• Dooie hond

    Er was een beroemde Amerikaanse auteur van wie ik nog nooit iets gelezen had, maar iedereen riep dat ik dat beslist moest doen. Daarom besloot ik om zijn meest geprezen werk aan te vragen bij een verre bibliotheek. Dat moest wel, want de bibliotheek in ons dorp richt zich voornamelijk op gezinnen met kleine kinderen en vertegenwoordigers van grote doelgroepen, dus is het doorgaans behelpen met het verzamelde werk van Nijntje en De Cock (met c-o-c-k) van Baantjer. Een paar dagen later kon ik het boek ophalen. De achterflap loog er niet om: ‘De favoriete auteur van andere auteurs’, ‘Een zuiver en diepzinnig hoogtepunt in het oeuvre van een van de grootste schrijvers die ik ken’, en ‘Als je maar één boek in je leven leest, laat het dan dit zijn’. Gretig begon ik te lezen.

    Toen ik ongeveer een derde van het boek gelezen had, wist ik het al: ik vond er he-le-maal niets aan. Toen ik op de helft was, nog minder. Ik heb het boek teleurgesteld weggelegd en me afgevraagd waar het aan lag. Als iedereen zich over dit boek uitliet in halleluja-achtige superlatieven, mocht ik dan vertrouwen op mijn eigen oordeel? Ja, want hoe het ook uitviel, het was in ieder geval oprecht. Dat je de achterkant van een roman niet serieus kunt nemen, is me wel duidelijk: al die aanprijzingen, die lofzangen, die extatische litanieën, ze dienen alleen om het boek te slijten, maar vertellen niets over de werkelijke inhoud. En waar ik ronduit een hekel aan heb, zijn de citaten uit recensies van vooraanstaande kranten over eerdere boeken van de auteur, waar ik dus niets wijzer van word. Was ik jonger, dan had ik nog een ander boek van dezelfde schrijver gelezen, maar met heel veel boeken om nog te lezen en steeds minder tijd kreeg hij geen herkansing meer. 

    Iedereen vroeg me in de dagen daarna of ik het ook zo’n geweldig boek had gevonden. Bevestigend antwoorden zou het gemakkelijkst zijn, dat sloeg meteen de discussie dood en dan was ik overal vanaf. Maar ik vond het geen goed boek, laat staan geweldig, en liegen gaat me niet goed af. Dus zei ik nee, en dan werd er ogenblikkelijk een stap naar achteren gedaan: ik behoorde niet tot de ingewijden, maar tot de barbaren. Terwijl Remco Ekkers toch duidelijk zegt dat we kunst niet allemaal op dezelfde manier ervaren: 

    Kunst

    Er liep een meisje
    met een dooie hond
    aan een riem door
    het museum, zij sleepte

    hem de trap af
    langs de schilderijen
    over zijn wollen poten
    tilde hem soms op

    streelde zijn oren.
    Haar meedravende zus
    besteedde niet de minste
    aandacht aan de hond.

    Geen achterflap, noch de aanbidding van gevestigde namen, of de angst om niet tot de club te mogen behoren, mag uitmaken wat je wilt lezen en wat niet. En laat niemand je ooit vertellen wat je mooi moet vinden. Dat maak je zelf uit. Klinkt De Cock en de geur van rottend hout soms niet intrigerend? Nou dan.

     

    Gedicht Remco Ekkers uit: ‘Van muis tot minaret’, 1989


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Simpele zielen

    Toen Poetin vorige week onder valse voorwendselen op oorlogspad ging, werd ik daar behoorlijk onrustig van. Als honderden kilometers barvoets lopen of duizenden schietgebedjes zouden helpen, dan zou ik dat doen. Maar ik wist niet waar te beginnen. Dus ging ik naar het filmhuis waar een Oekraïense zwart-wit film uit 1968 draaide, getiteld Скуки ради (Uit verveling), gebaseerd op een verhaal van Maksim Gorki. Over een station in de steppe, een stationschef met zijn vrouw en zoontje, een bevriend spoorwegbeambte, een telegrafist, de dienstmeid  en drie arbeiders. Een keer per dag komt er een trein op het station aan, opgewacht door de bewoners van het station. Op het perron wordt dagelijks een gemakkelijke stoel voor de vrouw klaargezet, die er in uitgaanskledij in plaatsneemt. De twee mannen positioneren zich in uniform op het perron. Zo gauw de trein stilhoudt vergapen ze zich, met het hoofd in de nek, aan het leven van welgestelde burgers in de eerste klas wagon. Als deze weer optrekt, zwaaien ze met omfloerste blik de trein na, als zat hun geliefde erin. Denk aan Herenleed, sketches van Cherry Duyns en Armando, verlangen en weemoed.

    Maar deze film is droeviger. De seinwachter verleidt uit verveling de dienstmeid, vraagt of ze getrouwd is. Ze zegt, kijk naar mij, wie wil mij nou hebben? Hij kijkt en zegt, inderdaad, je bent lelijk. Foei, wat ben jij lelijk. In het geheim bezoekt hij haar, overdag wil hij niet met haar gezien worden. De arme drommel ziet niet hoe mooi ze eigenlijk is. Nu de dienstmeid het geluk even geproefd heeft, kan ze niet meer terug naar haar oude leven, er rest haar slechts de keuze het te beëindigen. Thuis zoek ik naar het verhaal van Maksim Gorki waarop de film gebaseerd zou kunnen zijn. Ik vind het niet. Wel is er een pakketje boeken binnengekomen, verhalen van de in Kyiv geboren Sigizmoend Krzjizjanovski. In het verhaal ‘Autobiografie van een lijk’ uit 1925, lees ik dingen die zich deze dagen ook voordoen. Lees voor ‘kruispunten’, social media. 

    ‘Op de kruispunten stonden groepjes mensen opgewonden met elkaar te praten. Meerdere malen ving ik het woord “oorlog” op.’ Er hangen lijstje met wat er zoal nodig is voor de oorlog, ingezameld door de militaire intendance. Er ‘… worden voor de volgende bedragen opgekocht: voetlappen: 7 kop.; onderhemd: 26 kop.; laarzen (mil. mod.): 6 roeb.; alsmede…’ Op het lijstje staat ook dat de intendance ‘lichamen en hun inhoud: leven’ inzamelt. Krzjizjanovski schrijft, ‘Over de afkoopprijs van dat laatste werd om een of andere reden met geen woord gerept.’

    In Ik heb nooit iets gelezen, van Karel van het Reve kom ik Gorki weer tegen, die Stalin, (die niets met literatuur had) wel eens op bezoek kreeg. ‘In gezelschap van literatoren was hij verlegen volgens iemand die hem ten huize van Maxim Gorki wel ontmoet heeft (…)’. Als Stalin op bezoek kwam, schrijft Van het Reve, dan ‘was het drinken geblazen, want hij werd achterdochtig als je niet dronken was. Als men zich beleefdheidshalve tot hem wendde met een vraag op literair gebied betuigde hij dadelijk zijn onbevoegdheid.’ Dat ‘betuigen’ en ‘onbevoegdheid’, is in deze meesterlijk. Het zomerverblijf van Stalin was een houten ‘datsja’, een spijker in de muur als kapstok ‘de muren beplakt met uit tijdschriften geknipte plaatjes’. Simpele zielen kunnen ernstige schade aan de mensheid berokkenen.

    Van het Reve beschrijft hoe Brezjnev bij een bezoek van Thatcher aan de Sovjetunie een begroeting van papier leest: ‘“Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Hij wordt op zijn schouder getikt: “Leonid Iljitsj, dat is niet Indira Gandhi, maar Margaret Thatcher.” Brezjnev kijkt verstoord op en begint opnieuw: “Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Opnieuw wordt hij op de schouder getikt. Nu wordt hij kwaad. “Wat zeuren jullie toch,” bromt hij, “ik zie ook heus wel dat dat mevrouw Thatcher is, maar hier in mijn tekst staat Indira Gandhi.”’ Van het Reve was goed in grote wereldleiders de menselijke maat te nemen. Zo zie ik het graag.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, onderzoekt de dingen van de dag.

  • De opdracht

    In tijden van quarantaine is het fijn om goede buren én verre vrienden te hebben. Geregeld zette onze buurvrouw een pannetje verse kippensoep met rode pepertjes bij onze voordeur. Een andere buurvrouw haalde aan de overkant boodschappen. Vanaf ons balkon volgden we haar met trouwe hondenblik. Er is nood, en vrouwen helpen. Een pakketbezorger bracht een cassette met de verzamelde gedichten van Slauerhoff. Twee gebonden delen. Lief kaartje erbij. Precies, van een verre goede vriendin. Niet naar buiten mogen en dan het werk van een globetrotter als Slauerhoff cadeau krijgen, dat zijn de milde grapjes die het leven je geeft als je er een klein beetje oog voor hebt. ‘Er was en is veel te verstouwen,’ schrijft de vriendin in het lieve kaartje. Ze somt wat persoonlijk tegenslag op, ik zal het hier vanwege de beperkte lengte van de column niet herhalen, en ze besluit met de wens dat een goed boek voor veel het juiste medicijn is. Ze heeft gelijk.

    Deel twee van het verzameld werk opent met de bundel Yoeng PoeTsjoeng – mijn favoriet. Enkele dagen later zoek ik in het eerste deel de bundel Eldorado op (door een disco liedje uit de jaren tachtig hou ik van het woord Eldorado) en zie op het schutblad een handgeschreven opdracht:
    Voor Eva, met wie ik leven wil.
    1-5-’84  Maarten.

    Zou het? Er zijn mensen die je vooral in paren ziet. Wim Kan en Corry Vonk, Jos Brink en Frank Sanders en eigenlijk ook Maarten en Eva Biesheuvel. De Biezen zoals vrienden hen noemden. Eva overleed in 2018. Haar prachtige, directe, rouwadvertentie herinner ik me goed: ‘Goedendag. Ik ben dood. Ik mis Maarten, mijn vrienden, de poezen, de kauwtjes en de duiven. Ik dank u allen hartelijk voor uw troostende vriendschap.’ Twee jaar later stierf  Maarten. 

    De zee en Biesheuvel horen bij elkaar. Als jongen voer hij op de grote vaart. Hij moet een zwak voor Slauerhoff hebben gehad, de scheepsarts die de wereld in de Nederlandse literatuur bracht. Komt het boxje uit hun nalatenschap? Ik pak Biesboek uit de kast voor een klein onderzoekje. Het is niet hun huwelijksdag. Mijn eerste intuïtie blijkt dus fout. Ze zijn op een augustusdag op Schiermonnikoog getrouwd, jaren eerder. Is het dan wel zijn handschrift? Of komt de cassette van een onbekend echtpaar dat toevallig ook Maarten en Eva heet?  Ik zie zoveel verschillende handschriften in Biesboek, twijfel, vergelijk, herken in een brief toch de v en a van de opdracht. 

    Dan de opdracht zelf: Met wie ik leven wil. Die ‘wil’ blijft haken, intrigeert. Het is een ‘wil’ zwanger van verlangen. Naar geluk, naar bevrijding, naar verbinding. Mag ik eindelijk eens leven? Mogen wij leven? Een leven zonder opnames en medicatie? Moet je zijn opdracht zo interpreteren? In 1984 verscheen Biesheuvels verhalenbundel Reis door mijn kamer. ‘Ik ga niet reizen,’ schrijft hij. ‘Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Ik zal u door mijn kamer laten reizen tot het u duizelt!’ Tegelijkertijd doet hij Eva dus de verzamelde gedichten van een wereldreiziger cadeau. Al is het projectie of fantasie: zo is de cirkel rond voor wie er een klein beetje oog voor heeft.

     

     


    Humanistisch geestelijk begeleider en schrijver Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt daar zijn tweede roman Augustus.

  • Meesterlijke vertelling

    Elke verschuiving in de geschiedenis kent zijn kantelmoment, de overgang van het een naar het ander. Zoals bij het overkoken van melk het moment tussen warm en oververhitting niet gezien wordt (al sta je er met je neus bovenop), zo zien we veel niet. Op zo’n moment dromen we weg, drukdoende andere zaken. Life is what happens while you’r busy making other plans.’ Geloven dat het allemaal wel zal meevallen. Omdat je er niet aan wilt dat wat jij niet wilt, toch geschiedt. Zo trekt Poetin triomfantelijk met zijn zelfbenoemde vredesmissie gebieden binnen waar hij niets te zoeken heeft. En ik deed het ook, terwijl het nieuws gonsde, liet ik me bekoren door een verhaal. Een prachtig verhaal, een meesterlijke vertelling, om het idee, de constructie. Over een jongeman die vorig jaar, terwijl hij in schrijversresidentie was op de Cité Universitaire Paris, in een secretaire op zijn kamer een ‘geparfumeerde’ brief, gedateerd 06/08/1986 van ene Gambetti Lodizio vond.

    Deze Lodizio, zoon van een Nederlandse non en een Milanese klokkenmaker, was in 1986 schrijver in resident in dezelfde kamer als de jongeman in 2021. De brief richt zich tot de in Rome wonende ‘Sig. Murau’, zijn literaire leermeester. ‘Beste Murau,’ schrijft Lodizio, ’Toen ik nog een internaatskind was, prees ik de dagen waarop de regen tegen mijn zolderraam sloeg. Gehuld in een liturgisch dekbed voerde ik een dankregendans uit. Ik hoefde met regen niet naar buiten. Ik hoefde niet te spelen met andere kinderen.’ Waarna Lodizio de omgeving, die hij vanuit zijn raam beziet, en het gedrag van de mederesidenten beschrijft, ‘De andere schrijvers (…) vulden hun verblijf in met veldonderzoek in de stad. Elke dag zag ik (…) een opgewonden polonaise voorbijtrekken van residenten die gebroedelijk elkaars ruggen als ondergrond gebruikten voor hun notitieboekjes.’ Lodizio voelt angst en schaamte opkomen bij de gedachte dat hij zich onder de mensen zou moeten begeven. Een goed schrijver heeft zich immers enkel te verhouden tot zijn werktafel. Maar het waren de tijden van engagement, verhalen die op straat lagen.

     ‘Ik slenterde naar mijn kamer, Murau. Daar probeerde ik mezelf aan mijn bureau al schrijvend op een terras te fantaseren’. En later: ‘Als schrijver zal ik dan ook wel uit de tijd zijn. De contemporaine schrijver mag blijkbaar niet meer uit woorden bestaan, maar moet van vlees en bloed zijn. Hij wordt op podia gesleurd, weg van zijn natuurlijke habitat; het bureau en de witte muur, waarop zijn ogen de beelden projecteren die hij optekent. Daar staat de echte schrijver op het podium, zijn handen vastgeklampt aan het katheder.’ Lorizio schrijft over het ‘Bal masqué’ waartoe het schrijversleven verworden is. ‘Op de gang spotte ik een actrice, die ook de rol van schrijfster op haar naam had staan. Een rol die ze zo goed speelde dat ze een toegangskaartje tot de residentie had veroverd.’ Dit alles geschreven in de lijdzame vertelsfeer van Le grand Meaulnes. Deze brief stuurde de vinder naar de redactie van Kluger Hans, die deze plaatste. Maar belangrijker is te weten dat donkere regendagen en schrijvers samengaan. Je afvraagt, wanneer was dat kantelmoment dat een schrijver zijn werk niet meer genoeg was eigenlijk?

     

     

    Let wel: dit verhaal ‘Brief aan Murau’ is fictie, geschreven door Daan de Jager, gelezen in het prachtig uitgegeven literair tijdschrift Kluger Hans #41, waarin nog veel meer moois staat, maar waarvan dit verhaal zich even als beste verhaal voordeed. Wat natuurlijk een zeer persoonlijke, maar geen fictieve mening is.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Enthousiaste aandacht

    Het is nu een half jaar geleden dat ik samen met zeven anderen de antiquarische boekwinkel Colette overnam en sinds drie maanden zijn we officieel Colette & Co. In deze tijd heb ik onverwachts nog het een en ander over mezelf geleerd. Ik ging er vanuit dat ik op mijn vijftigste een goed beeld van mezelf had, maar dat bleek niet het geval. Hoewel ik het heerlijk vind om op mezelf te zijn en ik mensenmenigtes over het algemeen schuw, ben ik namelijk niet zo introvert als ik altijd dacht. Het leukste van mijn betrokkenheid bij de winkel is buiten het feit dat ik omringd ben door boeken, het contact met de klanten, die op enkele uitzonderingen na bijzonder enthousiast zijn over de boekenbergen die ze aantreffen. Geen enkele klant is hetzelfde. Sommigen lopen lang rond om vervolgens met een hele stapel boeken onder de arm af te rekenen, anderen maken alleen foto’s voor hun Instagram-account en nog weer anderen zitten vooral om een praatje verlegen. Elke dag is het wat dat betreft weer een verrassing, al heb ik inmiddels wel een paar voorzichtige conclusies kunnen trekken.

    Studentikoze types zijn over het algemeen zwijgzaam en geven de voorkeur aan contant betalen, oudere klanten zijn daarentegen behoorlijk spraakzaam en informeren met enige regelmaat bezorgd of ze met pin kunnen betalen. Er zijn klanten die haast hebben geven, en zomaar tien euro extra doneren. Weer andere klanten, waar ik tien minuten mee heb staan praten, willen afdingen op de prijs. Wat ze echter allemaal met elkaar gemeen hebben is de nieuwsgierigheid en het ongeloof over zoveel boeken als ze voor het eerst de winkel betreden. De boekwinkel werd ook opgemerkt door het tv-programma Brommer op zee. Tijdens een uitverkoop bij Colette waarbij boeken voor één euro over de toonbank gingen was er een cameraploeg aanwezig voor een reportage over de winkel.

    Het leverde een mooie impressie op in de eerste uitzending van Brommer op zee in januari jongstleden. In de reportage is te zien hoe oud eigenaar Jogchum de Vries een tas vol boeken komt afleveren bij de winkel. De interviewer vraagt aan een vrijwilligster of Jogchum nog vaak langskomt om zijn kennis over de zaak te delen. Het is immers niet zo simpel om in de vele boekenbergen een specifiek boek terug te vinden als een klant daar naar vraagt. De vrijwillige boekverkoopster antwoordt dat Jogchum nog altijd bijzonder betrokken is en regelmatig langs komt om te zien hoe het met de winkel gaat. Zijn betrokkenheid is overduidelijk als de interviewer haar naar een bepaald boek vraagt en Jogchum haar gedreven aanwijzingen geeft in welke boekenberg ze moet zoeken. De uitzending liet goed zien hoe belangrijk het is dat winkels als Colette bestaansrecht hebben en hoe zonde het is als deze uit het straatbeeld verdwijnen. Als het aan onze groep vrijwilligers ligt zal dat zeker niet gebeuren. 

     

     

    Antiquariaat Colette & Co,
    Reinkenstraat 45,
    2517 CP Den Haag


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette & Co. Dit was de laatste column van een serie van zes maandelijkse columns die Istvan voor Literair Nederland schreef. Veel dank daarvoor.

  • Naar Berlijn

    Het was zo’n middag dat ik erop uit moest, een onbedwingbare lust de trein te nemen, naar Berlijn desnoods. Waar videokunstenaar, componist en obsessief sporter Guido van der Werve in 2016 met zijn fiets tegen een openslaand autoportier knalde, eroverheen vloog, geschept werd door een touringcar. Hij sprak erover in een interview in de Volkskrant, dat bij hem niets gewoon kon gaan, zelfs een ongeluk niet. Hij had jaren nodig om te revalideren. Zijn arts zei dat als hij niet zo overdreven veel getraind had, hij dit ongeluk niet had overleefd. Ik nam me voor dagelijks tien kilometer te lopen. Dus trok ik mijn jas aan, liep naar het station. Het was guur, grijs weer. De wind ging dwars door mijn jas. Ik stopte de losgewaaide einden van mijn sjaal stevig vast. Op het volgende station waar ik moest overstappen, kocht ik een krant. De trein naar Deventer liet op zich wachten, er was een tekort aan verkeersleiders. Toen ik eindelijk in Deventer aankwam, leek het me opeens geen goed plan op de trein naar Berlijn te wachten. Ik sjorde mijn sjaal nog eens vast en ging de stad in.

    In een zaakje waar koffie met barista havermelk werd geschonken, las ik in de NRC dat Michiel Krielaars in de trein van Brussel naar Nederland een roman van Lucinda Riley las. Het las ‘als een lange tweet’, schreef hij. En, ja, een literatuurcriticus moet ook De zeven zussen lezen. Ondertussen dacht ik aan Ischa Meijer. Geboren op 14 februari 1943, tweeënvijftig jaar later op 14 februari gestorven, zomaar. Zesentwintig jaar afwezigheid waarin zijn Dikke Man verhaaltjes en ander teksten steeds meer aan betekenis toenemen. Er zijn een handvol gedichten, liedjes, theaterteksten in De handzame Ischa, een aantal Dikke Man stukjes over zijn ouders in Mijn lieve ouders. Teksten die het programma Een uur Ischa op de radio aankondigden in, Zing m’n jongen zing!, voorgelezen met de ronkende stem van Cor Galis. Teksten die over Ischa gingen, wat hem die week had beroerd, altijd eindigend met, ‘Hé, jôh, sta daar niet zo oenig te koekeloeren. En zing maar eens lekker. Ja, zing mijn jongen, zing, zing, zing!’ Of een variant daarvan, ‘En zing kleine klootzak, zing, verdomme, zing, zing, zing!’ En dan zong hij.

    In de biografie Jaap en Ischa Meijer, een Joodse geschiedenis door Evelien Gans wordt Ischa geboren in het derde oorlogsjaar. Hoe liefdevol zijn vader in een brief aan vrienden schreef, ‘Isga, die overigens best groeit, lief is en nu en dan er lustig op los keuvelt’. Ischa, die eerst Isga was. En zijn vader, die later, na de oorlog, niets liefdevols meer heeft. Om het minste geringste uitviel, vrienden, kennissen en zijn kinderen van zich afstootte, confronteerde. Ontberingen en de dood doen veel met een mens. Ischa schreef: ‘de dood maakt elk talent kapot / om te beminnen wat verging / ik ben de leegte die hier bleef; een bod / een gat, niet eens een ding / geen snaar die nog kan trillen van de angst / om te vergeten wat verging // ik blijf de leemte die beklijft; de vangst / die wel genoemd wordt: de herinnering’. Ik nam de trein naar huis, dacht erover volgende week nog eens naar Berlijn te gaan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

     

     

     

  • Bron- en contactonderzoek

    Pas als het tweede rode streepje op het display verschijnt, ben ik overtuigd van de betrouwbaarheid van de Covid-thuistest. Toch. Eindelijk te grazen. Na twee jaar voorzichtig leven – afstand houden, mondkapjes, geen handen geven, wel handen wassen, vaccinaties en booster – positief getest. Dubbelcheck bij de GGD. Ja hoor, nog voor ik het goed en wel doorhad. ’s Avonds zie ik Hunted-vips op televisie. Je bent op de vlucht en je verwacht met slimmigheidjes de vijand voor te zijn. Stom, zie die vips, ze wandelen linea recta in de val. Wat ook zo gek is, het voelt als falen. Bij al die mensen die mij vertelden dat ze positief waren, dacht ik nooit ‘hé, stommelingen, opletten’. Nu wel. Ziekte ontmaskert telkens weer de gezondheidsmythe waarin je leeft. Geitenpaadjes, Houdini-act, uiteindelijk ben je net als die vips toch eerder de tuinman uit dat beroemde gedicht van P.N. van Eyck.

    ‘De tuinman en de dood’

    Een Perzisch edelman
    Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
    Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!

    Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
    Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

    Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
    Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

    Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
    Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

    Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
    Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

    “Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
    “Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

    Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
    Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

    Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
    Die ‘k ’s avonds halen moest te Ispahaan.”

    Een mevrouw, eerder nog een meisje – het is haar eerste werkdag voor de GGD – belt voor bron-  en contactonderzoek. P.N. van Eyck, Pieter Nicolaas, in de negentiende eeuw geboren in Breukelen en overleden tijdens de wederopbouw. Herman Franke ontdekte in 1995 dat Van Eycks gedicht gebaseerd is op een tekst van Jean Cocteau en Cocteau had het van Rumi, een soefi-mysticus uit de negende eeuw, en die had het weer uit de Babylonische talmoed. En ik heb dit allemaal weer van Wikipedia.

    Het meisje wil precies weten wie ik allemaal heb gezien. Ik spel de naam van mijn partner.
    ‘Wanneer had u voor het laatst contact met uw huisgenoot?’
    ‘Nog geen minuut geleden.’ Ze vraagt naar meer namen. Ik denk aan Hunted-vips. Ik denk aan verlinken, aan de oorlog. Kinderachtig. ‘Ik heb iedereen gewaarschuwd,’ mompel ik. Even vrees ik dat ze nog een keer luidkeels en dwingend ‘namen!’ zal roepen. Wat natuurlijk niet gebeurt, wat ook gek is om te denken. Ze blijft vriendelijk en meelevend. Of ik onderliggend lijden heb?

    Jagen of vluchten. Of jagen om te vluchten. Ik denk aan een interview jaren geleden met schrijver Andrew Solomon toen zijn boek over depressiviteit verscheen. ’s Nachts zocht hij in parken mannen op voor onveilige seks.  De ene na de andere werkte hij af. Zijn opzet mislukte. Hij liep vast van alles op maar geen HIV. ‘Alleen een neusverkoudheid’, zeg ik tegen mijn partner.
    ‘Wat? Dan valt het wel mee.’
    ‘Niet ik,’ zeg ik, ‘Solomon.’

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Opmerkelijk schrijfster

    Keri Hulme is overleden. Ik las het op de site van The Guardian, op 27 december is ze gestorven. De kranten, op het Parool na, hadden er niets over geschreven. Is ze een vergeten schrijfster? Ze was wel een opmerkelijk schrijfster die in afzondering leefde op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Deels Maori, deels Europees, geboren in Christchurch, de grootste stad van het eiland. Na haar middelbare school werkte ze als tabakplukker, begon te schrijven, brak een rechtenstudie vroegtijdig af omdat ze vond dat ze niet thuishoorde op een universiteit. Ze trok zich terug om verder te schrijven. Twintig jaar werkte ze aan haar debuutroman waarvan ze twaalf jaar probeerde het uitgegeven te krijgen. Toen het herhaaldelijk werd afgewezen, dacht ze erover het manuscript in hars te verpakken en als deurstop te gebruiken. Ze was een nuchter mens.

    In 1984 brengt de feministische uitgeverij Spiral Publishing Collective het uit onder de titel The Bone People. Datzelfde jaar won ze er een belangrijke Nieuw-Zeelandse literaire prijs mee. Een jaar later won ze de Booker Prize, was daarmee de eerste Nieuw-Zeelandse schrijver die de prijs won. De aanhouder wint en (schrijvers)geluk schuilt in een klein hoekje. Kerewin is vele malen herschreven, uit elkaar gehaald, opnieuw in elkaar geschoven, het moet een hels werk zijn geweest. Zo gauw je de proloog gelezen hebt, wordt je voortgedreven, bladzijde na bladzijde. Over de kunstenares Kerewin, deels Maori, die zich een toren bouwt op het strand, zich daarin terugtrekt. Joe, half Maori, verloor vrouw en kind aan de griep. Er is een aangespoeld jongetje dat door zijn vrouw in huis werd gehaald. Na haar dood blijft Joe achter met de vondeling, een getraumatiseerd kind dat niet kan spreken, amper slaapt. ‘Het knaagt aan hem: het enige dat van haar is overgebleven, dit tweedehands, nauwelijks aangeraakte, halfgevormde aandenken aan haar aanwezigheid.’ Waarbij ‘nauwelijks aangeraakte’, betreffende een kind, diep inwerkt.

    Het is een boek over eenzaamheid, er is veel miscommunicatie. Joe, doet zich mooier voor in gezelschap van Kerewin maar kan de zorg voor het jongetje niet aan. Die op zijn beurt naar Kerewin trekt, inbreekt in haar toren, zich daar verschuilt. Kerewin ziet hem als verstoring van haar zelfverkozen kluizenaarschap. Ze wil hem buiten zetten. Dan pakt ‘een handvol dunne vingers’ haar pols. ‘Kerewin kijkt naar de vingers, kijkt met een scherpe blik op en ontmoet voor het eerst de ogen van het kind.(…) Hij kijkt bang en beschroomd, maar op een vreemde wijze heel intens.’ Dit kind is een raadsel, de personificatie van eenzaamheid. Hulme wilde met deze roman de Maori vermengd met de Europese cultuur in beeld brengen. Hoe het half tot een cultuur behoren een leven zonder achtergrond lijkt. Ze schrijft: ‘Ze waren niets meer dan mensen, op zichzelf. Zelfs gekoppeld, op welke wijze dan ook, zouden ze niets meer geweest zijn dan alleenstaande mensen. Maar samen vormen ze het hart en de spieren en de geest van iets gevaarlijk nieuws, iets vreemds, dat groot en groeiende is. Samen, allemaal samen, zijn ze werktuigen van de verandering.’ Daarom kent het boek een ‘happy end’. Dat is wat Keri Hulme als toekomstbeeld zag, een ‘happy end’, hoe gemixt je oorsprong ook is. Dit boek een kunstwerk, de schrijfster om nooit te vergeten. 

     

     

    Kerewin / Keri Hulme  / vertaling Anneke Bok / De Arbeiderspers (2016 verscheen de laatste druk)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

     

  • Rusteloos

    Gasten en vis blijven maar drie dagen fris, zegt het spreekwoord. Maar mijn gasten kenden dit spreekwoord niet, of ze hadden drie weken verstaan, want zo lang bleven ze. Het waren helemaal geen vervelende mensen, maar toch snakte ik naar de tijd dat ze weer weg zouden zijn. Ik kon niet even lekker wegkruipen met een boek, ik kon mijn muziek niet draaien, zeker niet op het door mij gewenste volume, ik kon niet uit het raam gaan zitten staren als ik daar zin in had. Bovendien diende ik gepast te converseren en de sociale omgangsregels in acht te nemen.

    Nu zijn ze weg en mijn huisgenoten begeleiden hen op hun reis naar een ander continent. Ik ben vier weken alleen. Ik had me voorgenomen om alles te doen waar ik zin in had. Maar het lukt niet meer zo goed. Als ik vroeger alleen was, ommuurde ik me met torenhoge stapels boeken en cd-doosjes, als een bastion, een verschansing, een bolwerk tegen alles waar ik me niet mee bezig wilde houden. ‘I have my books / and my poetry to protect me’, zongen Simon and Garfunkel in I am a rock en ik zong luidkeels mee,  ‘I’ve built walls / A fortress deep and mighty / That none may penetrate’. Het huishouden kon me niet schelen, de opgestapelde afwas mocht zich op het aanrecht wanhopig in evenwicht zien te houden uit angst over de rand te kletteren en de maaltijden gingen uit de vriezer rechtstreeks in de magnetron.

    ‘Ik leer het nooit’

    Tussen zeven katten woon ik
    om nog te zwijgen van paarden en honden.
    Het gras rond mijn huis is te lang.
    En wat zou dat.

     In alle vroegte beklim ik de trein,
    draaf door het land, praat met deze en gene,
    haal veel te veel overhoop.
    En wat zou dat.

    Heel de week ben ik driftig op stap
    en als ik thuis ben meestentijds afwezig.
    Je zult er maar mee getrouwd zijn.

     Ha! Nog even en ik maai het gras,
    breng maat en orde in mijn bezigheden,
    vol rustige aandacht voor kind en voor kraai.
    Dat zal wat moois zijn!

    Aad Nuis, Tirade nr. 200

    Maar nu ben ik rusteloos, ik merk dat ik steeds meer taken af moet hebben voordat ik me kan overgeven aan bezigheden waar ik echt zin in heb. Komt het omdat ik ouder word? Moet ik mijn tijd nuttig gebruiken omdat ik er minder van heb? Of voel ik me gedwongen alles goed verzorgd achter te laten, zoals bij het maken van een testament? Word ik langzaam voorbereid op het grote afscheid nemen? Als dat zo is, zal ik me uit alle macht verzetten: ik zal mijn boeken om me heen strooien, ik zal met opzet een kop koffie op de grond laten vallen om te kijken welk Rohrschachpatroon de vlek aanneemt, het stof mag zich ophogen tot ik erover struikel. Alles, alles om de dood buiten de deur te houden en de chaos en het leven te laten zegevieren.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Dat ene gedicht

    Ik las in de krant over het leven van Marie Stoppelman (1914-1994) kinderarts, later chef de clinique kindergeneeskunde in het Amsterdamse Binnengasthuis. Als jonge vrouw werd ze samen met haar broer, nadat ze verraden waren, in mei 1944 naar Auschwitz vervoerd. Hij kwam in werkkamp Auschwitz l terecht, bezweek daar. Zij ging naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, waar haar bij aankomst op het hart werd gedrukt te zeggen dat ze arts is. Ze komt te werken in de ziekenboeg van het vrouwenkamp onder leiding SS-arts Josef Mengele. Haar taak is de vrouwen op te vangen die, ‘gruwelijke proeven hebben ondergaan: sterilisaties, hoge doses röntgenstraling, injecties met petroleum’. Medische experimenten die de uiterste grens van menselijke verdraagzaamheid overschrijden. Ze is er getuige van hoe zieke vrouwen die niet meer kunnen lopen, van de ene naar een andere barak worden verplaatst.

    Ze ziet hoe Mengele de zieke vrouwen in de laadbak van een vrachtwagen gooit, hoe hij bij aankomst bij de andere barak begint te schelden, omdat de meeste vrouwen nog leven; ‘het aantal doden valt hem tegen.’ Haar leven was een ‘Russische roulette’, je wist nooit wanneer je iets fout deed en Mengele je liet afvoeren. Overleven is een vreselijke zaak. In januari 1945 wordt ze bevrijd. Er staat: ‘Wat daarna kwam zou Auschwitz-overlevende Primo Levi beschrijven als een beproeving, “vrij maar niet verlost”.’ De Italiaanse schrijver, van februari 1944 tot januari 1945 gevangene in werkkamp Auschwitz lll, schreef verschillende boeken over Auschwitz en de tijd daarna. In De verdronkenen en de geredden schrijft hij, ‘het Lager [was] een wreed laboratorium, waar je situaties en gedragingen kon observeren die noch eerder, noch later, noch elders ooit hebben bestaan.’ 

    Na de oorlog sprak Marie Stoppelman met niemand over wat ze had doorgemaakt. Wel legde ze verschillende getuigenverklaringen af, ook tegen de voortvluchtige Mengele. Na haar pensioen werd ze overvallen door haar herinneringen aan het kamp. Tegen een oud-collega zei ze, ‘het is zo vreselijk, alles komt weer naar boven.’ Ze was nooit getrouwd bekende ze eens, ‘omdat ze kinderen niet wilde belasten met haar trauma.’
    Na lezing van deze indringende geschiedenis was er stilte. De hele dag en de dag erna, als ik aan haar dacht, had ik geen woorden. Ik had de verhalen gehoord, de boeken gelezen. Had mezelf wel eens betrapt op de verwerpelijke gedachte er genoeg van te weten, dat we verder moesten. Hoe arrogant, zulke gedachten. Het verleden bepaalt nog steeds het heden. Steeds opnieuw moeten de verhalen van overlevenden van de Holocaust gehoord worden.

    Primo Levi heeft het in De verdronkenen over het clichébeeld dat de ‘zegening heeft gekregen van de literatuur en poëzie’, dat daarmee de zaken mooier worden voorgesteld dan ze zijn. Toch ging ik naarstig op zoek naar een woord, een regel. Bladerde door de prachtige bundel met troost biedende gedichten, vond niets dat toereikend was aan wat ik voelde. Was er dan niet voor alle soorten van verscheiden passende poëzie? Of wacht, daar, dit gedicht van Judith Herzberg:

    ‘Bedroefd bedroefd
     en zo bedroefd
     dat droefenis in woede
     oversloeg. Toch waren
     droefenis en woede
     niet genoeg
     nog altijd niet genoeg’

     

    (Uit: Dood gewoon gaan hemelen, uitg. Plint)

    Volkskrant-redacteur Ellen de Visser reconstrueerde het levensverhaal van kinderarts Marie Stoppelman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Een kruimel tijd

    Een mens heeft vele beperkingen. Van alle beperkingen is tijd de wreedste en de dodelijkste. Je hebt geen andere keus dan gewoonweg je leven te leiden in de kruimel tijd die je ter beschikking staat. Het zijn woorden uit een compact boekje dat ik afgelopen kerst kreeg: Ultieme vragen. Kleine filosofie van leven en dood van Bryan Magee – in 2019 bij Bijleveld verschenen in de befaamde reeks met de oranje ruggen. Het verscheen in vertaling in het jaar dat voor Magee zijn kruimel tijd – toch zo’n negentachtig jaar – eindigde. Ik las Magee eerlijk gezegd omdat ik een beetje romanmoe was. Dat zijn buien waarin ik geen enkele behoefte heb aan fictie. Vaak na een teleurstellende leeservaring. Dan kijk ik naar de stapel nog te lezen boeken naast mijn bureau, toch allemaal aangeschaft vanuit een verlangen, en denk, terwijl ik het ene na het andere even in mijn hand weeg, geen zin geen zin, geen zin in.  Buien die eindigen, dat weet ik inmiddels ook. Dan ligt de roman die ik de vorige keer nog afwees, als een lokkend hapje bovenop de ongelezen stapel. 

    Wat doe je in de kruimel tijd die je tot je beschikking hebt? Een uurtje op ruimtereis gaan met Magee bijvoorbeeld. Je kijkt door een telescoop en ziet het licht van een ster die er honderd jaar over doet om de aarde te bereiken. Misschien is in de tussentijd die ster verdwenen, ontploft, of hij is op een geheel andere plek in het universum verschenen. Maar jij ziet dat licht alsof het er op dat moment ook is. Dat is een bekend verhaal. Alleen gaat Magee een stap verder. Reis meer dan honderd lichtjaren, kijk met een telescoop naar de aarde en je ziet de loopgravenoorlog in België, je ziet ‘nu precies hetzelfde als de soldaten “toen” zagen op het slagveld’, schrijft Magee. Reis verder en je kijkt van een afstand ook naar al die andere historische gebeurtenissen – de bouw van de Chinese muur, de geboorte van Jezus, het uitsterven van de dinosaurus. Het vindt allemaal nu plaats, naargelang je plek in de ruimte.

    Van zo’n gedachtenexperiment geniet ik. De verwondering over onze tijdelijkheid in een oneindige gelijktijdigheid. Wat zou ik graag met de kennis van nu via een ‘superkrachtige telescoop’ kijken naar wat eens hier op aarde was. Maar het blijft, zo realiseer ik me, bij één zintuig. Je bent geen deelgenoot. Eigenlijk wil je bij de moord op Caesar dat zijn bloed op je toga spettert, eigenlijk wil je je hoofd buigen en de ademhaling van Hildegard von Bingen langs je wang ervaren. In Italië omarm je de echte David en de echte David omarmt jou. Je hapt in versgebakken brood in het Parijs van de zeventiende eeuw, je wilt voelen, ruiken en proeven wat door de geschiedenis nooit is vastgelegd. Dan ben ik niet meer fictiemoe, dan maak ik in die kruimel tijd (en met de andere beperkingen die ik heb) wederom de meest fantastische reizen. Alsof… Alsof ik daar ben. Ik leg Magee opzij, heb zin in Radetzkymars van Joseph Roth. 

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Niet de feestjes

    Niet de vrolijke feestjes, de picknicks en slaapfestijnen, maar het niet gehoord worden, de afwijzing, onverwachte klappen, is wat ons van kinds afaan vormt. En wat je daar later mee moet: treed je in de voetsporen van je opvoeders of trek je de stekker eruit en ga je jezelf opnieuw in elkaar zetten? Dat is wat Iggy tracht te doen in de roman Baksteen. Haar vader, ook wel de driekoppige hond genoemd, ‘Die zomaar, (…)  uit het niets begon te slaan, je op de grond gooide. Net als je dacht dat er niets aan de hand was, je iets deed of zei en hup, daar lag je weer.’ De man leed aan het syndroom van Korsakov. In haar vorige boek, Confituurwijk, was ook sprake van een alcoholistische vader. Die pleegde zelfmoord en liet zijn dochter achter met enkel een blokfluit en een kat die haar  vergezelden naar een nieuw honk. Waar het overleven begon.  

    In Baksteen sterft de vader tijdens een operatie en is het de dertigjarige Iggy die in de overlevingsstand staat. Ze slaapt met het licht aan, ramen open (de verstikking). ‘Dagelijks dendert de vrijheid voorbij, maar ik mankeer de juiste bouwstenen om er iets mee aan te vangen.’ Er wordt ingezoomd op de vader, zijn dictatoriale aard, zijn hang naar de DDR. In 1989 is hij op de Potsdammer Platz als de muur valt. Zijn dochters zijn vernoemt naar popsterren, Iggy (Iggy Pop) en Pink (Pink Floyd). Hij wil ze tot schaakmeesters drillen, leert ze ijzeren disciplines (Seid bereit? Immer bereit)

    De geest gaat altijd en onvermijdelijk op zoek naar het hoe en waarom van de dingen, betekenis willen zien in wat ons is overkomen. Op haar tiende weet Iggy dat ze ervoor moet zorgen geen slachtoffer te zijn. Ze waant zich Matilda uit het boek van Roald Dahl, die op het juiste moment over de juiste krachten bezit om het onheil af te wenden. Als ze in een vakantiekolonie wordt aangerand door de begeleiding, laat Matilda natuurlijk verstek gaan.

    Iggy denkt aan de schrijfster Tove Ditlevsen, die een evenzo donkere jeugd beleefde. Ditlevsen schrijft dat een donkere kindertijd blijft huilen en klagen als een diertje dat opgesloten zit in een kelder. ‘Hij ontsnapt uit je keel als je adem in de kou, en soms is het te klein, dan weer te groot. Hij past nooit precies. Pas als hij ooit is afgeworpen als een dierenhuid, kun je hem in alle rust bestuderen en erover praten als een ziekt waarvan je bent genezen.’ Iggy ervaart haar kindertijd als een ‘chronische ziekte’ waar ze nooit vanaf zal komen. Tot ze na de dood van haar vader twee grote zakken met bakstenen van een afgebroken muurschildering voor haar deur vindt. Het wordt een onvermijdelijke zoektocht naar wie haar vader eigenlijk was. Een zoektocht waarbij ze  zichzelf vindt.

    Vindevogel schrijft zinnen die overdonderen, in één zin breekt ze een wereld aan belevingen open. En wat een prachtige(overwinnings-) laatste passage van dit boek. Ik denk aan de veertigduizend kinderen in Nederland die tijdens de lockdown te maken hadden met huiselijk geweld, emotionele verwaarlozing, dat nog meemaken. Die wens ik net zulke gebalde taal toe als Vindevogel bezigt. Taal waarmee je een getroebleerde jeugd in kaart brengt. Of geef ze in ieder geval dit boek.

     

     

    Baksteen / Femke Vindevogel / 211 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.