• Gestrand

    Het dak van de stationshal was hoog en de deuren stonden wagenwijd open. De wind ging zijn gang. Als stuifsneeuw had hij de mensen tegen muren en banken aangewaaid. Ik was voor het eerst sinds lang op pad, maar het was inmiddels zondag en ik wilde naar huis. Op het planningsbord stonden alle treinen die uitvielen. Een vijftal spreeuwen wachtte roerloos aan de voeten van een man die patat at. Hier zou vandaag niets meer gebeuren, ik verliet het station. Gisteren had ik nog geluisterd naar het gezang van vogels die een voorschot op de lente namen. Ploegend door de sneeuw vroeg ik me af of ze nu spijt hadden van hun overhaaste aankondiging. Waar ze überhaupt gebleven waren.

    Dat ik gestrand was, zei ik tegen de jeugdige receptioniste met de paardenstaart. Met enig genoegen, want zo vaak komt het niet voor dat je dat zonder overdrijving kunt zeggen. Ze glimlachte professioneel, vroeg of het dus om één nacht ging. Terwijl ze het papierwerk regelde, keek ik over de rand van mijn mondkapje naar de enorme lobby en de aangrenzende bar. Ik vroeg me af of wij de enigen waren, hier. De barkrukken stonden er voor niemand. Een uitnodigende tekst prees cocktails aan. Je kon ze hier ophalen, begreep ik later, en dan drinken op je kamer. De receptioniste gaf me de sleutelkaart en wees naar achteren. De lift ging naar de elfde verdieping. Zonder muziek, ook in de donkere gang was het stil. Ik passeerde elf identieke deuren. Aan de deurkruk van de kamer naast de mijne hing een deurhanger met de tekst ‘niet storen’. Ik dacht opgewonden Spaans te horen.

    De kamer was licht. Ik keek door het geluidsdichte dubbelglas naar buiten. De lucht hing zwaar en beneden was alles gesmoord in sneeuw. Alleen het luchtsysteem ruiste. Ik nam een bad en las daarna op de sofa bij het raam De uitvinder van de natuur van Andrea Wolf. Het boek gaat over Alexander von Humboldt, een ten onrechte enigszins vergeten 18e -eeuwse wetenschapper en ontdekkingsreiziger. Hij was het, die voor het eerst de samenhang in de natuur zag, iets wat wij nu als vanzelfsprekend ervaren. Misschien is dat, vergeten worden, het wonderlijke lot van geniale geesten die onweerlegbare inzichten voortbrengen. Een rusteloze man, Humboldt, met een onstuitbare reislust, die doorlopend overliep van ideeën en velen aanwakkerde met zijn kennis en enthousiasme.

    Buiten was alles, behalve de wind, tot stilstand gekomen. Ik bevond me op de maan. Of in de film Lost in translation, maar dan zonder mensen en met sneeuw. Alleen Humboldt joeg me voort, op vulkaan-jacht, in een bootje op de Orinoco, voorbij de sidderalen, luisterend naar het melancholisch schreeuwen van aapjes in het regenwoud.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • IJzingwekkende kou

    De oostenwind joeg zaterdagnacht fluitend de sneeuw rond het huis. In de ochtend lagen bergen sneeuw. Er reden geen treinen, auto’s bleven op de plaats waar ze geparkeerd waren. We waren bereid thuis te blijven. Ik zette koffie. Vanaf de bank keek ik met mijn handen om mijn koffiekop naar de witte tuin, door niemand betreden. De winters van vroeger keken mee. Toen sneeuwdagen zich vulden met dromen, idealen, omdat er niets anders te doen was. Als mijn koffie op is leun ik voorover, denk aan een houtvuur. Vraag me af waarom ik in hemelsnaam de kachel heb verkocht. In Russische verhalen is er altijd een houtvuur. Ik denk aan het verhaal Jermolaj en de molenaarsvrouw van Toergenjev. Armina is een vrijgekochte lijfeigene, trouwde met de molenaar. Geen fijne man. Op een koude avond klopt een Russische heer met zijn jager aan bij de molenaar om een slaapplaats. Ze worden geweigerd. Slaan buiten hun kamp op. De jonge molenaarsvrouw komt erbij: ‘Op een omgekeerde tobbe zat de molenaarsvrouw voor het vuur en praatte met mijn jager. Zij steunde de ellebogen op de knieën en hield het hoofd in haar handen. Jermolaj legde spaanders op het vuur.’

    Ik vertel Mijn Lief dat de buren nu echt uit elkaar zijn, ik had het op Face book gezien. Dat hij niet meer wilde, is weg gegaan. Hoe moet dat nu met de kinderen zeg ik. De molenaarsvrouw in het verhaal van Toergenjev sprak over de koeien van de buren, er heerst een ziekte. ‘bij vader Iwan zijn beide koeien doodgegaan … De Heer zij genadig!’  Waarna het gesprek stilviel. Ik keek naar de besneeuwde tuin. Naast me ligt de bundel van Lamia Makaddam. Ik moet aangesproken worden, wakker gekust. Door Lamia Makaddam, die over ijzingwekkende kou spreekt, en winters die op elkaar lijken.

    ‘Om een mij onbekende reden
    wil ik jullie over een ijzingwekkende kou
    op een winteravond vertellen.
    Over het monster van de stilte.
    De duisternis hangt als wolken van stof onder het plafond.
    Ik raak mijn mond aan en vind mijn lippen niet
    en mijn stem lijkt mij verlaten te hebben.
    In de diepte slaapt warm geluk.
    Van wie is dit litteken?
    En wie echoot dit verdriet?

    Als ik op een dag poëzie schrijf
    is het omdat iemand huilde ver weg
    en ik met een vernietigende kracht schreeuwde
    omdat de deur de vingers beknelde
    van een kind ergens op de wereld.
    Dit verdriet is het enige wat ik met jullie kan delen.
    Het is wat ik met alle liefde deel. 

    Alle winters lijken op elkaar.
    Winters die op jou lijken en winters die niet op jou lijken.
    Winters die hier of aan de andere kant van de wereld zijn.
    Als je vingers trillen, schrijf dan niet op deze plek.
    En als het gemis in je hart woont,
    dan weet je dat tenminste iets het vult.
    Schrijf vanuit de duisternis
    die het leven minder wreed maakt.’ 

    Buiten sneeuwt het onophoudelijk, het is een mooie dag om gedichten van Lamia Makaddam te lezen.

     

    Uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf / Lamia Makaddam, vertaald door Abdelkader Benali / 68 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, geeft wekelijks een kijkje in haar boekenkast.

     

     

     

  • Boekéé-kerels

    De opzichter van de schoonmaakploeg droeg een crèmekleurige terlenkabroek die strak om zijn billen zat, in zijn kruis knelde en bij de enkels fladderde. In de weken dat ik als zomerkracht inviel bij één van de grootste publieke omroepen om wc’s te schrobben en tapijten te zuigen, droeg hij hem elke dag waardoor eigenaar en broek iets smoezeligs kregen. Vintage bestond nog niet en dertig was in mijn ogen toen ook echt oud. Die avond was zijn stemming somberder dan anders. We zaten in de hal, met lauwe koffie uit een thermosfles die eerlijk over onze plastic bekertjes was verdeeld. Met we, bedoel ik naast de opzichter ook de twee vaste krachten, vrouwen met levenservaring. Ik weet nog dat de oudste zoiets zei als, ‘trek het je niet aan’. Alleen maar om hem tot meer bekentenissen te verleiden. ‘Maar dat doe ik juist wel,’ antwoordde hij. ‘Elke dag zit ze die boekies te lezen. Die… hoe noem je ze?’ ‘Boekéé,’ vulde de oudste behulpzaam aan. ‘Ik word er strontvervelend van. Zelfs in bed! Ze leest, het licht gaat uit en ze draait zich op haar zij. Ver van mij vandaan. Ik zeg: “Monique dat soort Boekéé-kerels bestaan helemaal niet. Hier, ik ben een echte!”’ 

    ‘Het is trouwens Boe-kwet, niet Boekéé,’ zei de jongste plotseling na lang nadenken. ‘Nee hoor.’ De stem van de oudste kreeg een kille ondertoon. ‘Het is Boekéé. Het komt uit het Frans van… nou ja boekéé.’
    ‘Ze draait zich van mij af, zonder een kik. We hebben echt in geen maanden! Ik zeg, die boekies van jou maken ons huwelijk kapot.’ De jongste liet niet los: ‘Toch is het boe-kwet. Als van bloemen… een boe-ket bloemen.’ Ze keken nu alle drie naar mij voor het verlossende antwoord, de jongen met het diploma (dat voorjaar had ik mijn middelbare schooldiploma gehaald).
    Ik kende de reeks. Deeltjes stonden bij ons in een eiken kastje, onder de televisie en naast de cassetterecorder. De auteurs hadden Engelse namen als Anne Mather en Anne Hampson. Mijn favoriet was Margaret Rome, alleen maar omdat ik heel graag een keer naar Rome wilde. Zelf had ik alleen Bouquetreeks nummer 8 gelezen, De donkere ster van Nerina Hilliard. Saai.

    ‘Het is Boekè. Le Boekèreeks,’ zei ik zwierig. ‘Zulke boekjes kunnen toch nooit slecht zijn voor je huwelijk?’
    ‘Je begrijpt er niets van! Je bent daar ook veel te jong voor.’ De opzichter keek op zijn horloge. Ik wendde mijn blik af.

    Thuis groeide de stapel naast de cassetterecorder. Mijn moeder las op haar vaste plek op de bank elke maand de nieuwe deeltjes, haar voeten zijdelings tegen haar billen geschoven, asbak binnen handbereik. Ik inspecteerde alleen of Margaret Rome een nieuwe titel had. Nee, wéér die vervelende Anne Mather. Later, ik was klaar met het zuigen van het hoogpolige tapijt in de directeurskamer, hoorde ik de opzichter en de jongste giebelen en fluisteren in het kantoor daarnaast. Die deur was dicht. ‘Als je zó zit, zie je echt alles in die broek,’ hoorde ik haar zeggen. ‘Daar kan geen Boekè tegenop.’

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Zwarte kraaien

    ‘Simon zwoer me dat hij overdag had bijgeslapen, maar in bed kon het niet geweest zijn, want het controlerijstkorreltje op zijn hoofdkussen trof ik op precies dezelfde plaats aan als waar ik het had neergelegd voor mijn vertrek.’

    Ondanks het grauwe weer dat me de hele dag binnenhield, moest ik eruit voor het donker werd. Ik liep langs ingekuilde voederbieten, drassige graslanden, een gesloten Pannenkoekenrestaurant. Na de eerste kilometers waren mijn haren en brillenglazen nat van de miezer regen. Ik zette grote stappen onder de kale eikenbomen door. Zwarte kraaien vlogen schreeuwend op wanneer ik naderde, daalden in de volgende boomtop neer, vlogen weer op, zo joeg ik ze voort. Ik nam een foto van de opvliegende kraaien. Toen viel mijn mobiel uit, liep verder. Een fietser kwam me tegemoet. Een jongeman in een blauw/wit regenjack, knalrood hoofd (ik dacht ‘opgefokt’), witte oordopjes in. Toen hij me passeerde moest ik opzij stappen, even zag ik zijn priemende ogen. Hij gromde. Ik zei tegen mezelf, ‘Gromde hij nou?’ 

    Ik had te lang gelezen in Ik ben er niet van Lize Spit,  over Leo (Leontine) en Simon, die na een gehavende jeugd in elkaar gekropen zijn zoals een slak in zijn huisje, maar dan met zijn tweeën. Glibberig om elkaar glijdend, elkaar enkel goed willen doen, kwetsende zaken als vliegen voor elkaar afvangen. Tien jaar leven ze zo, dan krijgt Simon een psychose. Je leest over de aanloop ernaartoe, de piek, de behandeling, het eruit komen. Leo die daaromheen reddert, de boel in evenwicht probeert te houden. Wat niet lukt, het gaat geweldig mis met Simon.

    Mijn god, wat een stel, wat een boek, waarin je in het hoofd zit opgesloten van de een die onder de huid kruipt van de ander. Niets wordt aan de verbeelding overgelaten. Hoe meer ik vorder in dit boek, hoe meer ik snak naar verbeelding. Maar geen kans, genadeloos houdt de schrijver je in haar greep. Drukt ze je met de neus op een uitgeteerde en kwijlende Simon tijdens de eerste opnamedagen. Op Leo die in afwachting van het bezoekuur op de grond in de gang zit, rug tegen de radiator, trouw als een hond. De ijskoude voeten van Simon. (Ja, daar spreekt dan toch de verbeelding). Ik wil weten waarom het zo meedogenloos uitleggerig is. Bij ‘controlerijstkorreltje’, begint er iets te dagen, dat het enkel zo en niet anders geschreven had kunnen zijn. Wat je ook hoopt, want een schrijver die vijf jaar aan een roman heeft gewerkt, schrijft geen boek dat niet te lezen is. Weet dat elk boek zijn eigen lezing vraagt.

    Leo is hondstrouw, hoewel (en dat stemt hoopvol) ze de opname van Simon gebruikt in een serie columns die ze voor een vrouwenblad schrijft. Terwijl ik buiten loop denk ik aan Simon, hoe hij de ogen van de kat heeft uitgelepeld. Ik weet dat de fietser met de priemende ogen is door gefietst. Toch denk ik aan de mogelijkheid dat hij omkeert, me een klap verkoopt, of gewoon een mes in mijn rug, omdat ik daar liep. Alles kan opeens, de kraaien, de donkerte om me heen lijken een voorbode van iets. Ik zet er flink de pas in. Thuis droog ik mijn haren, pak het boek, lees verder waar Leo haar derde column schrijft. Hoe ze S. beschrijft in een net iets te kleine pyjama, het donker van zijn kamer. Dat ze onderweg naar huis door een groepje mannen gevraagd werd haar naam op de borst van  een van hen, bruidegom in spe te schrijven. ‘Dat laatste was verzonnen, maar ik kon niet anders dan overdrijven, schepjes eenzaamheid erbovenop doen, enkel zo controleerde ik de werkelijkheid, die groot en woest was en vaak verdrietig’. Dit boek schrijnt, zo weinig troost. Wat een boek.

     

     

    Ik ben er niet / Lize Spit / 570 blz. / Uitgeverij Das Mag 


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt naar een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Nieuwe woning

    Toen ook de jongste dochter het ouderlijk huis verliet, begonnen de kamers van de kinderen één voor één het herkenbare, persoonlijke stempel kwijt te raken dat elk kind erop gedrukt had; ze veranderden in logeerkamer of opslagruimte voor achtergelaten spullen. Ik dacht weer aan A room of one’s own van Virginia Woolf. Ik wilde al zo lang een kamer voor mezelf; we besloten dat een van de verlaten kamers voortaan van mij zou zijn. Het werd die met het mooiste uitzicht, aan de achterkant van ons huis, waar ik ’s morgens heel vroeg kon zien hoe de opkomende zon de mist verjoeg die over de groene velden hing.

    Ik koos de kleur die de muren zouden krijgen en de deur, ik tekende een plattegrond van hoe de kamer eruit zou moeten zien. Ik vertelde mijn man, die beloofd had boekenkasten te maken, hoe ik ze het liefste wilde hebben: het aantal, de hoogte en de afmetingen van de ruimte tussen de planken. En aan het eind van elke dag werd de kamer steeds een beetje meer van mij: er kwam een bureau te staan, een schommelstoel, een goede leeslamp, en verder boeken, boeken, boeken aan alle kanten om me heen. Ik had die kamer nodig. Hier kon ik ademhalen als het tumult van de dag dreigde te verhinderen dat ik de stilte kon horen. Hier kon ik me terugtrekken als ik daar behoefte aan had. Hier kon ik alleen zijn met wat Rilke ‘meine heilige Einsamkeit’ noemde. Hier was ik gelukkig, heel wat gelukkiger dan de vrouw die slechts een geparkeerde auto tot haar beschikking had om even alleen te kunnen zijn. Voor haar had Hannes Meinkema het volgende gedicht geschreven:

    Eventjes

    – voor Maja –

    ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
    eventjes
    moeten jullie me niet storen

    en de precieze beelden die ze maakt
    zijn de schrijnende en
    levenslange
    brons geworden veelheid van gevoel
    van iemand die als ze het niet langer uithoudt
    eventjes
    in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.


    Toen een vriendin van me verhuisd was, nodigde ze me uit om te komen kijken naar de nieuwe woning. Ze gaf me, samen met haar man, een rondleiding door het hele huis. Het was inderdaad prachtig geworden, om jaloers op te zijn. In het souterrain deed haar man een deur open en zei dat deze kamer speciaal voor zijn vrouw was. Toen ik nieuwsgierig naar binnen keek – zou ze ook zo veel boekenkasten hebben als ik? – zag ik een wasmachine, een wasdroger, een strijkplank met daarop een strijkijzer en twee wasmanden. Handig, zei haar man, om alles bij elkaar te hebben, dan kon ze alles achter elkaar in dezelfde ruimte afwerken. Zijn vrouw knikte, maar niet heel enthousiast. Ik ben nog mee naar buiten gegaan om de tuin te bewonderen, maar ondanks hun aandringen ben ik niet gebleven voor het eten. Ik wilde naar huis, naar mijn eigen kamer, naar mijn man, om hem te vertellen dat ik van hem hield.

     

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Enige betekenis

    Als ik over rellen, plunderen en vernielen hoor denk ik, sukkels. ’s Nacht zet ik me in een gemakkelijke stoel in mijn kamertje, lees Rachel Cusk alsof dat het enige is dat telt. Als kind ben ik wel eens tegen geldende regels in gegaan. Op de leeftijd waarop je nog denkt dat niemand je ziet, stopte ik in een winkel een zakje snoep in mijn jaszak. Ik weet nog hoe het knisperde, voelde me een houtenklaas, weet niet meer hoe ik buiten ben gekomen. Ik nam wel eens een schriftje weg bij de Hema. Eén keer een boek in een antiquariaat op een grijze januaridag. Januaridagen zijn sowieso dagen die het best zo snel mogelijk voorbij gaan. Er was niemand die me tegenhield, ik stak het onder mijn jas, eenmaal daar kon het niet meer terug. Er is nooit een weg terug. Vraag me niet wat me bezielde. Toegegeven, ik was in een bepaalde stemming, had teveel Strindberg en Büch gelezen, was beïnvloedbaar. 

    Ik heb ook wel eens het fietsen van een ander gesaboteerd, draaide het ventiel van de fiets van een buurjongetje open. Dat gaf een bepaald gevoel van macht. Daarop volgde een gevoel van ontheemding, ik kon er niet van slapen. In een interview zei Rachel Cusk dat in haar schrijven alles eindigt met de thuiskomst. Als je een geliefde verliest door dood of scheiding, ben je iets kwijt. Ze zei, ‘mij interesseert het Griekse idee dat het lijden eervol is. Dat je iets wint. De waarheid. Wat dat ook is.’ In die zachte stoel in de hoek van mijn kamertje, lees ik het laatste deel van haar scheidingstrilogie, Kudos. Over haar alter ego Faye die in het eerste deel van de trilogie gescheiden is, in het laatste hertrouwd. Ze omringt zich met verhalen van anderen, mensen die even met haar mee oplopen. Zoals de jongeman die op het literair festival schrijvers begeleidt haar vertelt dat het Griekse woord Kudos, ‘eerbewijzen’ betekent. 

    Een medepassagier in een vliegtuig vertelt over zijn dochter, als kind overgevoelig voor clichés. Wanneer er gasten waren, rende ze gillend het huis door. Ze speelde als kind hobo. Hij kon het niet aanhoren, vond het aanstellerig klinken. Tot hij haar bij een optreden op het podium ziet, perfect in balans. Hij begint te huilen, niet om haar spel, maar omdat hij nooit in haar geloofd heeft. Er is de eens gelukkige vrouw die haar vertelt dat haar leven in puin ligt, omdat ze moeilijkheden ontliep. ‘Als kind zag ik dat mijn zus, twee jaar ouder dan ik, altijd de ergste klappen opving, terwijl ik alles aankeek vanaf de veilige schoot van mijn moeder, en elke keer dat zij in de fout ging of iets verkeerds deed nam ik me voor het anders te doen als het mijn beurt was.’
    Ik lees Rachel Cusk alsof ik er enige betekenis in kan vinden over deze tijd. Zo die er is, is een ‘veilige schoot’ wel iets voor oproerkraaiers, thuis een gelegenheid tot beschouwen.

     

     

    Kudos / Rachel Cusk / 200 blz. / De Bezige Bij (2018) / vertaling Marijke Versluys


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Een handdruk verwijderd

    Ik was een handdruk verwijderd van Willem Elsschot. In de hal van het verpleeghuis zaten meneer en mevrouw Elzinga aan een klein rond tafeltje. Hij vroeg of ik hen gezelschap wilde houden. Oud-leraar Nederlands, bijna tachtig, met ogen die je peilend en nieuwsgierig opnamen. Borrelglazen op tafel. Opeens hadden we het over literatuur, over Elsschot. Of ik die kende? Op de kweekschool had hij een scriptie over Elsschot geschreven. Maar er was meer, een kleine correspondentie – waarin Elsschot hem vriendelijk en vaderlijk ‘Geachte jonge Vriend’ noemde – en een ontmoeting. Elsschot nodigde Elzinga uit voor een wandeling door het Antwerpen van Het Dwaallicht. Er zijn foto’s van, verloofde mee, ouders mee. Dat vond ik wel ontroerend. Zou ik de hele familie meenemen als bijvoorbeeld Connie Palmen mij uitnodigde voor een wandeling door het Amsterdam van I.M.

    De jonge Vriend noemde ik op mijn beurt meneer. ‘Wat is jouw favoriete Elsschot?’ vroeg hij met verreikende stem. Ik aarzelde. Eén uiterlijk kenmerk van meneer Elzinga heb ik nog niet genoemd. Zijn ene been was tot boven de knie geamputeerd. ‘Villa des Roses,’ antwoordde ik. Een prachtig boek, dat vonden we allebei, en zijn vrouw ook. Vanwege de portretten van al die hotelgasten, en het treurig lot van die aap. Pas in tweede instantie, en wat voorzichtig, durfde ik Lijmen/Het Been te zeggen, het boek dat echt indruk op me had gemaakt. 

    Je staat er niet bij stil, maar er is een tijd geweest dat Lijmen (1924) wel bestond en Het Been (1938) niet. Ze stonden in de jaren tachtig als één titel op de verplichte leeslijst voor Nederlands. Deze lijst, getypt en daarna vlekkerig gestencild, was mijn springplank naar het lezen van andere boeken dan ik tot dan toe deed. De zakenmannen Boorman en Laarmans splitsen vrouw Lauwereyssen en haar broer, eigenaren van een smederij en gespecialiseerd in keukenliften, honderdduizend exemplaren van het Wereldtijdschrift in hun maag. Het is een geschiedenis over ijdelheid en eigenbelang. En wroeging. Zeker als bij vrouw Lauwereyssen een been moet worden afgezet door gebrek aan geld voor medische zorg. Lijmen/Het Been schonk mijn puberbrein een groeispurt, een sprong naar verbinding: ik wás Boorman, ik wás Laarmans en ik wás vrouw Lauwereyssen. Ik was vooral haar. Goedgelovig, halsstarrig, principieel. Zelfs als het in je nadeel uitvalt. Ook ik zou blind voor de spijt van een ander de laatste termijn van dat Wereldtijdschrift betalen. Door Lijmen/Het Been leerde ik – misschien wel voor het eerst –  licht, donker en grijstinten in mezelf kennen.

    Enkele jaren geleden is meneer Elzinga overleden. Zo intensief als die eerste keer hebben we elkaar daarna niet vaak meer kunnen spreken. De gaten in zijn geheugen groeiden, zo ook de noodzaak voor meer zorg. Hij verstilde, zijn stem werd zachter, onzeker. Zij bleef hem ’s middags van de afdeling halen naar het vaste tafeltje in de hal. Soms, als ik in gedachten het verpleeghuis binnenstap, denk ik hen daar te zien zitten, onafscheidelijk, met gastvrije blikken en jonge jenever.

     

     

    Willem Ellenbroek en Laurens Elzinga, Uw brief is bijna een tragedie die mij deed huiveren. Het contact van Laurens Elzinga met Willem Elsschot (W.E.G.-cahier 5, 2008)


     

    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Twintig jaar afwezigheid

    Met enig uitstel van Blue Monday werd het pas dinsdag dat de sluier viel. Ochtendlicht wilde maar niet doorkomen, regen ruiste als een afweerscherm tegen enig ander geluid dat op een beginnen van de dag kon duiden op het afdak onder mijn slaapkamerraam. De krantenjongen liet verstek gaan, waar ik begrip voor had. Er gonsden woorden door mijn hoofd, demissionair en missionair. De laatste dagen veelvuldig gebruikt als was het een bal waarmee iedereen een schop in open doel wilde maken. Ook klonk het tot de verbeelding sprekende begrip, waterbedeffect door mijn hoofd. Laat er vooral stilte zijn of zeg alleen het noodzakelijke met weinig woorden, zei het grote voorbeeld van A.L. Snijders, Epictetus al.

    Ik lees Thuis, van Marilynne Robinson. Er is een nieuw boek van haar verschenen, Jack. Nu vraagt eerder verschenen werk van haar om herlezing. Haar eerste boek Gilead, speelt ook rond Jack, vanuit het perspectief van de knorrige geestelijke, John Ames. In Thuis komt Jack na twintig jaar terug naar het ouderlijk huis. De verloren zoon, de aan drank verslaafde, die diefstallen pleegde, twintig jaar van de aardbodem verdween. Nu ik het opnieuw lees heeft die twintig jaar opeens aan betekenis gewonnen. Sinds mijn broer, die ik twintig jaar niet zag er niet meer is, zoek ik naar betekenissen. Twintig is nu het getal van nooit meer te overbruggen tijd. Als een gapend gat liggen die jaren tussen Jack en zijn vader, dominee Boughton, nu een oude man. Jack doet zijn best een goede zoon te zijn. Hij helpt hem naar bed, speelt piano voor hem, drinkt niet meer, maar goed komt het niet tussen hen. 

    Vader Boughton, die van al zijn acht kinderen het meest van Jack houdt, kan hem niet accepteren zoals hij is. De liefde van de vader is een eenrichtingsweg, zonder omkeren. Vanaf de andere kant kan Jack zijn vader niet vertellen dat hij in een andere staat een zwarte vrouw heeft, en een kind. Het is eind jaren vijftig, dat een witte man met een zwarte vrouw leefde was ondenkbaar. Jack is in Gilead om te onderzoeken of het een geschikte stad voor hem en zijn gezin is, om te wonen.

    Als hij aan het bed van zijn vader zit vraagt zijn vader, “‘Laat je hand eens zien, waar je die splinter in had.’
    ‘Dat geneest al.’
    ‘Laat eens kijken.’ Jack gaf zijn vader zijn hand, en de oude man nam hem in zijn handen, streelde hem en bekeek hem. ‘Er blijft wel iets van een litteken over.’ Dan: ‘Twintig jaar,’ zei hij, ’twintig jaar.’ Jack stopte zijn vader in bed, droogde de borden af, ging naar zijn kamer.”
    Thuis is e
    en zeldzaam mooie roman. Razend benieuwd naar die nieuwe roman, geschreven vanuit Jack, vanuit het perspectief van iemand die twintig jaar van de radar verdween, wat hem bewogen heeft. Er is een gretig willen weten, verbanden te leggen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

  • De peer van Dostojevski

    Het leven is teer en tegenslag is alledaags in het Rusland van eind negentiende eeuw. Ja, sinds mijn vorig column ben ik blijven hangen bij de Russen. Na Tsjechov, las ik het ideale lockdown-boek: een deel uit de privé-domein reeks, getiteld Herinneringen, geschreven door de vrouw van Dostojevski, Anna Dostojevskaja. Het werd me door mijn moeder aangeraden, die het, zo blijkt uit het voorblad, las in 1976. Dat is lang geleden, al moet ik toegeven dat alles wat zich voor mijn geboorte afspeelt, onwerkelijk lang geleden lijkt. Anna schrijft over de laatste veertien jaar van Fjodor Dostojevski’s leven, de periode waarin ze met hem gehuwd was. In 1866 ontmoeten ze elkaar, als zij als jonge stenografe Dostojevski helpt met het schrijven van zijn boek De speler.

    Door allerhande schulden moet hij dit boek in een maand af hebben, anders hangen hem nog meer schulden en verlies van auteursrechten boven het hoofd. Het lukt (!) en enkele maanden later trouwen ze. Anna’s herinneringen omvatten beschrijvingen van Dostojevski’s goklust, zijn epileptische aanvallen in bedompte kamers, twee gestorven kinderen, mensen die hem een poot willen uitdraaien, winters die de gezondheid ernstig verzwakken (omdat de pelsjas beleend moet worden), zomers die er zijn om te herstellen, de eindeloze stroom bezoekers die de huiselijke vrede en het werk verstoren, bedelend om gunsten, roebels en aandacht. Een dampende samowar staat altijd klaar. Woorden als ‘samowar’ en ‘pelsjas’ illustreren de voldoening die het geeft te lezen over een onbekende wereld: met enkele details moet je de rest van de tekening zelf maken. Toch blijft mijn aandacht vooral hangen bij een peer. Wanneer Anna en Fjodor elkaar nog maar net kennen, onthaalt hij, de grote schrijver en haar toekomstige man, haar op een peer. Dit detail heeft Anna vijftig jaar lang onthouden.

    Ik stel me voor hoe Dostojevski eerder die dag zijn keukenmeid erop uit stuurde om precies die peren te kopen, voor zijn Anna, enzovoorts. Ik ken ze niet, mensen die hun geliefde het hof maken met een peer. En dat terwijl het helemaal niet zo eenvoudig is om een peer te laten groeien. Zo beland ik weer bij Kovrin, de held uit Tsjechovs verhaal De zwarte monnik. Het is april en in het holst van de nacht dwaalt hij door de boomgaard van zijn gastheer. Er branden meerdere vuurtjes van mest, stro en ander afval waardoor de hele boomgaard ondergedompeld is in rook, rook die de nachtvorst moet weghouden van de tere bloesem van appel, pruim en kers. Ook in onze tijd wordt bloesem bedreigd door vorst. Telers gebruiken inmiddels geen rook, maar water dat een beschermend huidje van ijs om de bloesem legt. Van zaadje naar vrucht is een lange weg en vorstschade is slechts één van de vele risico’s. De peer is feitelijk stof geworden zonlicht en menselijke inspanning, een prachtiger onthaal kan ik me eigenlijk niet indenken.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

     

     

     

     

  • Hoe kan dat toch

    Er zetten zich allerlei dingen vast in mijn hoofd. De dreiging van een avondklok (waar komt dit vandaan, wie zei dit als eerste?). Dat Vicepresident Mike Pence, die vorige week nog zo kwaad was op Trump, gewoon met hem aan het werk gaat. Dat er geen persconferenties waren na de bezetting van het Capitool. Dat uitgevers geen boeken uitgeven omdat boekhandelaren ze niet verkopen kunnen. Dat de hamer niet meer werkt, festivals doorgaan zonder publiek, dat er een fittie is over badmatten en handdoeken. Hier aangekomen begreep ik dat enige afstand van lopende actualiteit noodzakelijk was. Er is een doofpot voor alle rafelige, misselijkmakende, kwalijke dingen. Geschiedenissen zijn er om onderzocht te worden, te zien hoe momenten van toen in het licht van nu betekenis krijgen. 

    Ik las over de geschiedenis van Marokko, een hartstochtelijk stuk van schrijver Asis Aynan, zoon van Berbers uit de Rif. Wist u dat het merendeel van de Marokkanen in Nederland, Riffijnse Nederlanders zijn? Ik niet, het doet iets keren nu ik het weet, er is een nuance aangebracht. Aynan onderzoekt zichzelf, zijn afkomst, de cultuur van zijn voorouders, hoe die verdween. Hij vroeg het zijn ouders die, eenmaal vertrokken uit de Rif, volgens de Islam gingen leven. ‘Vader, moeder, hoe kan dat toch? U weet toch dat iedere samenleving, iedere cultuur, net als het lichaam een samenspel van organen en ledematen is, net als de geest; een beetje religie, een beetje cultuur, net als de Marokkaanse stoofpot, van alles wat. Hoe kon u hier een leven inrichten waarin geen plaats was voor de dans, de liederen, de verhalen, de geschiedenissen, het bijgeloof van uw ouders? En laat ik de gedichten niet vergeten. Waar is de poëzie gebleven? Mierzoete gedichten, bijtende verzen, of rijmpjes die zelfs de grote God aan het lachen maken: God zij geprezen / neem de benen / Europa’s zegen / is beter dan uw regen.

    De vader van Aynan kwam in de jaren zestig vanuit de Rif naar Nederland. De Rif was een gebied waar honger heerste, oogsten mislukten als gevolg van mosterdgasaanvallen in de twintiger jaren vorige eeuw, het gif zat in de bodem, in bronnen. Hier komt het boek Hongerjaren van schrijver Mohamed Choukri bij me op, dat opeens een andere betekenis krijgt. Wat zijn we plat van geest als we de verbanden niet zien. Aynan schrijft over wat er kwijtraakt wanneer je alles achterlaat. In het geval van zijn ouders was dat hun taal, het Berbers, tradities, hun eigen geloof. Dan wil je in een ander continent iets nieuws opbouwen, maar Koning Hassan had lange armen, tot in Nederland legde hij zijn onderdanen op hoe te leven. ‘(…) eigenlijk moest de gehele cultuur van het volk verdwijnen. Het weerzinwekkende project dat die culturele genocide moest volbrengen droeg de naam het Zuiveren van de Marokkaanse Tong. Marokko moest een nieuw Arabisch koninkrijk worden, waar alle macht in de autocraat Hassan samenkwam.’ Aynan schrijft met een vurigheid die overslaat. Lees dit essay, ontdek dat we meer overeenkomen dan verschillen. Mèt recept voor erwtensoep, want ook in de Rif eten ze snert, heet het tamarakt.

     

     

    Eén erwt maakt nog geen snert, Het Rifgebergte, de dubbele nationaliteit en andere misverstanden / Asis Aynan / 71 pag. / Uitgeverij Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

     

     

     

     

  • Lucifera

    In Kindertijd vertelt Tove Ditlevsen (1917–1976) over haar kennismaking als kind met de bibliotheek. Ze wil er geen kinderboeken lezen, maar een boek van Victor Hugo. Deze scène roept meteen eigen herinneringen op, ze tuimelen uit een verborgen hoekje in het volle licht. Aan de hand van mijn moeder betreed ik het Trifolium in de Rigelstraat, een openbare leeszaal in Hilversum op fietsafstand van ons huis. Bij binnenkomst zie ik links de kasten met kinderboeken, op de rug gerubriceerd met de letters A, B en C  – en D voor de studieboeken. In het midden van de zaal zitten achter tafels de dames (nooit mannen) om boeken in te nemen of af te stempelen. Rechts de kasten met boeken voor volwassenen – en de tijdschriften. Verboden terrein.

    Net als Ditlevsen was ik al snel verveeld met die kinderboeken. Zeker de boeken die door de dames achter de tafel werden aanbevolen. ‘Wil je dit niet lezen?’ ‘Heb ik al gelezen,’ loog ik op een gegeven moment. Van de C-boeken leende ik wel alles van Snuf de hond. Ik wilde graag een hond en legde als hint voor mijn ouders de boeken van Piet Prins altijd goed zichtbaar op tafel. En ik leende Reis door de nacht van Anne de Vries, omdat de meester op school het had aanbevolen. Maar typische jongensboeken als Arendsoog of De Kameleon, nee. Die personages waren allemaal zo braaf en vooral ook zo seksloos. Ik denk dat ik dat in de A-B-C- boeken miste, erotiek. Ik verwachtte meer van mijn gading op de afdeling volwassenen te vinden. Je kon alleen niet zomaar langs de tafels van de bibliothecaressen komen, en was het je wel gelukt, werd je kort daarna teruggefloten. 

    De boekenkraam op de markt bleek interessanter. Met  het weinige zakgeld dat ik kreeg, kocht ik als tienjarige nieuwe deeltjes van Lucifera zonder dat vader en zoon boekhandelaar hun wenkbrauwen fronsten. Handel is handel. Overigens was het weer mijn tante Neel die me, bewust of onbewust, op weg had geholpen. Op een keer stak tussen de Tarzancomics en Kuifjes die ik geregeld van haar kreeg, een pocket met als titel Heksensabbat. Heldin van deze pulpstripboekjes voor volwassenen was Lucifera. Tijdens de middeleeuwen was zij als speciale gezant van Satan uit de hel op aarde gekomen om de mensen op het slechte pad te brengen, met als wapen haar lichaam. Om de zoveel pagina’s ging zij uit de kleren. Borsten en vrouwenbillen waren met verve getekend, genitaliën bleven geheim en mannen hielden doorgaans hun kleren aan. Wat vooral indruk maakte was de ongecensureerde wreedheid: er werd gemarteld, er werden hoofden afgehakt, teennagels en tongen uitgerukt, en dat ging pagina’s door. Wat een wereld! En onvindbaar in de openbare leeszaal. Tegen zoveel fastfood konden de tweelingjongens van de Kameleon onmogelijk op. 

    Ik rekende Lucifera meestal bij de zoon af. De vader was een norse man, tot hij keelkanker kreeg. Bij zijn terugkeer kon hij alleen iets zeggen als hij zijn vingers op het gaatje in zijn keel hield. ‘Blij u weer te zien,’ zei ik, en overhandigde hem een nieuw deeltje Lucifera. Mijn begroeting ontroerde hem. ‘Voor jou,’ zei hij en drukte mijn hand met Lucifera tegen mijn borst.

     

     


    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

     

  • Lehmann een nieuwjaarsgeschenk

    Dit prille, frisse jaar werd op de vierde dag bezoedeld door bekentenissen van een falen. Minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge, die de startdatum voor het vaccineren almaar uitstelde, bekende dat het in Nederland toch eerder had gekund. Het is ingewikkeld, sommige dingen wil je niet weten, het boetekleed, de pathetiek. Beter is het over de eigenzinnige Louis Lehmann te lezen, een dichter die niets van poëzie wilde weten. Een man die veel was, niets beloofde, de tango danste als geen ander en in de jaren tachtig altijd bereid was een leeg moment in een radioprogramma van de VPRO op te vullen. Zonder enige voorbereiding fietste hij dan naar de opnamestudio aan de Amstel, praatte daar over muziek en componisten. Ik herinner me die programma’s, de stem van Lehmann, hoe hij sprak, haperend. Je dacht, Wat is dit?, begon mee te stamelen, vroeg je af waar het heen ging. Lehmann klonk alsof hij niet wist waar hij heen ging. Hoorbaar zocht hij naar een vorm, doorzocht al pratende zijn geest als begaf hij zich in een ongeordende archief. In het zoeken begon hij soms gesneuvelde zinnen opnieuw, tot ze de zin werden die hij gebruiken kon.

    Een nieuwjaarsgeschenk, ik had in jaren er geen ontvangen, en hop, daar lag er eind december een in de brievenbus. Een prachtig ingenaaid boekje, kleurrijke omslag, onderwerp Louis Lehmann, waarvan dit voorjaar de biografie verschijnt. Een voorproefje, met teksten van Lehmanns weduwe Alida Beekhuis, radiomaker Wim Noordhoek, over Lehmanns relatie met de illustere uitgever Geert van Oorschot door Jaap van der Bent. Een heerlijk boekje waar je zo in verdwenen bent. Er staan gedichten van Lehmann in, tekeningen. Het voorwoord door de redactie is ondertekend met, ‘Rafimazo. Sozudagi!’ Wie zijn dat?, vraag je je af, is het een zelfverzonnen nieuwjaarsgroet? Nee, het zijn de vier lettergrepige woorden die uit Lehmans mond kwamen toen een psychiater hem naar zijn relatie met zijn ouders vroeg, woorden zonder betekenis.

    ‘Die woorden werden een tic.’, schrijft Wim Noordhoek. ‘Ze kwamen in allerlei gesprekken naar boven, vaak ongelegen. Tenslotte tikte hij ze uit, om er vanaf te komen. Vellen vol. Later las hij ze voor op de radio. Dat werd wat saai. Waarop hij zei: ‘Ik kan ze zingen ook.’ Hij zong ze op een melodie van Ellington. En inderdaad, er was er niet een bij die iets betekende. Ra-fi-ma-zo. So-zu-da-gi…’ Zoals gezegd, een heerlijk boekje. Voor wie niet wachten kan, een typisch Lehmann gedichtje: ‘Het is troosteloos / te kijken naar een waslijn / met een oneven aantal sokken // En soms, als het vochtig weer is / hangen ze er / dagenlang, dagenlang.’

    Ik kan me voorstellen dat Hugo de Jonge, die op het punt van kruisiging staat, een Louis Lehmann zou willen zijn. Een man met gevoel voor humor en gekke situaties, die dingen vergat, van zijn eigen gedichten zei: ‘Hee… heb ik dit geschreven. Merkwaardig.’ En dan doorging, improviserend. Misschien is dat voor De Jonge wel het beste, gewoon improviseren, pianospelen, de tango leren dansen.

     

     

    Het air van man, die niet begrepen is. Over dichter Louis Lehmann (1920-2012) / Nieuwjaarsgeschenk dec. 2020 / genummerde oplage van 600 exemplaren / AFdH uitgevers / Boekverzorging Martien Frijns / Redactie Jaap van der Bent & Paul Abels


    Inge Meijer is een pseudoniem, omhelst het monotone leven, wast haar mondkapjes.