• Dissidenten

    In een reeks van zes columns schrijft Irwan Droog over boeken waar hij als redacteur, persklaarmaker of corrector aan meewerkte. Elke maand bespreekt hij een aantal van die binnenkort te verschijnen boeken die hij graag onder de aandacht van de lezer wil brengen. Disclaimer: die selectie is geheel op persoonlijke titel, en als onafhankelijke, externe partij heeft hij geen verder belang of profijt bij de verkoop van deze boeken. 


    Sinds ik als freelance redacteur, persklaarmaker en corrector werk, kom ik maar weinig toe aan ‘vrijetijdslezen’. Ik doe m’n best, maar de stapels deels gelezen boeken groeien vrijwel dagelijks – er komt altijd weer iets tussen, iets met haast, een opdracht die te mooi is om af te slaan. Nee zeggen blijft moeilijk, ook na bijna acht jaar zzp’en: als een opdrachtgever me vraagt om een biografie van Carel Willink te redigeren, of de autobiografie van Elton John of prins Harry persklaar te maken, of een roman van een geweldige Zuid-Koreaanse auteur of een baanbrekend pleidooi voor dierenrechten in de bio-industrie – dat zou ik in mijn vrije tijd óók willen lezen. Dus zeg ik ja. Het is misschien geen vrijetijdslezen, maar ik prijs mezelf gelukkig dat ik me fulltime bezig mag houden met literatuur. 

    Het is een apart idee, dat ik vooral boeken lees die nog niet fysiek bestaan. Manuscripten, drukproeven, die lees ik aan de lopende band, maar tegen de tijd dat die teksten in de boekhandel liggen, ben ik vaak alweer drie of vier klussen verder. Ergens is het zonde dat ik die laatste fase van het productieproces niet helemaal bewust meemaak. Zo kwam ik op het idee om iets te doen met die boeken, ook nádat mijn werk is gedaan, nadat ik het manuscript met mijn suggesties, kanttekeningen en vragen weer heb ingeleverd. Het resultaat: deze columnreeks, waarin ik binnenkort te verschijnen boeken kan aanraden vanuit mijn bevoorrechte positie als een van de eerste externe lezers ervan. 

    Soms zal ik een aantal boeken aan elkaar kunnen verbinden – zo las ik de afgelopen tijd bijvoorbeeld De wereld van de puppy van Alexandra Horowitz, Hoeveel vakantiedagen heeft een varken? van Marjolein de Rooij en Huisdieren van Erica Fudge; drie boeken die, allemaal met een andere insteek, focussen op de verantwoordelijkheid die mensen dragen in hun omgang met dieren. Van aandoenlijk en schattig, schokkend en verontrustend tot leerzaam en inspirerend; voor ieder wat wils, en voor elke stemming iets gepasts. 

    Maar de afgelopen weken is me in het bijzonder één boek bijgebleven: De dissidente leeslijst, samengesteld door Xandra Schutte. Essays uit de bundel verschenen eerder in De Groene Amsterdammer, maar zo allemaal bij elkaar geven ze een prachtig overzicht van beroemde, bekende én onbekende auteurs die allemaal één ding met elkaar gemeen hebben: ze werden tegengewerkt, monddood gemaakt, afgestraft voor hun literaire werk. Denk bijvoorbeeld aan Michail Boelgakov, Boris Pasternak of Orhan Pamuk. Vooral werd ik nieuwsgierig naar de debuutroman van de Zuid-Afrikaanse Miriam Tlali (1933-2017), die Alfred Schaffer ‘een glashelder venster op het Zuid-Afrika tijdens de duistere jaren van de apartheid’ noemt. 

    Misschien kan ik, hoe onbeduidend of subtiel ook, in deze reeks columns uiteindelijk iets aan trends signaleren. Ik kan me voorstellen dat bepaalde maatschappelijke bewegingen meer en meer zullen terugkomen in boekvorm, waar ik in mijn werk dan weer de neerslag van zie. Zo merkte ik in de loop van 2020 en 2021 een enorme toename aan non-fictie, veelal essaybundels van meerdere auteurs die zich verhielden tot de pandemie, lockdowns, en vooral: de toekomst, hoe nu verder? Door voornamelijk héél recente boeken te lezen – namelijk die binnen enkele weken gepubliceerd zullen worden –, zou ik zomaar een kijkje kunnen krijgen in die grotere lijnen. 

    Alle boeken die ik hierboven noemde, beveel ik van harte aan. Toch voeg ik er graag nog een laatste aan toe, ook weer een essaybundel. En wel van Katrin Swartenbroux, die in OK dan niet (de eerste uitgave van uitgeverij Murrow) vlijmscherp, intelligent en met heel fijne humor vertelt over, om de ondertitel te citeren en niet te veel weg te geven: mijlpalen, maakbaarheid en de millennial mindfuck

     

     


    Irwan Droog (Den Haag, 1984) is auteur, redacteur en vertaler. In 2022 verscheen zijn debuut Het huis aan het einde (Thomas Rap). 

  • Honger

    De nieuwe vertaling door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders van Knut Hamsuns roman Honger, die vorig jaar uitkwam ter gelegenheid van Hamsuns zeventigste sterfjaar, was voor alle liefhebbers die fan waren geworden door de eerdere vertaling van Cora Polet (uit 1976) een confronterende ervaring. Het boek blonk als een geliefd schilderij dat na een schoonmaakbeurt alleen maar nog aan kracht heeft gewonnen. Het bekijken van Sult, de verfilming van Honger, heeft eenzelfde effect. De film van regisseur Henning Carlsen (1927-2014), uit 1966, is even fascinerend, meedogenloos en goed als het boek. Hij voegt er zelfs nog een weergaloze, fysieke dimensie aan toe.

    Per Oscarsson geeft het miskende genie Pontus, hongerkunstenaar en zenuwlijder die tevergeefs op zoek is naar een uitgever voor zijn werk (of anders tenminste een baantje om wat te verdienen) en die zijn toenemende wanhoop en ellende bestrijdt met trots en arrogantie, meesterlijk gestalte. Hoe hij als sjofel uitziend suspect figuur politieagenten overbluft met zijn vraag hoe laat het is, hoe hij probeert de knopen van zijn jasje te verpanden en toch zijn decorum te houden, het is superieur en het onthouden waard. Een tweede hoofdrol is voor de schitterend in zwart-wit gefotografeerde locaties. De film werd op locatie in Oslo gedraaid, op een moment dat daar nog net voldoende straten en panden te vinden waren uit het Kristiana, zoals de stad toentertijd heette, van het fin-de-siècle, de tijd waarin de roman speelt. Een jaar na de opnames waren de voornaamste filmlocaties gesloopt.

    Carlsen had naam gemaakt met een in cinéma vérité-stijl gefilmd documentaire drieluik over de opkomst van de Deense welvaartsstaat van begin jaren zestig, gevolgd door een clandestien in Zuid-Afrika gedraaide verfilming van Nadine Gordimers debuutroman Dilemma, toen hij gevraagd werd voor wat de eerste film in een samenwerkingsverband tussen Denemarken, Zweden en Noorwegen moest worden: Sult. De keuze om Honger te verfilmen – een Noors verhaal met een Deense regisseur en een Zweedse hoofdrolspeler – was ongetwijfeld ingegeven door commerciële motieven. En even ongetwijfeld is het aan de eigenwijsheid van de jonge Carlsen te danken dat dit geen smakeloze Scandinavische coproductiepudding heeft opgeleverd maar een prachtige film, die op het filmfestival van Cannes werd genomineerd voor een Gouden Palm. Het bleef bij een nominatie – wel werd Per Oscarsson in Cannes bekroond als beste acteur. 

    Sult, verkrijgbaar op dvd, wordt beschouwd als een meesterwerk van sociaal realisme, maar met alle hallucinaties van de hoofdpersoon en de vele fantastische uitvergrotingen zou ik het liever een meesterwerk van ‘sociaal surrealisme’ noemen.

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

     

     

     

     

  • Gelukkigste tijd

    Er ontstaan gewoontes waarvan je je op zeker moment kunt afvragen waar je mee bezig bent. Wanneer ik in de trapkast de schappen met levensmiddelen zie, vraag ik me opeens af hoe al die blikken met bonen, tomaten, potten tahin, zakken kikkererwten, linzen, de stapel stofzuigerzakken daaronder, naast de uien rood en geel daar gekomen zijn. Die hele voorraadkast bevreemd me, alsof ik in het leven van een ander sta.

    Mijn moeder, ja, zij hamsterde. Maar zij had de oorlog meegemaakt, en daarna de koude oorlog. Die werd niet gevoerd, maar versomberde als een dreigend onweer haar leven. Er moest altijd een paraplu bij de hand zijn. Mijn moeders voorraadkast was haar paraplu, groot genoeg voor het hele gezin. Toen het onweer overdreef, kon ze niet meer stoppen met hamsteren. De rollen waren voorgoed verdeeld, mijn moeder de voorraadkast, mijn vader de boekenkasten. Als zij reclamefolders of een damesblad doornam, zat hij voorovergebogen in zijn stoel met een boek. Tussen haar blaadjes en zijn boeken uit de wereldbibliotheek lag een niet te verbloemen allenigheid.

    In de verhalen van Tove Ditlevsen maakt het huwelijk niet gelukkig. ‘Je kent degene met wie je getrouwd bent niet eens.’, zegt de vrouw die met drie kinderen achterblijft als haar man er vandoor gaat met een jong meisje. In een ander verhaal slapen de man en vrouw gescheiden. De vervreemding zet in. De man kwetst de vrouw. Zijn woorden raken haar waar hij niet komen mag. ‘Het enige wat ze kon doen was mensen ontlopen wier woorden iets raakten, iets geheims dat absoluut met rust gelaten moest worden.’, dacht de vrouw. Elke relatie kent een gebied dat niet door de ander betreden mag worden.

    Ditlevsens verhalen gaan over levens die niet te verenigen zijn, vervreemding van zichzelf en de ander. Daar tussendoor is er die zweem van geloof ‘alles komt goed’. Maar niet heus. Haar verhalen vertonen veel gelijkenissen met haar eigen leven zoals ze dat beschreef in haar memoires, Kinderjaren, Jeugd en Afhankelijkheid. Ze trouwde vier keer, kreeg drie kinderen van verschillende vaders, raakte door toedoen van haar derde echtgenoot, een arts, verslaafd aan opiaten. Zolang ze zich kon herinneren wenste ze zich een normaal leven, een man, huis, kinderen, voldoende eten in huis. Maar de rol van moeder en echtgenote past haar niet. Een verhaal opent met, ‘Helene werd vroeg in de ochtend wakker met een gevoel dat haar hele leven één groot fiasco is.’ Haar man en kinderen negeren haar. Elke dag sloot ze af in de overtuiging ‘dat ze absoluut geen invloed had op haar omgeving’.

    Ditlevsen wilde alleen maar schrijven, maar ook wenste ze zich, ‘een doodgewoon normaal gezin te stichten’. In het verhaal over een dochter die haar moeder met een taxi ophaalt om de vader in het ziekenhuis te bezoeken. ‘Haar hoed zat scheef op haar witte haar en haar hoofd schudde lichtjes aan een stuk door.’ De moeder verwijt de dochter de dure taxi, waarom konden ze niet met de auto…? De rit naar het ziekenhuis is lang. Haar moeder blijft jammeren, dochter krijgt het benauwd, ‘waarom kon ze haar moeders hand niet pakken en er bemoedigend in knijpen?’
    Ditlevsen leed aan depressies en verbleef een aantal keren in een psychiatrische kliniek. Toen ze in 1967 op de gesloten afdeling terechtkwam, schreef ze de eerste twee delen van haar autobiografische trilogie, Kindertijd en Jeugd. Ze noemde die periode ‘de gelukkigste tijd van mijn leven tot nu toe’. Het schrijven overwon niet, op negenvijftigjarige leeftijd beëindigde ze haar leven. 

     

     

    Kwaad geluk / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag uitgevers (2023)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest.

  • Omwegen (1)

    Ik kan de verontruste lezers geruststellen: het verdwenen Mariabeeld, waar ik in mijn vorige column over schreef, is weer terecht. Ze stond, weggemoffeld, in een kastje op de gang, met aan haar voeten het kopje van haar kind. Dat heb ik weer op zijn nekje kunnen vastlijmen met secondelijm voordat ik het beeld terugbracht naar zijn vertrouwde plek. Ondanks alle vraagtekens rondom de verdwijning: eind goed al goed. Dan: in een oudere column combineerde ik Thomas Manns boek over de oplichter Felix Krull met een kleine, particuliere gebeurtenis.  Verbaasd over mijn lankmoedige houding vroeg een goede vriend en oud-collega: ‘Waarom bel je die man niet gewoon en vraag je hem waar het geld blijft?’ Een eenvoudige en zeer voor de hand liggend advies. 

    Mijn appje volstond: de geleende 25 euro werd, zonder een berichtje, per ommegaande op mijn rekening gestort. Ik bedankte hem, waarop een kort ‘fijn’ als antwoord kwam. Over zijn ‘fijn’ hebben R., die ook taalkundige is, en ik lang geprakkiseerd. We oefenden verschillende intonaties om er achter te komen of het een oprechte, ironische of spottende reactie was. Hoe dan ook, ook hier: eind goed al goed.

    Tot slot het laatste incident, dan hou ik erover op. Ik had Het vonnis van de samenleving, het nieuwe boek van Didier Eribon rechtstreeks bij de uitgever besteld. Zijn Terugkeer naar Reims, over zijn leven als klassenmigrant, behoort tot dat kleine rijtje boeken dat mijn leven werkelijk verrijkte en me meer inzicht gaf in wie ik ben en waar ik vandaan kom, dan welk zelfhulpboek dan ook, (Over het spoor (2)). Hongerig maakte ik de (voor een boek) nogal grote doos open en vond in plaats van een boek een broek. Een spijkerbroek. Klein maatje. Tweedehands. De broek rook naar karton. Het duurde even voordat ik doorhad dat er iets misgegaan moest zijn bij een centraal inpakpunt. De uitgeverij reageerde snel en bondig op mijn mail: ‘Ok, we sturen u het boek en retourticket voor de andere levering.’ Zonder aanhef of een (vriendelijke) groet.
    Fijn, had ik willen antwoorden.

    Misschien voelden ze zich door mij in de maling genomen, ondanks of dankzij de foto’s van de klein uitgevallen spijkerbroek die ik als bewijsmateriaal had meegestuurd. Vorige week kreeg ik dan daadwerkelijk Het vonnis van de samenleving in de brievenbus, wel met een beschadigd omslag. Daar durfde ik vervolgens niet over te reclameren. In die zin werkt een antwoord zonder aanhef of groet wel goed om mij op afstand te houden. ‘En je ongenoegen wel in je column noemen,’ zegt R. hoofdschuddend. ‘Wat een raar gedrag.’

    Van historicus Carlo Ginzburg komt de term ‘omweg als methode’. Je hebt alleen bronnen van zeven-vinkjes-klassen, hoe kun je dan toch iets weten over de denkwereld van de klassen die niet schreven? Door tussen de regels te lezen. Didier Eribon voegt daar als klassenmigrant een dimensie aan toe: zijn eigen ervaring.
    Omwegen horen bij mijn leven. Uitstelgedrag ook. Ook deze column is één grote omweg van uitstellen. Eerst een strik om oude columns, dan pas een nieuwe stap zetten. Vandaar die 1 achter de titel.

     

    (Wordt vervolgd)


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Iets te vertellen

    Er zijn schrijvers die alleen aan een boek beginnen als ze iets te vertellen hebben. Gerbrand Bakker liet onlangs en desgevraagd bij Deventer Literair weten waarom het twaalf jaar duurde voor zijn roman, De kapperszoon verscheen. ‘Ik weet vaak niet waar ik over moet schrijven’ zei Bakker onbevangen. Laatst bladerde ik door een Hollands Diep uit 2007, en las de uitspraak van Connie Palmen, ‘De roman is klaar, ik begin.’ Wat bij eerste lezing eencontradictio in terminis’ is, maar bij herlezing een aha-ervaring teweeg brengt. Het voorwerk is gedaan, het schrijven kan beginnen. Tussen het tweede boek van Minke Douwesz en haar onlangs verschenen Het laatste voorjaar, zit veertien jaar. Ik wist dat het goed zou komen, soms vreesde ik dat er niets meer inzat. Wat na haar twee geweldig romans (goed voor 1400 pagina’s) te accepteren was.

    Jaren nadat ik Douwesz’ debuutroman Strikt had gelezen, kan ik me het integere personage Idske nog zo voor de geest halen.  Meer dan achthonderd pagina’s lang volgde ik deze psychoanalyticus in opleiding. Vanaf haar ontmoeting met de cello spelende Judith bij een telefooncel voor het Centraal station Amsterdam, tot de liefde tussen hen beiden op de laatste pagina een feit was, (nu lijkt dit een liefdesroman maar vergis u niet). Tussendoor haar leersessies op de bank bij een psychiater. ‘Het was maandagochtend en ik lag op de bank. Ondanks een zekere weerzin mijn analyticus op de hoogte te stellen van wat zich in mijn vrije tijd voordeed, had ik hem verteld van de afspraak met Judith.’ Strikt  kreeg het motto, ‘I saw the house on the hill / it bloomed like a flower in the summerend /Tell the fire where the river bends / tell the river when the fire ends’, van The Nits mee. Haar tweede roman Weg kreeg de regel, ‘I take you down the only road I’ve ever been down.’, van The Verve mee.

    Als je zolang gewacht hebt op een nieuw boek van een schrijver wiens eerste twee boeken zich totaal voor je hebben ingenomen, was het een feestje Het laatste voorjaar in handen te houden. Mooi omslag, hup openslaan, eerste blad, het motto is van Bob Dylan, ‘They say everything can be replaced / Yet every distance is not near’. Verandering ja, daar gaat het over, dat elke verandering geen vooruitgang is. Toen begon het gretige lezen, maar wacht. Minke Douwesz lees je niet snel, haar boeken zijn geschreven om bladzijde voor bladzijde tot je te nemen. Ik lees over de drieënvijftigjarige docent Duits, Ese Jelles. Na de dood van haar geliefde vrouw Martie, verschillende veranderingen op school, neemt ze ontslag. Ze vertrekt op de fiets voor een reis naar Jalta op de Krim waar ze het huis van Anton Tsjechov wil bezoeken.

    Ese, is net als Idske in Strikt, een vrouw om van te houden. Een vogelsoort bij naam kennen, waarom?  Ese, ‘Het is van belang te beseffen dat er verschillende soorten bestaan. Dan kijk je beter.’ Tijdens haar reis door Europa, komen er herinneringen  aan haar jeugd boven. Aan haar vader, voor wie iets nooit goed genoeg was. Gedachten aan Martie, hun leven samen. Naar een nieuwe relatie is Ese niet op zoek. Haar zus vindt haar te jong om alleen te blijven. Waarop Douwesz’ alter ego zegt, ‘Ik ben zo’n stoelviltje dat maar één keer plakt.’ Haar zus stelt haar rouwverwerkingstherapie voor, reactie van Ese is, ‘Wil je me anders hebben?’ Wat ik een geweldige opmerking vind, want proberen we elkaar niet altijd te veranderen naar hoe we het graag hebben willen? Daar gaat het dus ook over in dit boek. En over lezen, schrijvers en boeken , wat die doen. ‘[Schrijvers] bekijken de boel vanaf de zijlijn, proberen te snappen wat ze zien en zetten dat op papier. Door het lezen van Russische literatuur zou je ten onrechte gaan denken dat men daar heel beschouwend is.’ Om haar gedachtengangen, waarnemingen en de liefde is het dat ik graag Minke Douwesz lees.

     

    Het laatste voorjaar / Minke Douwesz / 333 blz. / Uitgeverij Van Oorschot


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest (en hoort).

     

     

     

  • Weerloos

    Ik stond op het punt om naar bed te gaan toen ik er ineens aan dacht dat ik de bak met oud papier nog buiten moest zetten, ook al was het laat, de mensen die het komen ophalen zijn altijd vroeg. Het was gaan vriezen, de wielen van de bak ratelden luidruchtig door de koude, stille nacht. Om er zeker van te zijn dat de juiste bak aan de beurt was – de gemeente had vier van die grote kliko’s in mijn tuintje verordonneerd – tilde ik het deksel op van een bak die er al stond. Goud op snee fonkelde me tegemoet en het licht van de volle maan weerkaatste op leren banden: iemand had zijn halve bibliotheek in de papierbak gekieperd. Er was op dit late uur niemand te zien op straat, dus trok ik de bak onder een lantaarnpaal en haalde de boeken er een voor een uit. Twintig delen van de Summa-encyclopedie in kleur, oude woordenboeken en een stapel romantische winkeldochters die je op elke rommelmarkt als oude bekenden kunt begroeten. Weeskindertjes waren het, vondelingenboeken die vochtig van condens verkleumd in de kliko lagen, als een nestje ongewenste kittens dat in een vuilniszak in de berm achtergelaten was om er maar vanaf te zijn. 

    Voor mij zijn boeken bezield, ik voelde me als de hoofdpersoon in het verhaal Herinneringen aan Needleman van Woody Allen, die dol was op tonijn: ‘[…] op een keer had hij, zich onbespied wanend, alle blikjes geopend en gemijmerd: “‘Jullie zijn allemaal mijn kinderen.”’
    Maar ik kon ze toch niet mee naar huis nemen? Mijn eigen boeken stonden elkaar al te verdringen op de planken. Ik zou deze arme afdankertjes moeten begraven, zoals joden doen met boeken waarin de onuitsprekelijke naam van God geschreven staat. Ik had gelezen dat die naar de ‘geniza’ gaan, een ruimte in de synagoge waar versleten heilige teksten worden opgeborgen en op een natuurlijke wijze kunnen verteren. Als het echter Thorarollen zijn, die niet meer gerestaureerd kunnen worden, krijgen ze een echte begrafenis op de Joodse begraafplaats. 

    Nu waren deze versmade boeken weliswaar niet heilig, maar er zijn maar weinig boeken waar het woord ‘God’ niet in voorkomt, al is het maar als verwensing. Ik zag mezelf echter niet in nachthemd met een spade op de hondenuitlaatplaats of in het kinderspeeltuintje een enorme kuil graven bij het licht van de maan; wee de slapeloze buurtbewoner die toevallig uit het raam zou kijken. Dus heb ik afscheid genomen van de boeken en en hen getroost, hoop ik, met het gedicht van Lucebert, voor alles van waarde dat, net als zij, weerloos is:

    De zeer oude zingt

    De zeer oude zingt:
    er is niet meer bij weinig
    noch is er minder
    nog is onzeker wat er was
    wat wordt wordt willoos
    eerst als het is is het ernst
    het herinnert zich heilloos
    en blijft ijlings

    alles van waarde is weerloos
    wordt van aanraakbaarheid rijk
    en aan alles gelijk

    als het hart van de tijd
    als het hart van de tijd

    Uit: Verzamelde gedichten, (1974)

     

     


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

     

  • Wat weet ik

    ‘Het kon zomaar zijn dat vrouwelijkheid, in de vorm die mij geleerd is, aan haar eind is gekomen’, schrijft Deborah Levy in haar ‘Living autobiography’. Zelf denk ik, terwijl ik lees over de Indonesische schrijver Basuki Gunawan, dat het zomaar kon zijn dat de geschiedenis, zoals die zich aan mij voordeed, in zijn volledigheid onvolledig is. Wat weet ik van de onafhankelijkheidsstrijd vlak na de tweede wereldoorlog in Indonesië als ik enkel de boeken van Nederlandse schrijvers daarover gelezen heb? 

    Bij de kringloopwinkel vond ik laatst een dikke bundel autobiografische werken van Hella Haasse, Het dieptelood van de herinnering. Ik begon te lezen met Zelfportret als legkaart, dat als een uitvergroot equivalent van het kleine essay, Why I Write van Orwell kan worden gezien. In haar zelfonderzoek naar wat en hoe zij als vrouw wil schrijven, komt ze tot het inzicht dat schrijven ‘niet in de eerste plaats als doel op zichzelf, als roes, als emotioneel stofwisselingsproces bedoeld is (…) maar vooral om datgene uit te drukken dat belangrijker is dan het schrijven zelf: bewust leven.’
    Haasse schreef overigens drie maal een boekenweekgeschenk. Het eerste was Oeroeg, over het einde van het Nederlandse koloniale tijdperk in Indonesië. 

    Toen viel De Parelduiker op de mat met op de cover: ‘Basuki Gunawan schreef hét vervolg op Oeroeg’. Vijf jaar na Oeroeg schreef deze Indonesische schrijver en socioloog in opleiding Basuki Gunawan (1929-2014), een feuilleton getiteld Winarta voor literair tijdschrift De stem. Over diezelfde koloniale oorlog vanuit het perspectief van een Indonesische jongeman die wraakzuchtig streed tegen het Nederlandse leger. De novelle kreeg een eervolle vermelding bij de Reina Prinsen Geerligsprijs uitreiking in 1953. Hella Haasse zat dat jaar in de jury. De novelle zal haar zeker hebben aangesproken. Al is Alfred Birney, die in De Groene Amsterdammer schrijft over Winarta, van mening dat men er in die tijd ‘nog niet aan toe was’ dat deze koloniale strijd beschreven werd door een Indonesiër. En, gaat hij verder, ‘nu feitelijk nog maar half; liever beschrijft men die zelf dan simpelweg overgaan tot het vertalen van boeken van Indonesische historici.’ Birney is het die de novelle, ‘hét vervolg’ op Oeroeg noemt. Het van een ‘hogere literair orde’ vindt dan Oeroeg

    De Australische schrijver en vertaler David Colmer schreef een prachtige bijdrage voor De Parelduiker over deze schrijver en zijn novelle. Colmer raakte in de jaren negentig met zijn gezin, wonend in Amsterdam, bevriend met het gezin van de dochter van Gunawan. Hij kreeg via haar de novelle Winarta van haar vader in handen. ‘Bas, die ik vaak was tegengekomen op familiebijeenkomsten en kende als de stille, maar beminnelijke, toegeeflijke opa’. Het is een vreemd gemiste kans dat het manuscript toen niet werd uitgegeven, hoewel toenmalig Querido uitgever Alice van Nahuys grote belangstelling had. Nadat ze een deel van Winarta in De stem had gelezen, schreef ze aan Gunawan dat ze graag in aanmerking kwam een uitgave te overwegen. Deze brief, en ook een tweede brief waarin gerept wordt van het verhaal in boekvorm te laten verschijnen, waren verkeerd geadresseerd.

    Als de brieven hem eindelijk bereiken volgen er enkele ontmoetingen met Van Nahuys om redactionele wijzigingen te bespreken. Maar dan ontvangt Gunawan in juli 1955 een brief van de uitgeefster waarin ze schrijft: ‘Ik vrees dat ik U moet teleurstellen met de mededeling, dat wij, zelfs na veranderingen in Uw manuscript WINARTA, dit niet zullen uitgeven. Niet, dat wij vinden dat het manuscript er niet beter op is geworden, maar, ik geloof, dat gezien de gespannen verhouding tussen Indonesië en Nederland, het zomin voor U  als voor ons prettig is, dat het boek nu zou verschijnen.’

    Wat de reactie van Gunawan was, is niet bekend. Hij leek me een bescheiden, aardige man, te aardig misschien. Dan nog, Gunawan was geen veelschrijver. Maar stel, zoals Birney ook overweegt in De Groene, als zijn novelle wel in de jaren vijftig in boekvorm was verschenen, dan had zijn schrijverscarrière er wellicht anders uitgezien. Lees dit intrigerende stuk van David Colmer (vertaling Hans Kloos) in De Parelduiker, waar overigens nog veel meer moois in staat. Rest mij deze novelle aan te schaffen.

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest (en hoort).

     

     

     

  • Om te blijven

    Bestaat er een verhaal over een Mariabeeld dat op een nacht van haar plek verdween, de wereld in ging om goede werken te verrichten en nooit meer is teruggekomen? Een variant: na eeuwen ondersteuning bieden aan die en die, ook aan die viespeuk die telkens naar haar borsten kijkt, keert ze terug met zulke ernstige burn-out klachten dat ze met haar schelle overspannen stem alleen maar kan roepen dat ze in de komende decennia echt geen gezeik aan haar hoofd wil hebben. Ik moest daaraan denken toen een collega mij bij de arm pakte en overhaast naar de stilteruimte bracht en me de lege plek in het katholieke nisje liet zien waar ons Mariabeeld altijd had gestaan, tussen twee op elektriciteit brandende kaarsjes in. Alleen haar voetafdruk was nog zichtbaar. Weg. Weg Vrouwe met het zoete gelaat en ontvangende handen. Er is weinig heilig meer in dit leven, dacht ik en vertelde daarmee niets nieuws aan mezelf. Verhalen van wenende Maria’s ken ik wel, zei ik hardop, en ook wel van Mariaverschijningen, maar Mariaverdwijningen, nee.

    Bedacht ik een rondreizende Maria omdat ik kort daarvoor de film EO had gezien van cineast Jerzy Skolimowski? Anderhalf uur lang observeer je de wereld door de ogen van een ezel. Het zijn melancholieke ogen. Goede en slechte mensen kruisen het pad  van EO op zijn barre levenstocht. Er is veel dierenleed. Of EO nu in het circus of in een kantine met hossende voetbalfans is: de verhouding tussen mens en dier is totaal verziekt, dat was al zo lang voor wij allen geboren werden. Zie het dier. Verander het maar eens. 

    EO,  het verdwenen Mariabeeld, als vanzelf sprong mijn geheugen naar Gerard Reve. Wie leest Reve nog? Wie kent nog het befaamde Ezelsproces uit de jaren zestig van de vorige eeuw? Ik pak Nader tot U voor het gewraakte citaat dat Reve een proces bezorgde. De passage treft me, Reve die net als elk mens hunkert naar gezien worden, wordt – in zijn schrijverschap – opgemerkt door God, in de gedaante van een ‘muisgrijze Ezel’. Er is zelfs een echo van Frits van Egters (Het is gezien, het is opgemerkt). Vervolgens je dankbaarheid seksueel uiten, naakter kan haast niet.  ‘Na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: ‘”Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’ Dat ‘presentexemplaar’ vind ik dan weer bijzonder geestig.

    Maar ik dacht ook: zet tien Mariabeelden naast elkaar, zou ik de enige echte eruit pikken? Had ik haar werkelijk gezien, al die jaren? Of bleef zij weggestopt op een plek waar bijna nooit iemand komt, te veel onopgemerkt? Ook door mij? Na de boosheid – was het vandalisme, diefstal of een antigodsdienstige actie – zie ik ook hoe kwetsbaar mooi die lege plek in de stilteruimte is. Soms schuilt er schoonheid in verdwijnen. Mag dit dan de plek zijn voor alle mensen die hier in het verpleeghuis hebben gewerkt en weg zijn gegaan of gewoond hebben en hier gestorven zijn. Dit nisje, om een andere dichter te citeren, ‘een lege plek om te blijven.’

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Niet de oorlog

    Ik stond in de keuken de spruitje voor in een kikkererwtentaart te halveren. Negen knoflookteentjes lagen op de bakplaat in de oven in hun schilletjes gaar te stoven. Uit het geluidsboxje op de plank boven het aanrecht hoorde ik iemand zeggen dat Marga Minco honderdtwee jaar is. Wow, de honderd al gepasseerd, deze schrijver die altijd in stilte opereerde, is stilletjes ouder geworden. Het was de stem van Annelies Verbeke die het in de aankondiging van de nieuwe podcast van Fixdit noemde. Ook dat Marga Minco de eerste levende schrijver in de podcast over klassiekers geschreven door vrouwen is. Vier schrijvers deelden hun enthousiasme over het werk van Minco en de verhalen in Achter de muur, Verzamelde verhalen. Ik denk Het bittere kruid, het zit erin gebeiteld. En haar terugkeer uit de onderduik toen er niets meer was om naar terug te keren, die sfeer herinner ik me uit haar verhalen. 

    Arnon Grunberg leest het verhaal ‘Iets anders’, waarvan hier alleen de dialoog.
    ‘Waarom deed u het?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Hebt u dit al eens meer gedaan?’
    ‘Nog nooit’, zei ze
    ‘Denkt u eens goed na’, zei hij
    Het is werkelijk waar’, zei ze
    Minco lezen is een sprong het diepe in, dan ontstaat langzaamaan een kader, een weten waarover het gaat. Haar dialogen worden geroemd.

    Niña Weijers vertelt dat ze in het Witsenhuis aan het Amsterdamse Oosterpark op de verdieping heeft gewoond waar Minco met haar man Bert Voeten en hun twee dochters van 1949 tot 1960 woonde. Dat Minco de echtelijke slaapkamer, waar net een bed in past, (dat wist Weijers omdat het ook haar slaapkamer was toen ze er woonde) moest ombouwen tot haar werkkamertje. En dat ze, armlastig als ze waren, geregeld in de brede dakgoot klommen, waar ze bleven zitten tot de deurwaarders vertrokken waren. 

    Ik denk aan Marga Minco, die ik enkel uit haar teksten ken,  als een teruggetrokken, bescheiden schrijver. Hoewel je in haar verhalen onderhuidse woede en ongeduld met de dingen proeft. In een interview met Ischa Meijer (deze podcast zet aan tot meer willen weten, Minco uit de kast halen), heeft Minco, die dan al zeventig is, het over Het bittere kruid, dat het met dat tuinpoortje in werkelijkheid anders was. Dat ze het tuinpoortje niet doorging, maar terug naar het huis ging, ‘en bonsde en iemand deed het tuinpoortje open en ik had mijn ster afgerukt – ik ging terug.’ Ze vertelt het verderop in het interview nog een keer, omdat het toch nog anders was. ‘ik had de ster van mijn jas gerukt en liet die trillend aan die mannen zien. Later breng ik dus die jassen naar binnen en vader hield ze aan de praat, (…) toen ben ik weggerend’. Ze ‘huilt een heel klein beetje’, noteert Ischa Meijer.  

    Uit het boxje op de plank boven het aanrecht klinkt de opgenomen stem van Minco, ‘Ik ben niet zomaar gaan schrijven omdat ik iets beleefd heb. Zoals mensen wel zeggen ‘wat ik nou heb beleefd, daar kan ik een boek over schrijven’. Maar je kan net zo goed schrijven vanuit je fantasie. Voor de oorlog schreef ik vanuit mijn fantasie.’ Dat niet de oorlog van haar een schrijver heeft gemaakt, maar dat ze dat al was. Dat wil ze weten.
    Deze podcast laat een Marga Minco zien voorbij Het bittere kruid. Lees haar verhalen, en daarna de kleine roman Nagelaten dagen, waarin alles nog eenmaal bij elkaar komt. Intens proza.

     

     

    Luister hier de Fixdit podcast met: Sanneke van Hassel, Annelies Verbeke, Arnon Grunberg en Niña Weijers.
    Citaten uit: De interviewer, 50 interviews uit 25 jaar interviewen / Ischa Meijer


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest, (en hoort).

  • Acht dodelijke schoten

    In razernij schiet een kleine boer vier politieagenten neer die hem komen arresteren wegens dronkenschap. Op dit waargebeurde verhaal uit 1969 is de Finse film Eight Deadly Shots (Kahdeksan surmanluotia) gebaseerd. De film laat zien wat er aan deze tragische gebeurtenis voorafging. De titel wekt de indruk dat het om een misdaadverhaal gaat, maar dat is niet zo. Eight Deadly Shots is een portret van het barre leven van Finse keuterboeren in de jaren zestig van de vorige eeuw. Dus geen spannende intriges, maar de ontberingen, het keiharde werk en de bureaucratische frustraties van het boerenleven. En veel illegaal gestookte alcohol, die even troost biedt maar vooral verwoestend uitpakt. Het motto van de film is: ‘Drank was de wortel van al het kwaad in onze familie.’

    Regisseur Mikko Niskanen (1929-1990) leerde het vak op de filmschool van Moskou. Hij was regisseur, scenarioschrijver, producent en acteur. Hij kreeg de opdracht een ​​televisiefilm van 80 minuten te maken, maar daarin is hij niet helemaal geslaagd. Het werd 5 uur en 16 minuten en dat is geen minuut te lang. We zien landelijke taferelen, vervallen boerenschuren, door paarden getrokken sleeën, handkarren, sneeuwscooters, graafmachines, bijlen en kettingzagen. Maar ook dansavondjes, een bruiloft, optredende bandjes zoals we die kennen uit de films van Aki Kaurismäki, gezuip en gezang in de kroeg of rond een vuurtje op het land.

    Boer Pasi, gespeeld door Niskanen zelf (hij kende het harde boerenleven uit eigen ervaring), kan met zijn paard en vier koeien nauwelijks zijn gezin onderhouden. Hij werkt bij als houthakker of sleuvengraver, maar kan ook dan zijn rekeningen en belastingaanslagen nog niet betalen. Af en toe drijven zijn dronken geweldsuitbarstingen zijn vrouw ertoe om met de kinderen naar het huis van een buurman te vluchten. Keer op keer belooft Pasi beterschap. En als het toch weer mis gaat, smeekt hij zijn vrouw alsjeblieft niet de politie erbij te halen.

    Martin Scorcese nam de film op in zijn World Cinema Project. Het IFFR, waar de film in 2012 te zien was, noemde Eight Deadly Shots  ‘een rauw, grimmig, compromisloos, onverbiddelijk, genadeloos en troosteloos meesterwerk’. Daar mag het woord ‘poëtisch’ wat mij betreft nog aan worden toegevoegd. De film werd in vier delen uitgezonden op televisie. Voor de bioscoop werd een ingekorte versie van 145 minuten gemaakt. De integrale versie is op dvd te koop bij subtitledfilms.ecrater.co.uk. 

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (Uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Verslavend gedagschrijf

    Er was een tijd dat vrienden onaangekondigd langskwamen, er een fles werd opengetrokken, er altijd wel ergens een feest was. Ik lees Moeder en pen, Dagboek 1979-1983  van Mensje van Keulen. In juni 1979 bevalt ze van haar zoontje Aldo. Over de nacht voor de bevalling  schreef ze in haar voorgaande dagboek, Neerslag van een huwelijk. ‘Lon bevestigde een touw aan het plafond waar ik tot een uur of twee iedere vijf minuten aan ging hangen. Tussentijds dronken we wijn, praatten, lachten.’ Haar huwelijk met Lon is dan eigenlijk al voorbij. Hij bedriegt haar met een ander. ‘Ja, wat is er mis. Nu, zonet, gisteren, de afgelopen weken, al zo lang daarvoor. Ik kan het niet meer verklaren, niet analyseren. Ik wou dat ik het in een paar woorden kon in dit schrift, dit gedagschrijf, dat ik kut vind, waarvan ik wou dat ik er nooit aan was begonnen.’

    Dagboekschrijven op advies van Hans Warren en Gerrit Komrij, om het schrijven niet te verleren nu werken aan een nieuwe roman niet lukt. ‘Dus schrijf ik me weer de haastpokken in dit schrift, al lijkt het soms te helpen bij het bedwingen of ordenen van de gebeurtenissen of het ontbreken ervan, wat in feite ook een belevenis is.’

    Ze woont in die jaren aan de Prins Hendrikkade, ‘De hele dag doodmoe door gepieker en de herrie van de IJtunnel en het gebonk van het kraakhuis hiernaast.’ Op 3 okt. 1980 schrijft ze, ‘L is naar de Dordogne. Ik ging terug naar het huis aan de Prins Hendrikkade waar de geesten rondhangen van bejaarden die er vroeger woonden. (…) Hier en daar zit nog een handgreep die herinnert aan het sterfhuis dat het was, ik heb die dingen nooit aangeraakt. Misschien hingen al die tijd dat we hier woonden de eenzaamheid en de pijn van de bewoners nog in de kieren tussen de vloerplanken, (…).’  Ze noteert een bezoek aan beeldend kunstenaar Jan Dibbets en zijn vrouw, die in een voormalige gordijnfabriek wonen. ‘Dibbets had heerlijk gekookt. Hiske’, (hé, is dit de latere schrijver en schrijfdocent Hiske Dibbets, van Droomkeuken?), ‘zijn dochtertje, had de fruitsalade voor haar rekening genomen, Een lief meisje met een tandbeugel, maar dat ding deed niets af aan haar knappe gezichtje.’

    Als ze weer aan een roman werkt, wordt het dagboek overbodig. Op 3 januari 1982 noteert ze, ‘Het afgelopen jaar schreef ik hier maandenlang niet in, de pen gaf goddank voorrang aan mijn boek.’ Dat boek was Overspel, verscheen in 1983. Notities over de befaamde boekenmannen Theo Sontrop en Martin Ros, de laatste zit achter haar schrijfsels aan, de eerste wil een kind van haar. ‘Eerst Theo, die er donderdag op stond met me in La Rive in het Amstel Hotel te dineren en me weer voorstelde een kind bij me te maken.’ Het heeft iets van literair voyeurisme, het ongezien kijken naar het leven van een schrijver die je bewondert om haar volharding, haar boeken.

    Een egodocument laat een leven zonder contouren zien, het is grenzeloos en werkt verslavend. Van Keulen schrijft, ‘Als ik Flauberts brieven opsla, willekeurig, kan ik moeilijk ophouden. Ik onthoud er niets van, maar tijdens het lezen is het of ik met hem meedenk en instem zonder me te hoeven inspannen.’ Zo ook met deze dagboeken, zo gauw ik het boek open, kan ik er niet meer mee stoppen. Het is al middernacht, maar vooruit ik lees nog een stukje, en nog een. ‘23 augustus, Er komt een ’vreselijke’ recensie van Jaap G in HP, is me gezegd. Die zal sommigen dan een goed humeur bezorgen. Ik heb geen zin, en het heeft ook geen zin, om in te gaan op critici. Wordt onderbroken door Aldo: Mama Mennie! Múúúg!’  Het lezen van deze notities drijft je voort, onderwijl de laatste bladzijde vrezend. Dus ga ik nu eerst maar slapen.

    P.S. 0.4.00 uur. Naar toilet, boek op badrand. Ik lees: ’27 augustus, De recensie van Jaap G was inderdaad vreselijk. Nu moet ik volgens hem weer Renate Rubenstein, Nescio, Couperus en Coenen gelezen hebben. Toe maar.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Het verschil in blikken

    De jongeman van Annie Ernaux oogt ondervoed. Zijn rug is te smal voor een leesbare letter. De flappen zijn extra dik om hem toch body mee te geven. Binnen drie kwartier heb je De jongeman en het nawoord van vertaler Rokus Hofstede gelezen. Toch viel deze compacte liefdesgeschiedenis tussen een oudere vrouw en een jongen van vijfentwintig mij niet tegen. Ernaux raakt me gemakkelijk en dat komt door passages als de volgende: ‘Op een zondag in Fécamp wandelden we hand in hand op de pier vlak aan zee. Van begin tot eind werden we gevolgd door de ogen van de mensen die op de betonnen richel langs het strand zaten. A. wees me erop dat we onbetamelijker waren dan een homostel.’ De eerste keer dat R. en ik hand in hand liepen was op het Leidseplein. Toen we elkaar zoenden klonk afkeurend jongensgeschreeuw. Ik vrees dan ook, zonder daar nu een rangschikking van erger naar minder erg van te willen maken, dat een mannenstel hand in hand tóch onbetamelijker wordt gevonden.

    Soms lopen we nog steeds hand in hand, eerder buiten dan in Amsterdam, en dan zijn we allebei op het dierlijke af alert. Een klein kneepje: we laten elkaar los en worden twee gewone vrienden. In de drieëntwintig jaar samen hebben we nooit een woord besteed aan de geheime signalen die onze lichamen met elkaar hebben afgesproken. Ik herken de blikken van de mensen. Om er een paar te benoemen: je hebt de blik die alleen kijkt en de blik die als de ogen elkaar vinden verzacht en vriendelijk wordt. Je hebt de blik die wegkijkt. Je hebt de afkeurende blik. De blik die jou vies vindt. De vijandige blik. De gevaarlijke blik. Die laatste blik zal een oudere vrouw met een jongere man niet snel treffen, schat ik in. Ernaux en A. liepen geen gevaar in een gewelddadige situatie terecht te komen. Toch voelde en zag ze scherp wat haar relatie met A. betekende in de ogen van andere mensen: jullie relatie druist in ‘tegen de maatschappelijke normen’.  

    Zomaar een vraag: Wie van ons twee laat het vaakst als eerste los? Je hebt van die standaardreacties op gevaar: vechten, bevriezen, vluchten. En je opstellen als weerloos slachtoffer als vierde optie, als verder niets meer lukt. R. is van ons twee de meest wijze: hij laat als eerste los. In zelfverdedigingscursussen is vluchten de beste optie.   

    Vervolgens schiet Ernaux een afkeurende opmerking van haar moeder te binnen. ‘Toen ik als achttienjarig meisje tussen mijn ouders over diezelfde strandpromenade liep, met aller blikken op mij gevestigd vanwege mijn zeer nauwsluitende jurk’. De blikken van toen herleven in het heden: ‘Ik had het gevoel dat ik opnieuw dat aanstootgevende meisje was. Maar ditmaal zonder de geringste schaamte, met een gevoel van overwinning.’ Ernaux in de vechtmodus. Wat zou het fijner zijn geweest als haar moeder haar toen had gecomplimenteerd en had bevestigd in haar schoonheid. Dan was hand in hand lopen geen daad van verzet geweest, maar eerder een uiting van onbevangen gelukkig zijn. Iets waarvan twee mannen of twee vrouwen van dezelfde leeftijd of met een onderling leeftijdsverschil alleen maar kunnen dromen.

     

    De jongeman / Annie Ernaux / vertaling Rokus Hofstede / De Arbeiderspers


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.