• Melkkroes

    De man had geen enkele wens beroemd te worden. Hij is geen man die met de eer gaat strijken, wel zijn overhemden, tafelkleden, kussenslopen, zakdoeken. Bij het uitdelen van complimenten stapt hij opzij als het zijn beurt is. Toch dacht hij, na het interview over gemeentelijke bouwplannen op de plek van het zogenoemde voedselbos waar iets tegen gedaan moest worden als in een overeenkomst die het voortbestaan van de tuin veilig stelde, dat zijn uitspraken vetgedrukt, tussen aanhalingstekens in de krant zouden staan. Maar nee, kwam de man die de krant gehaald had, net vertellen, er is niets van overgebleven, wel een goed stuk, maar voor mij zit er geen Nobelprijs voor geweldige uitspraken in. Ieder mens wil gehoord, gezien worden. Je hoeft er maar een stukje over te schrijven of het raakt aan het kind op een bankje in het plantsoen dat dacht, Als ik nu ‘Spiegelbeeld’ van Willeke Alberti zing, dan word ik ontdekt.

    Nu droom je in ambities, reproduceert prachtige zinnen, belangrijke, citeerbare frases die je beslist moet opschrijven. Op een nacht niet lang geleden, schreef je zomaar een boek, het was precies zoals het zijn moest. Prachtige dialogen, intense somberheid, toch verlichtend. Het toonde de uitkomst van de dingen des levens waaruit alles ontstaan is, (God, de aarde, liefde, de mens), en waartoe dat geleid heeft, op volstrekt nieuwe wijze. Door een wrange speling van het lot lag er op dat moment geen schrijfgerei naast het bed. In een oude editie van Hollands Diep (2007) schreef Connie Palmen, ‘De roman is af, ik kan beginnen.’ Later schreef je in je slaap het essay waarmee je een grote prijs zou winnen, waarna een uitgever zou bellen, zou vragen of er een boek in je zat. ‘Ja ja’, zou je zeggen, ‘als een meer dan voldragen zwangerschap’. Het kind is af, alleen het persen, dat lukt niet zo.

    Ondertussen lees je opnieuw Natalia Ginzburg, opnieuw verwondering. Haar verhalen waarin thema’s als verraad, fascisme en de onverzettelijke rol van vrouwen in dit alles steeds terugkomen. Je leest over Italiaanse families. Over Nebbia, door fascisten gemarteld en vermoord. Ginzburg’s man, vader van haar kinderen, werd in de oorlog door fascisten vreselijk gemarteld en vermoord.

    ‘In een doos bewaart ze [personage Gemmina, ooit verliefd op Nebbia] nog een melkkroes, die helemaal is ingedeukt. De kroes waaruit zij en Nebbia samen hebben gedronken, de nacht van de sneeuwstorm.’ In persoonlijke stukken schrijft ze over de sporen die oorlog nalaten. ‘Ik heb altijd het gevoel dat we op een goede dag weer ‘s nachts moeten opstaan en vluchten en alles, rustige kamers en brieven en herinneringen en kleding, achter moeten laten.’
    En over schrijven, ‘Als ik iets schrijf, denk ik meestal dat het heel belangrijk is en dat ik een heel groot schrijver ben. Ik denk dat iedereen dat wel heeft. Maar ergens vanbinnen weet ik altijd goed wat ik ben: een kleine, kleine schrijver. Ik zweer dat ik dat weet. Maar het maakt me niet zo uit.’

    Je zou willen schrijven als Natalia Ginzburg, droevig en prachtig. Je houdt van droevige en prachtige dingen, van ingedeukte melkkroezen.

     

     

    Uit: De stemmen in de avond / Natalia Ginzburg / vert. J.H. KlinkertPötters Vos/ Meulenhoff  (1989)
      De kleine deugden / Natalia Ginzburg / vert. Jan van der Haar / Nijgh & Van Ditmar (2020)


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, een lezer.

  • Omwegen (slot): In het begin is de belediging

    ‘In het begin is de belediging’. Het is de openingszin van Réflexions sur la question gay van Didier Eribon, en in Het vonnis van de samenleving verwijst hij er weer naar als hij het over homoseksualiteit heeft. Dat is één van de vonnissen die, ‘aan ons vooraf zijn gegaan en ons omhullen, ons vergezellen, over ons oordelen, ons zonder nadere uitleg veroordelen. Het is het vonnis van de samenleving’. Slachtofferschap past mij niet zo, klagen evenmin, maar beledigd worden met een verwijzing naar homoseksualiteit of ‘vrouwelijk’ gedrag, ken ik. Die belediging heeft vele gezichten, dat maakt het ook lastig om je vinger er op te leggen. Kijk, de vrouw die tegen mij zei: ‘God heeft Adam en Eva geschapen, niet Adam en Adam’, toonde zich openlijk vijandig, maar dat gebeurt zelden. Vaker wordt er gemanoeuvreerd in een grijs gebied. In de lijn van Eribon: op dit vlak is er geen onschuld, je voelt wanneer macht een rol in het gesprek speelt, wanneer de ander je kleiner probeert te maken, machtsongelijkheid creëert. 

    Enkele maanden geleden sprak ik een grijze man die mijn roman Augustus had gelezen. Eigenlijk verliep de belediging in drie stappen, ik vrees dat hij het zelf niet eens doorhad. Eerste zin: Ik heb het boek cadeau gekregen. Zin twee: Ik zou uit mezelf niet snel zo’n boek lezen. Zin drie: Weet je dat er een fout in staat? De eerste twee zinnen zijn heel subtiel. Bedoelt hij dat hij nooit uit zichzelf een boek over de liefde tussen twee jongemannen zou kopen of lezen? Hij las verder wel romans, dus een legitieme reden als ik lees uitsluitend non-fictie, ging niet op. Zou hij zoiets kunnen zeggen over een roman rond een heteroliefde? Zo’n boek. Natuurlijk trok hij een welwillend gezicht toen hij zin twee uitsprak, want hij bedoelde het niet verkeerd en hij zag zichzelf vast als ruimdenkend. Dan de derde zin.
    Hij leest dus een boek dat hij anders nooit zou lezen en verdomd hij ontdekt er nog een fout in ook! Augustus speelt zich af in 1988. Hij zei: Toen bestonden er geen briefjes van vijftig, die kwamen er pas met de invoering van de euro. Triomfantelijke glimlach, mijn moment van capitulatie afwachtend. Zwijgend pakte ik mijn IPhone en toonde hem een plaatje van de Zonnebloem, het bankbiljet van 50 gulden, dat er sinds 1982 al was. 

    Beledigingen tegen minderheden zijn er in soorten en maten. In Augustus heb ik het gethematiseerd rondom homoseksualiteit. Er zijn openlijke beledigingen, er zijn verborgen beledigingen, en het interessante is: ze bestonden al voordat ze door de dader werden uitgesproken, ze waren er al voordat de dader was geboren, ze zijn als het DNA van een samenleving, eeuwenoud, om telkens weer machtsverhoudingen te bevestigen. De hetero collega die tegen twee homoseksuele collega’s zegt: ‘Dames, wat willen jullie drinken?’ De bazige trainer die ‘jongen’ zegt, allemaal zogenaamd goed bedoeld, tot ze door heeft dat omkering, noem de trainer ‘meisje’, toch een beetje gek is. Ze voeren vonnissen uit die bestonden voor zijzelf bestonden – zonder dat ze enig idee hebben dat hun rol die van executeur is.  

    En wat is dit boek daarbij helpend, emanciperend, bewustmakend! Toch, ondanks alle bewijslast: ik wil me niet onderwerpen aan dit vonnis. Dat maakt het werk van Didier Eribon, hoe paradoxaal ook, van levensbelang. 

     

    Hier vindt u: Omwegen 1, Omwegen 2, Omwegen 3.


     

    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

  • Meisje in mijn hoofd

    Ik las een kleine roman over de moord op een bedoeïenmeisje in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten. In mei 1948 riep toenmalig premier David Ben-Gurion de onafhankelijke staat Israël uit. Daarop vielen omliggende Arabische landen Israël binnen. Israël hield, met zijn net opgerichte leger, stand. In de zomer van 1949 werd de wapenstilstand getekend, de onrust bleef. Op dat moment in de geschiedenis begint Een klein detail van de Palestijnse schrijfster Adania Shibli.
    Op
     9 augustus 1949 slaan Israëlische soldaten hun kampement op in de Negev-woestijn. Vandaaruit wordt dagelijks gepatrouilleerd langs de zuidelijke grenslijn met Egypte. Honden janken in de nacht, soms brullen er kamelen, maar nooit treffen ze iemand. ‘het enige wat het gebied prijsgaf, waren zandstormen en stofwolken, die er enkel op uit leken te zijn hen te achtervolgen en te kwellen. (…) Maar soms zag hij hun tengere, zwarte gedaanten tussen de heuvels heen en weer dansen, maar zodra de jeep ronkend en sputterend in de buurt kwam, waren ze spoorloos verdwenen.’ 

    De ‘hij’ is de legercommandant, een gedisciplineerd man die zijn manschappen op het hart drukt goed voor hun kleding te zorgen, ‘zichzelf elke ochtend te scheren en zich goed te wassen’. In de eerste nacht wordt hij gebeten door een beest dat kriebelend over zijn been bewoog. Hij slaat het van zich af, op zijn dijbeen zitten twee kleine rode puntjes. Het is onduidelijk waardoor hij gebeten is. Ik vermoed een spin, een zwarte weduwe. Die beet is een klein detail.

    Er is geen verhaal over het meisje, of niemand kent haar verhaal, ook de schrijfster niet. Enkel dat ze tijdens een patrouille, waarbij haar Arabische groepsgenoten en hun kamelen werden neergeschoten, gevangen werd genomen. Soms schreeuwt ze van angst, omdat ze is lastiggevallen door soldaten. De legercommandant intrigeert me. Zijn idee was het meisje naar het hoofdkantoor van de legerleiding brengen. Of als ze een Arabische nederzetting tegenkwamen, haar daar achter te laten. Ik dacht niet dat hij het in zich had het meisje kwaad te doen. Is het door het gif van de spin? Hij heeft last van verkrampingen in armen en benen, hartkloppingen, hoofdpijnen. Hij verbood zijn soldaten het meisje lastig te vallen. In de nacht van 12 op 13 augustus gebeurt er iets waardoor hij de volgende ochtend besluit het meisje te laten doden. Dit eerste deel leest als het kijken naar een stomme film.

    In het tweede gedeelte (elk deel beslaat drieënzestig pagina’s) is een Palestijnse vrouw in de stad Ramallah aan het woord in een groot monologue interieur. Op een ochtend leest ze in een krantenartikel, geschreven door een Israëlische journalist, over het vermoorde bedoeïenmeisje op 13 augustus 1949. Wat haar treft, is de datum waarop het incident plaatsvond. Het meisje werd na te zijn verkracht, vermoord op de ochtend waarop zij, exact een kwart eeuw later, in 1974 werd geboren. Het incident vindt ze niet bijzonder. ‘Als je kijkt naar wat er dagelijks gebeurt op plekken als deze, die met veel kabaal door anderen worden bezet en waar de dood altijd aanwezig is. (…) Zelfs verkrachtingen vinden niet alleen plaats in oorlogen, maar ook in het dagelijkse leven. Moord, verkrachting, en soms beide tegelijk.’

    De dag waarop het gebeurde, linkt haar aan die gebeurtenis, waardoor ze het verhaal van het meisje wil leren kennen. ‘Misschien is dit kleine detail wel van doorslaggevend belang als we de volledige waarheid willen achterhalen, want door het verhaal van het meisje achterwege te laten, legt het artikel niet de volledige waarheid bloot.’ Ze belt met de Israëlische journalist, reist door Israelisch gebied, waarbij ze constant pasjes moet tonen om grenzen te passeren. Zeer voelbaar is de beklemming om ergens te zijn waar je niet gewenst bent. Als Adania Shibli iets wilde benadrukken dan is het misschien wel dat zo niet God, dan wel de mens in al zijn daden ondoorgrondelijk is.

    Het is een paar dagen geleden dat ik het boek uit las, maar gisteravond, tijdens de twee minuten stilte, kroop het meisje in mijn hoofd. Wat ik ook probeerde, als legde iemand mij op dat ik anderen moest herdenken, ik zag haar in de Negev-woestijn, het gebied dat sinds mensenheugenis werd bewoond door bedoeïen, dat zij geen weet had van een onafhankelijkheidsverklaring. 

     

     

    Een klein detail / Adania Shibli / vertaling Djûke Poppinga / uitg. Koppernik


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en leest.

     

     

  • Van gevangenschap naar fastfoodrestaurant

    In een reeks van zes maandelijkse columns schrijft Irwan Droog als redacteur, persklaarmaker en corrector over binnenkort te verschijnen boeken waaraan hij meewerkte en die hij graag onder de aandacht van de lezer wil brengen. Disclaimer: de selectie van die boeken is geheel op persoonlijke titel. Als onafhankelijke, externe partij heeft hij geen enkel belang of profijt bij de verkoop van deze boeken. 


     

    De roman, van Abdelrahman Munif, heet Ten oosten van de Middellandse Zee, een plaatsaanduiding die slaat op het niet-nader genoemde land waar het verhaal zich afspeelt. Hoofdpersoon: Radjab Isma’iel, een politieke gevangene die jarenlange martelingen heeft moeten ondergaan. Wat hem op de been hield was de standvastigheid van zijn moeder, die hem nu en dan mocht bezoeken en hem altijd inspireerde vol te houden: niet zwichten, vooral niet je handtekening onder een of andere bekentenis plaatsen, want dan verlies je pas écht. Wanneer zij komt te overlijden, breekt hij dan toch: hij tekent het vel papier, mag de gevangenis verlaten, mag zelfs medische hulp zoeken in het buitenland, maar hij wordt wel geacht verslag te doen over de activiteiten van zijn vrienden. 

    De beklemming en gruwelen uit de gevangenisscènes doen denken aan het eerder bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen De schelp, van Mustafa Khalifa, en zouden niet misstaan in het imposante verzamelwerk De Syrische Goelag van Ugur Ümit Üngör en Jaber Baker (Boom uitgevers). Maar bovenal aangrijpend in Ten oosten van de Middellandse Zee is de invoelbare worsteling van Radjab. Natuurlijk kan hij het niet over zijn hart verkrijgen zijn vrienden te verraden; hij heeft zijn vrijheid terug, maar liever terug de cel in dan iemand in zijn omgeving te verlinken. Tegelijkertijd hééft hij al verraad gepleegd: door die bekentenis te tekenen. Dat zal niemand hem in dank afnemen, zeker zijn voormalige celgenoten niet, voor wie hij de laatste uren in de cel angstvallig verborgen hield dat hij elk moment vrijgelaten zou worden, bang dat ze hem niet levend zouden laten gaan. 

    Daarbovenop draagt hij de fysieke sporen van jarenlange opsluiting en is het maar de vraag hoelang hij gezond en wel in leven zal blijven. Er zit maar één ding op: opschrijven wat hij weet, wat hij heeft ervaren, wat hij de wereld wil vertellen over zijn land van afkomst. Abdelrahman Munif heeft een prachtige balans gevonden tussen roman en noodkreet.

    Het is wonderlijk werk, persklaarmaken en corrigeren. Op de dag dat je het ene manuscript inlevert en aan het volgende begint, schakelt je hele binnenwereld mee om naar het volgende boek. Dat contrast kan soms bijna niet groter: van bovengenoemde gevangenissen en martelingen naar kinderboeken vol wetenswaardigheden over haaien, het paargedrag van allerlei soorten dieren of naar koning Arthur. Of van leerzame, eerder amper ontsloten historische verhalen – zoals over de zoektocht naar Kaási, die het verzet van de marrons in Suriname tegen de plantagehouders leidde in de zeventiende eeuw – naar een roman die zich geheel en al afspeelt in een Frans fastfoodrestaurant. Het vergt een beetje een flexibele geest, maar daartegenover staat dat ik vrijwel wekelijks wordt verrast door de mooiste verhalen. 

    Die roman over dat fastfoodrestaurant is geen omvangrijk boek. Het is ook geen groots verhaal: de plaats van handeling is, vrij consequent, het restaurant. Soms kijken we mee in de keuken, soms achter de kassa, soms in ‘de zaal’, waar de klanten hun burgers zitten te eten. Via de hoofdpersoon, een jonge vrouw die er werkt, krijgen we desalniettemin een veel bredere kijk op niet alleen haar leven, maar op dat van haar familie, en hoe die is ingebed in sociale en andere structuren. Werken voor de kost, de debuutroman van Claire Baglin, weet zo van de meest zielloze plek – waren fastfoodrestaurants niet zo ontworpen dat mensen er zo kort mogelijk bleven zitten? – een microkosmosje te maken, waarin we lezen over haar plek in haar gezin en in de maatschappij. Het is een puntgave, speelse, nuchtere roman – en een fijne aansporing om gezonder te gaan eten.

     

     


    Irwan Droog (Den Haag, 1984) is auteur, redacteur en vertaler. In 2022 verscheen zijn debuut Het huis aan het einde bij Thomas Rap. 

     

     

     

  • Guillermo ♡ Margarita

    De Spaanse regisseur (van Ierse komaf) Manuel Summers (1935-1993) heeft buiten Spanje niet veel naam gemaakt. Of dat terecht is of niet, weet ik niet. Maar met zijn debuut Del rosa al amarillo (From Pink to Yellow), uit 1963, over een jeugdliefde en een liefde op hoge leeftijd, schoot hij een voltreffer.

    Er kan geen twijfel over bestaan. Het staat in zijn schoolbankje gekrast, in de bast van een boom en getekend op zijn arm en op zijn schoolboek: Guillermo Margarita. De hele klas weet het. En Margarita houdt ook van Guillermo. In de straten van Madrid beleven ze hun prille liefde. Voornamelijk op afstand, met berichtjes over en weer via een vriendinnetje. Want Margarita is nog maar 13 en haar ouders vinden haar te jong om met jongens om te gaan. Ook al is de jongen in kwestie dan twaalf.
    Dan breekt de zomervakantie aan. Ze zullen elkaar twee maanden niet zien. Een thuis stiekem gepikt armbandje dient als souvenir. Hij stuurt haar brieven met geleende dichtregels van Ruben Dario en fantaseert scènes waarin ze samen zijn. Zij stuurt hem een foto van de groep jongens en meisjes waarmee ze zich vermaakt. Een van de jongens is erg leuk, schrijft ze. Hij doet haar aan Guillermo denken. Deze jongen heet German… en hij is achttien.
    Als de zomer eindelijk voorbij is, is Margarita niet twee maanden ouder geworden maar twee jaar! Ze houdt nu van German. Guillermo krijgt het armbandje terug, niet van Margarita zelf maar via het vriendinnetje.

    Nooit heb ik puurder, intenser en verslagener een gebroken hart in een film gezien dan dat van de arme Guillermo in Del rosa al amarillo. Summers bracht het als een volbloed Spaanse neef van Theo Thijssen subtiel en met precisie en tederheid in beeld in een beeldschoon tweeluik.
    Daarvan handelt het tweede, kortere verhaal, over de geheime liefde tussen Valentín en Josefa, twee bewoners van een bejaardentehuis voor de armen in Toledo, die enkel door middel van stiekeme liefdesbrieven contact met elkaar kunnen hebben, omdat mannen en vrouwen er gescheiden wonen. Een heerlijke film.
    Del rosa al amarillo moest een drieluik worden, maar het middelste verhaal (La niña de luto) was te lang en werd daarom een jaar later gedraaid als zelfstandige, tweede film. De film is helaas nergens te zien en ook niet beschikbaar op dvd, althans niet met Engelse ondertitels. Misschien eens een mailtje sturen naar Istituto Cervantes.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

     

     

  • Ga je mee?

    Na de keelpijn kwam de hoofdpijn en de koorts, ik sliep vierentwintig uur achter elkaar. Waarna ik wakker werd, aan niets dacht, verder sliep. Op de derde dag was de koorts weg. Er werd me sinaasappelsap gebracht, en zie, het was de dag van het boekenprogramma dat de ‘liefde voor lezen wil uitdragen’, (hee, je wilde hier niet over schrijven, toch? Nee, dat wilde ik niet, maar ik moet steeds aan die schrijvers denken voor wie het zo spannend is dat het een geweldige opluchting is als hun boek door de opgetrommelde BN’ers die de tweekoppige leesclub vormen, geprezen worden). Goed, er zijn zeven rubrieken (gedicht voorlezen, kennismaking schrijver, verzamelaar, politicus, dichter, onbekende schrijver en leesclub (vergeet de muziek even). Elke rubriek kent een enigszins vast stramien van vraag en antwoord, alles in amper veertig minuten.

    De presentator speelt de hoofdrol. Hij opent buiten met een gedicht uit een bundel uit het ruilboekenkastje, (of een raadselachtig schriftje), waarna hij naar binnengaat waar de schrijver aan de bar zit. De schrijver wordt verwelkomt als, ‘interessantste auteur van haar generatie’, of ‘beste debutant van het jaar’. Er is een kort gesprek over het boek en de auteur. De presentator rondt af met, ‘Wat hebben we dit [gesprek] in een mooie manier van een stenenverzameling naar een ja, [ja, naar wat?] mooi neergezet!’ De schrijver knikt, lacht, begint iets te zeggen,maar de presentator moet door. ‘Zullen we naar buiten gaan? Ga je mee?’ waarop de schrijver van het moment, ‘Ja, leuk’, of ‘Superleuk’ zegt. 

    Buiten staat de kraam van een boekenverzamelaar van voetbalboeken. Er worden boeken aangewezen, geluisterd naar de verhalen van de verzamelaar. Dan gaan ze weer terug naar binnen terwijl de schrijver zegt, ‘Ik weet niks van voetballen.’ En de presentator, ‘Weet je niks van voetballen?’. Binnen (vergeet de muziek even) leidt de presentator, zoals elke week, het volgende item in, ‘Elke week ontvangen we een politicus uit Den Haag die… En de politicus leest voor. Tv-kijkers kunnen meelezen via een uitvergrote pagina die tussen de stoelen van presentator en politicus op de muur is geprojecteerd. Titel en auteursnaam eronder. De presentator vergat te kijken, of op de cover van het boekje waaruit de politicus voorlas. Hij moest dus wel vragen, ‘Waar was dit uit?’
    ‘Ja, euh’, (klinkt als ‘dud’) zegt de politicus, ‘De Fundamenten, van Ramsey Nasr.’ 

    Dan veert de presentator op. ‘Dit is misschien een ingewikkelde vraag. Ik zal ‘m rustig stellen, kun je goed over nadenken. Vind je dat boeken de maatschappij kunnen veranderen?’ De politicus, ‘Nou, dat vind ik helemaal geen ingewikkelde vraag. Nee. Absoluut.’
    ‘Op welke manier bijvoorbeeld’, krabbelt de presentator een beetje door. ‘Nou, op heel veel vlakken. ‘Euhm, als leermiddel, inspiratie…’ Waarna de presentator de politicus een vrije dag in de week gunt om literatuur te lezen.’ De politicus moet daar een beetje om lachten, ‘Ja, dat wil iedereen wel.’ De presentator stoot door en oppert een leesreces voor politici, ‘vind je niet?’. Politicus (schater)lacht. Presentator gaat af, naar de dichter aan de bar en vraagt, ‘Wat vind jij van een leesreces?’ Nou, dat vindt de dichter een ‘goed idee’. “En wat zou dat teweegbrengen?” Oh nee, dat vroeg hij niet.

    De rubriek voor mensen ‘die hun manuscript niet uitgegeven krijgen’, begint. De onbekende schrijver mag voorlezen. Presentator spoort aan, ‘Alle uitgevers in Nederland kijken mee! Doe uw best!’ Waarna het publiek er wat over mag zeggen. Maar het publiek was afgedwaald, zat met gedachten elders, of het ‘boeide niet’. Dit vroeg om een repliek, ‘Oh, bent u hier om weg te dommelen? wat boeide niet zo?’, maar bleef uit.

    Dan is het tijd voor de tweekoppige leesclub. Er worden bedachtzame en overweldigende dingen over het boek gezegd. De schrijver raakt los van zichzelf. Net op tijd zegt de presentator, ‘Ga je mee?’ Eenmaal buiten zegt de presentator. ‘Je straalt.’ Ja, de schrijver is geraakt door de tweekoppige leesclub die geraakt was door haar boek. Maar wacht, de presentator vergat iets, ‘Was je aan het begin zenuwachtig?’ De schrijver bekent dat het superspannend was. Dat het toch een soort jury was waar ze tegenover kwam te zitten. Ze hadden kunnen zeggen dat het boek… Ik wil roepen dat ze dat nooit zouden doen. Dat dit een programma van leuk, lief en aardig is. ‘Vrees niet’, wil ik roepen. ‘Ontspan die kaken.’ Maar mijn keel doet zeer, met moeite slik ik in dat er enig tegenwicht nodig is om een bespreking van enige betekenis te voorzien. Liefde voor literatuur zonder kritische noot neigt naar gemakzucht en is de dood in de pot voor een boekenclub.

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis of reist met het OV en leest.

  • Omwegen (3) – Niemandsland

    ‘De mensen van wie ik afstam gaven zelf geen bevelen: in plaats daarvan kregen ze voortdurend bevelen en adviezen van anderen, werden ze gecorrigeerd en gewaarschuwd door bazen, priesters, magistraten en officieren.’ Socioloog en filosoof Didier Eribon citeert hier in zijn recent vertaalde Het vonnis van de samenleving, instemmend, schrijver Paul Nizan. Hij gaat zelfs verder. Ben je geboren in een arbeidersmilieu dan beland je in een stadstopografie die bepaald is door de bourgeois en hogere klassen: ‘Hoe zou ik bijvoorbeeld diep in het familiegeheugen kunnen graven in de flats die nog maar net klaar waren toen wij er kwamen wonen, in de volkse nieuwbouwwijken die in de marge van de stad waren verrezen (…)?’
    Voor deze column zijn dit de cruciale citaten uit Het vonnis van de samenleving. Ze zijn exemplarisch voor Eribon als klassenmigrant. Hij schaamde zich meer voor zijn afkomst dan voor zijn homoseksualiteit. De schaamte dat zijn vader Honoré de Balzac niet kende terwijl zijn broer in een straat woonde die naar deze schrijver was vernoemd – ook weer in zo’n nieuwbouwwijk, stak dieper.

    Bij R. en mij is het een gevleugeld gezegde als op televisie weer iemand oreert: ‘Die is niet van “Over het spoor”.’ We zijn allebei klassenmigrant. Hij met een doctorstitel, ik met twee doctoraaldiploma’s. Hij uit Zeeuws-Vlaanderen, ik uit Hilversum, van Over het spoor. We hebben allebei het idee dat juist onze homoseksualiteit, gekruid met een beetje intelligentie, een motor is geweest om een ander leven op te bouwen. Ik groeide op onder de rook van een tapijtfabriek, een slachthuis op loopafstand (ik ruik gemakkelijk weer het bloed van gedode koeien en varkens), in een woonwijk waar de meeste huizen waren gebouwd naar een ontwerp van architect Dudok, die daar uiteraard niet zelf ging wonen. De Dudokwoningen hadden bij mijn ouders een slechte naam.  Je kon je kont er niet in keren, en die ellendige kleine raampjes zorgden ervoor dat het overdag donker bleef in huis. Je kon het slechter treffen: bij ons om de hoek, dicht tegen de spoorbaan, stonden houten woninkjes waar nóg armere mensen woonden. Die zaten ‘s zomers zuipend bij elkaar in de voortuin. Wij niet. In de voortuin zitten was iets voor asocialen.

    Met terugwerkende kracht: als kind zag ik helderder het onderscheid dat gemaakt werd binnen een arbeidersmilieu, dan dat ik de onderlinge verschillen zag die in andere klassen bestonden – aan de andere kant van het spoor. Ondanks de verschillen deelden de mensen uit de buurt waar ik opgroeide één lot: ze kregen bevelen en zelden complimenten. En ze zouden uiteindelijk naamloos opgeslokt worden in de tijd. Het waren dan ook woorden van onmacht die in de walm van sigaren en sigaretten op verjaardagsfeestjes werden uitgesproken en waar ik als kind met een wild kloppend hart naar luisterde. Ik zou het anders doen.
    Alsof ik iets goed moest maken, namens voorbije generaties. Over hen schreef ik in mijn bundel Het eindigt zomaar ergens, Liverse (2015):

    ‘Ik kom uit een geslacht van landarbeider
    rondtrekkende analfabeten geboren
    met zwarte nagels en eelt
    op de ziel. (…)

     In de eeuwenzee
    hielden zij de golven gaande. Ze waren het slib
    noch het schuim maar het stil gezoem
    van de getijden. Niets lieten zij achter,
    omdat er niets achter te laten viel. (…)’

    De kleinzoon van een landarbeider verruilde handenarbeid voor een pen. Niet wetend dat klassenmigratie ook verliezen betekent. Zijn bestemming werd een niemandsland, uiteindelijk hoort hij nergens bij.

     

     

    (wordt vervolgd en slot)


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

  • Kuiltjes graven

    Het was zo’n dag dat zelfs de bananen op de fruitschaal me en masse de rug toekeerden. Deze column schoof ik voor me uit, in de hoop op mooi weer. Dat ik kon openen met: ‘De zon verwarmde mijn schouders terwijl ik op mijn knieën in de tuin de spitskoolplantjes behoedzaam in de vooraf gegraven kuiltjes in de aarde zette.’ Maar een straffe wind vloog langs de zijkant van het huis de tuin in, gierde hysterisch door elke reet of opening van het huis. De katten keken me verwijtend aan. Ik zag dat ze zich afvroegen, ‘Why, for God sake!’ (in hun eigen taal). Ter compensatie mochten ze op de bank, waar ze direct hun nagels in de zacht wollen deken klauwden. Er was een gebrek aan voornemens. 

    Ik dacht erover me op te geven voor het Zeven Zussen ontbijt bij een boekhandel ergens in het land, serieus. Ik ontbijt graag buiten de deur. Ook wilde ik me aanmelden voor de avond bij Alliance Française in Den Haag, waar Mohamed Mbougar Sarr komt praten over De diepst verborgen herinnering van de mens. Maar ik voelde een keelpijn opkomen.
    De kwestie is dat ik overal bij wil zijn, maar er altijd een excuus is om thuis te blijven, wachtend op iets dat zich (natuurlijk) onverwacht zal aandienen. Toen moest ik denken aan een betoverend verhaal op Papieren Helden, ‘Eloisa’ van Ida Blom. Daarin is de oudere zus van de tienjarige vertelster van een Italiaans dorp naar Rome verhuist. Vroeger kroop Eloisa weleens bij haar in bed. ‘Dan kneep ik mijn ogen dicht en deed alsof ik sliep. Ze rook anders, naar de buitenlucht en kampvuren, en ik hoorde haar hart bonzen van alles wat ze die nacht beleefd had.’ Op een dag neemt Eloise vanuit Rome haar vriend Alessio mee naar huis. Ik keek naar zijn wimpers, die lang en donker waren en zijn ogen omlijstten. Als hij naar Eloisa keek werden zijn ogen groot en zacht. Die nacht wenste ik dat iemand zo naar mij zou kijken.’ (dit citeer ik enkel om haar schrijfstij).

    Het weekend van haar elfde verjaardag gaat ze bij Eloisa op bezoek. Er staat een klein taartje met gouden marsepeinen roosjes op de keukentafel. Als Eloisa de taart wil aansnijden wordt ze afgeleid, ze kijkt zo lang uit het raam, ‘dat ik even dacht dat ze me vergeten was. Mist kroop over de rivier, en langs het water liepen mensen krom door de kou. Met een ruk draaide ze zich om. “Sorry, ik zag Alessio lopen dacht ik even, maar het was hem niet.” Ze sneed zorgvuldig een stuk af en gaf het aan me op een roze bordje. “En hoe voelt het om elf te zijn?” (…) Ze zat met rechte rug tegenover me, haar handen in haar schoot, en at zelf niets. Afwezig wendde ze haar blik terug naar het raam. (…) Ik nam me voor om nooit verliefd te worden. Mensen die verliefd zijn wachten alleen maar.’
    Het is een van de mooiste verhalen op Papieren Helden, het online literaire tijdschrift dat elke maand nieuwe verhalen publiceert, een mooi verhalenarchief heeft. Ik nam me voor niet meer te wachten, morgen ga ik kuiltjes graven in de tuin

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis en reist met het OV om te lezen.

     

     

     

  • Voor even jong

    Pip Utton (1952) is een Britse acteur die bekend is om zijn one-man toneelstukken waarin hij bijzondere, historische figuren vertolkt, waaronder bijvoorbeeld Einstein, Adolf Hitler, Charley Chaplin of Francis Bacon. Deze keer hield hij in een klein zaaltje in de stadsschouwburg een monoloog waarbij hij in de huid kroop van Bob Dylan die zich in zijn kleedkamer voorbereidde op zijn concert en ondertussen een van zijn zeldzame interviews gaf aan journalisten. Het duurde even voor ik vergeten kon dat ik naar een eenakter keek, maar gaandeweg veranderde de acteur werkelijk in Bob Dylan. Met zijn zwarte hoed, zijn spottende blauwe ogen en dat cynische, hinnikende lachje. Ik was weer ‘Forever Young’, een verliefde tiener zoals ik geweest was toen ik Dylan voor de eerste keer had horen zingen, lang geleden. 

    ‘May your hands always be busy,
     May your feet always be swift,
     May you have a strong foundation
     When the winds of changes shift.
     May your heart always be joyful,
     May your song always be sung,
     May you stay forever young,
     Forever young, forever young,
     May you stay forever young.*

    Op het toneel vertelde Dylan over zijn respect en liefde voor Woody Guthrie, zijn mentor. Over de haat die hij over zich heen kreeg toen hij zijn gitaar inplugde in een versterker, folkzangers werden niet geacht elektrisch te spelen. Hij vertelde over zijn motorongeluk, zijn songs en dat iedereen dacht te weten waar die over gingen, nog beter dan hijzelf. Hij vertelde grijnzend over de Nobelprijs voor literatuur in 2016. Hij had kaarten in zijn hand waarop de vragen van de journalisten stonden geschreven. Toen een daarvan informeerde naar zijn huwelijk, zei hij smalend: ‘Wouldn’t you like to know!’ Waarop een van de dames in het publiek heel hard ‘Yes!’ riep, nog nooit van een retorische vraag gehoord. Hij ging er gelukkig niet op in. 

    Toen ik na afloop aan een tafeltje in de foyer een kop thee zat te drinken, schoof hij onverwacht bij me aan en begroette me vriendelijk. Nu moest ik iets intelligents zeggen, iets heel briljants, waaruit mijn kennis van en mijn liefde voor het werk van Dylan zou blijken, maar ik kwam niet verder dan verlegen te vertellen dat ik genoten had van de voorstelling. Hij bedankt me ernstig en vroeg of ik degene was die links vooraan had gezeten. Toen ik dat bevestigde, knikte hij en zei: ‘Always nice to see a friendly face in the crowd.’ Ik kreeg een kleur en mijn hart fladderde als een jonge vogel voordat ik me realiseerde dat het niet Dylan was die dat gezegd had, maar Pip Utton. Nou ja, toch leuk om te horen. 

    Thuis heb ik daarna dagenlang achter elkaar mijn volledige collectie platen van Dylan weer eens afgespeeld en ik heb er zo hard en zo vals bij meegezongen, dat zelfs de katten me smeekten of het alsjeblieft niet eens een keertje iets anders mocht zijn, iets van Arvo Pärt bijvorrbeeld, of nog beter, 4’33’’ van John Cage.


    *derde en laatste strofe van ‘Forever young’ van Bob Dylan van het album
    Planet Waves, 1973.


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Het is mij overkomen

    Dat in de nacht voor Pasen de halve servieskast uit elkaar was gevallen waardoor porseleinen borden, die we weliswaar niet dagelijks gebruikten maar onmisbaar waren omdat ze uit onze Portugese tijd kwamen, in scherven op de keukenvloer lagen, verdroeg ik. Om de bewerkelijke paastaart, de broodkuikens en pistachechocoladeplak naar recept van Ottolenghi, die in de kast stonden en nu bezaaid waren met minuscule glassplinters, kon ik wel janken, maar deed het niet. Dat kwam door het zonlicht dat vanuit het oosten door het keukenraam naar binnen viel, recht op de keukenvloer waar de glas- en porseleinen splinters glinsterden als geslepen diamant. We maakten een foto, legden de scherven in een mand voor later. Ik bracht de baksels naar de vuilcontainer.

    Met de hele familie vertrokken we met kleden, opklapstoelen, manden met servies, tassen gevuld met pasteitjes, brood en salades in verschillende auto’s naar een bos in de buurt van Oeken. Dat we ons verkeken hadden op de loopafstand van parkeerplaats naar de beoogde picknickplek, was niet erg. Terwijl de hengsels van de tassen in onze handen sneden, we ons vertilden aan aardewerken schalen met aardappelsalade, klaagden we niet. Ook niet toen we vermoeid  van het verstoppertje spelen, amechtig van het vele eten aan het eind van de dag onszelf terugsleepten naar de auto’s. Waarna het uitpakken thuis begon, een roes van vrolijkheid nog doorspeelde, het verdelen van de overgebleven etenswaren, de afwas en daarna rozig naar bed.

    Dan in bed het nieuwe boekenprogramma nog even terugkijken. Niets zo verfrissend als een goed boekenprogramma. Er was een opname bij een buitenboekenkastje met een bundel van J.C. Bloem. De presentator las daaruit zijn ‘lievelingsgedicht’. Hij las het zo voor dat het gedicht geen gedicht meer leek. Toen ging de presentator naar binnen waar aan de bar een schrijver zat die werd begroet als ‘debutant van het jaar’. Dat de debutant vorig jaar al bij Brommer op zee te zien was geweest, bevreemde me, alsof er een tekort was. Deze debutant had al te vaak dezelfde vragen gehoord, de antwoorden lieten zich niet meer veranderen, klonken als pulp. De begroeting ging zo:

    ‘Leuk dat je hier bent.’
    Debutant: ‘Hartstikke mooi!’
    ‘Hoe is het met je?’
    Debutant: ‘Hartstikke leuk dat ik hier ben.’
    ‘Hoe is het na je dit boek hebt geschreven?’ (sprak de presentator), het boek schuddend omhoog houdend, zoals met een pak hagelslag als je wilt weten of er nog hagelslag in zit.
    Debutant: ‘Moeilijk bij te benen, mentaal, en emotioneel. Er komt veel op me af.’
    Het klonk geforceerd, alsof er was afgesproken dat hij moest benoemen dat er veel op je afkomt als je debuteert (spoiler voor niet doorgebroken schrijvers). 

    De presentator vervolgde, ‘Als collega-schrijver weet ik dat een eerste zin altijd heel belangrijk is.’ En leest die eerste zin aan de debutant met geknepen stem voor. De debutant glimlacht verkrampt, zegt over zijn eigen zin: ‘Een hele mond vol.’, daarmee zijn werk ridiculiserend. Kenmerkend voor het hele programma, het omlaaghalen van, ja, van wat eigenlijk. Van het elitaire lezen naar het niveau van laaggeletterdheid brengen?

    Daarna zat er een dichter aan de bar, was de presentator zonder winterjas. De dichter werd in krap een minuut geïnterviewd. Waarna hij een gedicht mocht voordragen. Ach, toen sloeg de droefheid toe. Die dichter kwam niet tot zijn recht. Er was teveel gedoe, teveel aankleding, teveel aan zoemende muziekgeluiden, niet afgemaakte songs. Met publiek dat van poëzie niet opgewekt werd, maar wel onder de indruk van een ‘niet doorgebroken’ schrijver. Die een abominabel fragment voorlas, in de hoop dat een ‘traditionele’ uitgever haar boek zou willen uitgeven. De presentator tegen de niet doorgebroken schrijver over debuteren, waarbij hij nogmaals zichzelf als schrijver opvoert: ‘Het is mij overkomen, het is Gijs [de debutant] overkomen. Wat denk je dat je dan te wachten staat als dat gebeurt?’ 

    Toen verdroeg ik het niet meer. Ik jammerde dat alles kapot ging. Dat niemand van de pistachechocolade had kunnen proeven. G zei, wat is er nu? Ik jankte, ‘Waarom is het zo moeilijk een goed boekenprogramma te maken. Gewoon een tafel, stoelen, wat stapels boeken en steeds een andere schrijver. Waarom laten ze een schrijver tweemaal debuteren in een boekenprogramma, waarom letten ze daar niet op? Waarom moest de presentator een winters gevoerde jas dragen. En waarom die verzamelaars, ik hou niet van verzamelaars, ze zijn zo voorspelbaar’, brulde ik, ‘Het stelt allemaal niks meer voor’. G klapte de laptop dicht, ik kroop diep onder het dekbed. Najammerend dacht ik aan dat mooie servies uit Portugal, aan hoe ver je als schrijver wilt gaan om je boek te promoten. Zouden er schrijvers zijn die bedanken voor een optreden in dit boekenprogramma? En ik wist dat als ik iets had uit te geven, dat nooit bij een ‘traditionele’ uitgever zou doen. Doe mij maar een gewone.

     

     


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV om te lezen.

  • Omwegen (2): Burn your boats

    In het buurthuis van Buitenveldert trad afgelopen vrijdag singer-songwriter Maarten Peters op. Halverwege de jaren tachtig scoorde hij enkele kleine hits en was hij geregeld gast in het radioprogramma Los Vast van Jan Rietman. Ik kocht toen zijn debuutelpee en later zijn cd’s, maar een live-optreden bijwonen deed ik nooit, ook niet toen hij samen optrad met zijn partner Margriet Eshuijs. 

    ‘We zijn de jongsten,’ fluisterde R, toen we de zaal binnenstapten. Vrijwilligers namen drankjes op, rollators werden bij de tafeltjes geparkeerd. Ik kreeg het gevoel op mijn werk in het verpleeghuis te zijn. Een vrouw die net zat, moest met vereende krachten weer uit haar stoel worden geholpen. Een man duwde haar tegen haar rollator zodat ze in stevige pas naar het toilet kon hollen. Ondertussen kondigde een blonde vrouw de zanger aan, zonder enige voorbereiding  –  ze moest zelfs nog even spieken op haar telefoon of ze de naam wel goed had. Een applaus volgde, de zanger ging zitten, pakte zijn gitaar maar moest wachten omdat diezelfde blonde vrouw ook nog uitgebreid de vrijwilligers ging bedanken, want zonder hun inzet et cetera. Vervolgens ging ze ook nog uitleggen dat er niet meer elke maand maar eens per kwartaal een activiteit op de vrijdagmiddag zou zijn en dat er dan wel eens per drie weken iets georganiseerd zou worden op donderdag.  Don-der-dag. Ik voelde al aan dat al deze mededelingen verwarring zouden veroorzaken en jawel uit het groeiende geroezemoes werden de eerste vragen al geroepen, waardoor dat deel van de aanwezigen dat tot nu toe een beetje suffig had afgewacht ook onrustig werd en begon te roepen. Ik bewonderde de kalmte van de zanger bij dit alles. In een linnen tasje had ik zijn debuutelpee mee.

    Ik stond op de drempel van weggaan en kon in onderhuur een kamer in een studentenflat krijgen. Mijn ouders begrepen er niets van. Waarom lonkte mij een leven in studentikoze armoede als er thuis zoveel goede zorg was? Ik was dan de eerste uit onze familie die ging studeren en op zichzelf wilde gaan wonen. En dan nog wel in het gevaarlijke Amsterdam. Hoe goed bedoeld ook, de zorgen voelden beklemmend, als een verbod op vrijheid. Toen waren er die twee liedjes van Maarten Peters in de hitparade. Het eerste gold als een waarschuwing: Factory man, over het uitzichtloze leven van een fabrieksarbeider. Niet gaan studeren, dan werd de lopende band mijn eindbestemming. Burn your boats, de volgende single, sterkte me om door te zetten. Ik pakte mijn koffer in en nam mijn liefste boeken mee naar die kamer in onderhuur. Mijn ontsnappingsroute, dacht ik. 

    Lees Didier Eribon over klassenmigratie en zie mijn naïviteit, de naïviteit van mijn ouders, want ik koos natuurlijk een studie-weg waardoor ik juist niet zou ontsnappen aan een beroep en werkomgeving zonder status. En Burn your boats? Vanzelf kom je erachter dat je voor een nieuwe start niet je schepen hoeft te verbranden. Als het even kan, beter van niet. Door de afstand in plaats en tijd waardeer je weer de liefde van je ouders. Maarten Peters speelde niet zijn hits, wel – gedreven – Fields of gold van Sting, over liefde, huwelijk en dood. Zijn vinger wees, na het laatste akkoord, naar de hemel. Een intiem gebaar dat de meesten ontging. Ja, de liefde in welke vorm dan ook, uiteindelijk, ja.

     

    (wordt vervolgd)


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Hoe ze het doen

    Ik begon te  lezen in de dagboeken van Doeschka Meijsing. Nee wacht, eerder was ik al begonnen in Truman Capote’s In koelen bloede. Dat boek lag in de badkamer op de rand van het bad. Is het raar boeken op de rand van het bad? We gebruiken het niet meer sinds we zuinig met water moeten zijn, enkel nog als de tweeling kleindochters hier logeren. G stelde al voor een grote plank over de badkuip te leggen voor alle boeken die in de badkamer verblijven uit een bepaalde noodzaak. Maar we hadden geen grote plank. Dus blijven de boeken op de rand van het bad liggen, de dagboeken van Meijsing, Truman Capote en Meisjesherinneringen van Annie Ernaux, die schrijft, ‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen, door hoe ze praten, hun benen over elkaar slaan, een sigaret opsteken.’ In gedachten vul ik aan met hoe ze kijken, hun boodschappen op de lopende band leggen, of een gevallen kind in een beweging overeind helpen, het toespreken.

    Er is veel dat me in stille verwondering, met een gevoel van gemis, achterlaat. Laatst nog, toen ik een jurk kocht van een duurder soort dan ik me doorgaans veroorloven kan. Ik beloofde mezelf op dat moment dat ik jarenlang enkel die jurk zou dragen. Ik keek hoe de verkoopster de jurk door haar handen liet gaan, de stof aanprees, me feliciteerde met mijn keuze. Ze legde de gevouwen jurk op een vloeipapiertje met goudkleurige krabbeltjes, vouwde het om de jurk heen. Ze vouwde en streek glad met mooi gemanicuurde handen. Ik wenste voor even die verkoopster te zijn.

    Als het lezen van alle belangrijke boeken een missie was, zou ik die willen vervullen. De wereld in kaart brengen door middel van literatuur, mezelf begrijpen aan de hand van personages, schrijvers. Hoe ze het doen. Na de eerste tachtig bladzijden van In koelen bloede, ben ik vol bewondering. Enthousiast vertel ik G hoe Capote zes jaar onderzoek heeft gedaan voor dit boek. Zes jaar! Zijn hele leven draaide van 1959 tot 1965 om de brute moord op een boerengezin, de familie Clutter. Hij sprak met de mensen uit het stadje Holcomb in Kansas, met familie van de slachtoffers, bezocht de daders in de gevangenis, ploos hun levens uit. En het is zo goed geschreven, riep ik.

    In de jaren vijftig sloot op het platteland niemand zijn huis af, je kon overal gewoon binnenlopen. Na de gruwelijke moord, die heel Amerika schokte, begonnen mensen sloten op deuren te zetten, de angst had toegeslagen. Zo ontstaan gewoonten.
    Uit zijn diepgaande onderzoek schiep Capote de persoon Mr. Clutter, vader van twee dochters en twee zoons waarvan er twee niet meer thuis woonden, en eigenaar van een welvarend boerenbedrijf. Iemand zal Capote verteld hebben dat Mr. Clutter van appels hield. Capote beschrijft hem als hij ’s ochtends vroeg in de keuken is. ‘Na het glas melk gedronken te hebben en een met schapewol gevoerde pet te hebben opgezet, nam Mr. Clutter zijn appel mee naar buiten om de ochtend te inspecteren.’ Even later, ‘voegde een hond, half Schotse herder, half straathondenras, zich bij hem, en samen kuierden ze weg in de richting van de veekraal, die zich naast een van de drie op het erf staande schuren bevond.’ 

    En liefde in mindere mate, dagboeken 1961-1987 van Doeschka Meijsing telt 742 pagina’s, meer dan de helft is voor het notenapparaat, twaalfhonderdzesendertig noten. Het maakt het boek weerbarstig, het valt steeds uit mijn handen als ik het goed wil openen. Het formaat is te klein, je zou het moeten breken. Ik wil enkel haar gedachten lezen, van haar wisselende stemmingen en verliefdheden weten, haar vroege wens schrijver te willen worden. ‘Misschien moet ik eerst veel verdriet hebben gehad om te kunnen schrijven. Ik ben achttien, ik wil weten hoe liefhebben is. Het enige verdriet dat ik nu nog maar ken, is de ineenkrimping onder boze woorden.’ De ‘ineenkrimping onder boze woorden’, daar begint alles mee. En dan weer opkomen, en door.

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV om te lezen.