• Wat ik niet weet

    Met schrijvers is het net als met kinderen in een groot gezin. Niet iedereen krijgt de aandacht die het verdient. Een gedachte die ontstond toen ik lezend in Deus Ex Machina met de neus op het feit werd gedrukt dat ik nooit iets van Iris Murdoch heb gelezen. Tussen de vele boeken ontsnapten die van haar telkens aan mijn aandacht. Ik zag heus weleens vanuit mijn ooghoeken een boek van Murdoch voorbij komen, maar dan drong een ander kind, (ik bedoel schrijver) zich naar voren, ging er met mijn aandacht vandoor.

    Dit weekend was ik in Utrecht bij Boekfest in Tivoli. Ik bezocht het programma ‘Op Schouders van Reuzen.’ Schrijvers vertelden over de schrijvers op wiens schouders zij stonden. Namen als Jeroen Brouwers, Simenon en Albert Camus vielen. De dag ervoor was er een Lezersmars, tegen het verwijderen van bepaalde literatuur van scholen en uit bibliotheken. Ik dacht aan schrijvers zoals Murdoch, die niet vergeten mogen worden. Er is iets te herstellen, iets om in te halen.

    Begin dit jaar gaf uitgeverij Cosimo Murdochs roman Het Italiaanse meisje opnieuw uit. Het verscheen gelijktijdig met deze editie van Deus Ex Machina, gewijd aan leven en werk van schrijver en filosoof Iris Murdoch (1919-1999). Er is veel dat ik niet wist, en hoe heerlijk dat is. Zo schreef Murdoch als fan van Jean-Paul Sartre het eerste Engelstalige boek over zijn filosofie en zijn romans. Naast haar filosofische werk, schreef  ze zesentwintig romans. Haar schrijversleven als romancier, filosoof, brievenschrijver en dichter wordt in essays en brieven vanuit het nu gericht aan de schrijver, voor het voetlicht gebracht.

    Zoals Lotte Spreeuwenberg (publieksfilosoof) die zich in een brief tot Murdoch richt. Een dode schrijver kun jr naar je hand zetten, gedachten toebedelen waarvan je nooit zult weten of ze hen ook echt pasten. Vooreerst lees ik met enige scepsis de aanhef van de brief, ‘Dag Iris, Ik schrijf je – mag ik je zeggen?- vanuit een wereld die jou vreemd zou voorkomen.’

    Maar dan, verderop in de brief word ik – misschien kwam het door Kristina Train die op dat moment op melancholieke tonen ‘Saterdays are the Greatest’ de kamer inzingt, (‘When you wake with someone / And you read the morning papers / In a little patch of sun’) – weemoedig van de woorden die volgen. Maken het schrijven aan Iris Murdoch opeens liefdevol. Spreeuwenberg schrijft Murdoch over huidige genderstudies. ‘Ik stel me zo voor dat dat jou bekend voorkomt: het verwijt niet vrouwelijk genoeg te zijn. Met jouw uiterlijke expressie, directheid en vrije liefdesleven. (…) Jij schrijft niet hoe ras, klasse of gender invloed hebben op de liefdevolle aandacht die jij zo belangrijk vindt. Er zit een gat in je morele filosofie als het op sociale en politieke zaken aankomt. Maar ergens, diep in de basis, zit het er toch. Onomstotelijk, zo lees ik je werk tenminste. Of ligt dat aan mij?’ Zo mooi dit is.

    Murdoch benadrukte, ‘Liefde is het gewaar worden van individuen. Liefde is het extreem moeilijke besef dat iets anders dan jezelf echt is. Liefde, en dus ook kunst en moraal, is het ontdekken van de realiteit.’ Een credo van alle tijden en doet een appél op barmhartigheid. Dat liefde het ‘extreem moeilijke besef’ is ‘dat iets anders dan jezelf echt is’.
    Dat zegt wat. Evenals deze ode aan Iris Murdoch door jonge schrijvers  bezongen in dit literaire tijdschrift.

    De laatste pagina’s zijn gereserveerd voor nieuw (mooi en indringend) werk van Mirthe Wouters, Anne Louïse van den Dool, Eelco Couvreur, Vincent Meenen, Louky van Eijkelenburg en Tessa Guijt. Alles zeer aansprekend, lezingswaardig. Dat een literair tijdschrift er is om belangrijke schrijvers te behoeden voor vergankelijkheid. Dat ik nu Iris Murdoch wil lezen, te beginnen met The Bell, Het Italiaanse meisje en tipte een onze poëziecolumniste me, ‘lees vooral ook The Unicorn’. Dat er schrijvers zullen zijn (of komen) die op de schouders van Iris Murdoch staan.

     

     

    Deus Ex Machina nr. 192 / juli 2025 / € 12,50


    Inge Meijer schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

  • Reishonger

    Er zijn mensen die het verlangen hebben een plaats te bezoeken waarover zij lezen in een boek. Een reishonger die ik ook ken. Als jongeman las ik de roman Waterland van de toen nog vrij onbekende auteur Graham Swift. Hij plaatste zijn verhaal in de Fens, een gebied boven Cambridge dat ooit door de Nederlanders is drooggelegd. Het is er plat als een pannenkoek. Hij beschreef deze streek rondom de rivier de Ouse zo mooi dat ik dezelfde zomer nog de fiets pakte om het gebied te doorkruisen op zoek naar plaatsen die in het boek van betekenis waren. Ik zocht de stuw op waar het lijk van Freddy Parr tegen het ijzerwerk bonkte en schuurde. Ik ging ook op zoek naar de lucht van het water, zoals Swift die beschrijft, als kenmerkend voor de Fens: ‘Een koele, slijmerige maar eigenaardig doordringende en nostalgische lucht. Een lucht die half mens is en half vis.’ Ik herkende die geur uit mijn kindertijd in een dorp langs de Bergsche Maas.

    In mijn enthousiasme ging ik ook op zoek naar de door mij veronderstelde verblijfplaats van de schrijver in de Fens. Ik had ergens gelezen dat hij in het gebied was gaan wonen om de couleur locale op te snuiven. Ik dacht dat ik wist waar dat geweest moest zijn. Aangekomen op de locatie wist niemand mij iets over Swift te vertellen.

    Datzelfde overkwam mij toen ik op zoek ging naar huize Louwhoek, de boerderij in het Gelderse Exel, waar Jeroen Brouwers woonde tussen 1979 en 1991. Ik was in die tijd helemaal gefascineerd door zijn werk en wilde weten in welke biotoop hij zijn prachtige zinnen uit Exelse Testamenten construeerde. Nu wil het geval dat Exel nogal een groot buitengebied heeft waar hier en daar wat losse huizen staan. Huize Louwhoek kon ik niet vinden. Ik raadpleegde een oudere man die voor zijn huis op een bankje zat, voorover leunend op zijn stok: ‘Weet u wellicht waar de schrijver Jeroen Brouwers woont?’ Zijn antwoord was kort en ontluisterend: ‘Jeroen Brouwers, een skriever? Hier? Nooit van eheurd.’

    Ooit gehoord van Fanghetto? Tot voor kort zei die naam mij ook niets. Ik kwam de naam van het dorpje tegen in De voorloper waarin Tom Rooduyn het ‘gedurfde leven’ van zijn vader Hans Roduin beschrijft. Dat leven eindigt dramatisch in het ruige gebied rondom dit Italiaanse bergdorpje waar zijn vader een woning had. Zoon Tom maakte Fanghetto voor mij aantrekkelijk door enkele prachtige beschrijvingen, waaronder: ‘Fanghetto lijkt in het strijklicht van de namiddagzon op de bergrug te zijn geboetseerd. Een steenarend zeilt op de zuidenwind bewegingloos boven de vallei. Net als we de hoogte van het dorp bereiken, verdwijnt de zon achter de bergen. Rook van houtvuur kringelt uit de schoorsteen.’ Ik wilde er meteen naartoe, maar heb mijn reis uitgesteld tot volgend voorjaar. Ben benieuwd of iemand daar Hans Roduin zich nog kan herinneren.

     

     


    Michiel van Diggelen, schrijver van een biografie van  Ab Visser (2013) en twee delen van een historische roman over Hendrik Peter Scholte (Uitgeverij IJzer). Samen met Richard Tanke schrijft hij aan een biografie van verzetsman en jodenredder Arnold Douwes. Als columnist schrijft hij maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Nest

    In het voorjaar waren de twee kauwtjes weer begonnen met het bouwen van hun nest onder de dakpannen. Elke ochtend werd ik al heel vroeg wakker van het geklop, getimmer, gebonk en gescharrel in de dakgoot. Als ik dan de tuin in liep, lag het pad bezaaid met takken van soms wel een halve meter lang, met touw en pluis, veertjes, haren en plastic zakken. Ik kon niet anders dan me verwonderen over de jaarlijks terugkerende, blinde drift tot gehoorzaamheid aan de natuurwet van voortplanting en overleving, waar de kauw het symbool van is, omdat hij intelligent genoeg is om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.

    Maar mijn nieuwe buurman, een jonge gast, werd helemaal gek van dat aannemersbedrijf boven zijn hoofd. Uitslapen in het weekend was er niet meer bij, zei hij. Hij wilde het nest afbreken en weggooien, en of ik de ladder wilde vasthouden? Ik protesteerde dat er misschien al wel eieren in lagen, maar hij zei dat er al genoeg kauwtjes op de wereld waren. Wie bepaalt dat, dacht ik, en mogen er daarom niet meer komen?

    Toen hij toch naar de dakgoot klom en aan de uitstekende takken van het nest begon te rukken, cirkelden de twee vogels nijdig krijsend rond zijn hoofd om hem te verjagen. Als hij geen baseballpetje had gedragen, dan hadden ze zijn hoofdhuid tot bloedens toe opengepikt. Het scheelde weinig of hij viel van de ladder af. Hij moest het opgeven en zei dat hij het nog wel eens zou proberen als de kauwen voorgoed weg zouden zijn. Ik heb maar niet gezegd dat deze vogels niet alleen trouw zijn aan elkaar, maar ook aan hun behuizing.

    ‘Hier veel kauwtjes op klapperende afspraken
    ze vliegen in patronen en twijfelen zelden, als de zon ze
    zwarter maakt, blijven ze stil, met pincetbekjes open.
    Hoe kiezen ze de liefde voor één andere kauw, hun veren
    graven hetzelfde de lucht wrakkig? Droevig maakt het
    dat denken in mensen in dierenkoppen.’

    Nu zijn de jongen uitgevlogen, het nest is leeg en verlaten. Maar volgend jaar zullen de kauwtjes er weer zijn, net als voorgaande jaren. En ik verheug me op hun komst. Omdat ze me doen hopen dat alles steeds opnieuw kan beginnen. Nu overal in de wereld van alles kapot wordt gemaakt, landen, steden, mensen, is het een geruststelling om van de kauwtjes te leren dat vernietiging en uitroeiing niet voor eeuwig door kunnen gaan. Een gebombardeerd land, een leeggeroofd nest, het maakt allemaal deel uit van hetzelfde, het verschil is er alleen in graad. Maar nestrovers en vernielers, ze zullen aan het kortste eind trekken, waar ook ter wereld. Noem me naïef, noem me sentimenteel, maar ik wil blijven geloven dat ‘De zachte krachten zullen zeker winnen/ in ’t eind’ van Henriette Roland Holst geen inhoudsloze versregel is. En dat mensenrechten overeind zullen blijven, om te leven in vrijheid en veiligheid, om een gezin te stichten, zonder enige beperking op grond van ras, gender, nationaliteit of godsdienst. Met voor ons allemaal een warm nest om in te schuilen.

     

    Uit: Sasja Janssen, Happy, 2017


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Poetry is gevoel

    In treffende bewoordingen een onderwerp vormgeven in de verbeelding van de toehoorder. Maar ook jezelf confronteren met je gevoelens. Zo ervaar ìk poetry. Het is niet makkelijk en daarom heb ik ontzettend veel respect voor de grootheden Michaël Slory, Dobru, Johanna Schouten-Elsenhout, Trefossa en S. Sombra. Met hun dichtwerk hebben zij de poëziewereld van Suriname verrijkt.

    Begin april stond Dobru centraal bij de R. Dobru Raveles Stichting, die een hele week activiteiten organiseerde om de grote dichter/schrijver te eren. Op 29 maart zou hij negentig jaar zijn geworden. In diezelfde week vond de Poëzieweek Suriname 2025 plaats, georganiseerd door stichting Skrifi en Poetry International en mogelijk gemaakt door de Nederlandse ambassade in Suriname en Literatuur Vlaanderen (België). Een week lang verdiepten de deelnemers zich in poetry, begeleid door letterkundige Hilde Neus en workshopleiders Jeffrey Quartier, Melanin Kris en Zulile Blinker.

    Neus benadrukte het belang van onderzoek en het lezen van werken van andere dichters, vooral Surinaamse. Jeffrey moedigde dichten in het Sranan aan. Melanin adviseerde om ook media te gebruiken om poëzie te delen, zoals shirts met poëzieteksten en voordrachtfilmpjes. Zulile legde uit hoe belangrijk lichaamshouding is bij een performance: “Zet je lichaam in!”

    De deelnemers scherpten niet alleen hun dichttalent aan, maar dachten ook na over hun ambities en toekomstplannen met Joran Koster van Poetry International. Aan het einde van de week mochten ze optreden tijdens de Dobru Neti. Het was weer een mooi voorbeeld van wat we samen kunnen bereiken als we de krachten bundelen.

    Wat ik vooral heb meegekregen, is dat poetry niet alleen draait om woorden op papier zetten of tegenwoordig in je telefoon typen, maar ook om hoe je die woorden overbrengt. Je stemvolume, klanken en stiltes zijn essentieel en moeten bewust worden ingezet. Elk detail telt. Maar bovenal: je moet jezelf kwetsbaar durven opstellen. Maar ik besef dat dat makkelijker is gezegd dan gedaan.

    Er moet meer gebeuren met de dichtkunst: meer optredens, meer poëzie in programma’s, meer mogelijkheden om talenten te ontwikkelen en vooral meer kansen om Suriname internationaal te vertegenwoordigen. Als samenleving moeten we op zoek naar manieren om dichtwerk meer erkenning te geven.

    Dichters moeten durven dromen. Durven hun werk groter te maken, zowel qua inhoud als qua lengte. Hun optreden mag langer, hun interactie met het publiek sterker. En ze moeten de stap durven zetten om hun werk als bundel uit te geven, desnoods in eigen beheer. Veel grote dichters zijn zo begonnen: eerst zelf publiceren, voordat een uitgever hen oppikte. Dichten en dromen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

    Daarom ben ik blij dat er mensen en organisaties zijn zoals R. Dobru Raveles Stichting, Henri Frans de Ziel Stichting Trefossa, Schrijversgroep ’77 en Zulile Blinker met haar spoken word-collectief Kokolampu. Zij houden de nalatenschap van de grote dichters levend en bieden nieuwe generaties een podium om hun werk te presenteren.

    Ik sluit af met een gedicht dat ik heb geschreven, geïnspireerd door deze bijzondere week:

    ‘Als ik aan je denk

    Denk ik aan de kalmte waarmee de zon ondergaat

    en ruimte maakt voor de maan.

    De stilte waarin de sterren hun plaats innemen,

    de rust waarmee de avond het heelal omarmt.

    Jij bent de aanraking die mij tot stilte wiegt.’

     

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Heldenen in de papieren versie van Tirade.

  • Het verhaal en de werkelijkheid

    Om mij te overtuigen is niet veel nodig, als het verhaal maar goed is. De huishoudelijke hulp in Huiswerk van Marja Pruis bestaat voor mij echt. Net zo goed dat Clara, het hoofdpersonage, de schrijfster zelf is. De vrouw die op de vraag ‘Wat ben je aan het doen?’, niets over zichzelf zegt. Clara denkt: ‘Het probleem is dat ik mensentaal moet kiezen voor het bestaan dat ik liever poreus houd. Ik moet uitleveren wat ik liever ongezegd laat, bang dat het verdwijnt zo gauw je het onder woorden brengt.’, maar zegt, ‘Ik ben aan het werk.’ Ja, ja, dat kennen we. En Edward uit De Alpenfederatie van Gregor Verwijmeren, dat is gewoon Elon Musk. Het is de waarachtigheid van literatuur die me ervan overtuigt de achterliggende beelden te herkennen.

    Deze week berichtte The Observer dat het verhaal van Raynor Winn, over haar wandeltocht met haar zieke man Moth over het South West Coast Path van zuidwest-Engeland, verzonnen is. Het is het soort informatie dat ik normaal gesproken direct aan de man doorvertel (moet je nou eens horen), maar hield het stil. In de keuken spoelde ik koffiebekers onder de kraan af. De man kwam uit de tuin, zei iets over tuinbonen en slakken. Het waren mijn tuinbonen, evenals de tomaten die ik gepland had. Wat hij wilde zeggen was dat ik ze misschien moest gaan oogsten, die tuinbonen. Ik mompelde ja,ja. 

    Dat ze niet Raynor en Moth Winn heten, maar Sally en Tim Walker, is oké. Dat ze niet zelf bedrogen waren door een vriend waardoor ze hun huis kwijtraakten, maar dat Raynor (Sally dus) in haar baan als boekhoudster een aanzienlijk bedrag achterover had gedrukt, doet het hele verhaal kantelen. Om een proces te vermijden, offerden ze hun huis op. Daar, dat is het verhaal volgens The Observer. Dat je niet wilt geloven als blijkt dat wat je eerder geloofde niet waar blijkt te zijn. Daarom zeg ik nog even niks om het bij het oude te houden.

    Wat het gekke is, dat ik, met dit verhaal van bedrog in mijn hoofd, Raynor (Sally dus), er op de foto’s die er bij deze artikelen staan, opeens onbetrouwbaar vind uitzien. Strak glimlachend kijkt ze in de camera met Gillian Anderson die de rol van Raynor in de film The Salt Path speelt, naast zich. Ik lijk mijn moeder wel, die aan elk vriendje dat de laan uitvloog en waar ze eerst vreselijk mee kon lachen, opeens niets goed meer vond. Geloofwaardigheid is geen duurzaam ding. Er kan zomaar iemand komen die een verzwegen stukje uit je geschiedenis oplepelt. En hoe dat dan weer te interpreteren. Was er niet eens een (Australische?) schrijfster die zich over gaf aan de vliegen tot haar lijf er zwart van zag? Zelfs in haar oren en neus zaten ze. Het bleek niet waar te zijn. 

    Het zoutpad was geen goedgeschreven boek, maar het was wel een goed verhaal. De verteller, Raynor Winn (Sally Walker dus) zat angstig onder de trap toen de deurwaarders kwamen. Waar ze bedacht te gaan lopen, er een boek over te schrijven. Ik zag het mezelf doen, niet bij de pakken neerzitten, rugzak om en lopen maar. Dat alles wat je jezelf ziet doen, wel waar moet zijn.  Later die avond toen we een film keken, zei ik het dan toch. ‘Zeg, wist je dat…?’ Hoe graag je dan het bedrog uit de doeken doet. Denk aan mijn moeder. Het is me wat.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Boekenmarkt

    In ons dorp hebben we ongeveer vierentwintig kappers, vier grote supermarkten, vijf snackbars en zelfs een reptielenwinkel, maar geen boekhandel. Ja, de Bruna, maar die telt niet echt mee, vind ik. Er was vroeger weliswaar een prachtige boekhandel, maar die ging ten onder aan zijn goede smaak, de klanten lazen liever Kluun dan Ida Gerhardt. De kleine bibliotheek biedt ook niet meer dan boeken over spanning en sensatie.

    Gelukkig wordt er voor fanatieke lezers elke twee maanden in een grote loods een tweedehandsboekenmarkt gehouden, die druk bezocht wordt. Het aanbod aan boeken is groot en gevarieerd, goed gesorteerd op onderwerp of alfabet, de prijzen zijn belachelijk laag en alle boeken zien er als nieuw uit. De medewerkers zijn vrolijk en behulpzaam, mocht je een titel niet kunnen vinden, dan vraag je of ze die voor jou in de gaten houden bij nieuwe donaties. De opbrengst, die kan oplopen tot meer dan duizend euro, is elke keer voor een ander goed doel bestemd. Vaste bezoekers kennen elkaar inmiddels allemaal: lezers met een lijstje om hun verzameling compleet te maken, kinderen die een boek mogen uitzoeken, een vrouw die boeken zoekt over quilten. En ik, omdat ik iets wil vinden dat ik niet heb gezocht. Ik word altijd heel gelukkig als ik de grote hal inloop.

    ‘Books to the ceiling,
    Books to the sky,
    My pile of books is a mile high.
    How I love them! How I need them!
    I’ll have a long beard by the time I read them.’

    Maar nu is er bezwaar gekomen van een van de omwonenden, die vindt dat de boekenmarkt te veel overlast bezorgt. Die persoon (niemand weet wie het is en dat is maar goed ook) heeft bij de gemeente geklaagd en nu is de boekenmarkt al sinds begin dit jaar opgeschort, tot de gemeenteraad een besluit genomen heeft over het voortbestaan ervan.
    De verontwaardiging onder de vaste klanten is groot. Eén zondag per twee maanden, dat is slechts zes keer per jaar! Als je ergernis zo groot is, zorg je toch dat je op die dag het dorp uit bent? Dat doe ik ook met carnaval, dat bijna een week duurt, maar daar hoor je niemand over.
    We hebben nu een petitie opgesteld waarin bezoekers konden aangeven dat de boekenmarkt onmisbaar is voor hen. Ik heb al zes keer ondertekend, elke keer onder een andere naam.

    Overal in Nederland wordt geklaagd over de ‘ontlezing’ van zowel volwassenen als kinderen. Iedereen onderschrijft het belang van het lezen van goede boeken, maar niet iedereen kan die betalen, boeken zijn duur. Nu hebben we hier een unieke gelegenheid om mensen boeken te laten aanschaffen voor een spotprijs en nu mag het niet doorgaan, omdat we zes zondagen per jaar ‘overlast’ bezorgen. Ik vraag me af of het belang van een enkeling zwaarder moet wegen dan dat van een grote groep, vooral als je in aanmerking neemt dat er ook mensen geholpen worden met de opbrengst. Maar als ik heel eerlijk ben, zijn mijn persoonlijke motieven niet zo nobel. Ik wil gewoon weer onverwacht een boek tegenkomen dat ik niet kan laten staan.

     

    Uit: Whiskers & Rhymes / Arnold Lobel (1985).


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Verstandsverbijstering

    Dat ik pas de volgende ochtend weet dat ik geen pure chocola had moeten eten toen ik achteroverleunend op de bank naar een serie keek die nogal teleurstelde. Er was thee met een tahin blondie, waar dus chocola in zat. Gehakte dadels en cashewnoten had ook gekund. Altijd als migraine me  overvalt, denk ik aan wat ik gegeten, gedaan of nagelaten heb waardoor het beest gewekt werd. Gisteren viel de dag uit mijn handen door nieuwsberichten over de NAVO-top (zet die radio dan toch uit!). Weemakende berichten op X van Rutte ter verwelkoming aan Trump deden me de das om. Dat je op zo’n moment iemand wil pootje haken. Languit wil zien gaan. Ga dan hoeveelheden afwegen, de tahin, suiker, meel, hak een brok chocola in stukken. Bak er wat van.

    Zie hoe weinig consistent ik ben, neem me wel meer dingen voor die ik subiet vergeet. Laatst, ik zat hoog in mijn sociale vaardigheden, nodigde ik een goede bekende die ik lang niet gesproken had, uit eens langs te komen. Ik had gerept van ‘iets lekkers te maken’. Toen weken later de kennis op de afgesproken dag en tijd aanbelde, tegen etenstijd geen aanstalten maakte te vertrekken, drong dat ‘iets lekkers te maken’ zich plots aan me op. Wat is dat toch. Misschien moet ik briefjes ophangen zoals Susan Sontag een briefje met NEE naast haar telefoon legde. Of het beantwoorden van vragen over mijn beschikbaarheid aan anderen overlaten. Dat ik alleen maar nee hoef te schudden.

    In 2019 emigreerde schrijfster Lia Tilon naar Spanje. Ze schreef er een aantal blogs over voor Tirade.nu. Ik zoek ze soms op als ik zoek naar evenwicht, schoonheid. Haar blogs scheppen een ruimte waarin ik verdwijn. Ze bevraagt zichzelf over heimwee, wat dat is. Ik denk aan de jaren dat er dagen van heimwee waren toen ik in het buitenland woonde. Dagen die me nu voorkomen als belangrijk, intens. Dat ik iets mis nu de diepte van heimwee afwezig  is. Dat eigen maken van een nieuwe omgeving. En hoe mooi zij dat beschrijft, daar ben ik dan even, op een prettige manier, jaloers op.

    ‘Aankomen in het huis van een vreemde vertoont nogal wat overeenkomsten met halverwege in een film vallen; om het verhaal te kunnen volgen moeten eerst de koffers worden geopend, de spullen worden uitgepakt. Door te kiezen voor de dezelfde bedkant als thuis, je horloge net als thuis onder het nachtlampje te leggen en je ondergoed naast de T-shirts in de kast, probeer je je vertrouwd te maken met onbekende kamers, je drukt op de lichtknoppen om te zien welke lampen er gaan branden en kijkt in de keuken of de glazen schoon zijn. Pas daarna, als je een beetje een idee hebt van het hoe en het wat, ben je in staat om onderuit te zakken en je schoenen uit te schoppen.’, schreef Lia Tilon in een van haar blogs.

    Dat ik wel weer eens op reis zou willen, halverwege in een film zou willen stappen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

  • Bekloppen van muren

    Ik wenste me ineens een ruim zittende trui, afgetrapte schoenen. Ik had genoeg van haar dat goed zit, gestifte lippen, juiste schoenen. Met woorden tracht ik de lijnen van mijn ongenoegen af te bakenen. Ik rammel maar wat met letters als was het een pokerspel. Geen woord valt samen met een ander woord. Annie Dillard heeft het over een hamer. ‘Je lijn van woorden is een hamer. Je beklopt de muren van je huis. Je tikt tegen de muren, lichtjes, her en der. Na jaren aandachtig tikken weet je op welk geluid je moet letten.’ Ik stel me zo voor dat ik al kloppend de holle frasen op het spoor kom, de doffe klanken.

    Ik doe het mezelf aan. Met elk nieuw boek begeef ik me op onbekend terrein, raak door zinnen verbijsterd. Het boek Wolf gaat over de vermissing van een broertje, een nakomertje. Na vijf maanden vermist te zijn geweest wordt hij dood gevonden in de bossen van Lapland met een Moleskine notitieboekje om zijn lijf gebonden. Hoe hij daar gekomen is, waarom hij daar was, waarom zijn familie niets wist van zijn wens te willen verdwijnen, daar zoekt de schrijfster Lara Taveirne naar.

    Dat Moleskine boekje werd door de Zweedse politie, toen hij gevonden werd, in beslag genomen. De familie wachtte er met smart op. De hoop er een boodschap in te vinden die een aanwijzing over het ‘waarom’ zou kunnen geven, was als de beruchte strohalm. Als dan een Zweedse mail binnenkomt, wordt die hoopvol geopend. Gaande de vertaling van de mail begrijpen ze dat het dagboek nog niet vrijgegeven kan worden. ‘De vertaling voelde als het uitpakken van een fout gekozen cadeau.’ Hoe teleurstelling voelbaar wordt. Als later een kopie van het dagboek wordt bezorgd, belt haar moeder, na het gelezen te hebben, haar op. ‘Die broer van je, hij had schrijver moeten worden.’ Dat is ook wat ik dacht toen ik de in het boek opgenomen dagboekfragmenten hem las: dit is waarachtig een schrijver.’

    ‘(Al sinds mijn vertrek zit ik met een knagende hersenbreker in mijn kop. Die gast die Brommer op zee schreef, hoe heette die? Arie, denk ik. Maar ik weet het niet zeker. Als ik de voornaam kan achterhalen dan komt de rest vanzelf. Ik zou het graag aan iemand willen vragen, zoals aan de vrouw die schuin tegenover me zit en eruitziet als iemand die barst van de variaweetjes, maar ik durf niemand aan te kijken, laat staan tegen iemand te praten. Merde! Hoe heet die kerel toch? Het lijkt absurd dat ik me daar in het aangezicht van de dood nog druk om maak, maar intussen geloof ik echt dat ik pas vredig kan sterven als ik het weer weet. Maak je kenbaar, meneer Brommer op zee! Fluister uw naam.)’

    Dat ik hem wil influisteren: J.M.A. Biesheuvel… Maarten Biesheuvel.

    En dan. Beroemde schrijvers zijn waardeloos als ze het met echte woorden moeten doen. Ik hoorde van een schrijver die buiten zijn literaire werk nog geen boodschappenbriefje kon schrijven (Hemingway?), van een schrijver die verschillende versies nodig had om een helder te-laat-op-school-kom-briefje voor zijn kind te schrijven.

    Bij Taveirne is er een verweg familielid, een beroemd en gelauwerd schrijver die hen steun betuigt. ‘Een paar dagen nadat je was gevonden – we zaten verschanst in het ouderlijk huis – viel er een brief van de beroemde schrijver in de bus. Mijn moeder riep ons allen bij elkaar. Er lag verwachting in haar ogen. Verwachting die op ons oversloeg. In die envelop, dat geloofden we, zaten de woorden die de pijn het zwijgen zouden opleggen.’ Maar er was geen brief, maar een kaart waarop stond, ‘Hier zijn geen woorden voor’. Haar moeder staart naar de kaart, draait hem om en om, kijkt in de envelop, (alsof daar de woorden ingevallen zijn). Taveirne op dat moment: ‘Als de beroemde schrijver geen woorden voor ons had, dan waren we officieel reddeloos verloren.’

    Dit boek heeft me te pakken. Herinneringen aan een verdwenen broer, de liefde, de wanhoop en het waarom van dit boek. ‘Ik heb het nodig om het onder woorden te brengen, omdat ik het anders niet kan geloven.’ Tot haar broertje schrijft ze, ‘Ik hoop dat jij het niet erg vindt dat ik jou hertekend heb. Herschreven. (…) Alles om je te beschermen tegen het echte verdwijnen.’
    Taveirne heeft met zoekende en liefdevol kloppende hamer de woorden gevonden (‘je lichaam in een verhaal gewikkeld’) waarmee ze een jongen tot leven bracht. Een broertje, een nakomertje, een zoon die het in zich had schrijver te worden. En dan nog, dat verlangen naar een afgedragen trui.

     

     

    Wolf / Lara Taveirne / Prometheus (2024) / 236 blz.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Verbinding

    Eén van mijn favoriete boeken uit mijn jeugd is Kamla en de vergulde man van Gerrit Barron. Ik heb het meerdere keren gelezen en duik er nog steeds af en toe in. Het verhaal volgt Kamla, die op zoek gaat naar verschillende elementen om zo de inheemse koning van het oude, onzichtbare Suriname te kunnen zien. Naast de inheemse cultuur verweeft het boek elementen uit de Surinaamse folklore, zoals bakru en leba. Aan spanning en avontuur ontbreekt het niet.
    Toen ik het boek voor het eerst las, voelde ik me direct verbonden met Kamla’s zoektocht. Een tiener die steeds meer ontdekt over de oude tradities en verborgen kennis binnen de familie. Ik voelde verrassing, maar ook trots.
    ‘De inheemsen weten hoe ze met hun omgeving moeten communiceren en hoe ze er op een respectvolle manier mee omgaan.’

    Zelf heb ik inheems bloed; mijn voorouders komen uit Commewijne. Ik ken een paar inheemse woorden en ben de afgelopen jaren, door eigen onderzoek, steeds meer te weten gekomen over mijn culturele achtergrond. Zo ontdekte ik de betekenis achter bepaalde tradities, zoals de mierenproef.

    Kapitein Ricardo Pané van Galibi vertelde me eens dat deze proef – waarbij het uithoudingsvermogen van jongeren wordt getest door bijtende mieren op hun huid te verdragen – meer is dan een pijnlijke beproeving. Het is een rite de passage, een symbool voor moed en volwassenwording. Er is nog zoveel te leren en wanneer ik de kans krijg verdiep ik me er verder in.

    Toch doet het pijn te zien hoeveel tradities verwateren en hoeveel kennis dreigt te verdwijnen. Inheemse jongeren tonen steeds minder interesse in hun eigen cultuur. Pané benadrukte in ons gesprek dat ouderen een grotere inspanning moeten leveren om kennis over te dragen: ‘Wanneer jongeren jong zijn, willen ze deze zaken niet leren, maar wanneer ze ouder worden, hebben ze daar spijt van. Daarom moeten wij harder werken om kennis vast te leggen en over te dragen zodat die niet verloren gaat’.

    Wat me vooral raakt van de inheemse cultuur, is de diepe verbondenheid met de natuur. De inheemsen weten hoe ze met hun omgeving moeten communiceren en hoe ze er op een respectvolle manier mee omgaan; een waardevolle levenswijze, zeker nu klimaatverandering dwingt tot herbezinning over onze relatie met de natuur. Maar de positie van de inheemse gemeenschappen in Suriname is allesbehalve rooskleurig. In veel gebieden waar zij wonen, vooral in het binnenland, ontbreekt het aan goed onderwijs en degelijke gezondheidszorg. Ondanks deze achterstelling blijven de gemeenschappen vechten voor verbetering. Zo neemt Matta het heft in eigen hand door zelf voorzieningen, zoals openbaar vervoer en schoon drinkwater, te regelen.

    Een cruciaal onderdeel van hun strijd is de erkenning van grondenrechten, een kwestie waarvoor zij, samen met de tribale volken, al decennialang vechten. Geen gemakkelijke strijd; een strijd die zelfs levens heeft gekost, maar wel een noodzakelijke strijd. Immers, grondenrechten zijn onlosmakelijk verbonden met hun identiteit: zij maken deel uit van de omgeving waar ze wonen.

    Ik hoop dat deze kwestie nog in deze regeringsperiode wordt behandeld. De erkenning ervan zou niet alleen een overwinning zijn voor de inheemse gemeenschappen, maar voor heel Suriname. Een land dat zijn oorspronkelijke bewoners respecteert, waardeert en bouwt aan een rechtvaardigere toekomst voor iedereen.

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

     

     

  • Dieren niet toegelaten

    Bij ons in de straat is een man overleden. Hoewel je over de doden alleen maar goed moet spreken, vond ik hem niet aardig. Mijn kinderen waren vroeger bang van hem, omdat hij hen met barse stem uit hun spel verjoeg wanneer ze stiekem fikkie stookten op het oude fabrieksterrein of in bomen klommen. Hij was een grote, autoritaire man met donkere, priemende ogen, die mijn groet altijd met tegenzin beantwoordde met een norse knik. Toch spreekt de snikkende familie op de uitvaart over hun man, vader en opa als iemand voor wie niets te veel was, die altijd klaarstond om anderen te helpen. Maar ook dat hij een man was van weinig woorden, die het tonen van emoties gelijkstelde aan zwakheid. 

    De muziek voor de uitvaart heeft hij zelf nog uitgezocht: een snerpende vrouwenstem zingt het Ave Maria en daarna krijgen we liederen van het Don-Kozakkenkoor te horen. Het kost me geen moeite niet te huilen, wat me anders al gauw overkomt bij een uitvaart. Links en rechts in de aula worden op twee grote schermen foto’s getoond van hoogtepunten uit het leven van de overledene. Maar nergens staat hij lachend op, niet met carnaval, bij zijn huwelijk en niet met de kleinkinderen. Tot er een foto verschijnt waarop hij zijn voorhoofd liefdevol tegen de kop van hun oranje kater, die een paar weken eerder gestorven is, heeft gelegd. Op deze foto glimlacht hij. Er ligt een gloed over zijn gezicht die zijn ogen doet glanzen. De kat knijpt zijn ogen gelukzalig tot spleetjes. Het is een vertederend en intiem tafereeltje.

    Ik denk aan Roald Dahl, wiens oudste dochter Olivia overleed aan hersenvliesontsteking als gevolg van de mazelen, toen ze zeven jaar was. Dahl, ziek van verdriet, had steun gezocht bij de voormalige bisschop van Canterbury en gezegd dat hij zich getroost voelde dat Olivia nu  tenminste herenigd was met haar geliefde hond Rowley. Maar de bisschop zei dat dat nooit zou kunnen, omdat honden niet in de hemel werden toegelaten. Dahl herinnert zich: 

    ‘I wanted to ask him how he could be so absolutely sure that other creatures did not get the same special treatment as us. I sat there wondering if this great and famous churchman really knew what he was talking about and whether he knew anything at all about God or heaven, and if he didn’t, then who in the world did? And from that moment on, my darlings, I’m afraid I began to wonder whether there really was a God or not.’

    ‘LEVENDEN”

    ‘In dierenogen valt hetzelfde licht
     als in het oog van mensen.
     Het levende schept adem uit één bron,
     vangt vanaf de eerste kreet
     tot aan de laatste huivering
     dezelfde zon.

     Denkenden gaan met dieren
     onder dezelfde hemel
     dezelfde einder tegemoet,
     door één verlangen voortgedreven:
     leven.’

    Ik weet niet welke geloofsovertuiging de overleden man aanhing, maar ik hoop met Dahl dat de bisschop fout zat en dat de man nu weer samen is met het enige wezen dat hem kon doen glimlachen.  

     

    Maurits Mok, uit de bloemlezing: Een wonderprachtig dier, een dierengedicht voor elke dag van het jaar


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • (N)iemand zijn

    Het is middernacht, het huis slaapt. Ik luister naar  Nooit meer slapen, het prettige stemgeluid van Jan Brokken. Zijn woorden rollen rond en vol de ether in, een stem die lokt. Ik schuif van de keukentafel, waaraan ik de laatste pagina’s van Een vrij leven van Mariët Meester lees, dichter naar het toestel. Brokken zegt dat hij het dorp ontvluchtte waar hij opgroeide. ‘Ik was helemaal niets, en niemand.’ Ik denk aan Meesters voorlaatste boek over opgroeien in gevangenisdorp Veenhuizen dat eindigde met, ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets (..) ik moest eruit!’

    Ze gaat naar kunstacademie Minerva in Groningen waar ze J. ontmoet, ze krijgen een relatie, wonen samen in een klein huisje. Tot J. haar verlaat, op reis gaat. Hoe Meester hem uiteindelijk achterna reist, in tweestrijd met zichzelf: de keuze tussen cultuur en natuur, tussen volgen of laten gaan. In een gesprek met een docent van de academie vertelt ze dat haar doel in het leven ‘vrij worden’ is. ‘Dingen laten. Niet willen hebben of toe-eigenen. Niet groter en meer, juist kleiner en minder.’ Een insteek die van een grote eigenheid getuigt.

    Als ze weer in Groningen is schrijven J. en zij elkaar brieven. Op de academie krijgt ze de opdracht het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst te verbeelden. Ze levert een bundeling van zijn brieven in met een lint eromheen. In haar vijfde studiejaar trekken ze een jaar met paard en (zelfgebouwde) wagen door Frankrijk om het verschil tussen stad en platteland te onderzoeken. Een jaar waarin ze elkaar liefhebben en haten, hun plek bevechten. Het gaat er soms heftig aan toe. Er is de dagelijks zorg om eten te vinden, een goede slaapplek, gras voor het paard. Daartussendoor ontstaan er prachtige kunstwerken als de ‘Gouden geitenkeutels’. Waarvoor Meester grote hoeveelheden geitenkeutels verzamelde, droogde op de kachel, witkalkte, met goudverf beschilderde. Daar ontstaat de rode draad in hun leven, vanuit basaal leven kunst creëren.

    Schrijven en beeldende kunst, stad en platteland strijden bij Meester om voorrang. ‘Mocht het me lukken me te ontplooien en meer boeken te gaan schrijven, betere boeken, dan zou deze tegenstelling, die in feite de tegenstelling tussen cultuur en natuur was, daar waarschijnlijk de rode draad in worden.’, schrijft ze als ze eind twintig is en ze er vele reizen met paard en wagen (snelheid 3 km per uur) hebben opzitten.

    In Nederland maken ze van een grote salonwagen hun huis in het vrije veld. Op koude winternachten slapen ze op een matras voor de houtkachel zodat ze om de paar uur hout op het vuur konden gooien tegen bevriezing. En dat het dan ook eens klaar is. ‘Na vier jaar in de salonwagen daagde het besef dat we die dwang niet prettig meer vonden, dat streven naar vrijheid kon omslaan in een vorm van onvrijheid.’

    Op de radio hoor ik Brokken een gedicht van António Machado declameren.

    ‘Reiziger, je sporen
    zijn de weg die je aflegt,
    en zij alleen.
    Reiziger, er is geen weg,
    de weg ontstaat in het gaan.
    Gaandeweg ontstaat de weg,
    en als je omkijkt zie je het spoor dat
    je nooit meer betreden zult.’

    In de stilte van de nacht gaan deze woorden met me op de loop. Ben onder de indruk, denk opeens het licht te zien. Dat het dat is wat Meester en haar J. hebben gedaan. Een weg gegaan die ‘gaandeweg’ ontstond, organisch. Het spoor dat ze achterlieten, werkelijk achterlieten. Nooit omkijken, enkel maar voortgaan. En dat uiteindelijk de liefde voor elkaar, voor de natuur, is wat overblijft. Dat dat genoeg moet zijn.

    Brokken stond vaak op het punt te stoppen met reizen vanwege het klimaat. Wat hem daarvan weerhield, ‘was de mogelijkheid tot onverwachte ontmoetingen. Zo’n treffen dat je een andere wereld binnentrekt en dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.’ Dat daarin een balans moet worden gezocht. Dat ik me wil blijven verbazen, meebewegen op een stroom aan verhalen. Waarin Meester steeds nieuwe mogelijkheden ziet om de aarde zo min mogelijk te belasten, haar weg zoekt, een gedreven verteller is. Dat je in voetsporen wilt treden.

     

     


    Inge Meijer kan het niet laten te schrijven over wat ze leest.

  • Wedstrijdje stoepschrobben

    Op een vroege morgen in Pella (Iowa), werd ik gewekt door een tweestemmig gezongen ‘Lang zal ze leven’, dat door de muren heen klonk. Twee vrouwen zongen via de smartphone een jarig familielid toe. Ze zetten daarmee op moderne wijze een traditie voort, die ze van huis uit meekregen. De vrouwen spraken thuis met hun ouders nooit Nederlands, maar Nederlandse liedjes werden er wel gezongen, met name op feestdagen. Ze herinneren zich ook allerlei aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen die thuis gebruikelijk waren, zoals ‘Mondje boven’, waarmee hun grootmoeder aangaf dat ze recht aan tafel moesten zitten en niet mochten onderuithangen als een bos wortels.  

    Maar dat is heel wat anders dan met elkaar Nederlands spreken, zoals auteur Philipp Dröge, overigens zonder bewijsvoering, schrijft in zijn veelgeprezen boek De Tawl, waarin hij sporen van het Nederlands in Amerika onderzoekt. Volgens hem komt dat omdat Pella geïsoleerd is gebleven. Ik vraag me af waarop hij dit baseert. Er zijn Nederlandse emigranten die uit louter nieuwsgierigheid het Nederlands onder de knie willen krijgen. Er zijn ook mensen die nog niet zo lang geleden uit Nederland emigreerden en met hun kinderen Nederlands bleven spreken. De meesten beperken zich echter, evenals bovengenoemde vrouwen, tot enkele eindeloos herhaalde uitdrukkingen. In een 13 jaar oude video op Youtube citeert een stokoude inwoner van Pella, een beetje giechelend, een familiegezegde: ‘Het is altijd wat, als je neus niet kriebelt, dan kriebelt wel je gat.’

    Standaard Nederlands is er in Pella nooit gesproken. De landverhuizers kwamen uit plattelandsgebieden en spraken allerlei dialecten. Gemengd met het standaard Nederlands van de elite van het dorp en met het Amerikaanse Engels groeide dit uit tot een eigen dialect, het ‘Pella Nederlands’. 

    Toen dominee Hendrik Peter Scholte in 1847 met een grote groep gelovigen naar Amerika vertrok, wilde hij dat de landverhuizers meteen na aankomst zo snel mogelijk de taal leerden om Amerikaan te worden. Zo zouden ze meer kans maken deel te worden van hun nieuwe wereld. Al na een maand zwoeren de gearriveerde kolonisten in een emotionele bijeenkomst trouw aan de Amerikaanse grondwet. Scholte was een grote aanjager van de integratie. Zelf preekte hij al snel in het Engels en gaf een Engels weekblad uit. Hij wilde van Pella het centrum van Iowa maken dat verbonden zou zijn met alle markten. Velen van zijn medekolonisten waren het niet met hem eens en verbroken hun banden met hun charismatische leider. Ze wilden dat er in het Nederlands gepreekt werd en dat hij zich met binnendorpse zaken bezighield en niet met de nationale politiek.

    Nederlandse liedjes, aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen en gezegden, klompendansen, traditionele gebruiken en Hollandse recepten, zijn een laatste strohalm met een traditie. En die strohalm grijpen velen graag vast. Het beeld van Nederland is door de inwoners van Pella op een bizarre wijze vertekend. Er is een Molengracht waarin blauw aandoend water stroomt. Daarachter is in Nederlandse stijl Hotel Amsterdam gebouwd. Met het festival Tulip Time wordt een wedstrijdje stoepschrobben gedaan, wat de meeste inwoners van het huidige Nederland al lang niet meer doen. Mijn vrouw werd gevraagd of zij iedere week nog de ramen lapt, want dat doen ze toch in Nederland? 

    Emigranten en hun nakomelingen bevinden zich tussen twee wallen, die van hun oude en het nieuwe vaderland. Ze zijn blij met ieder contact van overzee. En niet alleen Nederlanders. Overal in het land werden we aangesproken door mensen van velerlei Europese nationaliteiten die blij waren iemand uit Europa te ontmoeten. Ze zijn bang dat die band door de recente politieke ontwikkelingen in hun land verhinderd zal worden. Bij de geisers in Yellowstonepark werd ik aangesproken door een man die Brower (voorheen Brouwer) heette. Hij wil in juni Amsterdam bezoeken en vroeg zich af of hij er als Amerikaan niet met de nek zou worden aangekeken. De Nederlanders in Pella zagen in mij een ’trait d’union’ tussen hun bestaan in Amerika en hun vaderland. Ze koesteren hun Nederlandse contacten. ‘So, we’re having friends in Europe now!’

     

     

     



    Michiel van Diggelen, reisde vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Dit is het laatste verslag van deze reis.