• Oerpaardje

    Drie zomers geleden was ik nogal getroffen door een vrouw die het lezen net zo ernstig nam als ik. Ze grossierde in ideeën en had een goeie stem. De rest moge duidelijk zijn. Zij was het die me de Eifel aanraadde. Je had er die vreemde meren, maar wat de doorslag gaf – niet onbelangrijk voor een huiverige reiziger,  je was er zo. Ik ging. Niet met haar, zo was onze verhouding niet. Ik ging met vriendin A.
    De Eifelmeren worden ‘maren’ genoemd. Ze ontstonden tienduizenden tot miljoenen jaren geleden door vulkanische explosies, diep in de grond. Dit resulteerde in komvormige trechters die zich later met water vulden. Ze zijn daardoor soms griezelig diep. Als oude ogen liggen ze verspreid in het landschap. Naar het midden zwemmen durfde ik niet, dat is het nadeel van het hebben van een levendige fantasie. Want natuurlijk houdt iets zich daar schuil, daar beneden. Je hoeft enkel te verzinnen wat. Vriendin A. sprong nog van een hoge duikplank, ik stak vanaf de kant een duim op.

    Er was ook een Maarmuseum. We waren tenslotte in Duitsland, waar ieder zichzelf respecterend stadje een lokaal natuurhistorisch- of Heimatmuseum heeft. Ik haalde A. over, we gingen erheen en werkten ons een weg door de plaatselijke ammonieten, maquettes van maren, stoffig opgezette dieren, vergezeld door paginalange uitleg in het Duits. De pijlen her en der begonnen op te vallen. Ze leidden ons naar een kleinere ruimte. Boven de ingang stond: das weltberühmte Eckfelder Uhrpferdchen. We stapten naar binnen en daar was ze: een rommelig fossiel ter grootte van een middelgrote hond, vier poten en een kop. Ze bleek bovendien zwanger te zijn. Dorstig had ze misschien uit het maar willen drinken, was uitgegleden en had met die dikke buik nooit meer de kant bereikt. Ze zakte die tomeloze diepte tegemoet, fossiliseerde en werd 45 miljoen jaar later opgegraven. Ach, paardje. 

    Bewustzijnsvernauwing ligt op de loer, nu de wereld op slot is. De geschiedenis van het oerpaardje helpt me daartegen, evenals de korte verhalen van Tsjechov, die ik pas recent ontdekte. De vederlichte stijl gecombineerd met een existentiële strekking, geeft een hallucinant effect. In het verhaal De zwarte monnik praat de magister Kovrin met een luchtspiegeling die hij de zwarte monnik noemt. Deze figuur drukt hem op het hart te geloven in zijn eigen uitverkorenheid, dat hij de eeuwige waarheid dient. Ik raak tijdens het lezen samen met Kovrin in extase, wanneer de monnik zegt: ‘Mijn vriend, gezond en normaal zijn alleen de doorsneemensen, de kuddedieren. Beschouwingen over de nerveuze eeuw, over uitputting, ontaarding en dergelijke kunnen alleen die mensen ernstig verontrusten die het doel van het leven in het heden zien, de kuddemensen dus.’ Hij is daarna tot in zijn haarvaten bezield en gelukkig, de arme Kovrin.
    Niet vergeten dus, het dienen van de eeuwige waarheid. 

     

     

    Uit: De dame met het hondje / Anton Tsjechov / Vertaald, geselecteerd en ingeleid door Marja Wiebes en Yolanda Bloemen / Uitgeverij L.J. Veen Klassiek


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Monotoon leven

    Ik ging eropuit die tweede dag na de lockdown, alleen uiteraard. Liep over zandwegen met kuilen volgelopen met regenwater. Zag een torenvalk in de top van een kale boom. Hij spreidde vleugel voor vleugel zijn veren breeduit, pikte erin met zijn snavel, schudde zijn staartveren, koesterde zich in het zonlicht. Ik kon behoorlijk dichtbij komen, ook een torenvalk verlegt zijn prioriteiten, wordt roekeloos als het licht op hem schijnt. Toen vloog hij met veel misbaar omhoog, van me weg. Verder lopend, kwamen er gedachten in me op die het gevolg waren van wat ik op de radio had gehoord. Ik denk nooit aan wc papier, nu drong het zich aan me op, moest ik dat nu bij de Action halen, om de supermarkten te ontlasten? Dat had iemand van de retail gezegd, het klonk logisch. En of ik voor mijn koffie dan naar de Hema zal gaan, en kaarsen, zijn die essentieel? Ik vroeg me opeens af of ik mijn krant nog wel bij de supermarkt kon halen, zo niet, waar dan als de Primera alleen open is voor postpakketjes. 

    Ik dacht: zal ik iemand een boek sturen, ik heb er genoeg. En als ik dan binnen ben bij Primera, ach, dan pak ik gewoon een krantje mee. Toen zag ik beelden van die meneer in het journaal voor me, met dat pak printpapier van de Hema onder zijn arm. Dan denk ik, Andy Warhol, dat in de toekomst iedereen zijn 15 minuten van beroemdheid zal hebben. In die toekomst leven we nu, zaak is het hoofd koel te houden. Thuis kwam Pessoa erbij, die over alles geschreven heeft, ook over essentiële zaken en roem. In het geweldige Kroniek van een leven dat voorbijgaat, vertaald en samengesteld door Michaël Stoker, lees ik in Een brief aan een toekomstig genie, ‘Roem is een vorm van onbeleefdheid. Jezelf voortdurende in de kijker spelen is verachtelijk. De werkelijk superieure mens is zich geheel bewust van zijn superioriteit zonder oog te hebben voor de superioriteit die anderen in hem zien of in hem missen.’ Een nadenkertje, gaat het over de blinde vlekken in het beeld dat ieder van zichzelf creëert? Verdraaid, naast dichter, filosoof, is Pessoa ook therapeut. 

    In wat Pessoa ‘een overdenking voor toekomstige generaties’ noemt, gaat hij uit van de gedachte dat het leven in essentie monotoon is. ‘Geluk bereik je daarom vooral door je in aanvaardbare mate aan te passen aan de monotonie van het leven. Door onszelf monotoon te maken, stellen we ons gelijk aan het leven, hetgeen, kortom, voluit leven is. En voluit leven betekent gelukkig zijn.’ Een vorm van geluk die ik verdragen kan, want, ‘Zich overgeven aan monotonie betekent alles steeds als nieuw ervaren. De burgerlijke blik op het leven komt overeen met de wetenschappelijke blik, want alles is feitelijk steeds weer nieuw: vóór vandaag is er immers nooit een vandaag geweest dat exact zo was als de dag van vandaag.’ Maar schreef Pessoa, ‘Het moge duidelijk zijn dat de burgerman niets van dit alles zal toegeven. Als hij tot een dergelijk inzicht zou zijn gekomen, dan zou hij niet gelukkig kunnen zijn.’ Ach, die discrepantie tussen gelukkig zijn en gelukkig zijn. Vrolijk kerstfeest allemaal en moge het een monotoon 2021 worden!

     

     

    Kroniek van een leven dat voorbijgaat / Fernando Pessoa / 351 blz. / vertaling en samenstelling Michaël Stoker / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, wast haar mondkapjes.

  • De waarheid van Old Shatterhand

    Zijn hele schrijvende leven probeerde Karl May (1842 – 1912) twee geheimen te bewaren. Hij verzweeg dat hij als jongeman vanwege kruimeldiefstal en oplichting in de gevangenis was terecht gekomen, en hij loog zijn lezerspubliek voor over de romanpersonages Old Shatterhand en Winnetou. Wanneer men aan hem vroeg of hij zelf al die avonturen had beleefd, dan antwoordde hij daar resoluut bevestigend op. Natuurlijk! Met zijn Henri-buks en Berendoder had hij als Old Shatterhand het Wilde Westen minder wild gemaakt, vreedzamer, christelijker. Om zijn bewonderaars te behagen, gaf hij hen blauwzwarte paardenharen cadeau onder het mom dat ze van de dode Winnetou kwamen. Alleen, Karl May had nimmer over de prairies gedoold. Hij verzon zijn eigen werkelijkheid. 

    Ik las de avonturenromans van Karl May tussen mijn negende en vijftiende jaar. Vijftig dikke pockets uit de befaamde Prismareeks, allemaal met een nummer op de rug, mijn verzamelinstinct werd geboren. Nummer twee heette Old Shatterhand. Nog steeds betrap ik mezelf erop dat ik bij zijn naam denk aan een bejaarde man die voortdurend met zijn hand trilt of schudt. Waarom heb ik al die deeltjes, met veelal spannende titels als De schat in het Zilvermeer of Door het woeste Koerdistan willen lezen? Was het vanuit plichtsbesef? Je maakt af waaraan je bent begonnen, zelfs tegen heug en meug. Eigenlijk waren de uitgesponnen landschapsbeschrijvingen waar May patent op had voor een kind uit de jaren zeventig best saaie lectuur.  

    Veel herinner ik me niet meer van al die boeken, behalve dan dat de pagina’s weinig lucht tussen de regels boden. Verder vertel ik graag, wanneer iemand geïnteresseerd is, hoe Old Shatterhand met leugen en waarheid omging. (Al vraag ik me nu af of mijn herinnering klopt, ik blader een paar deeltjes door zonder de passages terug te vinden.) Old Shatterhand loog als rechtschapen christen nimmer, terwijl hij wel in situaties terechtkwam waarin het opbiechten van de waarheid gevaarlijk kon zijn. Zijn oplossing: vertel je vijanden alleen dingen die kloppen, dus lieg niet, maar hou cruciale informatie achter. 

    Recent dacht ik daaraan toen mijn partner vertelde over zijn taalkundecollege over de maximes van Paul Grice. In de theorie van Grice ga je er vanuit dat iedereen zich houdt aan het coöperatieprincipe, namelijk dat wat je zegt ook waar is en zo volledig mogelijk. Als je aan een collega vraagt: ‘Hoeveel kinderen heb je’ en hij antwoordt dat hij twee zonen heeft, kijk je toch vreemd op als je bij een bezoekje drie zonen en een dochter aan tafel ziet zitten. Letterlijk is het geen leugen, je collega heeft (ook) twee zonen, maar erg coöperatief was zijn antwoord nu ook weer niet. Het is precies hoe Old Shatterhand met de waarheid durfde te spelen zonder gewetenswroeging te krijgen. 

    Het ging mij uitstekend af om ook als Old Shatterhand de waarheid te spreken.  De innemende jongen uit de hoogste klas die tegen mij zei: ‘Ik zie jou nooit met een meisje’, antwoordde ik vlot met, ‘Ik kom nu al niet met mijn geld uit.’ De dubbele bodem in zijn eigen opmerking – de jongen lakte de nagel van zijn linkerpink roze en droeg gebloemde vestjes – drong pas bij thuiskomst tot mij door. Het kost nu eenmaal meer moeite om de Old Shatterhand in de ander te herkennen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider, in zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben. Begin dit jaar verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil.

     

     

  • Beleefdheid en ander ongemak

    Beleefdheid, galanterie is een manier om de regie over te nemen van andermans leven. Schrijfster Frida Vogels heeft daar niets mee. Daarom lees ik haar boeken zo graag, om het eigene, niets conform de regels der omstandigheden.
    Deze zomer verscheen er zomaar nieuw werk van haar. Over de vader van haar man, Artenio (Ennio). Vogels vertrok in 1954 naar Milaan, waar ze in een studentenhuis haar man ontmoette. Ze stond te wachten op haar koffie toen een donkere jongen naast haar kwam staan, ook koffie bestelde. Bij het afrekenen betaalde hij gelijk haar koffie. Dat stoorde haar, dat ongevraagd met haar bemoeien. ‘Het ergerde me, en ik liep zodra ik mijn koffie op had zonder te bedanken weg.’ 

    De vader, Salvatore De Matteis werd door zijn aangetrouwde familie ‘behandeld met een verachting die mij razend maakte, maar hem zo te zien koud liet.’ Salvatore ging tot zijn twaalfde naar school, werd wijnbouwer, las later boeken van Marx, Engels, Rosa Luxemburg. Liep met notitieboekjes op zak, die hij maakte van ‘blaadjes papier van verschillende soort en grootte die hij met naald en draad aan elkaar naaide.’ Als hij zeventig is, hen in Bologna opzoekt, laat Ennio hem een wiskundetijdschrift zien waarin een artikel van hemzelf staat. Zijn vader wil er een exemplaar van meenemen voor de bibliotheek van San Severo. Ennio vindt dat belachelijk, ‘dat leest niemand’. Zijn vader vindt dat als het gepubliceerd is, er belangstelling voor is. Waarop Ennio’s zegt, ‘Als ik het overlees, begrijp ik het zelf niet eens meer.’

    ‘Hoe bedoel je dat, dat je het zelf niet begrijpt?’ vroeg zijn vader argwanend.
    ‘Omdat het moeilijk is. Ontzettend moeilijk! Je moet je erin verdiepen om het te kunnen begrijpen.’
    ‘Oja’, zei zijn vader, gerustgesteld, ‘het zal geen gemakkelijke lectuur zijn.’
    ‘Om dat mee te nemen naar San Severo is idioot,’ zei Ennio.
    ‘Je weet nooit hoe het te pas zou kunnen komen,’ zei zijn vader. ‘Bijvoorbeeld, als een Sanseverese jongen die vooruit wil komen in de wereld zich een idee wil vormen van de nucleaire wetenschap. Dan zou hij jouw artikel kunnen lezen om een indruk te krijgen.’
    ‘Dat is onzin!’ zei Ennio kwaad, ‘je weet niet wat je zegt!’
    ‘Net als iemand die in een diepe put kijkt,’ vervolgde zijn vader. Hij boog zich een beetje voorover. ‘Het is niet dat hij in die put wil afdalen. Hij wil er alleen maar eens in kijken. Hij denkt: nu wil ik wel eens zien hoe griezelig deze put is.’ Hij richtte zich weer op, grinnikend.’

    Fijn opgetekende gesprekken, waaruit een beeld ontstaat van een man die een eigen gedachtegoed ontwikkelde, eenvoudig en aantrekkelijk. Dit boekje is een ware kleinood, waarin hier en daar ook wat over haar huwelijk wordt losgelaten. Zo vroeg Ennio haar na drie weken kennismaking ten huwelijk, waarop ze prompt ‘ja’ zei. ‘Het heeft daarna nog jaren soms moeizaam leven met ons tweeën gekost voor ik mijzelf ervan kon overtuigen dat die Pavlov-reactie het juiste antwoord was geweest.’ Dat zijn mooie berichten vanuit Bologna, dat al die bezwaarlijke moeilijkheden waarover we lazen in De harde kern en Dagboeken, niet umsonst waren. Stemt moedig voor de moeilijke huwelijken onder ons.

     

     

    De vader van Artenio / Frida Vogels / 100 blz. / Van Oorschot (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft na de laatste persconferentie nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

     

  • Nut van poëzie

    Herkent u dit? Je bent uitgenodigd voor een groot feest, maar kent alleen de gastvrouw en de hele avond heeft er nog niemand iets tegen je gezegd. Of vrienden hebben gevraagd of je naar hun bruiloft komt, maar in de feestvreugde is iedereen vergeten dat jij de enige bent die geen Turks verstaat. Of je zit in een saaie vergadering op een warme middag en je dreigt in slaap te vallen. Of je moet heel lang wachten voordat je ergens aan de beurt bent. Andere mensen pakken dan hun smartphone om hun verlegenheid en verveling tegen te gaan, maar op mijn Nokia kan ik alleen maar Snake Xenzia spelen. En ook al heb ik altijd een boek bij me, ik durf niet zomaar overal te gaan zitten lezen. 

    Maar als mij niets meer overblijft, rest nog de poëzie. Ik put bij zulke gelegenheden uit mijn geheugen om de tijd te verdrijven en mijn sociale onhandigheid te maskeren en reciteer in gedachten gedichten die ik op school van buiten moest leren, want dat was vroeger de kern van poëzieonderwijs. Zo trekken de fabels van La Fontaine aan me voorbij en alle vijftien coupletten van het Wilhelmus, de gedichten van Kees Stip en Annie M.G. Schmidt, maar vooral de ‘Gezwinde grijsaard’ van P. C. Hooft uit 1611. 

    Gezwinde grijsaard die op wakk’re wieken staag
    de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
    altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
    doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht bij daag;

    onachterhaalb’re Tijd, wiens hete honger graag
    verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
    en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
    voor iedereen te snel: hoe valdie mij zo traag?

    Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
    de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
    met arbeid avondwaards. Uw afzijn valt te bang

    en mijn verlangen kan den Tijdgod niet bewegen,
    maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
    dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.

    Mijn geheugen is niet meer zo goed als vroeger en hoewel het sextet een makkie is, blijf ik vaak steken in het octaaf. Ik hoop dat mijn gezicht ondertussen een betrokken en intelligente uitdrukking heeft aangenomen, zodat het niemand zal opvallen dat ik slechts lijfelijk aanwezig ben, maar meestal toont mijn buitenkant het omgekeerde van wat er zich van binnen afspeelt en zie ik eruit alsof ik nog niet tot tien kan tellen. Een vriend van me, behept met dezelfde ongemakkelijkheid in gezelschap, vervoegt in dergelijke situaties altijd de Latijnse onregelmatige werkwoorden, maar daar begin ik niet aan, dan zie ik er waarschijnlijk helemaal uit als een zwakhoofdige Teletubbie. Maar aan het nut van poëzie hoeft wat mij betreft niet getwijfeld te worden.
    Dus mocht u me zien in een wachtkamer, voor een stoplicht, of bij een lezing, met mijn mond half open en mijn ogen scheel van de inspanning, wees niet ongerust. U hoeft geen hulp te halen, er is al een grijsaard die mij gezwind bijstaat.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Broosheid en de beer

    Zondagnacht was het min vier graden. Ik werd er telkens even wakker van, voelde dan aan mijn neus, die als een thermometer de omgevingstemperatuur opnam, en tjee, wat was die koud. Waarna ik onder het dekbed kroop, mijn neus  in een holletje van duim en wijsvinger warmde, verder sliep. ’s Morgens waren bomen, struiken, de auto’s in de straat met een laagje rijp bedekt. Tijd voor mijn rode, knielange trui, dacht ik. De dikste die ik ooit kocht, het minst gedragen. Ik zocht in elke kast. Dingen die je niet vaak gebruikt of nodig hebt, raken ergens achterop, tot ze op onverklaarbare wijze verdwenen zijn. Net zoals mensen uit je leven verdwijnen, al zitten ze nog zo goed geborgen in je geheugen. Pas als ze gestorven zijn, komen ze tevoorschijn, als toegift. De laatste tijd lees ik met meer dan gewone belangstelling over familie. Over broers die anders zijn, onbegrijpelijk onhandig zijn.

    Charlotte Mutsaers schreef na de dood van haar broer de roman Harnas van hansaplast. Ze heeft haar broer jaren niet gezien als ze hoort dat hij dood gevonden is, in bed, onder ontluisterende omstandigheden. Ze schrijft dat ze woest wordt als ze aan haar broer denkt, ‘Die bij de geringste tegenwerking een driftbui kreeg, in katzwijm viel of dreigde met zelfmoord. Rotzak die je was, rot op. Waarom zou ik me voor zo’n Kleingeist uit gaan sloven; ik houd toch van grandeur?’ Maar dan smelt ze, denkt, ‘godverdegodver, kon hij het ook helpen?’
    In Big Brother van Lionel Shriver leidt de broer van Pandora een onverantwoord leven. In de jaren dat ze elkaar niet zagen, is hij ongelofelijk dik geworden, en dakloos. Ze neemt hem voor een verblijf van een maand in haar gezin op. Kostbare meubels en haar huwelijk sneuvelen onder zijn gewicht. Pandora trekt met haar broer in een motel om hem 80 kilo te laten afvallen. Voor dit boek stond Shrivers eigen broer model nadat ze hem een keer met kerst bij haar ouders trof, kwaad werd om zijn door overeten verknalde leven. 

    Esther Gerritsen schreef over een broer en zus die geen contact meer met elkaar hadden, tot hij belt om te zeggen dat zijn been geamputeerd moet worden, door verwaarloosde diabetes. Woest is ze, dat hij het zover heeft laten komen. Toch laat ze alles uit haar handen vallen om bij hem te zijn. Maar het mooiste wat ik las over broers en zussen is het geweldige boek Opgebouwd uit hetzelfde, Broers en zusters in de literatuur van Jan Fontijn. Hoewel het uitgangspunt de zusterrelatie is (Fontijn had er zes), biedt het boek nieuwe zienswijzen. Zoals, ‘Een kind registreert al vroeg wat er thuis aan de hand is (…). Een goede ouder speelt daarop in. Gebeurt dat niet dan is de beer los. De relatie tussen broer en zuster is broos. Er hoeft maar iets te gebeuren of zij gaat kapot.’ Zo simpel is het, de broosheid en de beer. Nu verder.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

  • De uitverkorene

    Voordat ik er erg in had, geloofde ik in God. Ik verliet de wereld van de sprookjes van Grimm, Perrault en Andersen en belandde, slechts twee straten verder, op een Dudokschool met de bijbel. Ik kwam in een klas met kinderen die als de juf ‘eerbiedig’ zei, als vanzelf de voeten sloten, de rug rechtten, het hoofd bogen en hun handen gevouwen op de rand van de schoolbank legden. Ze zongen, ook als vanzelf, onbekende liedjes die psalmen of gezangen werden genoemd. Mijn handen bleven in mijn schoot toen de juf vroeg wie er op zondag naar de kerk ging. Tussen de schare gelovigen zat ik, ongedoopt en ontheemd. Het moet paniek zijn geweest waardoor ik nu nog Proustiaanse herinneringen krijg aan dat eerste jaar op de lagere school als ik schoolkrijt en schoolbanken ruik en de geur van muffe kleren. 

    Ik observeerde en zweeg. Een houding die ik in de loop van het schooljaar moeiteloos koppelde aan hoe God zich in het dagelijks leven gedroeg. Geloven in iemand die je niet kon zien, voelen of ruiken – het kostte me geen enkele moeite. Misschien vond ik zijn onzichtbaarheid eerder een prettige bijkomstigheid. Ik wilde met Hem goede maatjes worden, net zoals Mozes. Elke ochtend opende de juf met een aflevering uit zijn leven. Het boek Exodus afgeslankt tot een avonturenroman. Ze had illustraties uitgeknipt en die werden als geheugensteun voor de leerlingen bij de deur van het klaslokaal opgehangen. Mozes maakte zoveel indruk op mij dat ik de weekenden, onderbrekingen van het vervolgverhaal, verfoeide. 

    Mozes was, vertelde de juf, verbaal minder begaafd dan zijn broer Aaron. Dat nam hem voor mij in. Ook ik sprak nauwelijks en als ik iets wilde zeggen werd ik zo overspoeld door emoties en gedachten dat ik mezelf alleen met gebaren en kreten kon verduidelijken. Er werd ernstig aan mijn geestesgesteldheid getwijfeld terwijl ik ervan uitging dat iedereen mijn gedachten kon lezen met evenveel gemak als dat ik de gedachten van anderen begreep, zonder dat er een woord was gevallen. Mozes, brabbelaar en held – met God als handlanger die tien plagen bracht, de Rode Zee spleet en vervolgens alle vijanden door het water liet verslinden. Mozes die zo ontzettend boos kon worden en daarom de stenen tafelen op de rotsen kapot smeet, alleen maar omdat het volk rondom het Gouden Kalf danste.  

    Bidden deed Mozes ook, maar niet zoals de juf en mijn klasgenoten. Op de plaatjes bij de deur hief hij zijn armen in de lucht en hield hij zijn kin schuin omhoog, een beetje trots. Ik zag dat God en Mozes een bijzondere band met elkaar hadden  – vriendschappelijker, meer op gelijke voet. Een band die ook bij mij paste. Later zou ik, met het leven van Mozes als best practice, de klas naar het beloofde land loodsen. Waarom en hoe, en of de kinderen daar op zaten te wachten, ik had geen idee, maar ik was ervan overtuigd dat ik voorbestemd was voor iets dat mijzelf oversteeg. Op een ochtend markeerde ik mijn positie: na het ‘eerbiedig’ van de juf hief ik mijn armen op als Mozes. En net als Mozes kon ook ik driftig worden.

     

     

     


    Eric de Rooij (1965), schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider schrijft columns over boeken die iets voor hem betekend hebben. Begin dit jaar verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil.

     

  • Verhalen verzinnen

    In het noorden lijkt alles kouder, stugger, grijzer. Het land van Domela Nieuwenhuis en Troelstra. Mijn grootvader was een sociaal-anarchist, die, toen hij eenmaal bij ons inwoonde omdat niemand hem wilde hebben, me elke zaterdag een gulden in de hand drukte. Me aansprak met ‘wicht’ en zei: ‘Niks zeggen’, terwijl hij loeihard mijn hand dichtkneep. En weg moest ik. Dat was Groningse humor, begreep ik later. Spannend was het wel, zo’n man die enkel sprak als hij het ergens niet mee eens was, zijn zachtgekookte eitje te lang gekookt had. Hij was directeur geweest bij de Gasfabriek, in de oorlog saboteerde hij Duitse acties. Maar daar had hij het nooit over. Ik lees over zulke stugge mannen in Canisius, een novelle van zompige modder, tochtige verblijven, armoede, alcohol en pakken wat je pakken kunt. Ellende is een prikkel om te gaan fantaseren, ‘iemand die niets is wil iemand worden’, (parafraseer ik Wim Brands). Dat is geen liegen, dat is iets van je leven maken, omdat dat leven niets voor je in petto had, verzin je een leven. 

    Het verhaal gaat over Petrus, geboren na een verkrachting, een bastaard, simpel van geest. Door noodlottige omstandigheden in de eerste oorlogsdagen, trekt hij te voet van noord naar zuid Nederland. Hij komt in een haven te werken, waar de jongens hem willen hem testen door hem in elkaar te slaan. Als verweer roept Petrus dat als ze hem iets doen zijn oom, baas van de pooiers in Groningen, ze zou weten te vinden. ‘Hij ratelde een absurd verhaal af over Groningse pooiers die op paarden het noorden doorkruisten en die de rijken bestalen om het geld te verdelen onder de hoeren. … het werkte… En zo ontdekte Petrus zijn grootste talent: het verzinnen van verhalen.’ Zijn verhalen vormen zijn leven, brengen hem naar de verkeerde kant van de geschiedenis. Hij komt in Duitsland, wordt opgeroepen voor de Wehrmacht. En hij gaat naar het oosten om de Russen tegen te houden. Hij ziet enkel wat hem wordt opgelegd, nooit het grote geheel. Na de oorlog voelt hij wroeging, schuld over de wereld waarin hij zich heeft laten opnemen.

    Deze Petrus is een oom van de schrijver die eind jaren negentig spoorloos verdween in Antwerpen. Het laatste wat hij van hem te weten kwam was uit een Vlaams tijdschriftartikel. Dat hij dompteur was geweest in het Russisch staatscircus, daar een arm verloren had. Aan de andere kant waren er de gegevens dat hij een collaborateur was. De schrijver had zijn oom wel eens ontmoet, omschrijft hem als een ‘zachtmoedige dwaas’ met een witte baard. ‘Hij was een sterk verhaal in levende lijve, en als hij zijn leven verzon, waarom zou ik dat dan niet mogen, dus ik was vastbesloten zijn verhaal te herschrijven.’ En dat deed hij, het is een geweldig verhaal geworden van een jongen die zich verstoten voelt, een man die geen keuzes maakt. God wat een tijden, wat een rauw verhaal, uit het noorden, met compassie geschreven.

     

     

    Canisius / Lammert Voos / 142 pag. / Uitgeverij AFdH (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

  • Wrijving

    Stel je een schaatser voor op een spiegelgladde ijsbaan. Het ijs is zo glad, dat er geen enkele wrijving is. Wat er dan gebeurt met die schaatser, is helemaal niets. Die komt nooit in beweging. Dit is, vertelde mijn natuurkundeleraar ooit, alleen theoretisch mogelijk. In de echte wereld is er altijd wel ergens wrijving.

    Dat alleen wrijving beweging geeft, bewijst ook het boek De jaren van Annie Ernaux, in 2008 verschenen en geweldig vertaald door Rokus Hofstede. Het boek is een chronologische verzameling van observaties, persoonlijke herinneringen, politieke en maatschappelijke gebeurtenissen. Dit wordt verteld vanuit het perspectief van een vrouw in Frankrijk, over een periode van 1941 tot 2006. Het schijnbaar onbenullige en particuliere wisselt ze moeiteloos af met de wereldgeschiedenis zoals we die allemaal in grote lijnen kennen. Zoals herinneringen zich voordoen als een beeld of  ultrakort filmfragment, soms met terugwerkende kracht aan betekenis winnen of verliezen, hoe ze in of uit hun context geplaatst kunnen worden, dat ze bij ons blijven of juist verdwijnen en dat die hele warrige optelling ons maakt tot wie we zijn, zo schrijft Ernaux het op.

    Niets nieuws, zou je denken. De recente geschiedenis, die kennen we. We waren erbij, of, als we jonger waren dan leerden we erover tijdens geschiedenislessen. Maar Ernaux’ kracht schuilt in het onvermoeibaar stapelen van herinneringen waardoor de fragmenten met elkaar in gesprek gaan. Er ontstaat wrijving. Het stuwt het lezen voort. En passant wordt er iets ongrijpbaars, maar diep menselijks blootgelegd. Want ik lees en denk: dit had ook over mij kunnen gaan, zonder dat details direct overeenkomen. Dit is hoe een leven is, hoe we onszelf uit herinneringen samenstellen.

    Ik fiets naar het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik een jaar geleden ook had. Sinds dat jaar lijkt het soms alsof ik los ben komen te liggen van mijn eigen geschiedenis, een onprettig gevoel. Ernaux eindigt: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’ Het fletse heden zadelt je soms op met observaties die geen wrijving opleveren. Niets komt in beweging. Misschien laat zoiets abstracts als tijdgeest zich enkel vangen door het contrast met een andere. Een klein steentje in het ijs, meer is niet nodig. Daarbij helpt leeftijd vast ook, meer ervaringen om uit te putten. Ik kreeg spontaan zin om, net als Ernaux tijdens het schrijven, alvast eind zestig te zijn.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Een beetje

    Er is een kamer van drie- bij drie en een halve meter vrijgekomen. Een nieuwe kamer moet passend gemaakt worden, gelijk een nieuwe jas. Wennen aan de stugheid van de stof, de mogelijkheden, het gewicht ervan op je schouders. De muren van het kamertje zijn lichtblauw en wit, de vloer met kurk belegd. Ik zet een tafel en een stoel midden in het kamertje, sluit de deur. Laat het een beetje koud, maak er geen te leuk kamertje van. Schuif de tafel tegen de muur. Plaats een tweede tafeltje in de hoek naast het smalle raam, uitzicht op blinde muur. Houd het hoofd koel, pot met bloemen mag. Een laag ladekastje komt aan de andere kant van het raam. Plant erop, papier, boeken ernaast. Een waterkoker in de vensterbank. Er is nog een fauteuil, om in te lezen, of gewoon, lekker te zitten, (Stop!, dat zouden we niet doen). Loop de trap af, naar buiten, lucht, ruimte, kom terug. Haal ladekastje, plant, boeken, waterkoker, stoel, schrijfsels, kaarsen en dergelijke uit het kamertje. Begin opnieuw. Zet de tafel in het midden, stapel boeken en schriften tot stahoogte, laptop erbovenop. Koester de leegte.

    Wat me bijblijft na het lezen van het boek Salinger, de documentaire in boekvorm, is het belang dat hij hecht aan afzondering. Hij bouwde een bunker in zijn tuin, weerde alle media. Je kunt het overdrijven, maar alleen zijn is een vergeten goed. We zoeken elkaar op, kijken Netflix, checken doorlopend de mailbox, social media, onze staat van zijn. Een lege kamer is een goed tegenwicht.
    ‘Het ergste dat het kunstenaarschap voor u zou kunnen betekenen is dat het u de hele tijd een beetje ongelukkig maakt.’ laat Salinger de kunstdocent in het verhaal ‘De Daumier-Smith’ grijze periode’ zeggen. Daarna las ik het egodocument, Mijn jaar met Salinger van Joanna Rakoff, drie jaar na het overlijden van de schrijver gepubliceerd. Fans en nieuwsgierigen voelden zich voor de gek gehouden, ze hoopten iets over een liefdesrelatie met de schrijver te vernemen. Dat viel tegen.

    Wel kwam Rakoff te werken bij het literaire agentschap die de belangen van Salinger behartigde. Ze is dan drieëntwintig, net afgestudeerd, een van haar taken is de fanmail voor Salinger af te handelen. Ze had nog nooit iet van hem gelezen. In dat jaar leert ze zijn werk, de invloed van zijn werk kennen, het was haar jaar met Salinger. Goed geschreven ook.

    Soms krijgt ze Salinger aan de lijn. De eerste keer dat ze hem telefonisch sprak ging zo:
    ‘Met Jerry! riep de beller. ‘Met Joanna’, zei ik.
    ‘MET WIE SPREEK IK?’ vroeg hij. ‘Met Joanna,
     ik ben de nieuwe assistente,’ riep ik uit volle borst.
    ‘Aangenaam Suzanne, ik wil je  baas graag spreken.’ De bazin is er niet, Joanna vroeg of hij maandag teruggebeld wil worden. ‘Maandag is goed,’ zei hij. ‘Nou, heel aangenaam kennis met je te maken, Suzanne. Ik hoop dat we elkaar een keer zullen ontmoeten.’
    Hij klinkt als een bijzonder aardig man, geweldig schrijver van intens trieste verhalen.

     

    Citaat uit: Negen verhalen / J.D. Salinger.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekt verhalen.

     

     

  • Tarzan op de eettafel

    ‘Daar is hij toch veel te klein voor?’ Op de eettafel ligt een stapel goudgele boeken, hardcover met rode kapitaalband. Het binnenwerk ruikt naar een tijd van voor ik bestond. ‘Voor later, als hij groot is en kan lezen. De jongen is zuinig.’ Mijn opa kijkt me aan en ik kijk met vleiende ogen van hem naar mijn moeder, in de hoop dat ze overstag gaat. Het zijn de avonturen van Tarzan, de koning van de apen, de heerser van de jungle, de ‘aap-mensch’. Een iconisch personage van Edgar Rice Burroughs (1875-1950), zakenman, veelschrijver.
    Ik ken Tarzan van de televisie, van de bioscoop, van de stripverhalen en van thuis. Mijn opa leest over Tarzan, zijn schoonzoon ís Tarzan en dat maakt mij niet alleen de zoon van, maar logischerwijs ook de rechtmatige erfgenaam van al deze boeken.

    De boeken zijn dik, hebben geen plaatjes, en op de bladzijden, sommige met roestvlekjes, staan veel woorden – het lijkt me een mensenleven te duren voor ik dat allemaal gelezen krijg.
    “…Maar ik zou waarachtig wel eens willen weten, hoe je in den jungle gekomen bent?”
    “Ik ben daar geboren,” zeide Tarzan kalm. “Mijn moeder was een apin, en zij heeft mij natuurlijk niet veel kunnen vertellen. En ik heb nooit geweten wie mijn vader was.”

    Mijn vader las geen boeken, wel vertelde hij graag over zijn tijd als Tarzan. Hoe hij van liaan naar liaan door de jungle zwierde en hoe Cheetah hem rekenen en het alfabet leerde. Hij bevrijdde mensen uit de meest benarde situaties, terwijl mama in de boomhut voor het huishouden zorgde. Rijk is hij er niet van geworden. Nu rijdt Tarzan op de ambulance, redt mensen tegen een vast salaris en krijgt, volgens mama, een buikje.
    Ik word voorbereid op een leven in de jungle. In de woonkamer spant Tarzan zijn biceps. Hij is een boom met spierballen. Ik spring onder het slaken van mijn eigen jungleroep van de eettafel in mijn vader. Verwoed klim ik tegen hem op, hou me vast aan zijn armen, de sterkste takken die ik ken, zoek met mijn blote voeten grip, tot ik in zijn nek zit. Dan maakt hij zich breed, roffelt op zijn borst en holt met mij op zijn schouders een rondje om de tafel. De junglekreet klinkt uit onze monden. Onvermoeibaar blijf ik van de tafel duiken. ‘Je bent nog lang geen Tarzan.’

    Mijn vader is niet snel tevreden. ‘Kippenborst, spillepootjes, geen spierballen.’ Hij loopt op zijn handen het tuinpad op en af. Zijn benen wuiven beleefd. ‘Kijk! Pas als je me dit nadoet…’ Als zoon van Tarzan ging ik ondergronds. Disciplinering vond in het geheim plaats. ’s Avonds in bed wachtte ik tot mijn moeder de trap weer afliep, schopte de dekens opzij, schoot uit mijn pyjama en ging in onderbroek op het kleedje voor mijn bed liggen. Ook als er ijsbloemen op het raam bloeiden en ik klappertandde van de kou: de zoon van hield vol. Later, ik wist het zeker, zou Tarzan verbaasd van me staan, maar eerst moest ik alle goudgele boeken lezen. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader (kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die een rol speelden in zijn leven.

  • De ijsbergtheorie

    Zondagochtend ontwaakte ik met het gevoel dat er iets was opgeklaard, een constant dreigende donderbui eindelijk was opgelost, verdampt tot gesputter, tot niets. Het maakte de wereld een stuk vriendelijker, er ontstonden openingen, zon tussen de kieren, door de ramen. We dronken koffie in bed, aten er een plak brood met abrikozenjam bij. De avond daarvoor luisterden we naar de radio, naar elk geluid vanuit Amerika, geluiden van opluchting, uitzinnige, emotionele blijdschap. Alsof de wereld vier jaar lang de adem had ingehouden, was er opeens weer iets menselijks, iets nieuws. Geluk stroomde over, we hadden alle tijd. Ik pakte er wat te lezen bij, van de gestapelde glossy’s Hollands Diep het maart/april nummer, de Boekenweek special 2010. Het jaar waarin J.D. Salinger overleed, die sinds 1965 niet meer gepubliceerd had. Een paar dagen terug was ik, na bij eerdere pogingen gestrand te zijn, opnieuw begonnen aan de biografie, Salinger.

    De biografie bestaat uit interviews met mensen die hem gekend, meegemaakt hebben. Het leest wat random, de lijn van zijn leven blijft vaag. Tot je doorleest, lijnen zich beginnen af te tekenen. Het is een Amerikaans verhaal, over de jetset, Amerikaanse soldaten die naar Europa gaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, het drinken, roken, de literaire wereld, korte verhalen, het publiceren in magazines. Een Amerika waar ik ontzettend zin in kreeg. Robbert Ammerlaan, jarenlang uitgever van Salinger bij De Bezige Bij, schreef in Hollands Diep over Salinger, dat hij hem nooit ontmoet had. De schrijver wilde niemand ontmoeten, wilde niet met zijn schrijversleven geassocieerd worden. Ammerlaan schreef dat alleen als de auteurscontracten verlengd dienden te worden, hij de door Salinger zelf ondertekende exemplaren retour ‘- zwarte inkt, een dunne scherpe pen’ ontving.

    Het kwam me alles opeens als bepaald romantisch voor. Leven in afzondering, daar ben ik op het moment gevoelig voor, en voor schrijftips. Salinger kreeg, nadat hij in 1965 stopte met publiceren, veel fanmail, waar hij niet op reageerde. In 1978 wachtte een fan hem onderaan de oprijlaan van zijn huis bij Cornish, Vermont op. Hij wilde schrijfadvies, tips. Salinger ontweek hem, zei: ‘Echt, het enige advies dat ik je over schrijven kan geven, is: wees jezelf. Bouw je werk zorgvuldig op. Luister niet naar de kritiek en al die idioterie. Uiteindelijk zul je het allemaal zelf moeten doen.’

    Hemingway, die Salinger in Frankrijk ontmoette, hield er de volgende theorie op na: als een schrijver genoeg weet over zijn onderwerp, kan hij bepaalde dingen in het verhaal weglaten, hoe meer hij weglaat, hoe sterker het verhaal. Hemingway vergeleek het met een ijsberg, waarvan zeven achtste onder water zit, alleen het topje te zien is. ‘Elke keer dat je iets weglaat, zei hij, versterkt het de ijsberg van onderen en biedt het de lezer een nog sterkere leeservaring.’
    Hemingway zei ook dat als een schrijver iets weglaat omdat hij de kennis niet heeft, er een enorm gat in het verhaal valt. Salinger was een schrijver van de ijsbergtheorie. ‘Hij deed het uitzonderlijk goed,’ volgens Hemingway. ‘Zijn verhalen zijn kaal, ieder woord lijkt met de grootste zorg uitgekozen.’
    Ja, het lezen van Salinger lijkt me de enige echte schrijftip.

     

     

    Uit: Salinger / David Shields en Shane Salerno / vertaling o.m Gies Aalberts, Ed van Eeden / Open Domein, De Arbeiderspers (2014)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.