• Typisch

    Als een boek mijn aandacht trekt, bestel ik dat het liefst gelijk. Alsof er niet genoeg te lezen is in dit huis. En nee, ik zal niet vertellen hoe het is om bij een plaatselijke boekhandel een online bestelling te plaatsen. Hoe boeken uit winkelwagentjes verdwijnen, er geen zoekfunctie is, of winkelwagentjes waarin maar een boek past. Zo anders als bij die grote virtuele boekwinkel. Waar je je karretje vollaadt, het op een ander adres kan laten bezorgen, een boodschap bij kan schrijven, betalen eenvoudig is. Het maakt me tot onbetrouwbare klant van de echte boekhandel. Deze week gaf ik het twee keer op, verliet geagiteerd de online bestelpagina van een boekhandel. Maar daar zou ik het niet over hebben. Ik vroeg me af waarom er na het kijken van Mondo nooit een gedachte aan een boek dat ik zou willen lezen blijft hangen.

    Sinds ik iets mis inzake literatuur op tv, ging ik het boekenprogramma met Wim Brands terugkijken. Meteen begreep ik waarom het nieuwe programma waarvoor Boeken plaats moest maken, niet aanzet tot gretige boekaankopen. Mondo leidt tot ongemakkelijk schuiven op de bank. Kijkend naar een presentatrice die, omgeven door bewegende beelden, een oog dichtknijpt zogauw het gesprek interessant wordt, een soort knipoog (maar het is géén knipoog). Ik zie de prachtige haren die voor of achterlangs een oor gewerkt worden, het rechteroortje dat bevoeld wordt, het veelvuldig bewegende, knikkende, luisterhoofd. Als die buurvrouw, die met een soort gulzigheid de woorden uit mijn mond wil halen, die het al begrijpt nog voor ik uitgesproken ben. Knikkend beamend, door te vroeg gestelde vragen onderbroken, worden woorden van betekenis ontdaan. Door schaamte bevangen glijd ik van de bank. Vanaf de grond, frutsend aan mijn haar, zit ik het programma met geloken ogen uit. Mijn lief vindt dat iedereen een kans moet krijgen.

    Terwijl ik me verbeeld dat in de ogen van de genodigde schrijvers naast ontreddering een verlangen schemert. Verlangen naar een eenvoudige tafel met boeken, een glas water en twee stoelen, tegenover elkaar. Waar de enige afleiding bestaat uit een voorbijrammelende tram, of zicht op water, een haven. Zicht op iets dat geen bedoeling heeft.

    In een aflevering uit 2012 is Wim Brands in gesprek met de regisseur van de film En un Momento Dado, Ramon Gieling. Over zijn boek De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen. Brands stelt vragen die verhalen ontlokken aan de schrijver, tijd speelt geen rol. Hij lokt de schrijver met een,’Toe, vertel nu nog even hoe dat citaat van Luis Buñuel gaat dat voor in het boek staat. Kun je dat? Uit je hoofd?’ Want uit het hoofd, dan staat een tekst pas echt, wordt het een boegbeeld. En de schrijver kon dat, hij sprak: ‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik niet denken aan een wonder. Ik zou gewoon denken: Luis, daar heb je nou weer typisch iets wat je niet begrijpt.’
    Dit was dus zo’n boek dat ik moest hebben. Om de titel, het citaat van Buñuel, en dan die verhalen, schrijnend mooie verhalen, niet te filmen zo mooi.

     

    De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen / Ramon Gieling / Uitgeverij Augustus (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, bestelt boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Nederlands leren

    Twintig jaar geleden begon ik met les geven van Nederlandse taal aan vrouwen van  drieënvijftig verschillende nationaliteiten en dertien verschillende religies. De overheid had bepaald dat de participatiemaatschappij ook voor hen was bedoeld. Iedereen die een bijstandsuitkering had, of de partner, moest het huis uit om op de een of andere manier een bijdrage te leveren aan de samenleving. De vrouwen kwamen hierdoor niet altijd vrijwillig naar les. De meesten waren op latere leeftijd in het kader van  gezinshereniging naar Nederand gehaald, zonder dat ze zich een voorstelling van het leven hier hadden kunnen maken. Ze hadden inmiddels hun eigen netwerk opgebouwd met kinderen en kleinkinderen, buren en landgenoten. Velen van hen waren analfabeet, ook in de eigen taal, maar  konden zich goed redden. De behoefte Nederlands te leren was nauwelijks aanwezig. Dat te veranderen was mijn taak als lerares.

    Terugkijkend heb ik vermoedelijk net zo veel van mijn cursisten geleerd als zij van mij. De vele, vaak persoonlijke verhalen die los kwamen naarmate we elkaar beter leerden kennen. De sprookjes die we uitwisselden, de liedjes, het bijgeloof, de zeden en gebruiken van onze verschillende landen, ik zoog ze al die jaren op als een spons  en bleef me verwonderen over de verschillen maar vooral over de overeenkomsten tussen mensen en culturen. 

    Al lukt het neerhalen van de muren van onbegrip die soms tussen ons in bleken te staan niet altijd. In de gevorderde groepen begon ik elke les met het voorlezen van een gedicht. Die keer had ik gekozen voor M. Nijhoff:

     Het derde land

    Zingend en zonder herinnering
    Ging ik uit het eerste land vandaan,
    Zingend en zonder herinnering 

     Ben ik het tweede land ingegaan,
    O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Toen ik dit land ben ingegaan.

     O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Maar laat mij uit dit land vandaan,
    O laat mij zonder herinnering

     En zingend het derde land ingaan.

     Goede poëzie is meerduidig, iedereen leest een gedicht anders. Wat je eruit haalt, zit meestal in jezelf en als je eenmaal betekenis aan een gedicht hebt toegekend, verander je die niet meer zo gauw. Nooit had ik gedacht dat Nijhoffs spirituele gedicht zó letterlijk kon worden opgevat dat een Turkse cursist de handen voor haar ogen sloeg en in onstuitbare snikken uitbarstte. Het was voor de hele lesgroep een wat ongemakkelijke situatie. Maar het gedicht sloeg wel een bres in de muur waardoor we elkaar beter konden zien. 

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column.

  • Klein kunstproject

    Ik droomde dat er negen broden in de oven stonden. Door een tekort aan fabrieksbroodbakkers was ik tot buurtbakker uitgeroepen. Ik had nog nooit zoveel broden tegelijk gebakken. Het benauwde me, die broden moesten er nu wel een keer uit, maar ik was de oven kwijt. Ik dacht aan de geur van brood, hoe versgebakken brood ruikt. Ik dacht, dan weet ik waar de oven staat. Toen werd ik wakker, rook de geur van mest vanaf het land, ik moest eruit.
    Ik leef al dagen tussen koeienstal en woonwagen. Dat komt door het boek Pingping, van Mariët Meester. Over een jonge vrouw, Lily, die uit Amsterdam vertrekt en in een woonwagen bij een boerderij gaat wonen. Ze wil leven met minimale middelen. Ik fiets met haar mee over landweggetjes, gluur met haar door het raampje van de woonwagen naar buiten, sluit deuren tegen de kou, hoor de koeien in het weiland achter de woonwagen, steek de kachel aan. Leven zonder het snelle gemak van internet, zonder eigen toilet.

    Er ontwikkelt zich een bizar leven. De alleenstaande boerin, waarvan Lily het stukje grond voor haar woonwagen huurt, krijgt een relatie met een man die zomaar komt aanrijden. Hij heet Cor, Corrie voor vrienden, nou dan weet je het wel. Het loopt dan ook niet helemaal goed af, hoewel. Meester schrijft met oog voor het naïeve, het onbenullige in de mens, dat ergernis kan opwekken, tot het vertedert, komisch wordt. Het is een verhaal als een film, een slapstick. Zoals ze met een atletische jongeman in een rolstoel, op pad gaat. Hij had concertpianist kunnen worden vindt Lily (die zelf in Amsterdam telefoonhoesjes verkocht via internet), zo mooi bespeelt hij de vleugel. Deze invalide jongeman is zijn eigen hulpverlener, die moet je niet vragen of je hem even de stoep af zal helpen. Hij doet alles zelf, wat niet meevalt met een verlamd onderlijf. Zoals de mens zijn leven leeft, zo beschrijf Mariët Meester het in haar boek. De realiteitszin is sterk. Ik begon de geuren te ruiken die ze beschreef, koeiendrek, rook van houtvuur in je kleren.

    Lily zit graag met een boek, buiten of in bed. ‘Na middernacht was ze nog steeds bezig in De wand van Marlen Haushoffer, de laatste tijd las en herlas ze het liefst boeken waarin mensen in moeilijke omstandigheden hun waardigheid behielden en die omstandigheden zelfs in hun voordeel ombogen.’ Daar is over na te denken in deze tijd van stilstaande levens.

    Er zijn maar duizend exemplaren van deze roman gedrukt, een gebonden editie met leeslint, oranje kapitaalbandje. Een boek om je vingers bij af te likken. Binnenin, op het derde schutblad staat een vogel, een vinkje afgedrukt, met de hand ingekleurd. In een interview met het NRC zei de schrijver dat ze voor dit boek geïnspireerd was door Material Matters van Thomas Rau en Sabine Oberhuber. Over een wereld waarin niemand ergens eigenaar van is, enkel gebruiker, en doorgeeft wat je niet nodig hebt. Een boek niet als bezit, maar doorgeven aan een ander. Gemeenschapszin bevorderend, duurzame samenleving. Ik ben egoïstisch, want ik zal dit boek niet doorgeven. Het is een klein, mooi kunstobject.

     

    Pingping / Mariët Meester / 272 pag. / €29,90 / Vormgeving Jaap de Ruig / Uitgeverij Caprae


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft binnen en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Gouden tijd 

    ‘Het coronavirus slaat hard toe’; ‘Intensivisten in de frontlinie van de strijd tegen het coronavirus’; ‘Sluipmoordenaar steekt opnieuw de kop op’. De koppen in de media zijn als even zovele uitdrukkingen van angst. Maar ook zit er spanning, avontuur in. Elke dag opent het journaal met de feiten: hoeveel  doden vandaag, hoeveel doden totaal, hoeveel nieuwe IC-opnames. De getallen worden gevisualiseerd in grafieken en staafdiagrammen. Schijnbaar onweerlegbare bewijzen van ons vermogen de natuur onze wil op te leggen. Maar de cijfers kloppen niet. En dat niet alleen, we weten dat ze systematisch veel te laag zijn, dus nepnieuws.

    En toch blijven ze dit nieuws presenteren, want meten is weten. Ons geloof in statistieken is absoluut. Journalisten vragen elke dag opnieuw om harde uitspraken, wanneer is het omslagpunt, wanneer is het vaccin klaar, wanneer mogen we uit quarantaine en kan het gewone leven weer beginnen. Niemand die het weet. Het wordt allengs duidelijker dat het leven waaraan wij gewend waren niet meer terugkomt. De ‘anderhalvemetermaatschappij’ is een krankzinnige gedachte. Virussen muteren voortdurend en volgens virologen liggen er nog hele families van veel gevaarlijker virussen op de loer. De risico’s op uitbraken met mondiale gevolgen nemen door de globalisering en wereldwijde bevolkingsgroei alleen maar toe. Hoe gaat ons leven er uitzien als we niet langer van economische groei kunnen uitgaan. Moeten we naar oplossingen zoeken op internationaal niveau of juist meer nationaal. Of zijn dat begrippen uit de oude doos en moeten we zoeken naar locale, regionale en nationale oplossingen binnen internationale kaders. 

    Hoe valt dit alles te rijmen met waarden als democratie, volkssoevereiniteit, privacy. Lieve help, wat een vragen. Mogen we deze vragen eigenlijk wel stellen. En als ze gesteld worden, mogen we dan zeggen, ‘Nee, dank u, niet aan mij graag. Ik ben niet geïnteresseerd.’

    Het is een gouden tijd voor schrijvers en cineasten. De schrijver hoeft alleen nog maar achter zijn bureau plaats te nemen om in alle rust van de quarantaine zijn boek te schrijven; een beschouwend werk met diepgang, een spannend jeugdboek, een thriller, een persoonlijk drama of wellicht een sprookje met kleurrijke, huiveringwekkende prenten. Angst is een voedingsbodem voor prachtige boeken, bijvoorbeeld over die dekselse jongens van de TU Delft, die er in geslaagd zijn in drie weken tijd een beademingsmachine te bouwen. Jongens van Jan de Witt, iconen van Hollandse vindingrijkheid. Lieve mensen, kunnen wij eigenlijk wel ontsnappen aan dit soort framing?

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • Meebewegende taal

    Na de onrust in de eerste week, de feiten in de tweede en de ernst van dit alles in de derde week, wordt er nu teruggeblikt. Het aantal besmettingen, hoeveel er overleden zijn, alles in statistieken opgenomen. De kansberekeningen opnieuw bijgesteld. Nieuwe feiten naar boven gehaald, oude weerlegd, waarna alles strakker aangetrokken wordt en een heldere overzichtelijkheid overblijft, (overzicht en helderheid zijn deze dagen belangrijke woorden). Er komen steeds meer verhalen van hoe er gestorven is, hoe snel het ging, hoe er geen afscheid genomen kon worden. Het verhaal van een vader en een moeder die met een korte tijdspanne ertussen samen ziek werden, samen stierven. Het kenmerk van hun relatie was, vertelden de kinderen, dat ze alles samen deden, zag je de een, dan zag je de ander. Tot aan het ziek worden en sterven toe. Er was een vrouw waarvan haar man in het ziekenhuis overleed en zij thuis in quarantaine moest, alleen. Haar zoon kon haar niet omarmen, alles op afstand. Je hoopt op iets waarin het afscheid dat nu geen afscheid is, nog plaats kan vinden.  

    En het is waar, alles wat ooit geschreven is en nu gelezen wordt, blijkt een nieuwe betekenis vrij te geven. Alsof taal meebeweegt, zich opnieuw zet naar de omstandigheden. In De twaalfjarige bruiloft van Maeve Brennans (ja, opnieuw Maeve Brennan) lees ik een van haar lange meanderende zinnen die me treft, ‘De doden werden met dezelfde stem vermeld als de levenden, zodat vaders en zusters en neven die al tientallen jaren dood waren en masse door het huis en de boomgaarden en tuinen hadden kunnen rondlopen en zichzelf thuis zouden voelen, net zoals altijd, en ze konden er zelfs op rekenen hun eigen namen en hun eigen gezichten aan te treffen die nauwgezet geregistreerd waren ergens te midden van de generaties die hen opgevolgd waren.’ Het lijkt me opeens van groot belang over de gestorvenen te spreken met dezelfde stem als over de levenden, ze  met je mee te laten lopen door hun namen te noemen, hun namen door te geven.

    Want alles zal weer gewoon worden, toch? (waarop ik vervolgens wilde schrijven, ‘net zoals het nu gewoon is binnen te blijven’ maar dat is niet zo, het wil maar niet gewoon worden). Ze zeggen dat het ergste nog moet komen. Daarmee wordt de economie bedoeld, of iedereen wel uit het dal zal komen waarin we zitten. Of gebeurt, zoals een stem op de radio zei: ‘dat we voor de boodschappen die we nu gewoon zijn te halen, een exceptionele prijs moeten betalen’. Dat we niet meer weten hoe we rond moeten komen, dat we failliet gaan, allemaal. Gelukkig kwamen toen deze dichtregels van F. Starik voorbij: ‘Alles komt goed. Tijd gaat voorbij met een vloek / en een zucht. Wat nieuw is zal oud zijn. Waar je / naar zocht raakt toch zoek. Wat dicht leek kan open. / Donker bleek licht. Blijf hopen. / Alles komt terug.’
    En dat geloof ik maar al te graag. Vrolijk Pasen.

     

    ______________________________________________________________________________

    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en denkt na over een buitenleven. 

  • Overlevers en anderen

    Ergens, diep in de Chinese bossen, vieren de civetkatten feest. Het zal een tijd duren voordat de mensen weer op ze durven te jagen. Ze vormen de mogelijke bron van de huidige corona-pandemie. Zij, of een dromedaris. Ik google afbeeldingen van de civetkat, een middelgrote alleseter met een onsympathiek spitse snuit en een wat gluiperige lichaamshouding. Niet iemand die ik graag tegenkom in het donker. Toch is het niet zijn schuld of van die brave dromedarissen, dat de hele wereld binnen zit, bang, ziek of beide.

    De boeken die ik weken geleden van de bieb leende, hoeven niet terug. De bieb is dicht. Gestaag lees en blader ik mij door de stapel, tot ik uitkom bij de klassieker Zwaarden, paarden en ziektekiemen van Jared Diamond, die ik aanvankelijk om heel andere redenen leende. Maar inderdaad: ziektekiemen. Absurd toeval, maar er is al zoveel absurd. En het is ook niet de schuld van de kippen, de geiten en de ratten die ons al eeuwenlang griep, koorts en pest geven. Het is simpelweg een gegeven. Sinds wij boeren werden en zo’n zesduizend jaar geleden dieren domesticeerden. Sinds dat intieme verbond delen we alles met elkaar: voedsel, arbeid, onderdak en troost. Maar ook elkaars ziektes, zoönosen, zoals dit corona-virus, dat van dier op mens oversprong. Waren we maar jagers en verzamelaars gebleven. Om de romantici onder ons meteen uit de droom te helpen: terugkeren naar deze leefstijl is geen optie, het ‘wilde’ voedselaanbod is al heel lang niet meer toereikend om zoveel mensen monden te voeden en kijk anders bij twijfel de film Into the wild.

    Wat rest? Fictie, om de absurde realiteit te stoven in zijn eigen vocht. Ik lees Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz, dat ik direct na de laatste regels herlees. Om de lucide taal, scherp en soms geestig, om de overlevings-adviezen van het oma-personage, voortkomend uit een Indisch verleden, adviezen tussen twee haakjes die subtiel het zwijgen over oorlogstrauma en het loodzware gewicht van die geheimen lijken te benadrukken, generatie op generatie doorgegeven. Er volgt geen makkelijke oplossing of antwoord. Er zijn overlevers en anderen. Toch stijgt de schrijver, en de lezer met haar, soms boven de prangende situaties uit. Laat de civetkatten maar feest vieren, deze bundel geeft lucht.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap(Atlas Contact).

  • Eigenaardigheden

    Ik ga naar buiten om zeven sprintjes rond het huizenblok te trekken. Wacht de postbode op achter de deur, als hij het pakje op de stoep legt, kom ik naar buiten. In huis ren ik de twee trappen op en af, op en af, ren twintig rondjes om de bank die in het midden van de kamer staat. We moeten blijven bewegen. Daarna zet ik koffie. En nee hoor, ik voel me niet belachelijk wanneer ik dit doe. Astrid Roemer schreef Over de gekte van een vrouw, ik las het voor het eerst midden jaren tachtig. Een heftig boek, veel vrouwenbloed, waanzin en onbestemde gevoelens van de jonge Surinaamse vrouw, Noenka. Het hele boek is een onbesuisde zoektocht naar eigenheid, eigenheid van alle vrouwen. Het verhaal drijft op de emoties van Noenka. Negen dagen na haar trouwdag verlaat ze haar man, hij verkrachtte haar tijdens de huwelijksnacht. In het dorp kan ze niet blijven, er wordt geroddeld, je verlaat je man niet. Als onderwijzeres komt ze niet meer aan het werk. Bezwerend proza, woekerend. 

    Als haar moeder ziek is gaat Noenka naar haar toe, ‘Zo dichtbij ontmoette ik de dood dat ik haar koele omarming voelde. Ik gooide de bloemen weg die ik meegenomen had. Ook de paternoster en de zilveren trommel met zandkoekjes. Een zuster stond bij haar bed. Ze groette. Ik knikte niet terug. Ik wilde stappen achteruit doen, mijn ogen dichtknijpen, mijn neus, maar een magnetische kracht rukte al mijn zintuigen open. “Mama”, riep ik door het doffe dreunen heen. Ik wilde haar tegenhouden, terugroepen, want ik zag dat ze zich ergens anders bevond dan ik. Ergens waar mensen niet worden toegelaten. Daar waar geen grond is voor de voeten, geen hemel voor het hoofd. Ik pakte haar vast: haar lichaam tegen mij aangedrukt, zacht, teer, licht en koel, als een ruiker bloemen, zonder takken en zonder groen.’

    Deze maand zou Astrid Roemer als eerste de serie ‘Grote schrijvers interview’ in De Balie openen. Ianthe Mosselman, organisator van deze serie zou haar interviewen. Daarom was ik opnieuw begonnen met lezen van Over de gekte en Olga en haar driekwartsmaten. De titel alleen zet al aan tot nadenken. Ik had me verheugd Roemer te horen spreken over haar werk, te ontdekken wat haar gedreven heeft. Over vrouwen die zich een weg banen naar zichzelf, over vrouw zijn. Heftige brokken proza die door alle gelaagdheden heen, iets raken, betekenis vrijgeven. Maar goed, alles is afgezegd, uitgesteld.

    Roemers laatste roman Gebroken wit, werd vorig jaar door Persis Bekkering besproken. Bekkering schreef dat het soms leek of Roemer ‘elke poging tot redactie moet hebben geweigerd’. Die gedachte komt onverwijld als je haar werk leest. Maar ook ‘dat je iets mist als je daar te lang bij blijft hangen’. En ja, het zijn deze eigenaardigheden die het lezen van haar boeken tot een ongekend avontuur maken. Daar moet je je aan overgeven om tot enige essentie te kunnen doordringen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Leeslijst

    Als tiener was ik altijd verliefd. Dat zeg ik nogal vaak, realiseer ik me, terwijl niets in mij terugverlangt naar de puberteit. Sterker nog, toen iemand eens zei dat je middelbare schooltijd de mooiste tijd van je leven is, sprak ik dat tegen met de kracht van een norse tiener. Ik had het niet slecht op school maar als dit al het hoogtepunt was, zou de rest van het leven nog wel erg lang kunnen duren.
    De middelbare scholieren hier in huis hebben het, zolang ze niet te veel huiswerk moeten maken, behoorlijk naar hun zin. Verliefdheden zijn verboden onderwerpen, al verschijnen er soms mysterieuze lachjes. Maar wanneer ik de oudste hoor zuchten en denk: ‘O hemel, dat is een verliefde zucht’, dan blijkt het vooral zijn frustratie over het saaie boek te zijn dat hij nu weer moet lezen. Theo Thijssen, De gelukkige klas – nee, niets voor hem.

    Zelf was ik verliefd op zeer onbereikbare mensen: de Kurt Cobainachtige jongen uit de brugklas; de frontman van Rammstein; een grappige leraar, een bloednerveuze gids bij een buitenlandse reis, enzovoorts. De paar jongens die mij wel zagen staan, stopte ik metersdiep in de friend zone. Het ging dan ook niet echt om iemand willen, eerder om het verlangen. Naast onbereikbare mansmensen was ik altijd verliefd op boeken – personages, verhaallijnen, zomaar mooie zinnen.
    Verlangen is de schitterende drijfveer van alles. Ik zie het aan de irritante bamboestruiken in de tuin: verlangen te overleven; aan dementerende ouderen die ineens weer naar een knuffel grijpen, of naar elkaar: het verlangen vast te houden en vastgehouden te worden. Ik zie het aan de katten, die ’s avonds een voor een op bed druppelen; aan de dreumes, die telkens een lapje voor zijn gezicht houdt en het dan weer wegtrekt, schaterlachend opkijkt: een groot verlangen naar contact.

    De oudste puber slaat zijn boek dicht. Eventuele leesliefde is afgesneden door een verplichte lijst die niet aansluit bij zijn wereld en de dingen waarnaar hij verlangt. De gelukkige klas komt uit 1926. Zelf lees ik Karakter van Bordewijk, eerste druk 1939. Ik loop over van enthousiasme, ben verliefd op de taal en de personages (die moeder!). Maar had ik het op zijn leeftijd moeten lezen, onvoorbereid en met tegenzin, was de kracht ervan volledig aan me voorbijgegaan. Naar sommige dingen moet je groeien, leren verlangen. ‘Het interesseert me echt helemaal niets,’ zegt puber over het boek. Of de middelbare schooltijd de mooiste van zijn leven is, ik weet het niet – ik hoop het niet. Laat het mooiste vooral nog komen, zeker wat lezen betreft.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Ontdaan van alles

    Traag en slepend als de motor van de bevoorrading wagens die iedere ochtend met moeite de rotonde naar het dorp nemen, is het leven tot stilstand gekomen. Op de eerste dag luister ik in de vroege  ochtend naar het ontbreken van geluid. Dan een vogel, overdreven luid, alsof er iets gecompenseerd moet worden. Ik denk, ‘rustig, rustig maar, het komt goed’. Op de tweede dag fiets ik langs de uiterwaarden naar de dichtstbijzijnde stad. Aan de IJssel, waar het water over de kademuur stroomt telkens wanneer een boot voorbij gaat, drink ik meegebrachte koffie. Op de zesde dag schrik ik wakker. De stilte beneemt me de adem, er is een onpeilbaar gemis. Niet wetend hoelang ik mijn kinderen, mijn kleinkinderen niet zal zien. Ik onderdruk het verlangen nog gauw even bij ze langs te gaan voordat er – ja, voordat er wat gebeurt. 

    Ik weet niks, en als ik me heb losgerukt van alle nieuwtjes, de do’s and dont’s van deze dagen, struin ik met Maeve Brennan door New York City. We zitten aan een tafeltje in een bar, we kijken naar een man die binnenloopt, om zich heen kijkt, gaat zitten aan de bar, een drankje bestelt, dit opdrinkt, voor zich uit kijkt, afrekent en weer weggaat. Samen zitten we in een restaurant waar niemand binnenkomt. Mensen komen voorbij, staan af en toe stil om met hun hand boven hun ogen naar binnen te kijken. Om te zien of er nog plaats is, en als ze hebben gezien dat er genoeg plaats is, lopen ze door. ‘Binnen gebeurde er helemaal niets totdat er achter uit de eetzaal achterin vijf jongelui tevoorschijn kwamen, op weg naar de straat.’ Brennan brengt me goddank niet van mijn stuk. Alles is zoals het leven zelf, zonder er een mooi verhaal van te maken, te duiden, er is geen roering.

    Op een avond in 1962 verkleedt ze zich om uit te gaan, het is veertig graden Celsius en al laat als ze eindelijk klaar is. Ze snelt de zes trappen af naar beneden, ‘en dat ging prima tot ik bovenaan de laatste trap stond en daar struikelde en hals over kop naar beneden tuimelde. Mijn armen waren smerig en mijn witte handschoenen waren verpest en mijn haar zat los en ik zat op de vloer van de hal te denken dat ik in dat snikhete, vieze huis woonde en huilde van razernij.’
    Ik las deze column voor aan Mijn lief. Mijn stem raakte niet verstikt bij de tragikomische val-van-de-trapscene, ik moest bepaald niet lachen. Daarvoor is het te schoon wat zij schrijft, en weet je wat gek is, deze schoonheid kon ik niet delen. Mijn lief vond er niets aan, maar misschien kwam dat omdat hij de hele dag in de tuin had gewerkt. Ik vind het een gave, zo te kunnen schrijven dat wie het leest geen kans ziet het te vertroebelen met eigen emoties. Daar was dezer dagen grote behoefte aan.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Zonderlingen en buitenbeentjes

    De vrouw naast me in de rij rolde een mouw van haar shirt op en liet me de tatoeage op haar rechterarm zien, de namen van haar vijf katten. Terwijl ik me nauwelijks hersteld had, rolde ze ook de andere mouw op om de namen van haar dode katten te laten zien, gegraveerd op haar linkerarm. Ik mompelde meelevende woorden en vroeg me af hoe het toch steeds gebeurde. We stonden allebei te wachten en zij was begonnen over het weer te praten. Maar zelfs al zou ik de stappen van het gesprek kunnen reconstrueren, dan nog bleef het een mysterie waarom ze mij had uitgekozen als luisteraar. Ik val wel vaker ten prooi aan conversaties met de plaatselijke zonderlingen en buitenbeentjes. Misschien voelen ze dat ik respect voor hen heb, zoals ik dat heb voor iedereen die boven het maaiveld uitsteekt. Het leven zou zonder hen in ieder geval een stuk minder interessant zijn.

    Ook in de literatuur wemelt het van de waanzinnigen, en je hoeft er niet eens voor naar het buitenland. In Waanzin in de wereldliteratuur, het Boekenweekessay van 2015, noemde Pieter Steinz een aantal schrijvers die werden opgenomen in een psychiatrische inrichting:  Gerrit Achterberg, die in een vlaag van waanzin zijn hospita doodde, Jan Arends, en Maarten Biesheuvel, die dacht dat hij Jezus was: ‘Schrijven is een gave van God en krankzinnigheid al helemaal. Je moet een paar jaar in het gekkenhuis hebben gezeten en eruit weten te komen’. 

    Maar Steinz vergat Hans Andreus te noemen. Andreus werd  opgenomen vanwege een ernstige neurose, die hem agressief maakte tegen zijn geliefde. In 1956/57 zou Andreus dit verwerken in de Sonnetten van de kleine waanzin, die beschouwd worden als een hoogtepunt in zijn werk. Van hem is ook het gedicht:

    Geschiedenis

    ‘Hier en daar een dorpsgek
    vecht nog zijn eigen oorlog,
    leunt nog tegen zijn leeggeruimd
    toneel van de wereld en wacht nog

    op volgende week betere komedianten.’

    Alle dichters zijn gek, zei Lord Byron. Goede literatuur heeft een beetje gekte nodig, zegt Steinz. Net als het dagelijkse leven, zeg ik. De kattendame en ik gingen ieder ons weegs, als goede vrienden, nadat ik had gezegd dat ook ik de namen van mijn overleden katten op mijn lichaam droeg, maar dan op een plaats die ik daar met goed fatsoen niet kon laten zien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en veellezer.

  • Moment van genade

    Sinds vrijdag hebben de dagen een andere betekenis gekregen, is er een vertraging opgetreden. Ik ben beïnvloedbaar, gevoelig voor drama, die invloed moet ik bestrijden. Aan de keukentafel overdenk ik mijn stappen, er wil zich geen scenario vormen. Misschien moet ik eerst de vaatwasser uitruimen. Ondertussen komt het nieuws binnen over de toestand in het land, de wereld, het commentaar daarop. Online tips, wat wel en niet te doen, misstanden in supermarkten, welke boeken er gelezen moeten worden, grijp je kans. Boekcovers van De stad der blinden, Nemesis, Liefde in tijden van cholera, De toverberg gaan rond. Nadrukkelijk verzoek te bestellen bij de boekhandelaar zelf. Lezen zonder onderbrekingen, een leeswalhalla, de droom van elke lezer, schrijver. Toch ijsbeer ik van keuken naar kamer en weer terug. Of we niet toch een pak toiletpapier moeten halen vraag ik Mijn lief, en misschien een berg citroenen. De besluiteloosheid, zoekend naar een nieuw evenwicht in deze ongewisse dagen. Mijn aandacht versplintert, niets beklijft.

    Dan zie ik, tussen alle doemdenkersberichten de tweet ‘Grandioze columns van een New Yorkse dame’. Dat zijn nog eens aanstekelijke woorden, ik adem in. Klik de recensie van Arjan Peters open. Columns  van Maeve Brennan, die ze vanaf 1953 als ‘The Long-Winded Lady’ voor de New Yorker schreef. Peters vraagt zich even af of iemand op die oude columns van een New Yorkse dame zit te wachten. En ik denk: ‘Jawel, ik zit hierop te wachten!’ En kijk, recensies doen hun werk, dit boek moet ik hebben. Ik fiets naar het dorp, alwaar het niet bij de plaatselijke boekhandel te verkrijgen is. ‘Nee, nee, ik wil het niet bestellen’, en fiets snel terug naar huis waar ik na enkele klikken het boek in een virtueel winkelmandje plaats. De volgende dag ligt het in de brievenbus. Zevenenveertig columns geschreven tussen 1953 en 1968. Elke column werd in de krant geïntroduceerd met de zin: ‘We hebben weer een bericht ontvangen van onze vriendin de breedsprakige dame’.

    Over broccoli eten in een restaurant (in New York aten ze in 1963 al broccoli!). ‘Toen ik de tong had opgelepeld, richtte ik me op de broccoli. Ik pakte de sauslepel zoals de kelner had gedaan en hield hem boven de broccoli en daarna deed ik hem snel weer terug in de sauskom. Ik kon me niet meer herinneren welke kant van de broccoli eetbaar is. Ik kon het me echt niet meer herinneren.’ (Ze aten broccoli niet met stronk). Het onhandige van vergeten gewoontes, misvattingen, verkeerd inschatten van situaties, dat is waar The Long-Winded Lady over schrijft. Haar overdenkingen leveren ook fijne inzichten op: ‘in onze geest herinneren […] verhalen ons eraan dat we altijd aan het wachten zijn, en ze herinneren ons er ook aan waarop we wachten: uitstel, een moment van genade, iets simpels waardoor we ons ergens over verbazen.’ Ja, een moment van genade in een tijd dat ‘er niet veel aan de hand is op de weg’ er nul km file is en het gewone leven tot nader order is uitgesteld. Lees deze columns van Maeve Brennan.

     

    De breedsprakige dameColumns uit The New Yorker door Maeve Brennan, vertaling Rosalie van Witsen / Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2020


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist even niet met het OV en kan niet zonder een goed verhaal. 
  • Fijne boekenweek

    De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’

    Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
    Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

    ‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

    Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

     

     

    Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal.