogels beantwoordt haar brief en stuurt haar de originele aantekeningen (de originele!) van een wandeling die ze in 1968 maakte in Umbrië. Er verstrijken zes jaar voor Jannah Loontjens in 2018 daadwerkelijk op pelgrimage gaat met haar vriend. Ze wil erover schrijven zoals Vogels schreef. Het is een project, een zoektocht naar zichzelf, de ander, haar relatie. De boventoon wordt gevoerd door irritaties naar elkaar, haar verleden, zijn verhaal (door haar vertelt), het zoeken naar hotels en het invullen van achteraf gevonden bijzonderheden over de plaatsen waar ze waren. Alles krijgt net niet genoeg ruimte om iets te kunnen raken. Er daalt niets in. Dat zij meerdere keren, ‘[Frida’s]volgorde voor lief nemen en onze eigen route uitstippelen’, is haast niet te verdragen. Te willen schrijven als Frida Vogels, in haar voetsporen te treden, is een onmogelijkheid gebleken, dat begrijpt de schrijver uiteindelijk ook. Alsof je twee dezelfde polen van een magneet tegen elkaar houdt, ze ontspringen elkaar, stoten elkaar af. Zo lijkt dit boek op een vreemde manier geladen, aantrekkelijk maar ook afstotend.

     

    Als het over liefde gaat / Jannah Loontjens / Uitgeverij Podium (2019)


    Inge Meijer reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Boom

    Bomen moeten het regelmatig ontgelden. Ze zijn makkelijk te beschuldigen: ze nemen de zon weg, verpesten het uitzicht, of vormen een potentieel obstakel voor een dronken automobilist. De zaag wordt er vervolgens ingezet en er verdwijnen mooie, soms monumentale bomen. Alleen als ze gewoon ziek zijn, is er geen sprake van schuld. Het gaat me aan het hart wanneer een boom om de verkeerde redenen wordt omgezaagd. Het duurt al gauw een half mensenleven voordat een boom een beetje omvang heeft bereikt. Ik denk dan altijd aan het gedicht ‘Aan een boom in het Vondelpark’ van Vasalis uit Vergezichten en gezichten:

    ‘Er is een boom geveld met lange groene lokken.
    Hij zuchtte ruisend als een kind
    terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
    Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

    O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
    met slepend haar en met de geur van jeugd
    stromende uit zijn schone wonden,
    het jonge hoofd nog ongeschonden,
    De trotse romp nog onverslagen.’

    Dit gedicht roept de pijn op van verloren gegane schoonheid, hoewel die zelfs na de kap nog blijft bestaan. Ook al zou dit gedicht eigenlijk om een gestorven kind gaan, het blijft ook letterlijk een sterk beeld. Laatst maakte ik een boswandeling en ontmoette een enorme kaalslag. Staatsbosbeheer is tegenwoordig een marktpartij en heeft targets voor houtkap. Dit was een zogeheten productiebos. Het herinnerde mij aan regels van Armando uit het gedicht ‘De waarheid’ uit: Liever niet:

    ‘langs de straten slapen de vochtige lichamen,
    stapels op een hoop verzameld.

    Hier heeft iets plaatsgevonden
    dat op de vage waarheid lijkt.’

    Zoals bekend bestonden er voor Armando schuldige landschappen, getuigen van vreselijke gebeurtenissen, zoals de bossen rond Kamp Amersfoort waar hij dichtbij opgroeide. Bij het begrip ‘schuldig landschap’ komen bij mij automatisch de beelden van de geblakerde bossen uit Australië op. Die doen denken aan een ontluisterend gegeven: dat van de opwarmende aarde, en de ontkenning daarvan door sommigen.

    In de postuum verschenen bundel Toch lijkt Armando de rol van het landschap te relativeren:

    ‘Natuurlijk is de boom gestorven,
    moest de boom dan openbaren,
    een getuigenis afleggen?’
    (‘Boom’)

    Inderdaad. Getuigen doen in het geval van de Australische bosbranden alleen de televisiebeelden, die ons er niet alleen van doordringen hoeveel schoonheid er verloren gaat, maar ook wie de ware schuldige is. Het landschap is hier overduidelijk slachtoffer.

     

    Vergezichten en gezichten / Vasalis / Van Oorschot (1954); Liever niet en Toch / Armando / AtlasContact (2017 en 2019).


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Tomaten en Biesheuvel

    Er was eens een vriendengroep die elkaar gevonden hadden in het korte verhaal. Van de zes vrienden was er een verhalenschrijver, waakte een ander over de juiste woordkeuze, was er een handelaar in verhalen, een verteller, een luisteraar en de zesde voorzag de opbouw van de verhalen van een kritische noot. Eens in de maand troffen ze elkaar in een huis met zes kamers in het Oosten van het land. Dan reisden ze daar met koffers vol verhalen, flessen calvados, wijn, en één paar schone sokken naar toe. Nadat ieder zijn spullen had uitgepakt, de calvados en wijn in de keuken op het drankflessenschap waren bijgezet, kookten ze gezamenlijk een maaltijd. Toen de tomaten gesneden waren, de eieren gekookt, schoven enkele vrienden om de keukentafel en werden de eerste glazen gevuld. De verteller, popelend om als eerste een verhaal te vertellen, vroeg: ‘Duurt het nog lang voor de aardappelen gaar zijn?’ Nog twintig minuten’, zei de handelaar in verhalen.

    En zo begon de verteller, die wachttijd ziet als een lege hand die gevuld moet worden, te vertellen. ‘Ik las in een  boek van fijnbladig papier een verhaal geschreven door een Angstkunstenaar. Een verhaal dat me deed beseffen dat je bij wat je ook onderneemt, op alles voorbereid moet zijn.’ ‘Begin nu maar’, zei de verhalenschrijfster, ‘anders zijn zo de aardappelen gaar’. Welnu: ‘Er waren twee pastoors van plan waren de St. Pietersberg bij Maastricht – bestaand uit een doolhof aan gangen waar zelfs gidsen niet verder dan dertig meter naar binnen durfden gaan – te onderzoeken. Op hun vrije dag gingen ze met een haspel, waarop vierduizend meter dun touw en wat kaarsen de berg binnen. Voor ze het gebergte betraden, ontstak een journalist van een landelijke krant, hun kaarsen. Welgemoed liepen ze door duistere gangen met flakkerende kaarsen, het dunne touw gestaag afdraaiend van de haspel. Na honderden meters wilde de ene pastoor weten hoe donker het nu zou zijn, zonder kaarslicht. Beiden blazen hun kaars uit. ‘Donker hè?’, zei de een. ‘Huu’, zei de ander, ‘Maar we moeten weer verder. Heb jij vuur, lucifers of aansteker?’ ‘Nee, ik rook niet.’ In het aardedonker vielen ze in een kuil, het dunne touw dat ze naar de uitgang moest leiden, knapte en ze stierven een langzame dood.

    Tijdens zulke dagen ontstond er bij de vriendengroep van het korte verhaal, het idee een prijs in het leven te roepen voor de beste korte verhalenbundel van het jaar. Een prijs om het verhaal onder de aandacht te brengen, die de winnaar en niet-winnaars op scherp moet zetten nog meer verhalen te schrijven. De prijs moest vernoemd naar de meest unieke verhalenverteller aller tijden, J.M.A. Biesheuvel, en zo geschiedde. In 2020, het vijfde jaar, viel er een hiaat (te weinig prijzengeld, keuze aanbod te klein), knapte het draadje van geloofwaardigheid (door schrijvers als Sanneke van Hassel, Thomas Verbogt te negeren) en zou de prijs een langzame dood sterven.

    Eert het verhaal en zijn verteller zoals uw vader en uw moeder en God in de hemel in de gedaante van Karel van het Reve, zou Biesheuvel kunnen zeggen. De prijs had hoe dan ook uitgereikt moeten worden.

     

     

    Geïnspireerd op het verhaal ‘Vier mannen’ uit de Angstkunstenaar (1987) in Verzameld werk 3 / J.M.A. Biesheuvel / Van Oorschot.


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Schoonheid

    De onlangs verschenen film For Sama, over de verschrikkingen tijdens de bombardementen op de Syrische stad Aleppo. Hamza werkt als noodarts terwijl zijn zwangere vrouw Waad al-Kateab, door dit inferno ronddwaalt en honderden uren film schiet. Op basis daarvan maakte ze een documentaire, een videobrief voor haar dan nog ongeboren dochtertje Sama, voor als zij groot is. Het doet denken aan een andere documentaire die ik onlangs zag, The Cave, over een ziekenhuis tijdens de bombardementen op Aleppo. Indrukwekkend, en wat een heldenmoed wordt er getoond. Na afloop was het nog lang muisstil in de bioscoop. Bij de uitgang zag je mensen met roodomrande ogen. Ook bij mij drongen tranen om een uitweg. 

    Wat voert mij toch naar dit soort films? Wat dwingt mij? Het maakt emoties los; woede, ontroering, gevoelens van machteloosheid, van beklemdheid, maar ook een beleving van schoonheid. Schoonheid, hoezo schoonheid? Schoonheid is voor mij nauw verbonden met waarheid. Het zoeken naar schoonheid is een menselijke eigenschap en is bepalend voor hoe je in het leven staat. Ik ben altijd op zoek naar schoonheid. Waarom is de film Son of Saul over Auschwitz van László Nemes uit 2015 zo’n schoonheid. Juist omdat hij in zwart-wit is, omdat er heel weinig in gesproken wordt, omdat hij bijna niets van de omgeving laat zien. Daardoor komt de waarheid zo goed tot zijn recht. Om de nauwe band tussen schoonheid en waarheid te smeden is vakmanschap een eerste vereiste. Ik ken binnen de filmwereld maar weinig mensen die hier zo van zijn doordrongen als Tarkovski. Wat een genot om zijn films nog eens te zien tijdens het aan hem gewijde retrospectief door filmmuseum Het Eye. De film Stalker, gaat over diepmenselijke angsten en overstijgt het verhaal.

    Documentaires zijn geen speelfilms, maar ook in documentaires geldt de kunst van het weglaten; niet het tonen van de bommenregens zelf, maar de gevolgen voor de mens waarmee de kijker zich kan vereenzelvigen, kan meeleven. Dat is wat er gebeurt in For Sama en The Cave, op een aangrijpende en prachtige manier. In hun schoonheid tonen ze een verschrikkelijke waarheid. Aleppo is al heel lang een puinhoop, waaraan het zijn faam ontleent. Beelden van een groots verleden en een verschrikkelijk heden. 

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis, schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

     

  • Tragedie

    In 2013 begint Barack Obama aan zijn tweede ambtstermijn, maakt Koningin Beatrix bekend dat zij zal aftreden, wordt Kroatië lid van de Europese Unie, krijgt het Vaticaan een nieuwe paus, wordt het Rijksmuseum heropend, roept de Egyptische regering de noodtoestand uit, wordt de honderdste editie van de Ronde van Frankrijk gereden, zijn in een voorstad van Damascus veertienhonderd doden gevallen door een aanval met zenuwgas, is in Zwolle een zeldzame sperweruil gespot, vindt er een aanslag plaats in een winkelcentrum in Kenia met zevenenzestig doden en worden in Angola in een nacht drieduizend families uit hun huizen verjaagd om plaats te maken voor een van de futuristische projecten van presidentsdochter Isabel dos Santos. Alleen van dit laatste werd geen melding gemaakt.

    Albertina de Fatima woont in 2013 al een kwart eeuw op het schiereiland Areia Branca in de baai van Luanda samen met duizenden anderen, vissers, arme stedelingen. Ze woont met haar familie in een huis dat ze omschrijft als een paleis, is er gelukkig. Ze weet niets van de plannen van presidentsdochter Isabel dos Santos, die het eiland wil omtoveren tot, ’Baai van Luanda’, voor recreatieve doeleinden. Op een nacht wordt het eiland bezet door politie, marine en leger, zeven dagen lang. Net als alle bewoners wordt Albertina haar huis uit gejaagd, opgejaagd. Huizen worden platgewalst. Waarna de bewoners met vrachtwagens vol van het eiland worden afgevoerd en aan een zwerversbestaan beginnen.

    ‘Luanda raast op volle snelheid in de richting van de Grote ramp. Acht miljoen mensen die schreeuwen en huilen en schaterlachen. Een feest, een tragedie. Alles wat er maar kan gebeuren, gebeurt ook. Wat niet kan gebeuren, gebeurt ook.’
    Na de krantenberichten over Luanda Leaks deze week, kon ik niet anders dan Het labyrinth van Luanda, van de Angolees/Portugees schrijver José Eduardo Agualusa erbij pakken. Een roman uit 2009, gesitueerd in Luanda 2020. In een land dat de burgeroorlog die van 1975 tot 2002 duurde, nog steeds niet te boven is. Waar chaos ruimte biedt aan verstrengelde belangen en arme bevolkingsgroepen niet meetellen. De wereld die Agualusa beschrijft in Het labyrinth is complex, bizar en wonderlijk en wordt op een of andere manier inzichtelijker gemaakt door de Luanda Leaks. 

    Albertina woont nu met vier andere families in een hutje van bij elkaar geraapte golfplaten op een oude vuilnisbelt in het centrum van Luanda. Het stinkt er, vliegen en ratten zitten overal. Als Albertina wil baden, wacht ze tot de mannen naar buiten gaan om te voetballen. Op het eiland waar ze woonde, woont niemand meer. Wat doet de tijd met misstanden uit het verleden vraagt een man zich af in Het labyrinth: ‘Alles is veranderd, zelfs het verleden. (…) Wat had u anders verwacht, je kunt geen nieuwe toekomst opbouwen zonder eerst het verleden te veranderen.’
    Wie de wereld wil leren begrijpen, wil weten hoe een Nederlands baggerbedrijf betrokken kon raken bij een Angolees schandaal, leest deze ingenieuze roman van Agualusa, naast de Luanda Leaks. Met het inzicht, komt de verandering.  

     

    Het labyrinth van Luanda / José Eduardo Agualusa / vertaling Harrie Lemmens / Meulenhoff


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.