• Tonia Marketaki

    Ik zag een verbluffende film. Drie uur lang, maar ieder moment boeiend. Ioannis o viaios (John the Violent), uit 1973, van de Griekse regisseuse, scenariste en producente Tonia Marketaki (1942-1994). Opgeleid als Director Of Photography aan de filmschool van Parijs, omdat vrouwen daar toen nog niet tot de regieopleiding werden toegelaten.
    Terug in Griekenland werkte ze van 1963 tot 1967 als filmcriticus. Daarna een korte film, gevangengezet door het kolonelsregime, vrijgelaten, naar het buitenland uitgeweken en in 1971 weer terug in eigen land. En dan maakt ze Ioannis o viaios. Wat een debuut! 

    De film vertelt het op een ware gebeurtenis gebaseerde verhaal van de moord, midden in de nacht, op een jonge vrouw, die op straat in Athene wordt neergestoken door een onbekende dader. Het eerste uur gaat in op het onderzoek wie de vrouw was. Er worden getuigen gehoord. Hun getuigenissen helpen de politie niet verder. Het beeld ontstaat dat de vrouw het met de zeden niet zo nauw nam.

    Het tweede uur gaat over de moordenaar Ioannis. Een knappe, charmante jongen met een gestoorde geest. Hij is trots op wat hij gedaan heeft, want hij was al heel lang van plan een keer een mooie vrouw te vermoorden. Hij praat er openlijk over. De pers hangt aan zijn lippen.
    Het derde uur gaat over het proces. Een vijftal psychiaters verklaart eendrachtig dat de moordenaar schizofreen is en dus ziek/gek en niet toerekeningsvatbaar. Hij heeft het idee dat hij boven de wet staat. Hij gehoorzaamt zijn eigen wetten. Net zoals dictators? vraagt een van de rechters. Ja. Dus u beweert dat dictators gek zijn?

    Ioannis wordt vrijgesproken. Hij verdwijnt niet in de gevangenis maar in een inrichting. 

    Daarmee lijkt het of Tonia Marketaki aan de orde wilde stellen of de mens of de maatschappij verantwoordelijk is voor de monstruositeiten die worden aangericht. Maar ik denk dat het punt dat Marketaki wil maken iets anders is. De moordenaar is een man. De aanklager is een man. De advocaat is een man. De rechters zijn mannen. Op de perstribune zitten mannen. De jury bestaat uit mannen. Door de laatste twee uur van de film zou je (bijna) helemaal vergeten dat er ook nog om niets een onschuldige jonge vrouw is vermoord.
    Volgend jaar viert de film zijn 50ste verjaardag. Een mooi moment om ’m opnieuw uit te brengen. Tot die tijd zal voor wie ‘m wil zien, zich moeten behelpen met de versie op YouTube.

     

     


    Van Hans Heesen, filmhuisdirecteur, docent filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws  (Uitgeverij IJzer), verschijnt maandelijks op deze plek een filmcolumn.

  • Kauwde, slikte door

    Een goed boek houdt je na lezing nog bezig. Eind zomer las ik een boek waarin de ik-verteller briefjes met contactgegevens opeet, als werkte hij voor de geheime dienst. ‘In een reflex stopte ik de prop in mijn mond, kauwde, proefde inkt en de goedkope zompige structuur van kladpapier.’ Het boek speelt in de maand augustus van 1988. In die maand komt alles in het leven van Erik Poelman bij elkaar. De oudere neef Kaj, die zijn vrouw verliet voor een man, ziek werd, stierf aan aids, voorheen al doodgezwegen door zijn familie. Een christelijke vriend uit zijn schooltijd wordt vermoord. Met zijn vriend Maurits, een Couperus adept, bezoekt hij in de weekenden homobars in Amsterdam. Tegen elkaar zeggen ze hetero’s te zijn die spelen dat ze homo zijn. Wordt het niet eens tijd er voor uit te komen dat hij echt op mannen valt? Maar hoe doe je dat. Die zomer gaan Maurits en Erik naar Den Haag, nemen een hotel, er broeit iets, maar ze zijn hetero, toch? Na een uitgaansavond, belanden ze bij elkaar in bed, vrijen. Waarna de draad van hun vriendschap dunner wordt.

    Daarbij is Erik bang om ziek te worden, met iets besmet te raken. ‘Dat iets was elke avond en nacht in Amsterdam aanwezig. het wandelde mee, in de Reguliersdwarsstraat, bij het DOK aan het Singel, vergezelde me naar de andere cafés en disco’s in het centrum waar mannen kwamen, en waar wij dus ook kwamen. Het kon me elk moment aanraken.’
    In een poging zijn leven richting te geven, besluit hij naar Maastricht af te reizen. Hij heeft een briefje waarop telefoonnummers van mannen die reageerden op de contactadvertentie die zijn vriend Maurits voor de lol in de krant plaatste. Erik hield de telefoonnummers van het stapeltje ‘Nee’ voor zichzelf.

    Had hij niet samen met zijn moeder televisie zitten kijken naar een uitzending van Sonja Barend, waar een man was uitgenodigd die zei dat het voor homo’s gewoon was om seks te hebben met honderden mannen? ‘(…) soms wel een paar kerels op een avond. Een schok ging door de zaal bereikte de huiskamer,’ Dat zijn moeder snuivend zei, ‘Wat smerig, Niet gek dat je dan ziek wordt en doodgaat.’ Durf dan nog maar eens te vertellen dat jij op mannen valt.

    Als Maastricht mislukt, bezoekt hij de dichter Hans Warren in Zeeland. Warren woont samen met een jongeman. Door zijn dagboeken die in de jaren tachtig verschenen, is hij iemand om naar uit te reiken, bij te willen horen. Als Erik bij het huis van de dichter komt aanfietsen, rijdt deze net in een volvo met zijn jonge vriend aan het stuur het pad af.
    Dat je de wereld in wilt, dat je steeds als het erop aankomt, niet durft, of miskleunt. Iemand opbellen, een afspraak maken bij een van de mannen van het papiertje, het komt er niet van. Daarvoor is zijn dialogue intérieur eenvoudigweg te sterk, praat hij zichzelf alles uit het hoofd, gaat onverrichter zake naar huis. Zijn moeder die zegt, Hé, ben je weer thuis?

    Als hij van de man die met zijn neef Kaj is geweest, zijn visitekaartje krijgt, scheurt hij het later in drie stukken, steekt ze in zijn mond, ‘kauwde, slikte door’. No way, dat hij hem eens gaat opzoeken. De briefjes die hij in zijn mond vermaalt, alsof hij er de werkelijkheid mee wil uitwissen. Ingegeven door de berichtgevingen uit die tijd, was het gewoon geen goed idee om homo te zijn. Ook het kaartje van een bejaard artsenechtpaar dat hem in de trein naar Goes conversietherapie aanraadt, verdwijnt meteen in zijn mond. ‘kauwde, slikte door’.

    ‘Ik vind dat ik niet uit de kast hoef te komen, dat ik moet zeggen ‘ik bén homo’, want dat ben ik niet, ik bén Wobie, en Wobie valt misschien op mannen.’ schrijft Splinter Chabot in Confettiregen. Als dit boek in de jaren tachtig was verschenen, had het de verteller uit Augustus zeker aangezet zichzelf te omarmen. Augustus is een indringend auto-fictie boek, over een jeugd in de jaren tachtig. Hoe er in die tijd volstrekt afkeurend over afwijkende geaardheid werd gedacht, hoe vernietigend dat was. Goed geschreven, een doordenker, een aanrader.

     

     

    Augustus / Eric de Rooij / blz. 224 / Uitgeverij kleine Uil (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Twee levens

    Je hebt een droom. Je wilt terugkeren naar je geboortedorp, in dit geval Lucignana, Italië. Je wilt een eigen boekhandel beginnen, tegen alle goedbedoelende adviezen in. Hoe kun je nu een rendabele winkel runnen in een dorp van honderdtachtig zielen? Je zet door, ondanks tegenslag:  brand, lockdown door corona.  Het resultaat is een boekhandel die ver buiten Italië beroemd is, met een assortiment gekleurd door je eigen smaak. Je publiceert je dagboek onder de titel La libreria sulla collina, vertalingen volgen, zo ook in het Nederlands: Boekhandel in de bergen. Een verfilming staat op stapel.  Als lezer glimlach je als vanzelf bij zo’n feel good verhaal. Alba Donati, ze volgde haar droom, en haar dagboek is aanstekelijk. Allereerst door de dagelijkse lijstjes van alle boekbestellingen die ze binnenkreeg. Veel bekende titels (ook één keer Het diner van Herman Koch), maar vooral veel onbekende, Italiaanse boeken: Stai  zitta, Storia della mia ansia, Gli autunnli om maar een drietal te noemen. Die lijstjes wakkeren leeshonger en nieuwsgierigheid aan. Een heerlijk boek van verlangen zou dat zijn, een boek dat uitsluitend dit soort lijstjes van echte boektitels bevat. 

    Door Donati’s dagboek dacht ik ook weer aan hoe het zou zijn zelf in zo’n boekhandel te werken. Er zijn geen bergen in Nederland, maar een Fries of Zeeuws dorp zou een poldervariant kunnen zijn. Om in de luwte van de Randstad een echte ontmoetingsplek te creëren voor lezers, schrijvers, buurtgenoten en voorbijgangers, een welkom thuis in de geur van nieuwe boeken. Deze zomer kwam een mail binnen van Kartonnen Dozen, de Regenboogboekhandel in Antwerpen. Er werd met een zekere spoed een nieuwe eigenaar gezocht. Die is intussen helaas niet gevonden, zodat Tom Lanoye eind oktober de inboedel mocht veilen. Ik geef toe, het zinnetje ‘Zal ik?  spookte na die mail lang in mijn hoofd. Maar de praktische bezwaren – geen ervaring, Antwerpen is ver weg – wogen zwaarder. Je wilt zovele levens leiden en je leidt er in dat ene dat je hebt al zoveel.  

    Dan lees ik verder in Donati, ze haalt Due vite van Emanuele Trevi aan: ‘”Want wij leven twee levens, beide voorbestemd om te eindigen: het eerste is het fysieke leven, gemaakt van bloed en adem, het tweede is het leven dat zich afspeelt in de geest van wie van ons heeft gehouden. En wanneer ook de laatste persoon die ons van dichtbij gekend heeft sterft, ja dan, dan vervagen we werkelijk.”‘

    Donati borduurt hierop verder: ‘”Het gaat over het tweede leven dat wij als levenden garanderen aan de doden, althans zolang wij leven. (…) De herinnering is het tweede leven. Maar er is nog meer. Wie er niet meer is komt in wat geschreven is terug, handelt, spreekt zich uit.’”Niet voor niets citeert Donati Trevi, hier resoneert haar wens tot bewaren. Zoals zij naast het reilen en zeilen van de boekhandel – waar anders kun je eeuwenoude doden ontmoeten?  – tegelijkertijd het leven van familie, vrienden, haar hoogbejaarde ouders in haar dagboek wilde vastleggen. Zolang je genoemd blijft worden, ben je niet vergeten.
    Daarom noem ik Johanna Pas van Kartonnen Dozen. Zij stopt als boekhandelaar, maar haar activisme en liefde voor het Regenboogboek zal in vele gedaanten verder gaan.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Disclaimer

    Ik ging met de trein (Blauwnet) van Zutphen naar Lochem. De reis verliep voortreffelijk. De trein tufte als liep hij op stoom (al was ook het zoeven van elektrisch aangedreven motoren waar te nemen) door een landschap van populieren, ruige velden, struikgewas, eindeloosheid. Alsof de rand van de wereld (mocht de wereld een rand hebben) bereikt was, de tijd vertraagde. Ik nam een verhalenbundel van Amy Bloom uit mijn tas. Voorin een disclaimer: ‘Waar de God van liefde is is een bundel verzonnen verhalen.’ Het zegt iets als een auteur wil voorkomen dat iemand denkt dat er dingen aan de werkelijkheid ontleend zijn. Niet zelden is dat dan ook zo. Op een af andere manier zag ik, sinds ik haar laatste boek In liefde, een memoir over leven en verlies, had gelezen, in al haar verhalenbundels de grote liefde van haar leven voorbijkomen. Ik houd van Blooms verhalen. Haar openingszinnen, ‘Ik was altijd van plan geweest mijn vader te vermoorden.’, of ‘Iedere dood is gewelddadig.’, maken dat je wilt weten wat er gebeurt is om deze eerste zinnen te rechtvaardigen.

    De openingszin uit de verhalenbundel uit mijn tas, ‘Om twee uur in de ochtend kun je niemand iets kwalijk nemen.’, loopt vooruit op het feit dat William en Clare elkaar beginnen te zoenen terwijl hun partners boven slapen. Vier verhalen in deze bundel gaan over de (overspelige) liefde tussen Clare en William, beiden vijftigers. In het vierde verhaal zijn ze getrouwd. ‘Het had William en Clare vijf jaar gekost om een einde aan hun huwelijken te maken.’

    De man van Amy Bloom overleed in 2020 in een kliniek in Zwitserland. In In liefde, schrijft ze over de zelfverkozen dood van de man die ze in haar verhalen al langer liefhad dan de werkelijkheid haar gegeven was. Ze schrijft ook over de tijd dat ze minnaars van elkaar werden. ‘Brian en ik werden verliefd op elkaar zoals dat wel vaker voorkomt bij sommige mensen van middelbare leeftijd in kleine stadjes, die vastzitten in een ongelukkige relatie…’ Amy Bloom en Brian Ameche waren Clare en William. 

    Ze zijn dertien jaar bij elkaar als Brian wordt gediagnosticeerd met Alzheimer. Hij zegt, ‘Omdat jij van mij houdt, ga jij mij helpen.’ Hij wil in het harnas sterven. Door zijn mentale conditie komt hij niet in aanmerking voor euthanasie. Zij zoekt wereldwijd naar een legitieme manier om te sterven. Als die uiteindelijk in Zwitserland doorgang vindt, zijn ze dolgelukkig om het feit dat hij ergens legitiem zal kunnen sterven. ‘We hebben gehoord wat we moesten horen en aanvankelijk omhelst Brian me stevig, omdat we hebben bereikt wat we wilden bereiken en we dat samen hebben gedaan, en hij is gek op teamwork. Maar dan verandert het licht en het neemt af; ik ben in de wereld zonder hem; hij ziet duidelijk de wereld verdergaan zonder hem,  met mij alleen in de keuken en hij niet naast me. …’

    In al haar boeken die ik nu doorblader, is een ongelukkig huwelijk, overspelige liefde, een sterke vrouw (ja, dat vooral, een sterke vrouw die hoe het lot zich ook wendt of keert, er een verhaal van maakt, een boek over schrijft). Haar laatste boek, “In Liefde” is een intens en zuiver relaas over de dood van haar man die als minnaar in haar verhalen leeft.’ Alles wat een schrijver beleeft komt in een verhaal terecht. Dit is geen disclaimer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Kelderspoken

    Oktober betekent herfst en Halloween. Nu de schaduwen steeds vroeger in de avond in de hoeken van het huis kruipen, is het tijd mijn geliefde griezelverhalen weer terug in de kast te zetten. Want deze klassieke spookverhalen lees ik bij voorkeur in augustus, op het midden van de dag, als de zon hoog en fel aan de hemel staat. Ik voel er niets voor om in dit schemerige jaargetijde ’s avonds op zolder te komen en dan het ‘gefluister in de duisternis’ te horen, of om ’s nachts getik tegen het raam te horen waarvan ik overdag best weet dat het de takken van de kastanjeboom zijn. Het is bovendien geen kunst om iemand de stuipen op het lijf te jagen met een verhaal als je ’s avonds in je eentje zit te lezen, terwijl het in huis donker is en alles piept en kraakt in de kamer en de wind om het huis giert. Maar als een verhaal je koude rillingen bezorgt in de hete augustus zon en je schichtig over je schouder doet kijken, dan heb je iets goeds gelezen. Van bijvoorbeeld de Engelse M.R. James, Algernon Blackwood, Cynthia Asquith. 

    Niet van de relatieve nieuwkomers uit Amerika, zoals Stephen King – hoewel zijn verhaal ‘Het aapje’ me dagenlang achtervolgd heeft – , want dat is horror waar het bloed en de gruweldaden vanaf druipen. Horror is een heel ander genre, waar ik niet van hou. Maar de sfeer van echte ouderwetse Engelse ghost of gothic stories, waar ruïnes bevolkt worden door geesten, waar onverklaarbare gebeurtenissen de toon zetten en waar gouvernantes flauwvallen op de trap bij het horen van ijle kinderstemmetjes in de kelder, daar hou ik van. 

    Gothic novels ontstonden in de 18e eeuw in Engeland en gaven vooral vrouwelijke auteurs de kans om de beperkingen te doorbreken die de samenleving hen oplegde op emotioneel en psychologisch gebied en om hun verzet tegen het verlammende sociale decorum te verwoorden. Het bovennatuurlijke werd op subtiele wijze ingezet om het onderbewuste naar boven te halen, om geheimen bloot te leggen, met een dosis erotiek erbij. Voorbeelden zijn The yellow wallpaper van Charlotte Perkins Gilman en Frankenstein van Mary Shelley, maar zeker ook Dracula van Bram Stoker. 

    Gedichten uit het griezelige genre zijn er ook: Der Erlkönig van Goethe, door Schubert zo geraffineerd op muziek gezet, en natuurlijk The Raven van E.A. Poe behoren tot de mooiste die ik ken. En het onderstaande van Remco Campert, omdat daarin zo mooi wordt aangegeven waarom griezelverhalen geschreven en gelezen worden: wat je meent te zien is de confrontatie met de gestalten die je eigen innerlijke angsten aannemen. Nee, niet de mijne, die van Campert. Die van mij blijven in de kelder spoken tot het weer zomer wordt. 

    ‘In het donker

     Soms zie ik spoken
     ’s avonds laat op straat
     in een vuilwitte jurk
     jij die niet bestaat
     of mager in een pak
     van vooroorlogse snit
     mijn vaders gelaat
    of tot mijn schrik
     in een spiegelruit
     mezelf die verdergaat.’

     Uit: ‘Dichter’, 1995

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Golfjes

    Ik verbleef een aantal dagen in een huisje in Amsterdam Noord. Ik paste er op Mio, de kat, hoewel hij best goed voor zichzelf kan zorgen. Ik hoefde alleen maar de tinnetjes voer te openen, zijn bakje te vullen, zo nu en dan een praatje, een aai. Mio is mijn missie, mijzelf uitvinden het doel. Woensdagmiddag  halfvijf stak ik met de pont het IJ over. Ik dacht aan Mercy uit de roman  Franse vlecht van Anne Tyler. Toen de kinderen de deur uit waren ging ze in haar atelier wonen zonder de indruk te wekken dat ze haar man verliet. Ik stelde me voor hoe ik een bestaan elders zou opbouwen, al wil ik mijn man niet verlaten. Mercy bracht elke dag wat spullen van haar huis naar het Atelier. ‘Op dinsdag bracht ze een badhanddoek, een washandje, een stel lakens en een wollen deken mee.’ Tyler schrijft vaker over vrouwen die zich losmaken van familie, er opeens de brui aangeven zoals Delia in Tijd van leven, man en kinderen achterlaat en zich een heel nieuw leven aanmeetOf Rebecca, die zich een vreemde voelt in haar eigen leven in Toen we volwassen waren. Dat begint met ‘Er was eens een vrouw en die ontdekte dat ze in de verkeerde was veranderd.’

    Vrijdagochtend ging ik naar het Waterlooplein. Liep er niet overheen uit vrees mijn broer tegen te komen in de mensen die hem kenden. Ik ging naar het Joods Historisch museum. Beluisterde interviews van bewoners die vertelden over armoede, oorlog, razzia’s, over toen het Waterlooplein nog ‘Het plein’ heette. De interviews die op het Waterlooplein waren opgenomen hadden mijn speciale aandacht. Ik had het eerst niet zo door, maar ik zocht achter de ruggen van de geïnterviewden naar een glimp van mijn broer. Het had gekund dat hij daar toen was. Er waren beelden van de broodjeszaak van Sal Meijer aan de Scheldestraat. Het was er een gezellige bedoening. De tafeltjes allemaal bezet. Je zag een vrouw achter een snijmachine flinters van een homp vlees afsnijden. De gasten zaten achter bordjes vol met vlees belegde broodjes. Ze sneden er met mes en vork stukken af, staken het in hun mond. Als de camera op hen gericht was, lachten ze. Ze zaten er een beetje gebogen bij, toegewijd aan de maaltijd. Ik kreeg ontzettend trek in zo’n broodje, al had ik meer dan veertig jaar geen vlees gegeten, was er de herinnering van vlees tussen een zacht kadetje in mijn mond. Ik zocht naar de Scheldestraat, wilde weten of die broodjeszaak nog bestond. Ik wilde het bestaan van alles zien.

    De dag daarop ging ik weer naar het Waterlooplein, kwam mijn broer tegen in de gedaante van de marktkoopman die ook op zijn begrafenis was. Terwijl ik mijn fiets wegzette, zag ik dat de man naar me keek, weer wegkeek. Keek en weer wegkeek. Ik stapte niet op hem af, vroeg niet naar verhalen over mijn broer, maar dook in een boekendoos een kraam verderop. Ik vond Het mooiste van alle dingen van Kees Verheul waar ik allang naar op zoek was, het moest zo zijn.

    De Franse vlecht gaat over een gezin zonder samenhang. Een kreeg er altijd het kleinste stukje taart, naar een werd nooit geluisterd, een hing er altijd de paljas uit. De zoon zegt: ‘We houden van elkaar, maar mogen elkaar niet.’ Ann Tyler maakt hier de vergelijking met een Franse vlecht. ‘Het begint met twee strengen die je vanaf de slapen heel strak invlecht en naarmate je lager gaat, komen er meer strengen bij en wordt het uiteindelijk een dikke vlecht. (…) En als je de vlecht losmaakt, zitten er golfjes in het haar (…). Zo zitten families ook in elkaar. Je denkt dat je er van verlost bent, maar je kunt je nooit helemaal losmaken; de golfjes zitten er voor altijd in gefixeerd.’ Familie krijg je er nooit meer uit.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

  • Verheugen

    Teleurgesteld raken in een oude liefde, ik was er recent getuige van. Samen met R. bezocht ik op de drempel van de herfst de Dagboekenavond van J.J. Voskuil in Spui25, hartje Amsterdam. Balorige jongen in de garderobe. Bij het standje van Boekhandel Athenaeum kochten we meteen het pas verschenen dagboekdeel, en bij de levensgrote banner van het omslag fotografeerden we elkaar. Het is fijn ongegeneerd fan te zijn. We vermeden de drukte en namen de trap naar boven, waar je, hangend over de balustrade, een goed overzicht van de zaal had. De gemiddelde leeftijd lag hoog. Wie van al die aanwezigen zal in goede gezondheid de verschijning van het laatste deel in 2025 nog meemaken? Komt Spui25 dan weer vol?

    Ik ben nu net zo balorig als de garderobejongen. Dat komt omdat ik me vanaf de zomer zo ontzettend had verheugd op deze avond. Maar dat heb je met verheugen, de teleurstelling achterhaalt hem wel. Dat de oude weduwe er niet was, kon ik meevoelen, maar waarom was er geen spreektijd ingeruimd voor de bezorgers van het dagboek? Wilden ze niet komen? Nu werd het publiek vooral getrakteerd op een afrekening. Zowel Elsbeth Etty als Hanneke Groenteman hadden zich in Voskuils gloriejaren door zijn charmes laten inpakken en ze waren nu, jaren later, tot de conclusie gekomen dat hij naast een fantastische schrijver (niet al zijn werk, wel Het Bureau – wat op zo’n avond ook een vileine constatering is), in de kern een hele nare man was geweest. Ik parafraseer een uitspraak: Van buiten een heerlijke bonbon, maar met de vulling van puur vergif. Met terugwerkende kracht voelden ze zich door hem bedrogen. Och, die charmante, oude Voskuil, die is vast aardiger en oprechter dan zijn personage Maarten Koning? Hij mag zich evenzeer in het leven bedreigd voelen, maar kijk eens hoe dankbaar hij zich toont bij elk compliment en bij alle aandacht die hij krijgt? Kom hier! Zowel Groenteman als Etty hadden hun armen voor hem geopend. 

    Eerlijk gezegd, ik geloof het allemaal wel. Wie Het Bureau leest, ontmoet veel boosaardigheid en vijandschap – niemand kon zich veilig wanen in Voskuils nabijheid. Maar ik geloof ook dat hij dankbaar was voor alle erkenning die hij op latere leeftijd en op zo’n grote schaal kreeg. Was  hij – toch een angstige man –  bang die erkenning weer kwijt te raken? Strooide hij daarom met complimenten om mensen die invloedrijk waren aan zich te binden? Zelf ben ik nooit zo voor zijn charmes gevallen. Fan, ja. Hem ontmoeten? Nooit. Twintig jaar geleden verzamelden R. en ik fragmenten uit zijn werk over homoseksualiteit. Die verzameling stemde zo treurig dat van het beoogd schrijven van een artikel niets kwam. Toch overvielen de woorden van Etty en Groenteman mij. Op zijn eigen postume feestje werd Voskuil als mens, niet als schrijver, gewogen en te licht bevonden. En ik, naïef hopend op een avond gezelligheid in plaats van een terechtstelling, vertrok vervolgens chagrijnig naar huis. Zelfs de balorige jongen van de jassen was minder balorig geworden. Het dagboek ligt nu in ons speciale Voskuil- en Frida Vogelskastje te wachten om gelezen te worden. Maar ik heb nog steeds geen zin.

     

    Wil je het (terug)zien? De dagboekenavond van J J Voskuil: Het beste voor het laatst bewaard – YouTube


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Het bestaan een flatbread

    Er stond dit weekend een interview met schrijver en journalist Geae Schoeters in de Volkskrant over de literaire canon. Ze zei veel dingen die ik onderstreepte, omcirkelde. Dit bijvoorbeeld, ‘de mechanismen die achter de voorkeur voor mannelijke auteurs schuilgaan.’ En dat vrouwen meer dan de helft van de wereldbevolking uitmaken, de grootste groep lezers zijn. ‘Als je de wereld nooit door de ogen van vrouwen ziet, ontbreekt een belangrijk perspectief.’ Dat het niet een kwestie van kwaliteit is dat enkel mannelijke auteurs gekozen worden als er lijstjes moeten worden opgesteld, maar dat dat het gevolg is van een mechanisme. En wist u dat werkbeurzen voor mannen hoger zijn dan voor vrouwen? Dat er in deze eeuw (2007) nog werd gezegd dat vrouwelijke auteurs het ‘alleen over onbetekenende wissewasjes en relatieproblemen hebben’. Het is duidelijk dat er iets moet gebeuren om vrouwelijke auteurs op gelijkwaardige voet mee te laten klinken in de canon van de literatuur. Hier aangekomen, keek ik op. Hoeveel vrouwelijke schrijvers staan er eigenlijk in mijn boekenkast?

    In den beginne was er het lezen. Of het door een man of vrouw was geschreven maakte niet uit, toch? Of regeert daar het mechanisme. Ik las alles van Brouwers, Philip Roth, Van der Heijden, omdat ik ze goed vond, hun wereld wilde doorgronden. Of was het omdat ze prominent aanwezig waren in de literaire katernen van opiniebladen en kranten? Ik las ook alles van Natalia Ginzburg, Connie Palmen, Colette, Josepha Mendels, Frida Vogels, later Marja Pruis, Miek Zwamborn, omdat ik ze goed vind, een klankbord zijn. Dat de dingen van twee kanten bekeken pas tot leven komen. Zoals Gummbah gisteren een lesbisch stel op leeftijd futloos afbeeldde met de tekst: ‘Zonder een man in hun leven om alles uit te leggen, bleef het bestaan voor de lesbische Fleur en Anita één groot raadsel.’ Kunnen we twee dikbuikige intellectuele mannen (niet per se homo) neerzetten met de tekst, ‘Zonder boeken van vrouwen deed het bestaan voor Anton en Henk zich voor als een flatbread.’

    Ik nam een A-viertje en noteerde: Pearl Abraham, Karin Amatmoekrim, Christine Angot, Margaret Atwood, Arita Baaijens, Leonieke Baerwaldt, Maria Barnas, De Beauvoir, Hanna Bervoets, Julia Blackburn, Gerda Blees, Amy Bloom, Bianca Boer, Beitske Bouman, Madeleine Bourdouxhe, Désanne van Brederode, Maeve Brennan, Christine Bringreve, Edna O’Brien, Emily Bronte, Carry van Brugge, Andreas Burnier (luister naar de Fixdit podcast), A.S. Byatt, Dulce Maria Cardoso, Emma Cline, Justine le Clercq, Maryse Condé … Het houdt niet op.
    … Colette (zicht op de wereld door een venster), Costello, De Coster, Cusk, Daanje, Davis, Didion, Dillard, Ditlevsen, Van Doornik (kijk uit naar haar tweede boek), Douwesz (snak naar een nieuw boek van haar), Van Dullemen, Duras (de onschuld), Buchi Emecheta, Anna Enquist, Anne Enright, Yolanda Entius (haar eerste boeken vond ik geweldig), Annie Ernaux, Janet Frame, Jenny Erpenbeck, Maggie O’Farrel, Deborah Feldman, Mira Feticu (de vertwijfeling in haar boeken), Max Februari (toen hij nog ‘Marjolein’ heette).

    Ik nam een nieuw blaadje, en nog een, noteerde tweehonderdachtenvijftig namen van schrijfsters, ik was ronduit verbaasd. Alsof er goud in mijn kast stond en ik wist het niet. Je moet jezelf en anderen erop wijzen om iets zichtbaar te krijgen, altijd, hoe dan ook. Dit omcirkelde ik nog: ‘Lees vrouwen, leg ze op een mooie plek (…). Noem hun namen en blijf ze noemen.’ Dat ga ik de komende weken in deze columns doen, een werk laten klinken van elke vrouw in mijn boekenkast.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Geen bereik

    Het is een uitdaging te gaan schrijven zonder wifi te gebruiken. Dat je telkens ergens op klikt alsof je elk moment de jackpot kunt winnen, is nergens goed voor. Of anders de was ophangen, afhalen, opvouwen, er is altijd iets dat niet genegeerd kan worden. Toen bood een vriendin die onbedoeld alleen in een geweldig huis woont, me een schrijfkamer aan. Ik bracht er een pak foliovellen, archief kaartjes, een rol volschreven pakpapier en een stapel belangrijke boeken heen. Nu zit ik in een ruime werkkamer op de eerste verdieping met uitzicht op de kerktoren. Ik kijk om me heen, mijn hoofd een serene ruimte als bij mediteren, maar dan zonder te mediteren. Er is hier geen bereik. Het lijkt opeens noodzakelijk mijn dagen zo door te brengen: vroeg opstaan, klein ontbijten, spullen pakken, schoenen aan (altijd schoenen aan als je gaat schrijven zei iemand), twee kilometer fietsen naar het dorp. De trap naar boven, deur openen, thermoskan thee, pot noten uitpakken, raam openen, stoel pakken, aanschuiven, schrijven.

    Voor het raam hangen lichtblauwe gordijnen van doorzichtig geweven linnen. De zon schijnt van 9.00 tot 13.00 uur naar binnen, mits het niet bewolkt is. Er is een zwart gelakte tafel, een stoel, een bank van witte kussens en dikke bamboestokken. Op die bank lees ik fragmenten uit boeken die me in beweging brengen. In het land van moeders van Rachel Cusk lees ik over haar worsteling met het moederschap. Haar eerstgeborene die constant huilt, pas stopt als zij het de borst geeft. Ze wordt er gek van. Ik weet het nog, wanhopige eenzaamheid hoorde bij moederschap. Om haar te verlossen gaat haar man het kind de fles geven. ‘Stiekem ga ik naar een winkel en koop flesjes, sterilisatietabletten en blikken melkpoeder. Thuis stal ik ze uit als iemand die een bom in elkaar gaat zetten.’ Als haar man de speen voor het mondje van de baby houdt, sabbelt de baby eraan. Tot ze door heeft dat er iets veranderd is, kijkt plots haar moeder aan.

    ‘Haar blik is vragend en gekwetst. Ze ziet dat ik aan het hoofd van deze misdaad sta. Ze begint te huilen. Ik wil het onmiddellijk herroepen, verzoenen; mijn hand gaat automatisch naar de knoopjes van mijn blouse. Ik krijg de opdracht naar boven te gaan en ik ga. In tranen ga ik op het bed zitten, met pijn in mijn maag. Een paar minuten later sluip ik weer naar beneden en gluur om de hoek. Ze zitten in een plas lamplicht. De kamer is warm en stil.  De baby zuigt aan de fles. Ik ren weer naar boven alsof ik getuige ben geweest van ontrouw.’ Elke verandering is een daad van ontrouw.

    In deze kamer ontstaan veel gedachten. Ik denk ‘appels’ die niemand eet, aan bomen blijven hangen. Annie Ernaux schrijft in De jaren dat taal in haar milieu (wie gebruikt dat woord nu nog) lijfelijk was, ‘verbonden met oorvijgen, met de appels die de hele winter door werden gekookt, met het klateren van pis in de emmer en met het snurken van de ouders’. Het klateren in een emmer, appels die de hele winter door gekookt werden, ik kan het niet wegklikken. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Pat en de dichter

    Voor me zat een jongen met een petje. Hij was verreweg de jongste in een publiek van grijsaards en kaalkoppen dat op deze natte en herfstige zaterdagmiddag naar de boekpresentatie van dichter Co Woudsma was gekomen. Ik dacht even dat de jongen er tegen zijn zin of onder dwang zat.
    Tussen de voordrachten en muziekmomenten door zond zijn moeder met haar ogen en glimlach bemoedigende signalen naar hem. Later zag ik hem toch vrolijk stralen toen het notabene zijn moeder was die uit het publiek opstond om het zogeheten eerste exemplaar van de dichter in ontvangst te nemen. Of misschien straalde hij al de hele tijd, dat weet ik eigenlijk niet, want ik zat, als gezegd, direct achter hem en ik zag alleen de achterkant van zijn petje (dat eigenlijk de voorkant was maar dan achterstevoren opgezet).

    Het was een vrolijke presentatie. Op de eerste verdieping van boekhandel Broese was een hoekje vrijgemaakt voor een halve cirkel aan opklapbare stoelen, een tafel met bundels en een beeldscherm. Natuurlijk vertelde Co zijn vaste grap over Weesp. Er gebeurt daar zo weinig, dat het de plaatselijk krant verleidde tot de kop, Man valt bijna van fiets

    Zeven jaar zitten er tussen zijn vorige bundel, Hoogste zomer, en zijn nieuweling, Zolang de stad maar vrolijk is. Het is een bundel met intieme en pakkende poëzie: 

    KIJKJE

     Open de kast, dan zie je heel mijn leven,
     verborgen in mijn traag bestaan gebleven.

     Je kunt in stapels witte onderbroeken
     naar onvergankelijke vlekken zoeken.

     Ik ben een leefeenheid met veel gebreken:
     zakdoeken, sokken liggen ongestreken.

     Het vrolijk spel uit verre jongensjaren
     kwam in bestofte dozen tot bedaren.

     En afgepeigerd door verbeelde feesten
     slaapt op een schap mijn harem knuffelbeesten.

     Gesloten is het aanzicht weer normaal:
     een openbare deur, grijs en egaal.’

    Er vormt zich na afloop een rij aan mensen voor een handtekening. Als ik de tafel nader zie ik naast Co een van de twee Buurmannen van Buurman en Buurman op zijn tafel staan. Het lijkt verdorie wel de Buurman die ik aan mijn sleutelbos heb hangen, die ene waar de meeste verf, door wrijving in mijn broekzak, vanaf is. Ik tast in mijn zakken en vind wel mijn sleutels maar niet mijn Buurman. Welke tovenaar kreeg hem bij Co op tafel? ‘Een boekhandelaar vond hem op de grond,’ zegt Co. ‘Ze vonden hem wel passen bij mij.’ Hij gelooft me in eerste instantie niet als ik zeg dat Buurman van mij is. Maar ik draai Buurmans kopje met gemak in het schroefje dat aan mijn sleutelbos bungelt. Daarna draai ik Buurman weer los en zet hem terug naast Co op tafel. Het voelde namelijk, alsof ik hun anders iets ontnam – ze hoorden dit signeren samen door te brengen. 

    De jongen met petje wist dat het Pat was. Buurman Pat, niet Mat. Co mailde me erover. ‘Ik zag tot mijn ontzetting dat je was verdwenen zonder Buurman mee te nemen! Ik durfde hem me niet toe te eigenen en heb hem op de tafel laten staan.’ Hopelijk staat hij daar nog steeds of keert hij terug bij volgende schrijvers die in Broese komen signeren. 

     

     

     

    Zolang de stad maar vrolijk is / Co Woudsma / 64 blz. / Uitgeverij Magonia
    Op YouTube wordt het gedicht Kijkje gezongen door Ymkje de Boer


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.

     

     

     

  • Feelgood

    Ik ging voor een weekend naar Den Haag. Het was een uitdaging. Uitvallende intercity’s, gemiste aansluitingen, volle treinen. Meerdere keren klonk er, ‘personeels tekort’. Gevolgd door ‘raadpleeg de app’, ofwel, zoek het maar uit. Treinreizen van A naar B is de weg van de meeste weerstand geworden. Maar ik kon ertegen, had een goed boek bij me.  Zo’n nietkunnenstoppenmetlezen boek. Ik moest zelfs uitkijken de treinen die wel reden niet te missen, zo’n boek dus. Ik las het op perrons, treinen en in de wachtkamer van het Westeinde ziekenhuis. Door een ongelukkig manoeuvre van voeten, verkeerd ingeschatte afstanden en hoogte van een zitzak die voor de bank bij mijn dochter thuis lag, viel ik voorover en ving mijzelf op met mijn linkerpink. Op zich een niet geringe prestatie. Zo zit ik nu met een gespalkte pink te typen.

    Het woord ‘ontmanteling’ speelt door mijn hoofd. Dat denk ik vaker, dat alles uit elkaar valt. Dat de ontmanteling die leidt tot het einde van de wereld al gaande is. Op die bank bij mijn dochter keken wij met zijn allen Independent Day, met een beamer op de muur geprojecteerd. Het was me wat, het verschroeien van de aarde begon met het vernietigen van de grote steden.
    Waarom verhuizen we van de stad naar buiten? Waarom worden schrijvers als Thoreau, Raynor Winn of Annie Dillon zo graag gelezen?  Waarom, vraagt Rivka in het boek zich af, moet ‘iedereen tegenwoordig zo nodig de Mount Everest op’, om eenmaal op die top, ‘met z’n honderden naar eenzaamheid te snakken in peperdure donsjassen.’ Op de radio zegt iemand: ‘We verliezen het contact met de natuur.’   

    De trek van de grote stad naar de provincie is gaande. In Buitenleven verhuizen Esse en Rivka na een relatie van meer dan vier jaar, vanuit het westen naar een ‘karakteristiek’ woonhuis bij een fictief dorp in noord-Groningen. Esse heeft een baan gevonden als trainer basketbal van een meisjesteam, Rivka maakt van het schuurtje haar schrijfhuis. Rivka, die opgroeide in een grote stad, zal over haar leven in afzondering schrijven. Een krant en een literair tijdschrift beloofde ze alvast een artikel. En er moet een derde boek komen. Maar het schrijven lukt niet. Het schrijfhuis is te stil, of nee, er lopen luid pratende wandelaars voorbij. Wat moeten die hier? Zoals Lousje Voskuil, wandelend langs een druk bezochte route, eens wanhopig geroepen schijnt te hebben of al die anderen niet gewoon thuis konden blijven. Natuur is geen groepsvermaak.

    Als Rivka in haar schrijfhuis zit, kijkt ze op en ziet een man in een oranje windjack. ‘Hij droeg een rood petje, had een stoppelbaard en hij keek recht haar schuur in.’ Het Pieterpad bleek vlak langs hun tuin te lopen. ‘Het was overdreven, dat wist ze zelf ook wel, maar Rivka kookte. Ze graaide haar laptop en aantekeningen bij elkaar. Binnen vanuit de keuken, gluurde ze de tuin in om nog meer felgekleurd tuig te betrappen, maar het bleef groen.’
    Terwijl ik las, dacht ik, als de treinen niet meer rijden, als de wereld vergaat heb ik een goed boek nodig, dan overleef ik het wel. Wat natuurlijk onzin is, maar zo verborgen voelde ik me in de tijdelijke samenleving waar Rivka en Esse een jaar deel van uitmaakten. Dankzij het drama dat zich er afspeelt, (wie houdt niet van drama) is dit een springlevende roman.

     

     

    Buitenleven / Nina Polak / 237 blz. / uitgeverij Prometheus


     

    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Een verre prinses

    Sinds kort heb ik hulp in de huishouding: een jonge vrouw die met man en kind uit Eritrea gevlucht is voor een onmenselijk regime. Slank en soepel loopt ze door mijn woonkamer, als de koningin van Sheba die over haar buurland Ethiopië geregeerd zou hebben. Ze praat niet veel, wil niets drinken, ook niet als het 38°C aantikt op de thermometer, wil niet zitten. Ze vraagt wat ze doen moet en gaat aan het werk. Op mijn vragen geeft ze zacht antwoord: ze is vier jaar in Nederland, heeft inmiddels twee zoontjes, volgt een opleiding in de zorg, loopt stage en werkt op verschillende adressen. Ze verstaat het Nederlands goed, maar vindt het lastig om het te spreken. Als ik vraag of het Tigrinya een moeilijke taal is, geeft ze na even nadenken het enige juiste antwoord: ‘Voor mij niet.’

    Als ik haar met de stofzuiger door de kamer zie gaan, vind ik dat ze eigenlijk als een verre prinses door de woestijn zou moeten schrijden, een felgekleurde omslagdoek boven de borst geknoopt, koninklijk en ongenaakbaar, een waterkruik torsend op haar trotse, opgeheven hoofd, zoals haar voorouders dat hebben gedaan. Maar ze wil van het verleden niets weten, ze wil uitsluitend in het hier en nu leven. Een foto op de kast van mijn zoon als kleuter kan weg, vindt ze, ‘is geweest, is voorbij, bewaren doen oude mensen’. Ze wil nooit meer terug naar Eritrea en ik zal nooit vragen waarom. Wel zou ik haar willen waarschuwen dat herinneringen altijd ongevraagd boven komen, ook zonder tastbaar bewijs, en dat het verleden nooit voorgoed voorbij is. Dat je je geschiedenis een leven lang met je meezeult en dat daar geen ontkomen aan is. Dat alles wat weggegooid wordt als een boemerang van heimwee terugkomt, je midden in je hart treft. Dat niet alles wat oud is daarom zonder waarde is. Maar ik zeg niets, de Keniaanse dichteres Micere Githae Mugo kan dat veel beter: 

    ‘Waar zijn de liederen?

    Waar zijn de liederen
    die mijn moeder en de jouwe
    altijd zongen
    met hun ritmes
    aangepast aan de
    immense levensduur?

    […]

    Wat weet je nog?

    Zing
    ik ben het vergeten,
    mijn moeders lied
    mijn kinderen
    zullen het nooit kennen.
    Ik herinner me dit:
    moeder zei altijd
    zing kinderen zing
    maak een lied
    en zing
    geef zelf je eigen ritme aan
    de ritmes van je leven
    maar maak je lied bezield
    en laat je leven
    zingen

    Zing dochter zing
    om je heen zijn
    ontelbare melodieën
    sommige zijn gezongen
    andere ongezongen
    zing ze
    op jouw ritme
    kijk
    luister
    zuig ze op
    doordrenk jezelf
    baad
    in de stroom des levens
    en zing dan

    Zing
    eenvoudige liederen
    voor de mensen
    voor iedereen om te horen
    en te leren
    en te zingen
    met jou’

    Ik zou dit gedicht willen voorlezen aan mijn Eritrese prinses als ik dat durfde. Later misschien, nu nog niet. Er is nog tijd genoeg. 

     

    Gedicht van Micere Githae Mugo (1942), ‘Where are those Songs?’
    Uit: The Heinemann Book of African Women’s Poetry, 1994, vertaler onbekend.


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.