• Onverwachte doden

    Opeens hoor je tot die groep waarvan leeftijdsgenoten plotseling sterven. Een vriend appt over de dood van een oud-klasgenoot, enkele weken later de doodstijding van een jongen waarmee we vroeger biertjes dronken op een studentikoze zolder aan het Singel. Dan het overlijden van een dochter, we schelen nog geen jaar. Allemaal even plotseling en onverwacht. Als de dood zo dichtbij is, en ook wat veraf – want geen van deze overledenen sprak ik pas geleden, en je hebt het er met vrienden of collega’s over, dan zijn reacties vaak hetzelfde. Na een wat meelevend schudden van het hoofd volgt de oproep om de dag te plukken. Het kan zomaar voorbij zijn. Geniet! Vervolgens ga je weer aan het werk, telefoon, mail, vergadering, deadline, en het besef van tijdelijkheid en kwetsbaarheid van leven  verdwijnt. 

    Soms is de dood van een nabije ander werkelijk een aansporing tot andere keuzes in je leven. Heel soms. Deze lente ging ik met vrienden naar Mechelen.  Zo’n uitstapje deden we vaker. Het Hans Warrengenootschap noemden we ons, omdat het debuut-tripje, veertien jaar geleden, in het teken stond van Zeeland en de wandelgids Hart van mijn land ik ben terug. Nu lopen we door het Mechelen van Herman de Coninck. Een weekend met een wond. Voor het eerst zijn we met vier. In de eerste coronazomer kwam José, de oudste van ons groepje, door een verkeersongeval om het leven. In de Sint-Romboutskathedraal brandden we een kaarsje voor haar.  

    Zo plotseling als bij José kwam het einde ook voor Herman de Coninck. Hartaanval in Lissabon. Ik denk aan hem als we de Sint-Romboutstoren beklimmen voor het aanbevolen panoramisch uitzicht. Honderden treden cirkelend op en honderden treden cirkelend naar beneden.  Opeens bang. Ik duizel, hartslag in mijn keel. Mijn voeten stappen onzeker voort, mijn evenwicht is zoek. Ik kan zomaar naar beneden storten, m’n nek breken. Of bevriezen in de oude Beiaardkamer, nooit meer een stap zetten, daar blijven: breng voortaan mijn eten maar hier. Hoeveel treden nog? Red ik de begane grond zonder hartstilstand? Kan ik aan iets anders denken?  De Coninck was lid van het Sint-Rombouts knapenkoor. Knapen en kerk, ahum. Wat dacht je van de Befferstraat of Beffershof? De drank van gisteravond stimuleerde ons tot de flauwste grappen. Worden dit dan mijn laatste gedachten? Nog zestig treden! Nee, aan die hele klim op en klim af beleefde ik geen greintje plezier. Later staan we bij het muurgedicht De Plek van De Coninck.

    Je moet niet alleen, om de plek te bereiken
    thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.
    Er is niets te zien, en dat moet je zien
    om alles bij het zeer oude te laten?

    Er is hier. Er is tijd
    om overmorgen iets te hebben achtergelaten.
    Daar moet je vandaag voor zorgen.
    Voor sterfelijkheid.

    Terugwandelend praten we over José, herinneren ons haar uitbundige lach en warmte. Haar dood overrompelende me,  stimuleerde me tot echte keuzes: ik schrapte verplichtingen (daar was niet iedereen blij mee), maakte ruimte voor columns, een nieuwe roman. Ik durfde mezelf serieuzer te nemen.
    Mag ik haar dankbaar zijn?
    Aan de Dije houden wij elkaar even vast, onwetend nog van het nieuwe verdriet dat ons naderde.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Deze schrijver

    Bij gebrek aan ‘Boekenmendel’, uit het gelijknamige verhaal van Stefan Zweig over de joodse boekensjacheraar, een levend lexicon ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, google ik naar informatie over Kees Verheul. Op wikipedia vond ik een tiental publicaties en vertalingen. En een recensie van T. van Deel over Villa Bermond, deel l van de romancyclus De Tutcheffs.

    Het begon met Tirade die laatst op de deurmat viel, een vrij dunne, maar evengoed met een keur aan bijdragen die niet onderdoen voor een doos exquise bonbons (er is even niets anders bij de hand). Een prozastuk van Delphine Lecompte, ‘Frauke naast de composthoop’, brengt smaken van herkenning door de ‘chagrijnige vroedvrouw’, ‘blinde beiaardier’, ‘weergaloze bietenboer’, ingezet om Frauke, die Lecompte een nier wil aftroggelen, te weerstaan. Er is een prachtig essay van Sander Kollaards over De jaren van Virginia Woolf, dat ik natuurlijk zelf had willen schrijven. Ik las zijn ‘Woolfiaanse choreografie’.

    Wat vindt Kollaard van De jaren van Woolf? Hij vindt het samen met Mrs Dalloway, een paar essays het beste wat hij van Woolf las. In de autobiografie van Leonard Woolf las Kollaard dat hij De jaren geen goed boek vond, maar omdat het Woolf jaren had gekost het te schrijven en Leonard bang was dat ze eraan onderdoor zou gaan, liet hij zich lovend uit over het boek. ‘Zonder de lof van Leonard zou ze het boek denk ik hebben vernietigd en daarmee zichzelf’, schrijft Kollaard. Zijn mooiste oordeel over het boek is wat het spiegelt, ‘de afgronden die steeds weer opengaan tussen mensen, zonder dat ze het willen, (…) en waarin wat er was aan liefde, intimiteit, vriendschap, oprechtheid, (…) kennelijk gedoemd is te verdwijnen.’ Dan Kees Verheul (1940), schrijver, slavist, vertaler, essayist, ik kende hem niet. Zijn bijdrage, ‘De Tutcheffs’, ondertitel: ‘mensen zonder kinderen, notities voor een roman’, is een hernieuwd oppakken van de romancyclus die hij in 1992 begon en in 2006 moest laten liggen omdat hij kanker kreeg. Nadat hij genezen was, werd hij mantelzorger voor zijn man, Kees Smit die aan alzheimer leed.

    Over hun tweeënvijftig jaar samenleven schrijft Verheul, ‘Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst gelezen en bekritiseerd had.’ Buiten dat hij zijn meelezer mist, is ook zijn schrijven zelf veranderd. Zijn woordkeus, het tempo van zijn zinnen. Er zit niets anders op, ‘mij schikken naar wat ik als tachtiger kan’. ‘Je est un autre – ik is een ander’, zou Verheul als devies boven zijn ‘Uiteindelijk wel of niet voltooide vierluik’ willen zetten. Denkend aan Rimbaud die in mei 1871 ‘deze subliem ongrammaticale zin bedacht’, nog maar zestien was. Waarna de tekst van deel lll begint, lees die tekst in Tirade 487.
    T. van Deel schreef in 1992, ‘Het autobiografische schrijven van Verheul heeft met Villa Bermond een imposante vernieuwing ondergaan. De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’ Inderdaad, grote indruk! Ik vond Kees Verheul in een literair tijdschrift, nu zijn boeken nog. Iemand?

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • Metamorfose

    Zul je net zien, werd ik op de avond van het boekenbal ziek, twee roze streepjes in een kakelwit kadertje, een mooi accessoire om de dresscode van dit jaar te eren. Nog een geluk dat ik niet was uitgenodigd. Vier dagen in bed met zakdoekjes, kruik, paracetamol, boek en potlood. Ik droomde veel, hoorde Portugese stemmen, zag een ontvelde haas naast een geplukte haan liggen. Ik keek naar de felrode spierbundels van de haas tot de haas zich oprichtte, wegsprong, de oren geschulpt als kano’s op zijn rug. Tussendoor las ik Veranderen: methode van Édouard Louis. Telkens wanneer ik ontwaakte, greep ik ernaar. Onderstreepte zinnen, krabbelde in de kantlijn (‘waarom ontfermt iemand zich over de ander?’; ‘wiens naam geschreven staat, bestaat’), bij de passage waar de directeur van het cultureel centrum in Amiens hem vraagt of het ‘Eddy’ of ‘Édouard’ moet worden op het kaartje van zijn kluisje. Het wordt Édouard, voor het eerst weg met Eddy. ‘Zijn metamorfose is zichtbaar, daar, voor de hele mensheid.’

    De onderwerpen in zijn vier voorgaande boeken, komen opnieuw voorbij. ‘Dat verhaal, die odyssee, wil ik hier proberen te vertellen.’ Hij beschrijft de laatste keer dat hij zijn moeder in zijn ouderlijk huis bezoekt. Tegen wie hij zei, ‘Trouwens, je bent geen moeder, je bent geen moeder, je verdient het niet om een moeder te zijn, (…) waarom ben ik in de dit gezin terecht gekomen en op dat moment schreeuwde ze Stop!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!’ en begint hem te stompen, schreeuwt dat ze nooit eens rust heeft met die klootzakken van kinderen. Door de ontmoeting met de schrijver Didier Eribon, van Terugkeer naar Reims, begrijpt Louis hoe hij definitief kan breken met zijn verleden. Hij moet schrijven. Waardoor ik me aan hem verwant voel, weer wegdommel. Droom van een brandend fornuis waar de poes met driepoten bovenop springt, er kats een oortje afbrandt. Ik zag het liggen, zo’n mooi aandachtig kattenoortje. Ik legde het poesje, dat steeds kleiner werd in mijn handen, in een hoedendoos, het oortje ernaast. 

    Louis eindigt met, ‘dat ik soms spijt heb afstand te hebben genomen van het verleden, (…) dat ik door te vluchten heb gevochten voor een geluk dat ik nooit heb gekregen.’ De verschillende vormen die Louis gebruikt om dit verhaal te vertellen, maken het tot verlichtende literatuur. Waaronder de (fictieve) ‘monoloog van Elena’, zijn eerste vriendin uit de middenklasse, in de vorm een hommage aan de Franse komiek en toneelschrijver Jean-Luc Lagarce (19571995). Ik lees wat Louis, Elena in de mond legt. ‘Ik wilde je plaats van bestemming zijn en ik was alleen maar het vertrekpunt. / (…) Jij zou geschiedenisleraar worden en ik journalist of kunstenaar, / (…) een kunstenaar zonder publiek, / Maar we zouden gelukkig geweest zijn.’ Als alles bereikt is, zijn tanden rechtgezet, zijn haarlijn aangepast, zijn naam veranderd, zijn studie voltooid, het eerste boek geschreven, blijft het stomme verlangen, ‘Naar de tijd dat mijn moeder haar schouders ophaalde en zei Wat een rotleven hebben we toch. Naar de tijd dat ik nog met haar kon praten. Naar de tijd dat ik droomde.’ Blij dat ik dit boek in huis had, het schudde mijn dromen. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest in bed.

     

     

     

  • Schaamte

    In het televisieprogramma Danny’s wereld toont een Poolse man zijn verwoeste hand. Ongeluk op het werk. Arbeidsongeschikt, woning verloren en dakloos geworden. Slaapt in een park. Danny Ghosen vraagt of de man familie heeft. Ja, twee kinderen in Polen. Waarom ga je niet terug? In de korte aarzeling schuilt het antwoord. Zijn kinderen weten niet dat hij alles heeft verloren. Misschien weten ze niet eens van zijn verwoeste hand. Liever blijft hij hier, zonder perspectief, dan hen weer onder ogen te komen. Wat kan schaamte levens bepalen en ontwrichten. Terwijl ik het verhaal van de Poolse man zie, denk ik aan De voorlezer van Bernhard Schlink. Wil je weten hoe verwoestend schaamte is, lees dit boek. Het opent met een ongewone liefde tussen een jonge jongen en een oudere vrouw. Badderen en elkaar inzepen horen bij hun erotisch ritueel. Haar naam is Hanna, een vrouw met een geheim en een geschiedenis. Ze verdwijnt plotseling uit zijn leven. Later ziet de jongen, student inmiddels, Hanna terug, als verdachte in een rechtszaak.

    Hanna was kampbewaakster. De rechtszaak spitst zich toe op een brandincident waarbij de meeste gevangen vrouwen om het leven kwamen. Hanna is niet onschuldig, maar ze neemt bewust meer schuld op zich dan ze heeft. Alleen om een ander geheim niet prijs te hoeven geven: ze kan lezen noch schrijven. In een eerdere column (Over het Spoor 2) sprak ik over ‘sociale’ taalschaamte. Analfabetisme is daarvan een variant met nóg grotere gevolgen. Dat blijkt uit de werkcarrière van Hanna. Telkens wanneer zij promotie kan maken, haakt ze af. Het zijn de momenten dat ze als analfabeet door de mand zou vallen en dat is wat ze ten allen tijde wil voorkomen. Ze bekent een – zeer belastend – document geschreven te hebben, waardoor ze levenslang krijgt.
    Liever levenslang dan als analfabeet door de mand vallen. Liever in een park slapen dan je kinderen bekennen dat je werk en huis hebt verloren. Liever… vult u zelf maar in. Wil je schaamte inzichtelijk maken dan helpt het beeld van een bodemkaart.  Je durft de ene schaamte wel te bekennen, maar de schaamte die eronder schuilgaat blijft onbenoemd, tot je eraan toe bent om ook die te herkennen et cetera.

    In de gevangenis leert Hanna lezen en schrijven met behulp van de op cassettes ingesproken boeken die de student haar toestuurt. Hij confronteert niet, stelt geen vragen, biedt haar indirect de mogelijkheid om te emanciperen. Zo kan het soms gaan. Een ander helpt, bewust of onbewust, door gezonde omstandigheden voor jou te creëren. De Voorlezer is ook een pleidooi voor levenslang lezen. Hoed je voor een coach die nooit poëzie of een roman leest, want wie aan mensen hulp verleent heeft baat bij doorleefde kennis van de wereldliteratuur. En mijn eigen schaamte-stemmetjes? Ik wil me er niet door uit het veld laten slaan, mild te blijven. Ik weet dat er in miljoenen hoofden van dit soort geheime, oordelende stemmetjes zijn die even zovele levens bepalen. Mag ik toch iets stichtelijks zeggen? Ik hoop dat in geen van die hoofden een oordeel klinkt in de klankkleur van mijn stem. Van uw stem. Oef! Bijna zou ik amen zeggen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

     

  • Probeersels

    Er is behoefte aan orde. Het moment om een plank vrij te maken voor dichtbundels die gestapeld tegen de muur staan. Ze een voor een ter hand nemen. Begin met Achmatova, eindig met Wislawa Szymborska. Daartussen Bindervoet, Brands, Michaelis, Perk,en Schouten naast Schaffer. ‘t Hart (Kees), voorafgegaan door Van Geel, daarna Hertmans, Van Hest, Heytze op weg naar Hussem, Jansma, Jonker, Van der Linden, Lagemaat, Perk, Pessoa, Perquin en meer. Ik sta met Herzberg in mijn handen, haar eenvoud in haar gedichten is hoe ze als mens is. De drieluik Leedvermaak, Rijgdraad en Simon wordt weer op toneel gebracht. In een interview in de Volkskrant werd haar gevraagd of dit drieluik een belangrijk stuk in haar oeuvre is. Ze zei, ‘Welnee. Om te beginnen héb ik geen oeuvre. Dat vind ik een veel te groot woord. Ik beschouw niets van mijn werk als “belangrijk”. Als ik het zelf belangrijk zou gaan vinden dan zou ik helemaal verstijven. Het zijn allemaal probeersels.’ Creaties als een ruimte waaruit ontsnappen mogelijk is.

    Ik denk aan Wim Brands die zes jaar geleden op 4 april uit het leven stapte. In Alles komt goed, delen tweeëntwintig auteurs herinneringen aan hem. Herzberg schrijft over de keer dat ze samen met hem op Het Tuinfeest in Deventer was. Ze had hem nooit ontmoet, kende hem enkel van zijn boekenprogramma, waar ze zogezegd verslaafd aan was. ‘Wim beschikte over een enorme voorraad oproepbare weetwaardigheid. Daardoor voelde wie door hem gevierd werd, geïnterviewd bedoel ik, voelde zo iemand zich zowel heel precies en aandachtig als eenling erkend, als ook ingebed in een veel groter geheel.’ De verspreking ‘gevierd’ in deze, is geweldig. Herzberg herinnert zich ook hoe ontzet ze was toen hij tijdens zijn optreden regels uit het gedicht over de dood van zijn vader voorlas. ‘Het leek of hij ze het publiek in smeet. Voor mij waren ze nieuw en ik neem aan dat ze dat ook waren voor veel mensen die om me heen zaten en stonden’. De volgende ochtend treffen ze elkaar bij het ontbijt in de hoteltuin. Ze wil wel iets zeggen over zijn gedichten, maar weet niet wat. Ik was er niet bij maar ik denk dat het regels uit dit gedicht waren die hij voorlas:

    (…)
    Hij verhing zich.

    Brak hij toen zijn nek?
    ik vraag het me opeens af
    nu ik dit schrijf

    maar ik durf het niet te vragen
    En aan wie?

    Brands gaf Herzberg een bundel met een opdracht, die ze eerst niet kon ontcijferen. ‘Nu het me toch gelukt is te lezen wat hij had geschreven werd ik met terugwerkende kracht ontroerd.’ Dit stond er: ‘Dag Judith, ik doe je deze bundel graag cadeau omdat ik door het lezen van o.a. jouw poëzie ooit dacht: dat moet ik ook eens proberen, gedichten maken. Liefs, Wim.
    Herzberg ziet dat er eerst, ‘door het lezen van jouw poëzie’ stond. Dat er later, heel klein ‘o.a’ tussen was geschreven. ‘Onder andere,’ schrijft ze, ‘Dat maakt het redelijker, betrekkelijker, grappiger en groter.’ Ik denk aan Wim Brands die dichtregels het publiek in smeet, als wilde hij er vanaf. Hoe definitief dingen zijn als je het onherroepelijke doet.   

     

     

    Uit: ’s Middags zwem ik in de Noordzee / Wim Brands/ Nw A’dam 2014


    Inge Meijer is een pseudoniem, koopt zich een fiets, leest boeken tot de laatste bladzijde.

  • Jurk

    Het was een uitzonderlijk drukke en vreemde maand geweest. We hadden juichend een nieuw mens verwelkomd, we hadden huilend een ander moeten laten gaan. Het was dan ook niet verwonderlijk dat mijn ogen langzaam dichtvielen toen ik aan tafel zat te lezen. Toen ik ze weer opendeed, lag ik languit op de bank, waren boek en bril op de grond gegleden, en de rode jurk die ik gedragen had, was vervangen door een zwarte. Nu ben ik al heel lang een hardnekkig slaapwandelaar en heb ik vaker rare dingen gedaan als ik ’s nachts rondspookte, maar was ik werkelijk naar boven gegaan om me om te kleden in mijn slaap? En waarom? Volgens een artikel uit 2017 in de Libelle zou zwarte kleding geassocieerd worden met zelfverzekerdheid, aantrekkelijkheid en intelligentie; rode jurken daarentegen met arrogantie en een gebrek aan intelligentie. Wat mijn activiteiten tijdens het slaapwandelen betrof, wilde ik liever geen conclusies verbinden aan deze informatie; ik kon beter van lectuur veranderen dan van kleding.

    Ik raapte Orlando van Virginia Woolf op, dat ik aan het lezen was, maar daar kon het niet aan liggen: ik was niet van geslacht veranderd, alleen van jurk. Ik dacht aan jurken en kleuren, aan betekenis en symboliek, aan Roodkapje, aan Medea, die de trouwjurk van haar rivale Glauke in brand zette. Ik dacht aan Le rouge et le noir van Stendhal, aan het meisje in de rode jas dat als een brandpunt in de zwart-wit film Schindler’s list verschijnt tijdens een razzia in het Poolse Krakow en wier rode jas later op een kar te zien is tussen de opgestapelde doden. Ook dacht ik aan ‘scharlaken zonden die wit als sneeuw zouden worden, al waren zij rood als karmozijn’. Maar het hielp niet.

    Ik heb nooit een bevredigende verklaring gevonden, totdat ik later een gedicht van Anne Vegter tegenkwam, waaruit duidelijk bleek dat het aan de jurk zelf lag. 

    ‘Showen en trippen’

    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren
    te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is
    je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk geluid te maken dat dieren overstemt
    om aandacht te vangen van een geschminkte koningin.
     
    Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show
    te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart
    te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.
     
    Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
    Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

    Vegter vertelt nergens welke kleur de jurk had. En een wade is wit. Maar ik ben een beetje huiverig geworden voor jurken van welke kleur dan ook. Voorlopig trek ik maar een oude spijkerbroek aan, altijd goed.

     

    Gedicht uit: Spamfighter / Anne Vegter / Querido (2007)


  • Aardige man

    Begin jaren tachtig had ik een winkeltje in Deventer met een vriendin. We maakten jassen van Perzische tafelkleden, broeken met hoge taille, capes van velours. Stoffen kochten we in de Jodenbreestraat in Amsterdam. Op een middag kwam er een man in het winkeltje. Hij had interesse in een cape, paste er een, kocht er twee. Zo stel je de toekomst een beetje veilig. Ik ben er vrijwel zeker van, hoewel herinneringen nogal suggestief zijn, dat die man Jozef van den Berg was. Hij speelde die dagen in de stad. Aardige man. Toen hij begin jaren negentig zijn gezin, het theaterleven verliet, dacht ik ‘Woh’, er zomaar vandoor gaan (hij wel). Doen wat je niet laten kunt. Soms denk ik aan hem, ‘Hoe zou het zijn? Zou hij nog in dat fietsenhok zitten, kluizenaar zijn?’ Daarbij zie ik dan het beeld van de man die de panden van een cape om zich heen slaat bij het verlaten van het winkeltje. Tien jaar later verliet hij dus vrouw en kinderen. Een van zijn kinderen zei nog, ‘Dat gaat zomaar niet, ik ga met je mee.’ Maar hij ging alleen, hij was geroepen door God. Dit lees ik in Jan van Mersbergens boek Mijn pa is nooit alleen.

    Bij voorbaat een goed boek, om Jozef van den Berg die erin voorkomt. De man die mijn voorstellingsvermogen van ‘leven in vrijheid’, tartte. Van Mersbergen schrijft zich via verschillende kluizenaars een weg naar zijn vader, naar zichzelf. Zijn vader was een alleenganger, bouwde zich op een hectare land, buiten het dorp waar ze woonden, een eigen ruimte. Hoewel zijn vader niemand verliet, net geen kluizenaar werd. Zijn moeder bleef, zijn vader ging niet weg. Ik lees, ‘Van mensen die ervoor kiezen ergens ver van andere mensen te leven, begrijp ik helemaal niets en toch fascineert hun keuze me.’ Van Mersbergen onderzoekt het leven als kluizenaar van Jozef van den Berg, er is een boek over hem, interviews. Hij zoekt hem niet zelf op. Wel bezoekt hij een zwerver in Slotervaart, geeft hem een jas, stelt hem vragen hoe hij hier zo gekomen is. Een huwelijk, gokverslaving, huis uitgezet, niets vrijwillig.

    Dat zou hij ook aan Jozef willen vragen, hoe het zo gekomen is. ‘Eigenlijk wil ik van hem weten of hij zijn thuis mist.’ Een cruciale vraag voor iemand die trouw is aan zijn mensen. Hij schrijft, ‘Hij vertrok op de fiets, volgde Gods roeping, was van plan de wereld in te trekken, maar kreeg een lekke band in het eerstvolgende dorp, en daar is hij in een fietsenstalling gaan wonen. Dat is het verhaal van Jozef: een lekke band.’ Zelf vertrok hij tien jaar geleden ook op de fiets, weg van zijn gezin dat niet meer ging. Kreeg geen lekke band, trok in bij een vriend. Een boek over de vader is altijd een boek over de zoon, en in deze, over Jozef van den Berg. Hij schrijft, ‘Het schrijven van deze autofictie is als het lopen van een estafette. De kluizenaars zijn al vertrokken, (…) geen van de voorgangers komt mij het stokje doorgeven. Kluizenaars zijn niet goed in het doorgeven van hun verhaal.’ Van Mersbergen is (goddank) geen kluizenaar. Hij geeft zijn verhaal, verhalen van anderen en wat die met hem doen, wel door. Mooi om te lezen. Ondertussen ben ik er steeds zekerder van dat het de poppenspeler was, toen, in dat winkeltje. Aardige man.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

  • Dental stick

    Soms denk ik dat hij opgerold op de hoek van de bank ligt. Bobbie. De zwartwit gevlekte Stabij die vijf weken bij ons heeft gewoond in ons Amsterdams appartement.  In januari is hij  verhuisd naar Friesland. Vrijstaand huis, grote tuin tot aan een kanaal. Het laatste bericht dat ik over hem kreeg, was dat hij elke dag op konijnen jaagde. Het klonk als een eind goed al goed voor viervoeters.
    Bobbie kwam in december bij ons. Een hond met overgewicht en zwarte tanden. Er lag een kleedje op de bank voor hem. We kochten Dental sticks voor zijn tanden. De eerste nacht was hij rustig. Toen we hem ’s ochtends in ons onderbroek goedemorgen wensten, beantwoordde hij ons vrolijk onthaal met een voorzichtige kwispel van zijn staart. Hij had een moeilijke tijd gehad, vertelde het gastgezin. Zijn baasje was aan corona overleden. Een nieuw baasje bleek allergisch voor honden, iemand anders bleek toch minder thuis te mogen werken van zijn baas dan gedacht. Zo waren ze bij ons uitgekomen. De vrouw des huizes bekende dat ze bang was om hem uit te laten. Haar man keek haar aan alsof ze een klokkenluider was. En wij, wij hoorden haar waarschuwing wel, tevreden etend van het gebak dat ons werd geserveerd, maar lieten haar boodschap niet echt binnenkomen. Dat overkomt klokkenluiders wel vaker.

    Bobbie was wat ze ook wel waaks noemen. Hoorde hij de lift dan rende hij blaffend naar de voordeur. Hoorde hij de buurvrouw thuiskomen, de schoonmaker in het trappenhuis, telkens stormde hij dol en luid blaffend naar de voordeur. Geen aandacht geven, kregen we als advies. En toen kwam het vuurwerk ondanks het vuurwerkverbod. We gaven Bobbie kalmerende pillen – ‘Op natuurbasis, die doen niets,’ zei mijn partner kritisch – en spoten met een kleine injectiespuit stress-verlagende vloeistof in zijn bek. Het hielp allemaal niet.
    Op Oudejaarsavond brulden televisie en radio’s in woonkamer, keuken en slaapkamer op volle geluidssterkte. Maar bij elke knal van buiten blafte en rende Bobbie wild in het rond en kalmeerde alleen als we hem een Dental stick gaven. Tegen elven trokken we ons gedrieën terug in de badkamer. We stopte de ventilatie dicht met een handdoek, lieten de kraan lopen en deden een theedoek om zijn kop zodat hij eruit zag als een hond uit een gezellige kinderfilm. We praatten, we zongen kinderliedjes en negeerden de knallen van buiten.

    Half drie verlieten we ons schuilhol, uitgeput. ‘Gelukkig nieuwjaar,’ zei ik en gaf Bobbie nog een Dental stick. Bobbie bleef in de weken daarna waaks. ’s Nachts stormde hij minstens twee keer luid blaffend naar de voordeur. Buiten hapte hij naar voorbijgangers. Toen we aankondigden dat hij naar een ander adres verhuisde, reageerden de buren begripvol. ‘Voor iedereen  het beste,’ zei er een. Een zin die ik vaak heb gehoord als iemand na een lang ziekbed is overleden.
    Op mijn bureau ligt De jongen en de hond van Seishu Hase, een feelgoodroman over een zwerfhond. Graag had ik daarover geschreven, maar het lukt me niet. Ik zie Bobbie op konijnen jagen en verbijt mijn schuldgevoel. Laat hij dat dan tenminste doen met stralend witte tanden.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

     

     

     

  • Meneer Markowitz

    Iemand vroeg of ik ‘al die’ boeken die in deze columns voorkomen, ook echt gelezen heb. Ik antwoordde, dat wat niet gelezen is, niet genoemd wordt. De vraagsteller vroeg verwonderd, ‘Wanneer lees je dan, waar vind je de tijd?’ Ik zei dat wanneer  je lezen niet beschouwt als lezen, zoals je lopen niet beschouwt als lopen, maar een drang om ergens te komen, gaat het vanzelf. Ik zei, zoals je ademhaalt om te leven, zo kan er gelezen worden. Soms is het moeilijk te geloven, (geloven is accepteren) dat een ander, anders in elkaar steekt dan jijzelf. Ik las Minjan van Margot Vanderstraeten in de trein naar Groningen, in de badkamer, op de bijrijdersplaats onderweg naar vrienden, in bed, aan de keukentafel, in afwachting van een pakketje. Ik stond er niet bij stil, maar er zijn vele plekken (en momenten) om te lezen. Vanderstraeten publiceerde vier romans voor in 2017 Mazzeltov verscheen. Over haar kennismaking met een orthodox joodse familie waar ze in de jaren tachtig als werkstudent bijles gaf aan de vier kinderen. Daarna bleef ze betrokken bij het leven van de orthodox-Joodse samenleving.

    Bij  een van haar lezingen over Mazzeltov is een chassidische vrouw aanwezig die haar vraagt, ‘Kunt u zich voorstellen wat antisemitisme is?’ Vanderstraeten antwoordt dat ze gevoelig is voor elke vorm van racisme, discriminatie en antisemitisme. ‘Op die manier weet ik misschien een beetje wat het is.’ De vraagstelster knikt minzaam, ‘Dank u.’ En vraagt, ‘Denkt u, mevrouw, dat u weet wat het Jodendom is?’ Ter illustratie vertelt Vanderstraeten over meneer Markowitz, een gepensioneerd diamantkliever die ze ontmoette om over de teloorgang van de Belgische diamantindustrie te spreken. Hoe de edelsteenambachten zich van Europa naar Azië verplaatste. Waar de lonen laag zijn, de mensen fijne vingers hebben. Markowitz, op zijn beurt, vraagt waarom ze dit wil weten. ‘Omdat ik een boek over het jodendom schrijf.’ Waarop Markowitz haar feliciteert om haar kundigheid. ‘Want weet u, ik belijd al bijna tachtig jaar het orthodoxe Jodendom, en toch zou ik, die van Joodse cultuur en godsdienst ben doordrenkt, tot op de dag van vandaag niet durven zeggen dat ik een boek over het Jodendom zou kunnen schrijven…’  Ze kijkt zwijgend de zaal in. De vraagstelster leunt glimlachend, in zekere tevredenheid achterover in haar stoel.

    Na de lezing stelt ze zich voor als Esther Apfelbaum, zegt dat meneer Markowitz een slimme man is, wil haar onder vier ogen spreken. Ze hebben het over Joodse scholen, zijn het niet eens over elkaars opvattingen over vrijheid van onderwijs. Apfelbaum zegt, ‘U denkt: hoe meer visies je aan een kind geeft, hoe minder je het beperkt.’ Geregeld zegt Esther de vriendschap op, ze wil niet dat er over haar geschreven wordt. Over joden die uit de gemeenschap stappen is ze duidelijk, OTD (Off the derech) genoemd. Unorthodox van Deborah Feldman, dat ze niet gelezen heeft, staat volgens haar vol leugens. Ze vindt dat Vanderstraeten Mazzeltov nooit had mogen schrijven. Wat ze later weer terugneemt. Ze is opgegroeid zonder grootouders, een witregel in vele joodse generaties. Zo veel om te beseffen. ‘Hoe kan een ‘gitte Frau’ nu een boek over ons schrijven? zegt Esther op het einde van het boek. Margot Vanderstraeten, balancerend op een koord van mededogen en oprechte belangstelling boven schijnbaar onverenigbare werelden, kan dat. Schrijven over dat wat niet ten volste begrepen kan worden, is nochtans een begin van weten, van acceptatie. Zegt het voort.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Roep de woorden terug het land in

    Ik bewonder veel mensen, maar heldenverering maakt me onrustig. Het type mens dat anderen blind op het schild hijst is ook het type dat ze, teleurgesteld door hun menselijkheid, genadeloos te pletter laat vallen.

    Maar hij is het, een held. Wie weet zag hij het presidentschap ooit als de karakterrol van zijn leven, maar nu is alle glans er af gebombardeerd en is het echter dan echt. Ik probeer me voor te stellen hoe ik het er vanaf zou brengen in zijn schoenen. Sneu, want dat is niets anders dan de werkelijkheid omzetten in fantasie om het draaglijker te maken. Maar ik schrijf fictie, dus het is mijn vak, me iets voorstellen. (Zo, nu is het legitiem).

    Zijn vrouw schreef de tv-serie waarin hij speelde. Zou ze nu ook zijn teksten schrijven? Iedereen is onder de indruk van zijn speeches. Woorden zijn zijn belangrijkste wapen, zijn enige wapen eigenlijk. Op dat vlak wint hij het glansrijk van Poetin. Het zijn goede teksten, al vindt de tot vervelens toe mee schavende schrijver in mij dat er nog wel wat aan te schaven valt. Je zou bijvoorbeeld – 

    Goed, als ik dan toch in deze steeds sneuere vergelijking gevangen zit, kan ik me er beter aan overgeven. Ik zet mezelf voor een geïmproviseerd presidentieel ogend decor en met duizend geweren op mijn hoofd gericht spreek ik de volkeren toe. Als ik mijn wanhopige woede de baas kan blijven (misschien kan ik dat wel – nee, natuurlijk kan ik dat niet) dan zeg ik, ik zeg…
    Ik zeg helemaal niks. Ik val stil voor een spiegel en beelden razen door mijn hoofd: ik tussen de slachtoffers, ik mis een been, ik – waar zijn mijn vrouw, mijn kinderen. Of ik ben een Rus, die niet weet wat hij allemaal niet weet. Ik ken alleen de gesmurfte werkelijkheid van Poetin, ooit een jongetje dat niet mocht liegen van de juf. Ik leef in Poetins nieuwe werkelijkheid, geschapen door vakkundig het vrije woord om zeep te helpen, zeep, zeep, het woord oorlog dat als een zeepbel, plop! verdwijnt, want als hij zegt dat het niet bestaat, dan bestaat het niet. 

    Of ik besta helemaal niet.

    Ik besta niet. Waar de tegenpruttelende NAVO en VN nog werkelijkheid zijn, en Zelensky’s speeches zich nog aan Poetin manifesteren als een jeukende korst – waar alleen de machtigste en meest persistente krachten nog doordringen tot Poetins Verschrikkelijke Ikke, ben ik helemaal niets. In Poetins universum komt de waarheid van zijn woorden niet voort uit de feiten die ermee beschreven worden, maar buigen de feiten als lakeien mee met zijn woorden. Een giga Forumland, waarin theaters en ziekenhuizen plat worden gevredesmissiet, waar de waarheid is verschrompeld tot een schaduw van een vermoeden over een werkelijkheid die zou kúnnen bestaan, waar honderdvierenveertig miljoen Russen op de tast schuifelen door de diepe, zwarte nacht, zonder met zekerheid te kunnen zeggen of het nacht is. 

    We zouden bij de grens van Rusland moeten gaan staan allemaal, en heel, heel hard roepen. Het is het enige dat we hebben, woorden. En samen roepen we de woorden die Poetin schrapte terug het land in. Oorlog heet het, en invasie en bloedvergieten. Dictator heet de een, en helden al die anderen.

     

     


     Schrijver en regisseur Frank Gunning schrijft voor Literair Nederland een serie van zes maandelijkse columns over schrijven. Hij publiceerde Meisje van glas (2014) en Schuilplaatsen van Woody Gardiner (2017) bij uitgeverij Querido.

     

     

    Foto:Koos Breukel
  • Wat dit boek doet

    Ik verlang wel eens naar het spreekwoordelijke pakje sigaretten halen. De straat uitlopen, een zolderkamer betrekken. Dagen van waarnemen, verwonderen over de dingen, dat noteren. Wie droomt daar soms niet van? En nee, het is geen vlucht, het is de mogelijkheid van een nieuw leven. Omdat ik dat wel nooit zou doen, houd ik het bij de verhalen van eenlingen. Romans van Emmanuel Bove, Patrick Modiano, Walging van Sartre, verhalen van Biesheuvel. Met personages die om hun bevreemdende levens een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Zo las ik een kleine roman waarin de verteller terugblikt op zijn achttienjarige zelf. Als jongeman werkte hij tijdelijk bij een boekhandelaar, schreef synopsissen voor een filmproducent, woonde op kamers in een statig huis van pandjesbaas Dzinballe aan de IJsselkade in Zutphen. Om grip op zijn leven te krijgen, leest hij romans die spelen in Amsterdam, Aalst, Petersburg of Parijs. (‘Maar nooit in Zutphen.’)

    Nieuwsgierig naar verhalen achter namen, zoekt hij in het stadsarchief de naam van zijn huisbaas. In 1902 schreef de eerste Dzinballe uit Malschwitz Duitsland, zich in Zutphen in. Ik lees dat Malschwitz tussen Berlijn en Dresden ligt, gebied van de Sorben een West-Slavisch volk met een eigen taal en cultuur. De Sorbische naam voor Malschwitz, is Malešecy, dat aan drie kanten begrensd wordt door water. Kenmerk van een goed boek is dat ze nieuwsgierig maken naar dingen waarvan je niet het geringste vermoeden had dit te willen weten. Elke pagina leidt naar een zweem van een verhaal dat daar achterligt. Op zijn kamer vindt hij een koffertje met naaktfoto’s in de sfeer van ‘Freikörper’ met de inscriptie ROA. Hij achterhaalt wie er achter die initialen zit, gaat op onderzoek uit naar de vrouwen die zich hebben laten fotograferen. Sommigen herkent hij, een buurvrouw, de tante van een vriendin, de vriendin zelf. Hij stopt er weer mee omdat hij zichzelf belachelijk maakt door ze te bespioneren. 

    Er zijn oude krantenberichten die hij in boeken vindt. Als er op een ochtend een Duitse jongen, Wendigo Krause in de IJssel verdrinkt, vlak voor zijn deur, doet dit hem denken aan een krantenartikel over een roofvogel en een snoek uit de Tilsiter Zeitung. De snoek baadt in het zonlicht, de roofvogel duikt erop af, slaat zijn klauwen in het vlees. De snoek echter weegt 20 kilo. ‘De snoek duikt onder en neemt de rover met zich mee in het voor de gevederde bewoner der lucht zo vreemde element en blijft geruime tijd met hem onder water. De strijd was echter voor beide noodlottig, want het duurde niet lang of twee doden dreven op de oppervlakte van het water.’

    Een ander krantenartikel gaat over Plennie Lawrence Wingo. Tijdens de grote Depressie maakte deze Texaan met behulp van achteruitkijkspiegels achteruitlopend een reis om de wereld. Toen hij de oostkust van Amerika bereikte zaten zijn kuiten aan de voorkant van zijn benen. Uit een van die krantenberichten valt een kleine sleutel met vier namen, Pelgrim, Scheerder, Léautaud (wie denkt nu niet aan de Franse schrijver Paul Leautaud?). Die namen zetten weer aan tot een volgende zoektocht. ‘Als deze namen, zo voelde het, op mijn weg kwamen, mét de verhalen die eraan vastzaten, hóórden ze bij mij.’

    Elk antwoord roept een nieuwe vraag op is het adagio in dit boek. De naam van de verdronken jongen, Wendigo Krause, blijkt een samenstelling te zijn van Panthera Krause, dj en producer, ‘Wendigo’ is een nummer van zijn album, ‘It’s a Business doing pleasure with you’. Voor ik het weet, luister ik naar techno muziek, als bevindt zich daarin een antwoord op een niet gestelde vraag. Dat doet dit boek met je.

    Tussendoor doet de verteller, die niemand minder dan de schrijver zelf is, een bekentenis, ‘Als ik overlees wat ik geschreven heb, zie ik hoezeer ik met mijn ziel onder de arm liep, bijna als een permanente gemoedstoestand. Door mijn aantekeningen van toen heen bladerend, lees ik pathetisch getoonzette citaten als: “want zie: er zijn altijd mensen, die wel weten, waar ze naartoe moeten, al verbeelden ze zich dit maar.”’ Ja, het gevoel dat jij als enige het verkeerde spoor volgt. Deze kleine roman zit vol verhalen, synopsissen van levens, dat je er maar een kunt leven, de rest verbeelding is. Intrigerend boek, een aanzet tot iets.

     

     

    Een naderend begin van iets nieuws / Hans Heesen / 122 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

  • Coming out

    ‘Heb je je boek ook aan Björn laten lezen?’ In ons huis hangt de geur van lasagne. Wijn wordt ingeschonken. Ik stel de vraag voor ik er erg in heb. Op tafel ligt het boek De jongen die van de klif sprong en zacht terechtkwam. Stefans debuut dat enkele weken geleden in het staartje van de corona-maatregelen verscheen. Hij kijkt een moment verlegen weg. Het is ook een erg directe vraag. Een vooringenomen vraag, alsof een boek over een coming out wel autofictie moet zijn. We kennen elkaar niet goed. Ik ken vooral Joost, zijn vriend. Met hem heb ik twee jaar intensief samengewerkt. Moreel beraad. Ethiek. We aten ook vaak appeltaart. De jongen die van de klif sprong gaat over puberlevens en coming out. Vrolijke, schijnbaar onbekommerde schooltaferelen met een donker randje, daar hou ik van. Hoofdpersonen zijn Alec, de ik-persoon, en Björn. Young adult, een genre dat in mijn jeugd niet bestond.

    Op het omslag twee aantrekkelijke jongens. Wie is nu wie? Het rechtergezicht associeert Stefan met Alec. ‘Hij lijkt op de jonge Richard Krajicek,’ zeg ik. Dan blijkt de zoon van Krajicek ook nog eens Alec te heten. We lachen om toevallige verbanden.  Stefan vertelt dat hij met tussenpozen tien jaar aan zijn debuut heeft gewerkt. Alles bij elkaar opgeteld een voltijdbaan van een jaar.’ Er is veel liefde in het boek gestopt. En veel muziek (niet vreemd, Stefan is popjournalist). Zanger Christon schreef een titelsong. ‘Vooral romans met een link naar de werkelijkheid zijn interessant voor de pers. Als het niet echt gebeurd is, is het voor een krant niet interessant, dan hoeft een interview verder niet,’ zegt Stefan. Na het dessert, appeltaart met kaneelijs, en uitwaaiende gesprekken, keren we terug naar zijn boek. Hij geniet van ons, aandachtige lezers. We zijn verbaasd over scholieren die in coke dealen – Stefan kende het van zijn eigen school. Er wordt gedanst op muziek die ik nauwelijks ken, maar die ik wel op Spotify opzoek.  We keuren de personages. De sympathieke Thomas. De jolige leraar geschiedenis. Vriendin Laura. De charmante Björn. Nee, hij had het boek niet aan Björn laten lezen. Dat kon ook niet.

    Veel van wat Alec doet, hoort – zo blijkt – ook bij Stefan. Ook Stefan was actief onderdeel van een vriendengroepje, klasgenoten waarmee hij optrok en die bijhielden of je al met een meisje had gezoend en met hoeveel meisjes dan. Ik denk aan mijn eigen middelbareschooltijd begin jaren tachtig. De beklemming van een geheim, de beklemming dat er op je werd gelet, van groepsdruk. Je kon zomaar door de mand vallen. Op je hoede zijn. Raak je het ooit helemaal kwijt? Als het om dat soort zaken gaat, heeft ieder zijn eigen coping-gedrag. Stefan en Alec gingen uit met vrienden, ik ging naar de bibliotheek – alleen. 

    We bekijken op Whatsapp een filmpje van hun zoon, een jongen van acht maanden, die onbekommerd  in de camera lacht. De intens blij oplichtende ogen van twee vaders. Klein geluk. Echt geluk.  Als puber kun je je er niets bij voorstellen, maar later keert veel ten goede.

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.