• Gelukkigheid

    Opeens valt het op (voor wie omhoog durft te kijken) dat de vliegtuigstrepen tegen het azuurblauw toenemen. Er blijkt geen andere remedie tegen te bestaan dan een lockdown. Maar goed, als het geluk per easy jetplane te bereiken is, ja, wie wil dat niet. Te gaan waar een ieder gaat, bereikbaar voor ieders budget. In onze uniciteit willen we allen dezelfde doelen bereiken, toch? Vliegen naar een land waar altijd de zon schijnt, waar we nooit geweest zijn, of al zo vaak, of omdat het nu eenmaal kan. Gedreven door een soort in het vooruitzicht gesteld geluk, ergens, ver weg. De biografie Hemelse mevrouw Frederike (prachtige titel), van Maaike Meijer, over kunstenaar en dichter F. Harmsen van Beek (1927-2009), lees ik met groot genoegen. Harmsen van Beek liet zich niet lauweren, schreef brieven in de vorm van een vlinder, gepriegel in leesbaar handschrift. Creëerde taferelen in een halve notendop, maakte van heel haar huis een kunstwerk. Geluk, daar deed ze niet aan. Ze had vele liefhebbers, geliefden, vrienden, maar geluk? Nee, dat zocht zij niet, en zo ze het vond, stootte ze het van zich af. Toen ze in mei 1994 was uitgenodigd voor ‘picknicken op de dijk’ met vrienden, schreef ze:

     ‘Waarom ik niet etc.’

    Goedzo: niet mee picknicken maar de hond
    wel, ja, gelukzalig de hond. ‘en wat
    doe jij dan, tijdens het niet picknicken’
    ‘Nou, een hoop in te halen enzo en vooral
    niet picknicken-‘
    ‘Waarom eigenlijk niet?’

    Ik kan niet meer tegen gelukkigheid en
    nog minder tegen het op je netvlies (die
    zon) ingebrande tableau van hoe het
    eigenlijk, van huis uit zelfs, hoorde:
    gewoon met hond en al gelukkig
    op weilanden. Zijn.

    En terwijl jullie Bo en Lifa in het gras
    zitten, ben ik bezig, in beeldschoonloze
    duisternis en stof een vlinder te ver
    worden. en later, als ik
    mijn vleugels heb opgeblazen,
    vlieg ik weg over alle weilanden
    waar lievelingen en hun
    honden picknicken.

    Denk dan: zie je nou wel!

    Dit gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in deze biografie. Harmsen van Beek is een tot de verbeelding sprekende persoonlijkheid, mijn verbeelding zeker. Haar gedichten maakten toendertijd grote indruk, maar zij wilde haar gedichten niet geïnterpreteerd krijgen. Ze heeft het opgeschreven zoals het gebeurde, niets verzonnen of verwrongen.  Kees Fens, die haar eerst niet zo kon plaatsen, is helemaal om na een tv uitzending van Hans Gomperts in gesprek met haar in 1981. Daarin heeft ze het over haar inzet voor het vergankelijke: ‘Scheppen is zinvoller dan het geschapene. In een bevroren ruit met eindeloos geduld en heel veel inspanning een heel fijne tekening maken […] je uiterste best doen en toch weten: als direct de zon  komt, is bijna meteen alles weer weg.’ Het is van een verterende simpelheid der dingen, zonder winstbejag of doel, altijd gaande blijven. Geluk veroorzaakt een genadeloze passiviteit, maakt handen tot nutteloze wapperaars. 

    Haar eerste liefde, Jan Hooglandt, schreef achter op een foto van haar, ‘she was too young to throw herself under the wheels of happiness’. Wat van een geweldig inzicht getuigt. Mooi is dat je er ook te oud voor kunt zijn om je onder de wielen van het geluk te gooien. Kijk naar geluk als naar een vlieger tegen het azuurblauw, blijf op de grond.

     

     

    Hemelse mevrouw Frederike / Biografie van F. Harmsen van Beek (1927-2009) / Maaike Meijer / De Bezige Bij


    Inge Meijer is een pseudoniem met een boekenkast.

  • Dat meemaken

    We waren jarig geweest, kregen van vrienden een kookboek, het Bouwkunde kookboek. Die avond verdween ik in het boek dat veel meer dan een kookboek, een herinneringsboek van veertig jaar Theater Bouwkunde was, een deel van mijn eigen herinneringen lagen er in besloten. In de jaren tachtig woonden we in de Deventer binnenstad, gewoon om de hoek van de Bouwkunde. ’s Avonds, als de kinderen in bed lagen, kon je er zo naar toe. Wat ga jij vanavond doen? Ik denk even naar de Bouwkunde. Daar was altijd wel iemand om plannen mee te maken, een groepje te vormen, bij uit te hangen. Maandelijks een literair café, waar Tessa de Loo over haar debuut Meisjes van de suikerwerkfabriek kwam praten. Willem Brakman, vertelde over zijn wandelingen, (daar denk ik nog wel eens aan), Hans Warren kwam er nadat zijn eerste dagboeken verschenen waren. Josepha Mendels was er in het jaar dat ze de Anna Bijns Prijs kreeg (ook daar denk ik nog wel een aan). A.F.Th. van der Heijden werd er geïnterviewd over de Tandeloze tijd. Ondertussen draaiden de katten om me heen, klagelijk mauwend, wacht even, zei ik.

    Toen we verhuisden kwamen we nog wel eens terug voor het Tuinfeest. In elke stadstuin rondom Bouwkunde een dichterspodium, muziek, driegangen maaltijd. Ik lees hoe het Tuinfeest ontstond, (durf en enthousiasme), over de dichters die er kwamen, sommigen jaarlijks terugkeerden. Hoe ontstellend veel dichters die tussen 1999 en 2019 optraden en er nu niet meer zijn. Waarmee dit gelijk een herdenkingsboek is. Lees de namen, Jean-Paul Franssen, Rogi Wieg, Erik Menkveld,  Menno Wigman, Gerrit Komrij, F. Starik, Ilse Starkenburg, Joost Zwagerman, Driek van Wissen, H.H. Ter Balkt, Jules Deelder, Wim Brands Tjebbe Hettinga, Simon Vinkenoog, Hans Verhagen. Bekijk de foto’s, zoek naar bekende gezichten, zie een geweldige culturele ontwikkeling. Dit boek markeert een afscheid, sinds 2020 is theater Bouwkunde opgegaan in theater Mimik aan de IJssel. ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.’

    Verschillende schrijvers en theatermensen die in Bouwkunde hebben opgetreden, schreven een herinnering voor dit boek. Huub van der Lubbe die in 2004 zijn debuut maakte op het Tuinfeest, zoekt naar het mooiste dat hem daar is overkomen. Was dat het moment toen hij het podium betrad, Jan Wolkers hem toeriep: ‘Zorg dat je profiel scherp afsteekt tegen het avondlicht’? Of het borrelen na afloop in de Bouwkunde,‘wat zich toen allemaal afspeelde, dat meemaken’. Daar schreef hij een gedicht over, stuurde het naar Heleen Boom en Pieter van de Pavoordt, geestelijk vader en moeder van de Bouwkunde. Het gedicht werd ingelijst. Hoe mooi was dat? Later wordt het gedicht uit de lijst ontvreemd. ‘Geweldig’, denkt hij, zegt: ‘Wie doet zoiets nou?’ ‘Nou’, zegt Heleen, ‘Gerrit en Charles waren hier gisteravond eten.’ Dat, schrijft Van der Lubbe, dat ‘was het allermooiste.’

    Het gedicht ‘De komeet die Komrij heet’, vertelt hoe Komrij, als iedereen al met wijn aan tafel zit, bij binnenkomt over de drempel struikelt. (…) ‘Toen plotsklaps iets de deur kwam door gestoven / Te snel om te bevatten wat het was // Een dolle stier? Misschien een bliksemschicht / Of een locomotief? Een triatleet? / Een kruisraket? Ach nee, het was een dichter / Twas een komeet die doorgaans Komrij heet’.

    Komrij struikelde voorover, ‘katapulteerde’ zichzelf, (…) ‘Ai, ongelukkige!’ slaakten er stemmen / Ik greep nog naar de pandjes van zijn jas / Maar onze dichter viel niet af te remmen (…) / Het waren zonnebloemen in een emmer / Op een manshoge sokkel neergezet / Die Gerrits noodgang goddank konden stremmen / En Neerlands poëzie hebben gered (…).’ Later, ‘Wat pips aan tafel, heel de zaak kletsnat’, zei Komrij ‘Zag je dat? Het is een kwestie van jezelf lanceren!’  Dit boek is een geweldige lofzang op cultuur, een schat aan herinneringen, verhalen, een kleine culturele geschiedenis.

    Nu eerst de katten eten geven, dan stort ik me op het bereiden van ‘Witte asperges met salade van oesterzwam, radijs en lamsoren, schubben van meiknol en een gepocheerd hoeve-eitje’. Al weet ik niet of ik dat hoeve-eitje in huis heb.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest tot het gaatje.

  • Plug, de jongen en Grunberg

    Volgens Cesare Pavese bewijzen dromen dat het onbewuste bestaat. Er wordt een verhaal verteld.  Maar wie is de verhalenverteller in mijn droom? En wat wil hij vertellen? Dat vroeg ik me af toen ik een kleine maand geleden het volgende droomde.  Ik help de regisseur – die ongezien blijft – bij het ensceneren van een toneelscène. Dan is er een gat in het verhaal. Ik loop het toneel af om de Plug met de jongen op te zoeken,  want wat heb ik hem gemist!
    Voor een buitenstaander is dit moeilijk te bevatten. Voor mij, eenmaal  wakker, ook. Waarom dacht ik aan Plug? Ik had in geen decennia aan Plug gedacht. Plug was het gratis blad met uit-tips dat je elke maand kreeg bij je Cultureel-Jongeren-Paspoort (CJP). Bij het opruimen, ergens in de jaren negentig, besloot ik alle jaargangen weg te doen, maar er één nummer te bewaren. Dat met de twee jongens op het omslag. En nu kreeg ik het appel om dat nummer in mijn archiefkast op te zoeken. 

    Het kostte me een kwartier, toen zag ik hem weer. De jongen met donkere ogen leunt op de schouder van een jongen met blonde kuif. Wie het zijn, wie de foto heeft gemaakt, geen idee. Wat leek het me fijn als die jongen met donkere ogen op mijn schouder leunde. Het was erotisch en ook weer niet. Het was een heilige afbeelding waarnaar ik devoot én met een wild kloppend hart keek,  och dat die ene jongen – en, voor de volledigheid, niet de andere – tegen me aan zou staan, urenlang, dagenlang, voor altijd. Ik hield ook van zijn stoere riem en zijn wijde broek, maar minder van zijn overhemd. Wel van zijn oortjes, de ene bakkebaard en zijn volle haardos. Ik voelde vriendschap, verwantschap, verlangen.

    Plug ligt weer voor me. Dit nummer verscheen in april 1988. Ik zie meteen verbanden. Verbanden zien geeft zin aan je leven, ook als een ander de verbanden niet ziet. Koester ze, zolang je er maar geen complot van maakt. Komende maand verschijnt mijn roman Augustus.  Het is een boek over vriendschap en ontluikende seksualiteit en het speelt zich af in 1988. Ik was daardoor de laatste tijd veel in dat jaar.  Ik blader verder, zie een foto van Robert Mapplethorpe, een close-up van een penis in een strak stoffen broekje. Geen indruk gemaakt. Iets over Dreamtime, de scheppingsmythologie van Aborigines en een interview met Arnon Grunberg. Hij won de prijs van de jongerenjury met zijn toneelstuk Frambozenrood. Zeventien jaar, innemende bravoure: ‘Echt verrast dat ik bij de winnaars zat, was ik niet; je doet toch mee met het idee dat je wil winnen.’ In de lead bij dit artikel: ‘Wij als publiek moeten ons onderbewustzijn laten werken.’

    ‘Als dit echt het publicitaire debuut is van Grunberg dan is deze Plug goud waard,’ zegt R. nadat ik hem uitgebreid al mijn dwarsverbanden tussen toen en nu heb uitgelegd. Meteen wist ik: nooit. Voor geen enkel bod doe ik afstand van hem, de jongen met de donkere ogen en die ene bakkebaard, die me in mijn leven sinds 1988 is blijven vergezellen. Het zou een daad van verraad zijn.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Medaille

    Mijn zwarte kat legt een grote, dode muis voor mijn voeten en kijkt naar me op. Dus doe ik wat er van me verwacht wordt en prijs hem uitbundig om zijn snelheid en zijn messcherpe klauwen, maar tegelijkertijd prevel ik een smeekbede om vergeving voor de gedode muis. En terwijl de kat een opgetogen overwinningsdans inzet, stel ik me voor hoe de muis uit foerageren ging voor haar zeven hongerige kindertjes, die nu een bitter einde zullen vinden. Ik heb de verwarrende gewoonte om altijd meteen de andere kant van de medaille te zien. 

    Dat overkomt ook Paul Bäumer, de jonge Duitse frontsoldaat tijdens WO I uit Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Remarque, wiens wereldbeeld onverwacht  kantelt. Liggend in een schuttersputje, naast het lijk van een Franse soldaat die hij gedood heeft, doorzoekt hij de papieren die de dode man bij zich draagt en moet hij de schok ervaren dat de anonieme vijand die hij geleerd heeft te haten een mens is, net als hij, die ook om zijn moeder riep. Die een naam heeft, een verleden, een achtergrond en die waarschijnlijk net als hij alleen maar naar huis wil, terug naar zijn dagelijkse leven. Hij vraagt de dode Fransman om vergiffenis: ‘Nu zie ik pas dat jij een mens bent zoals ik. […] Vergeef me, kameraad! We zien het altijd te laat. Waarom zegt men ons niet telkens opnieuw dat jullie net zulke arme kerels zijn als wij, dat jullie moeders zich net zoveel zorgen maken als die van ons en dat wij dezelfde angst voor de dood kennen en hetzelfde sterven en dezelfde pijn – Vergeef me, kameraad, hoe kon jij mijn vijand zijn? Als wij deze wapens en dit uniform van ons afwerpen, kun jij mijn broeder zijn […]’

    Wat zou het gemakkelijk zijn als ik staande op een zeepkistje op de Dam luidkeels aan de aanwezige menigte kon verkondigen hoe de wereld in elkaar steekt, zó en niet anders en wie het tegendeel beweert is gek. Maar ik weet niet hoe de wereld in elkaar zit. Ik weet niet eens hoe ik zelf in elkaar zit. Leo Vroman ook niet, getuige zijn gedicht:

    Tussendoor

    Wij begrijpen ach zo veel,
    ja misschien alles wel verkeerd;
    hebben daarvan het tegendeel
    misschien te hard geleerd.
    Ik maak dus mijn verontschuldigingen
    over het hopeloos misverstand
    en ons hopeloos onverband
    met alle dingen.
    Wat heb ik dan in godsnaam bedoeld
    zoals ik door de wereld liep
    tussen de werkelijkheden door?
    Heb ik dan niet gezien, gevoeld
    dat ik mijn hele leven sliep?
    En waar sliep ik dan voor?

    Ik benijd en tegelijk vrees ik mensen die alles zeker weten en overtuigd zijn van hun gelijk. Ik ben de eeuwige twijfelaar, die steeds over de streep moet stappen die mensen en meningen scheidt om het van de andere kant te bekijken. Er zullen vast wel middelen bestaan om hier iets aan te doen. Maar ik weet niet zeker of ik dat wil. Ook die medaille heeft twee kanten.

     

    Uit: Daar / Leo Vroman (2011)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • The Capote Tapes

    Soms ben je ervan overtuigd dat je iets geweldigs onder handen hebt. Je vertelt niemand erover, hoewel, nou vooruit, zo nu en dan laat je los dat je met een meesterwerk bezig bent, het vordert gestaag. Er komt een soort voorpublicatie in een van de glossy’s van New York, waarna opeens heel de beau monde over je heen valt. Het overkwam Truman Capote, beroemd geworden met Breakfast at Tiffanys. Na de verschijning van In Cold Blood, waarmee hij de non-fictie roman in de literatuur  initieerde, liep de upper-class van New York met hem weg. In de documentaire The Capote Tapes van Ebs Burnough, die ik thuis op de bank zag, (lucky me) komt een beminnelijke Capote naar voren in het New York van de bruisende, broeierige jaren ’50, ’60, ’70. Het gekke is dat je direct van deze schrijver, deze kleine, springerige man gaat houden. Natuurlijk, door zijn geweldige boeken en verhalen, maar ook door Kate Harrington, zijn ‘geadopteerde’ dochter die liefdevol over hem spreekt. Dat hij zich ooit over een veertienjarige dochter van een man waarmee hij een affaire had, ontfermde! Het biedt direct een andere kijk op de Capote die vooral bekend stond als ‘freak’, ‘bitchie’, ‘mean’.

    Kate trok bij hem in, hij zorgde voor haar, liet haar kennis maken met literatuur, (ze vroeg hem waar zijn televisie stond, hij nam haar mee naar zijn bibliotheek en toonde haar zijn boeken, ‘dit is mijn televisie’). Ze ging mee naar lunches, waar ze zich verveelde. Capote adviseerde haar te luisteren naar de gesprekken naast haar, ‘en op weg naar huis vertelde ik hem alles wat ik gehoord had, en daar genoot hij van’. Capote werd van schrijver steeds meer entertainer van de upper-class. Hij werd meegenomen op bootreizen, grootverbruiker van drank, drugs, graag geziene gast in talkshows. Zijn opmerkelijk hoge stemgeluid, het slissen, (alsof de tong te groot is voor de mondholte), verrast me telkens wanneer hij spreekt. Misschien dat Capote daarom in (voortreffelijke) one-liners sprak. In een opname uit eind jaren ’50, begin jaren ’60 flaneert hij gearmd met een jonge vrouw van buiten Manhattan langs etalages. Voor een winkelpui passeren ze een homoseksuele jongeman in een lange dames bontjas. De vrouw kijkt om, giechelt, ‘Bij ons heb je dat niet.’ Waarop Capote zegt, ‘Oh yes you have dear, but they are not wearing fur coats.’

    Slim Keith, vroegere bewonderaarsters uit de upper-class, vertelt op band hoe Capote bij het afscheid nemen tegen haar zei, ‘I love you, big mama!’ Zij, ‘I love you to, Truman,’ riep, waarop hij riposteerde, ‘No, you don’t!’ Hij zei dat mensen niet van hem houden. Dat ze hem amusant en fascinerend vinden, maar niet van hem houden. Hij vertelde welke reacties hij oproept als hij, de overduidelijk homoseksuele, springerige, kleine man, met zijn hoge jongensstem een vertrek binnenkomt. ‘You see the shock on people’s faces. I see how they look. And when I’m so outrageous, so squeaking and carrying on, is simply to release them of this sudden embarrassment. And all they can do is laugh. And then it’s ok.’ Zo blijf je afwijzingen altijd een stap voor.

    The Capote Tapes wekt de verwachting dat er in de documentaire uitspraken onthuld worden die niet voor derden bedoeld waren. Het ligt anders, de tapes bevatten gesprekken van biograaf George Plimpton, met vriend en vijand van Capote. Die gesprekken staan merendeels in de biografie van Capote. Neemt niet weg dat die tapes een goed raamwerk vormen voor de film.
    Het laatste beeld van de documentaire is een dansende, springende Capote, een Mexicaanse omslagdoek om zich heen, op een verlaten strand. Hij springt steeds dichter op de camera toe. Met de omslagdoek voor zijn mond gedrapeerd, focust hij in de lens, als een onberekenbare beminde. Ik kan er niet genoeg van krijgen het steeds opnieuw te bekijken. Alsof in die opname alles (wat dan?) besloten ligt. En wat zou je verdomd graag die Answered Prayers willen lezen.

     

     

    The Capote Tapes / vanaf 26 mei in verschillend Filmhuizen te zien.


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest altijd tot de laatste bladzijde.

  • Woestijn in kaart

    Ze groet de beren en de eekhoorns op de bank. Fum van den Ham, 82 jaar, kort geknipt grijs haar, breekbaar. Fum – ‘Geen u zeggen hoor’ – woont in een hofje waar je de trams over de gedempte gracht hoort denderen en waar uitsluitend dames mogen wonen. Collega T. introduceerde mij bij haar. Voorzichtig schuifelt Fum tussen stapels boeken, tijdschriften en papieren naar een nis in de kamer. Met twee glazen limonade komt ze weer terug. Zelf drinkt ze water. ‘Ik was dichter,’ zegt ze nadrukkelijk. ‘Vielen de dichtregels me vroeger spontaan toe – er leek geen einde aan te komen –  nu is die bron opgedroogd.’ In de vorige eeuw had ze onderdak bij uitgeverij Kok in Kampen. Vorig jaar verschenen in eigen beheer haar verzamelde gedichten en de verzamelde gebeden die ze voor de diensten van Nico ter Linden schreef. Corona zette een streep door een presentatie van de bundels in de Westerkerk.  

    Van een stapel boeken reikt Fum mij haar bundel uit 1998 aan, Op voeten van tijd en verlangen. ‘Poëzie die de neerslag vormt van een innig geleefd leven’ staat er op de binnenflap. We horen die middag flarden van dat leven, terwijl Fum meanderend vertelt, herinneringen aan haar jeugd, haar ouders, de oorlog die ze grotendeels, op tuinstoelen en tussen de weckflessen, in een kelder in Nijmegen doorbracht. Later beleefde ze haar gelukkigste jaren op het Criminologisch Instituut in Leiden. Dan valt op mijn schoot de bundel open. 

    HET LOT

    Soms de horizon
    Die geen water maar horizon is.
    Landschap, terrein,
    Maar geen heuvel
    Geen schaduwplek

    Een tocht op leven en dood.
    Het verstand niet verliezen, het
    water niet en het brood.

    Als in een droom
    rest je één uitweg
    die opdracht is:
    Breng je woestijn in kaart.

    De laatste regel intrigeert. Het vraagt moed om een innerlijke reis aan te gaan en je demonen onder ogen te komen. Sta maar eens stil in die woestenij in jezelf, waar alles hetzelfde, kleurloos en eindeloos lijkt. Wat zie je, ruik je, ervaar je? Als we vervolgens over geloven en de dood spreken, zegt ze: ‘Ik heb maar een klein geloof.’
    En na een stilte: ‘Het enige dat ik hoop is dat Hij er is als ik doodga.’
    ‘Alleen dan?’ vraag ik en neem een eerste slok van de zoete limonade uit een glas dat lang in de kast heeft gestaan.
    ‘In mijn leven heb ik Hem nooit zo ervaren.’

    Anderhalve week later spreken we elkaar aan de telefoon. ‘Dat me deze eer toevalt,’ zegt ze enthousiast. Ik lees haar de column voor, rustig en duidelijk articulerend. ‘Ik durf je bijna niet te onderbreken,’ zegt ze. ‘Wel doen,’ antwoord ik haar. We staan stil bij enkele passages. Niet alles wat gezegd is, hoeft te worden opgeschreven. Dus ja, wat noteer je en wat wis je weer? Dienstbaar schrap ik enkele passages, want veel mag ongezegd blijven, naar veel mag worden gegist.
    Voor de meeste dichtbundels wordt geen podium gebouwd, ze verschijnen en verdwijnen als gewone mensen zonder veel sporen achter te laten. Hopelijk blijft Breng je woestijn in kaart in uw herinnering.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. In juni verschijnt daar zijn tweede roman Augustus.

  • Enig gewicht

    De laatste weken was ik nogal uithuizig, voldeed aan wat anderen van mij verwachtten (betwijfelde of ik het wel goed deed) waardoor ik veel uit het oog verloor. Weer thuis hing ik verveeld rond, als een kind op een vrije middag dat niemand te spelen vindt. Ik was vergeten dat er ergens een lijstje was waarop: ‘doelloosheid’ → ‘boekenkast’, staat. Dat ik mijn ogen als een wichelroede langs de boeken beweeg tot, pats!, het juiste boek in trillende vreugde mij in de handen springt. Nou ja, zoals je vroeger langs de boeken in een boekwinkel ging, of bibliotheek. Geen auteursnaam op een briefje, geen titel in je kop, maar wat je van de boekenschappen trok, leidde altijd naar iets van betekenis. In Walt Whitman’s Oud ben ik en jong ben ik, zoek ik naarstig naar overeenkomsten, een oorsprong van alles zodat ik de diepte weer voel. Alsof anderen het allemaal voor je kunnen oplossen (dat wens je toch?). Walt Whitman (1819-1892) debuteerde in 1855 met Leaves of Grass, de uitgave bekostigde hij zelf (wat in die tijd nog niet zo’n ding was, want niet iedereen dacht toen dat ie schrijven kon). Dagboekfragmenten en losse aantekeningen liet hij in 1882 drukken. Gebrek aan samenhang van die fragmenten wilde hij laten voor wat het was. En hij had gelijk, want, ‘Het resultaat zal hoe dan ook een fase in het menselijk bestaan illustreren’. 

    Steeds opnieuw moet ik mij een weg vinden om te herinneren wat ik mij gesteld heb. Whitman herinnert zich Edgar Allan Poe, toen hoofdredacteur van The Broadway Journal waarin een artikel van hem geplaatst was. ‘Poe was heel hartelijk, op een bedaarde manier, en maakte een welvarende indruk naar voorkomen en kleding enz.’ Hier komen twee levens samen waar ik beiden, los van elkaar, weet van had. Ik raak onder de indruk van Walt Whitman, die naast natuurliefhebber, humanistisch geestelijk verzorger ‘avant la lettre’ was. Als vrijwilliger brengt hij zijn dagen door in militaire hospitalen  in Washington tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Hij kwam er terecht nadat zijn broer George als officier van het 51ste regiment vrijwilligers van New York, ‘ernstig gewond was geraakt (eerste slag bij Fredericksburg op 13 december 1862).’ Dit schrijf ik zo volledig op omdat mijn jongste zoon op 13 december geboren werd. Voortaan zal ik op zijn verjaardag aan de slag bij Fredericksburg Virginia denken, aan Walt Whitman.

    Whitman beschrijft wat hij aantrof bij het veldhospitaal bij Fredericksburg. ‘Buiten, aan de voet van een boom, zie ik een berg geamputeerde voeten, benen, armen, handen enz. liggen, een volle vracht voor een eenspans wagen.’ Amoureuze gevoelens worden kort als in een voetnoot genoemd. Zoals bij de Ierse, vrijwillig soldaat Thomas Haley die getroffen door een kogel in zijn longen, binnen drie dagen zal sterven. Whitman ziet hem als ‘voorbeeld van jeugdige fysieke manhaftigheid’. Hij bewondert zijn atletische gestalte, het glanzende haar, zoals ik die zelf ook zou bewonderen. Weet dat schoonheid en gruwelijkheden naast elkaar kunnen bestaan. Dikwijls zit hij zo’n tien minuten aan het bed van de jongen. ‘Och hoe onkundig was hij, arme, reddeloze knaap, van het hart van de onbekende die hem ter zijde zat.’ Whitman schreef niet met het oog op een lezer, hij schreef omdat er een dringende behoefte was te noteren wat hij waarnam. Kom daar nog maar eens om.

     

     

    Oud ben ik en jong ben ik / Walt Whitman / vertaling René Kurpershoek / uitgeverij Van Oorschot (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Ik waste mijn handen onder de kraan, er reed een auto door de straat, de stem van de nieuwslezer wrong zich in flarden door deze ruis heen, ‘vanmorgen… na een kort ziekbed… schrijver…’. Ik opende mijn laptop, mail van de uitgeverij van de schrijver van wie ik vermoedde dat hij het was die op het nieuws bezongen werd als ‘overleden schrijver’. Ik las, ‘Vanochtend bereikte ons het verdrietige bericht dat Jeroen Brouwers, na een kort ziekbed, is overleden.’ De komma’s negeerde ik. Bij het verscheiden van een bewonderd auteur komt altijd mijn eerste kennismaking met het werk van de schrijver in me op. Midden jaren tachtig had ik mij losgeweekt van gezins- en samenleven, ik betrok een etage boven een groenteboer in de stad, ging schrijven. Wat vooreerst inhield dat er gelezen moest worden, en wel veel. Ik kocht Privédomein boeken, De Beauvoir, Kierkegaard, Philip Roth, Doris Lessing, en Brouwers. Het verzonkene, over zijn moeder. ‘Ik herinner mij haar groene ogen. Dat zij koninklijk was.’ Maar ook, ‘Ik ga haar, als zij eerdaags komt te sterven, niet mee begraven. Haar laatste woorden heeft zij al tegen mij gezegd.’ Over haar verval, ‘Zo wenste ik mij haar niet te herinneren.’ Na haar dood in 1981 schreef hij Bezonken rood, uitgangspunt was het bericht van haar overlijden. Daar doorheen herinneringen aan zijn moeder en grootmoeder in het jappenkamp waar hij als peuter/kleuter met hen verbleef.

    Ed van Thijn, die als kind tijdens de oorlog op achttien onderduikadressen zat, vertelt in een aangrijpende documentaire over zijn getroebleerde kinder- en jeugdjaren, dat zijn moeder hem kort na de oorlog bij een psychiater bracht omdat hij ‘zo druk’ was. Dat hij alles doorstaan had, niemand hem tijdens die verschrikkelijke oorlogsjaren ooit een klap had gegeven, maar dat zij het toeliet dat hem elektroshocks werden toegediend. ‘Nou, toen was het wel over’, zegt Van Thijn in de camera, waarbij uit de blik in zijn ogen de schok van verraden te zijn door zijn moeder nog spreekt. Brouwers wordt na de oorlog, als ze naar Nederland zijn gerepatrieerd, als tienjarige direct op pensionaat gedaan. Het verblijf in het interneringskamp heeft hem volgens zijn ouders verwilderd, heeft geen gevoel voor wat ‘deugt’ en ‘nietdeugt’ ontwikkeld. Zijn moeder brengt hem weg. Zegt dat hij ‘gezeglijk’ moet zijn, dat hij over vijf weken ‘alweer’ een weekend naar huis mag. ‘-mijn haat jegens mijn moeder siert sedertdien mijn “levensbesef”.’ Lees hierin de blauwdruk voor een getormenteerd schrijversleven.

    Er was een levenslange weerstand aan het leven te moeten deelnemen, te converseren met mensen. ‘Puur uit mensenangst was ik weer zo zenuwachtig geweest om van huis te moeten, helemaal naar Tilburg, dat ik mij de dag tevoren tussen 16.00 en 21.00 uur heb lens gezopen.’ Het lijden onder kritieken. In een brief aan Harry Prick schrijft hij over een recensie in De Volkskrant van De laatste deur. ‘Zo’n kritiek als laatst in De Volkskrant, geschreven door een Heumakers of zoiets (wie is dát nou weer?), waarin stond dat mijn zelfmoordboek hoofdstukken vol ‘bric à brac’ zou bevatten, daar ga ik van door de muur door drift en verdriet. Zo’n Heumakers zal wel even in een paar kwartiertjes een stukkie plengen over een 500 pagina’s boekwerk waar ik zo’n jaar of 15 mee aan bezig ben geweest.’ Het literaire bedrijf was een levenstaak. Zijn boek Client E. Buskens noemt hij ‘een boek over niks’. Alles een schrijfoefening, ook als er niets gebeurde, al was de dood nooit ver weg.

    Hij schrijft, ‘Doos nietjes gekocht. Vijfduizend stuks. Nu heb ik wel regelmatig iets te nieten, maar er gaan ook weken voorbij dat er niets te nieten valt. Wanneer kocht ik een vorige doos nietjes? In ieder geval toch wel zoveel jaren geleden dat ik nu licht draaierig word van de gedachte, dat ik over nog eens hetzelfde aantal jaren best dood kan zijn, zonder alle vijfduizend thans aangeschafte nietjes te hebben gebruikt.’

    Aan Cliënt E. Busken werkte Brouwers vier jaar, onderbroken door ziekenhuisopnames. Met de pen schreef hij soms vijf, soms tien regels op een dag. Daar bewonder ik de schrijver om. Na voltooiing, dacht hij dat het niks was (Het is niets). Hij won er de Librisprijs mee. Arjan Peters vroeg hem wat er voor nodig was geweest om zich al die tijd voor Busken te kunnen openstellen. Brouwers zei, ‘Gewoon, pak je pennetje en begin maar.’ Je hoort het hem zeggen. Wie wil weten wat deze schrijver bewoog, kennis wil nemen van zijn vertelkracht, zijn zinnen wil bewonderen, lees Kroniek van een karakter, Het verzonkene, Bezonken rood, De Zondvloed, de rest volgt vanzelf. Brouwers wenste dat zijn boeken hem zouden overleven, ‘dit is de enige reden waarom ik schrijf.’ Schrijven was zijn leven en maakt, zoals hij zelf zei, een biografie overbodig. Ondertussen zoek ik een kamertje om zijn boeken, zijn epistels opnieuw te ondergaan.

     

     

    Bronnen: Het verzonkene / Bezonken rood / Het vliegenboek / Kroniek van een karakter / Het is niets / Interview Volkskrant 


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

     

     

  • Oefenen in herinneren

    Ik herinner me van Joe Brainard (1942 -1994) is volgens het omslag een cultklassieker en Paul Auster noemt het, in het voorwoord, een klein meesterwerk. Brainard inspireerde George Perec tot zijn Je me souviens en Perec leverde weer het motto voor één van de leukste deeltjes uit de reeks Privé-domein: Ik herinner mij. Ons geheugen is een wispelturige, leugenachtige, maar prachtige bron. Is het allemaal waar wat Brainard zich herinnert? Brainard zet honderden herinneringen op een rij die hij telkens begint met ‘Ik herinner mij’. Dat lijkt weinig afwisselend en toch levert het fascinerende literatuur op. Er zijn herinneringen aan familie, eten, seks, aan dromen, aan school en kerk, maar geen enkele aantekening, aldus Auster in het voorwoord, gaat over ruzies, verdriet of geweld. Aan Ik herinner me lijkt zachtmoedigheid ten grondslag te liggen. 

    Je kunt het boek ook als een schrijfoefening zien. Start zelf een zin met ‘Ik herinner me’ en de woorden komen vanzelf. Zo sturend is taal. Ook de herinnering van een ander brengt eigen herinneringen. Neem bijvoorbeeld Brainards herinnering aan een – lugubere – grap: ‘Ik herinner me “Mammie, mammie, ik hou niet van m’n broertje”. “Hou je mond, Mary Anne, en eet wat ik je voorzet!”’ 

    Die grap gaf me een grap terug die mijn vader vaak vertelde toen ik klein was.
    Ik schrijf hem op zoals Brainard doet. 

    Ik herinner me dat op de vraag ‘Hoe laat is het?’, mijn vader antwoordde: ‘Pilatus? Die is al lang dood.’ 

    Ik herinner me dat mijn vader soms de vraag én het antwoord zei.

    Ik herinner me verjaardagsfeestjes waarop iedereen hard lachte als een oom met Duits accent voor de zoveelste keer zijn Heinrich und Ich-grap vertelde:  Heinrich en die ene Ich hadden met soviele kameraden ein Holländer ganz kaputt gemacht.

    Ik herinner me grappen waar ik me ongemakkelijk  bij voelde: ‘Homo huilt… homo… fiel.’ ‘Je moet echt eens naar de fietsenmaker, je hebt een slag in je reet.’  

    Ander onderwerp! Brainard heeft veel herinneringen aan eten, zoals: ‘Ik herinner me roze limonade.’

    Ik herinner me De drie musketiers, een stevige chocoladereep met karamel.  

    Ik herinner me een zondag bij oma en dat een tante zei dat ik niet één maar drie repen mocht eten, het waren immers De drie musketiers.

    Ik herinner me dat ik de logica daarachter niet begreep, maar toch wijselijk mijn mond hield.

    Ik herinner me één-meterspek van de kermis.

    Ik herinner me dat ik knakworstjes als kaarsjes in de appelmoes zette.

    Ik herinner me het verhaal dat mijn vader in de Hongerwinter vuilnisbakken leeg schraapte.

    Ik herinner me dat hij daarom geen restjes kon laten staan of weggooien.

    Hier had ik een andere herinnering als slot bedacht (nu gedeletet), tot ik me afvroeg waarom ik me dit alles juist nu herinnerde. Bracht de Nationale Dodenherdenking, de verjaardag van mijn vader en de begrafenis van een neef herinneringen aan de oorlog en familie? In Hilversum zag ik het reuzenrad boven de huizendaken draaien, net als vroeger. En die taart van appelmoes met kaarsjes? Toch niet door al mijn mediaconsumptie? Brainard is dood, maar wat had ik graag ook bij zijn herinneringen de voetnoten gelezen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Freeze

    Achter in de tuin, onder het dak van het open tuinschuurtje heeft een merel een nest gemaakt. Boven op het jute dat om de zeis gewikkeld is die aan een balk hangt, steekt een bruin vogelkopje boven de rand van een slordig in elkaar gestoken woonstee uit. Vader merel had ik eerder al opgemerkt, druk zoekend naar worm en slak op plekken waar ik de aarde had omgewerkt. Toen hij met volle snavel het tuinschuurtje invloog, sloop ik er achteraan, zag het vrouwtje broedend op het nest. Hij ging er als de wiedeweerga vandoor het vrouwtje stijf van schrik achterlatend. Met opengesperde snavel keek ze blind voor zich uit, alsof ze uitgetreden was. Snel stapte ik achterwaarts terug het tuinpad op. Ik dacht houd stil, blijf zitten, verroer je niet. Ik dacht ‘Freeze’, een gedicht uit de bundel Meestal tussen bomen, dat ik de laatste dagen herhaaldelijk gelezen heb. 

    ‘Als ik diep in balans ben, zoals mij wel eens
     overkomt, waarom zou ik dan ooit
     nog willen bewegen? 

     Ik kan de lichtheid voelen van een boom
     of struik te zijn en als ik mijn denken
     loslaat weet ik meteen het meeste -’

    Waarin ik het, ‘zoals mij wel eens overkomt’ meesterlijk vind. Net als, ‘als ik mijn denken loslaat het meeste weet’. Zeventwintig gedichten die ik gretig lees tot de bundel zomaar uit is. Dan opnieuw begin (het moet, er is magie in het spel) met het eerste gedicht, ‘De negende maand’

    September en de atmosfeer is stil
    er valt nog nauwelijks een blad

    zelfs op de kleinste schaal van zichtbaarheid
    houdt de natuur zich in, de minuscuulste

    bloei treedt aan het licht, er is
    alleen verademing – ook in mijzelf

    het is mijn geboortemaand, een
    cyclus komt ten einde en er wacht

    een zoveelste begin, een nieuwe jaarring

    De verzadigde atmosfeer van een septembermaand is voelbaar, dan het plotselinge, ‘ook in mijzelf’. De dichter is present, ze verjaart. Betoverend, ‘een zoveelste begin, een nieuwe jaarring’. Ik lees achter elkaar door, en weer opnieuw. Steeds bij dezelfde regels verschuift er iets in mij, grijpt iets mij aan (maar wat?). De dichter telt zijn dagen en zegeningen. Geen sprake van dramatiek, er is een nuchter weten dat de hemel ‘op een kier’ gezet, wordt ‘alvast’. Er is de, ‘Rust van een hoge sloot / van water dat op land ligt onder regen /glanzende plas met stille hemel / waarin een ruimte als voorbij de dood’. Lees nog eens, ‘van water dat op land ligt onder regen’. Elly de Waard was ooit popjournalist, melodieën spelen nog regelmatig door haar hoofd, ‘Ze staan daar altijd zachtjes aan’. Nu al meer dan veertig jaar dichter. Meestal tussen bomen is haar twintigste bundel. Ik lees nog eens ‘Oudejaarsavond op een benzinestation’, waarin tijdens een stormachtige nacht een ‘Romance- kort als een verwaaide oogopslag.’, wordt beschreven. Eindigend met, ‘Maar dit is een herinnering van lang geleden’. Daar is het dat er iets verschuift, alles dichterbij komt. Het is een magische bundel, waarin een terugkijken op een leven in de bossen rond huize Vogelwater. Een memoreren van de honden Vosje en Peerke, van een vossenmoeder. Van al dat groeide, voorbij ging, in leven en liefde.

     

     

    Meestal tussen bomen / Elly de Waard / De Harmonie (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

     

  • Suikerfeest

    Ik zag haar op het station, leunend tegen de muur van het gebouw: een heel oude vrouw, gekleed in de traditionele bonte klederdracht van de noordelijke stammen in Marokko. Ze was blijkbaar net aangekomen en stond te wachten totdat iemand haar kwam halen; ze had een grote koffer bij zich, op bezoek bij familie in Nederland. Ze keek rond, vriendelijk en nieuwsgierig naar de mensen die zich haastten naar de trein of juist vlug naar huis wilden gaan. Zij keken op hun beurt onderzoekend naar de kleine oude vrouw, die daar stond als een vlammend schilderij van Delacroix in zijn oriëntaalse periode. Ze viel op, niet alleen door haar kleurrijke verschijning, maar door haar levenslust en haar belangstelling voor alle nieuwe dingen om haar heen. De ouderdom had alleen haar uiterlijke verschijning aangetast, maar het kind dat uit haar ogen keek, was nooit helemaal weg geweest. 

    In een impuls liep ik naar haar toe, en nadat ik mijn kleine beetje Arabisch had afgestoft en opgepoetst begroette ik haar en wenste haar een goede vastentijd en alvast een gezegend Suikerfeest, want het einde van de maand ramadan was op handen. Tot mijn verbazing was ze niet verrast door het feit dat een onbekende in een vreemd land zomaar ineens haar taal sprak: haar gerimpelde gezicht met de kwieke oogjes begon plotseling te stralen alsof de zon erop scheen, ze hief haar handen ten hemel en strooide haar dankbetuigingen over me uit in radde en opgetogen taal, waarvan ik alleen het woord ‘binti’, mijn dochter, verstond. Haar hoge vogelstem was vrolijk en ze liet haar woorden vergezeld gaan van haast dansende gebaren, terwijl ze mijn handen vastpakte. Ik verstond niets en begreep alles. Voor heel even waren er geen grenzen, niet van taal, leeftijd of land van herkomst. 

    Als daar muziek voor is, wil ik het horen:
    ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn,
    en omgeploegd met lange, diepe voren
    en ongelovig. Die de wellust en de pijn
    nog kennen. Die bezaten en verloren.
    En àls er wijsheid is,
    die geen vermoeidheid is,
    en helderheid, die geen versterving is,
    wil ik die zien, wil ik die horen.
    En anders wil ik zot en troebel zijn.

    (Vasalis, uit: Vergezichten en gezichten, 1954)

    Uit mijn ooghoek zag ik een jonge man naar ons toe komen met een bos autosleutels in zijn hand, misschien degene die de oude vrouw kwam halen, een kleinzoon of een achterkleinzoon. Daarom nam ik afscheid van de oude vrouw die nog steeds de zegeningen van de hemel over me afsmeekte. Ik liep naar het spoor op het station zonder te wachten op de man om uitleg te geven over wie ik was en wat ik deed: ik wilde niet onbeleefd zijn, maar hoe had ik hem van dit eeuwige moment moeten vertellen? Zo geweldig is mijn kennis van het Arabisch nu ook weer niet.

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Wat ze wenste

    Terwijl ik dit stukje schrijf check ik acht keer mijn mail, raak tig keer verdwaald op social media, beantwoord dwingende apps. Klik, klik, klik weg ben ik. Daarna opnieuw mijn gedachten bij elkaar zoeken. Tove Ditlevsen schreef in het geheim (nooit iemand laten weten dat je aan een boek werkt) haar eerste roman. Na publicatie daarvan en een abortus, begint ze verhalen te schrijven, ‘het gordijn tussen mij en de werkelijkheid is weer dik en geeft me een gevoel van geborgenheid.’ Vanaf haar twaalfde schreef ze gedichten, droomde ervan een boek te zijn dat door anderen meegenomen zou worden, gelezen worden. Dromen is het begin van succes. Ditlevsens kwam uit een armoedig gezin, wilde al jong schrijven, maar verlangde ook naar een gewoon leven. Als haar eerste kind geboren is, zegt ze tegen haar toenmalige man, ‘Nu zijn we vader, moeder en kind, een doodgewoon normaal gezin.’ Hij vraagt waarom ze dit zegt, want ze is bepaald niet normaal. ‘Daar kan ik hem geen antwoord op geven, maar dit wens ik al zo lang als ik me kan herinneren.’ 

    Daar schuurt het. Schrijver willen zijn en een dienstbaar leven als moeder, vrouw. Haar boeken zijn verslavend. Ze schrijft in strakgetrokken, betekenisvolle zinnen. Lees, ‘Edvin [haar broer] is bij zijn vrouw weg. Nu woont hij weer thuis in mijn oude kamer achter het gordijn en mijn moeder is gelukkig, al zal hij verhuizen zodra hij een kamer heeft gevonden. Mijn moeder zegt dat ze best begrijpt waarom hij bij Grete weg is, want ze dacht alleen maar aan kleren en flauwekul en dat houdt geen man  vol. Maar mijn broer pikt het niet dat Grete zo wordt afgekamd. Hij zegt dat de fout bij hem ligt. Hij hield niet van haar en daar kon zij niets aan doen. (…) Ik vind het een stuk prettiger om bij mijn ouders langs te gaan nu mijn broer er weer woont. We praten over mijn poëziebundel en Edvin kan maar niet begrijpen dat je met zoiets geen geld verdient. ‘Het is werk’, zegt hij, ‘en het is ronduit schandalig dat je er niet voor wordt betaald.’ We praten ook over Edvins gehoest en over alle nieuwe ziekten van mijn moeder.’ 

    Naast twee abortussen krijgt ze drie kinderen. Trouwt vier keer terwijl het verlangen naar onafhankelijkheid overheerst. Leven van pen en papier, een boek het geluk. Het literair bedrijf is schoner dan het leven. Haar verhalen ontstaan in het verborgene (ik wens me een gesloten afdeling). Het is gruwelijk mooie taal die recht je hart in gaat. Zoals de pijl van de legendarische kruisboogschutter Wilhelm Tell de appel op het hoofd van zijn zoontje doorboort. In de eerste jaren van haar tweede huwelijk droomt ze van haar vriendin Ester, ziet ‘haar donkere, kleine jongensgezicht’ voor zich terwijl ze met haar man vrijt. Als ze door haar derde man, die arts is, verslaafd raakt aan verdovende middelen, wordt ze meerdere keren opgenomen in psychiatrische klinieken. Daar schreef ze Kindertijd en Jeugd. Om te schrijven moet je niet al te gelukkig zijn, anders wordt het niks. Een eenmaal gepubliceerd boek kan niet meer ongedaan gemaakt worden, schrijft ze aan het eind van Jeugd. ‘Misschien zal een kind dat heel stiekem van poëzie houdt deze gedichten lezen en er iets bij voelen wat haar omgeving niet begrijpt.’ Op achtenvijftigjarige leeftijd maakte ze een eind aan haar leven. Lees haar boeken, dat is wat ze wilde.

     

     

    Afhankelijkheid / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag
    Citaat uit: Jeugd / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest.