• Een kopje thee, meneer Fernández?

    Fernández werkt als winkelbediende in de ijzerhandel van de oude meneer Vila. Toen hij er als jongen van vijftien kwam, was meneer Vila al even oud als nu. Zelf is Fernández inmiddels twintig jaar ouder. Hij hoopt meneer Vila te kunnen opvolgen als die overlijdt, maar meneer Vila maakt daar vooralsnog helemaal geen aanstalten toe.
    Na sluitingstijd, op weg naar huis, ziet Fernández een knappe dame: mejuffrouw Plasini. De volgende avond ziet hij haar weer en de dag daarna opnieuw. Hij overwint zijn verlegenheid en verstout zich haar aan te spreken. Het wordt een stroef gesprek (hij weet niet wat hij moet zeggen, zij niet wat ze moet antwoorden), maar de liefde is geboren. Of wat daar voor door moet gaan.

    Vanaf dat moment brengt hij haar elke avond na sluitingstijd een bezoekje. Mejuffrouw Plasini is behalve knap ook eigenaardig. De avondlijke visites bij deze dame en haar nóg zonderlinger moeder vormen de rode draad van El dependiente (1969), van de Argentijn Leonardo Favio. Een hoogst ongewone film, die de geest ademt van Ionesco, Gombrowicz en VPRO’s Herenleed. Er worden eindeloos kopjes thee gedronken en telkens dezelfde beleefdheidsgesprekjes gevoerd. Het resultaat is een verbluffende film die totaal absurd is. Die grappig zou zijn als hij niet tevens zo beklemmend was.

    Regisseur, acteur en zanger-liedjesschrijver Leonardo Favio (artiestennaam van Fuad Jorge Jury, 1938-2012) was een popicoon in Latijns-Amerika zoals Serge Gainsbourg, met wie hij vaak vergeleken werd, dat in Europa was. El dependiente, een Argentijnse klassieker, was zijn derde film. Producent was zijn peetvader Leopoldo Torre Nilsson, die werk van onder meer Adolfo Bioy Casares, Jorge Luis Borges en Roberto Arlt verfilmde. Het scenario was naar een kort verhaal van zijn broer, de schrijver Jorge Zuhair Jury, die er dit over zei:

    ‘Ik zie de middenklasse als een ontwrichtend en afstompend kussen voor elke daad van verandering. Met mijn broer leerden we op straat, door te kijken. We zijn opgegroeid in een stad met middeleeuwse kenmerken. Donker, in zwarte kleding, erg conservatief. We hadden plezier met het aanvallen van die moraliteit, dat obscurantisme. Het spoorde ons aan om te spotten en ketters te zijn. Zo ontstond El dependiente, waarin middelmatigheid wordt verergerd tot bijna grenzend aan rococo.’ Het verlaten provinciestadje waar zich geen mens op straat vertoont, de winkel waar nooit een klant komt, de zuurstofloze relatie met mejuffrouw Plasini, alles is ten dode opgeschreven. Als de oude meneer Vila ten langen leste de geest geeft, ontstaat er zowaar iets van leven. Fernández en Plasini nemen de winkel over, maar de vreugde is van korte duur. Een voorbijtrekkende fanfare lijkt even voor wat vrolijkheid te zorgen. Maar de muziek die ze spelen blijkt een dodenmars. Prachtig!

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Italiaanse vaders en zoons

    Het eerste boek dat ik van John Fante las, was Wacht tot het voorjaar, Bandini, dat was in 1985 en begint zo: ‘Hij liep tegen de diepe sneeuw te schoppen. Alles stond hem tegen. Hij heette Svevo Bandini en hij woonde drie blokken verderop in de straat. Hij had het koud en er zaten gaten in zijn schoenen. Die ochtend had hij de gaten van binnen gedicht met stukken karton van een macaronidoos. De macaroni uit de doos was niet betaald. Daar had hij aan gedacht toen hij het karton in zijn schoenen legde.’ Een litanie over het leven van een Italiaanse metselaar uit een bergdorp in de Abruzzen, en zijn gezin in Colorado. Daar is veel sneeuw om tegen te schoppen, en als er sneeuw is, geen werk en veel dagen om in het café door te brengen, wachten op het voorjaar, tot er weer gebouwd kan worden. We volgen de metselaar en vader in de nacht door de sneeuw, op weg naar huis, waar we zijn zoon Arturo tegenkomen.

    ‘Vijfenzeventig kilo woog Svevo Bandini, en hij had een zoon, Arturo.’ Een bladzijde verder nadert hij het huis waarvan hij de hypotheek niet meer kan betalen. Hij denkt aan God, die hem in de steek liet, ‘Dio Cane, Dio cane’, God is een hond. Dan weer: ‘Hij had een zoon, Arturo, en Arturo was twaalf en had een slee.’ En verder gaat het, over de ontvangst van zijn vrouw Maria, ‘Haar naam was Maria Bandini, voorheen Maria Toscano.’ In al Fante’s boeken hebben zijn ouders een prominente rol, hun ‘Struggle for life’ is zijn ‘Struggle’. Zijn ritmische en energieke taal waarmee hij het leven van Italiaanse Amerikanen beschreef, werkt verslavend.

    Fante schreef vier boeken waarin zijn alter ego Arturo Bandini hoofdpersonage is. Hij schreef ze niet chronologisch. Nadat Wait Until Spring, Bandini en Ask the Dust in de jaren tachtig een herdruk beleefden omdat Charles Bukowski ermee wegliep, verscheen het derde deel, Dreams from Bunker Hill dat Fante dicteerde aan zijn vrouw. Zelf was hij door suikerziekte blind geworden en, nadat eerst zijn tenen, toen zijn voeten, zijn benen werden geamputeerd, was hij tot niets meer in staat. Zijn zoon, schrijver Dan Fante, publiceerde in 1998 de roman Klein geld, waarin hij zijn vader na jaren van verwijdering in het ziekenhuis opzoekt. De fictieve zoon Bruno, ging kamer 334 binnen. ‘De kamer van Jonathan Dante. (…) Mijn ogen kregen een blinde tors zonder benen te zien’. Hij zei tegen de man in coma, ‘Ik hou van jou’, in de hoop dat hij gaan zou. Daar kom ik behoorlijk dicht bij Arturo Bandini, bij John Fante, als hij op sterven ligt.

    Postuum verscheen The Road to Los Angeles, het eigenlijke tweede deel van de Bandini saga, geschreven in de jaren dertig maar nooit gepubliceerd. Vorige week verscheen Het volle leven, met een voorwoord van Jaap Scholten die ooit in Fante zijn leermeester vond. Het zou als het vijfde boek uit de Bandini sage gelezen kunnen worden, zij het niet dat toen geadviseerd werd de naam van Arturo Bandini in John Fante te veranderen, ‘om de aantrekkelijke non-fictiemarkt te bereiken’, weet Jaap Scholten. Fante schreef het nadat hij van zijn vrouw hoorde dat zij zwanger was van hun vierde kind. Hij was woedend, hij wilde niet nog een kind, en sloot zich op in zijn kamer waar hij Full of Live schreef. Het werd een boek over liefde voor zijn ouders, voor zijn vrouw. Uit woede komen de mooiste werken voort.

    In Het volle leven speelt zijn vader, opnieuw een grote rol. Hij komt bij zijn zoon logeren om diens houten keukenvloer, door termieten aangevreten, te vernieuwen. Hij haalt zijn vader, die met zijn moeder in Sacramento Valley van zijn pensioen geniet, van huis op. ‘Het was mijn eerste treinreis met papa en het bleek een nachtmerrie. Vanaf het moment dat we het station in gingen, waren er moeilijkheden. We hadden vijf stuks bagage: Papa’s gereedschapstas, zijn twee armoedige koffers, de met een touw dichtgebonden kartonnen doos vol gevulde weckflessen en mijn weekendtas. Die gereedschapstas alleen woog al vijfentwintig kilo, want die zat boordevol beitels, hamers en andere hompen staal die in zijn vak gebruikt werden.’  Zijn vader weigert een kruier in te schakelen, dat kost geld, ook al betaalt zijn zoon, hij wil het niet. Dit boek levert, evenals de Bandini boeken, heftige, hilarische en ontroerende scenes op waarin enige balans in het leven nooit bereikt lijkt te worden. John Fante was een ongelooflijk goed schrijver. Deze vertaling een cadeau voor de Fante liefhebber.

     

     

    Het volle leven / John Fante / vertaling Dirk-Jan Arensman / voorwoord Jaap Scholten/ 212 blz. / Uitgeverij Oevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft op bij een goed verhaal.

  • Dankbaar werk

    Ik zit in de trein naar Utrecht, boek op schoot. Van lezen komt niet veel, de man tegenover me heeft me tot een gesprek verleid. Eerst de afleidingsmanoeuvre met zijn hoofd schuin om de titel te kunnen lezen, en de vraag naar wat ik lees. Het zegt hem niets, hoewel het, oppert hij wat vlak,  interessant klinkt, een boek over een vader en een moeder en een komma ertussen. Hij is meer van Lars Kepler en of ik wist dat er een echtpaar achter dit pseudoniem schuilgaat. ‘Schit-te-rende frillers zijn het.’ Ik glimlach en zeg dat ik ook altijd zo worstel met de uitspraak van thriller en daarom het liever heb over detective, wetend dat er echt wel een onderscheid tussen beide genres is te maken. ‘Detectieffe’ corrigeert hij mij. ‘Zie je,’ lach ik meegaand. ‘En daarom lees ik liever romans en dagboeken.’ Ik kijk naar buiten: Maarssen komt in zicht, het duurt nog wel even voor we het Centraal Station van Utrecht hebben bereikt. Hij is op weg naar zijn oude moeder. Of ze augustus haalt, is de vraag. Dat zou wel het beste zijn. Het niet halen. Voor iedereen. Wat heb je aan je leven als je zo gekluisterd bent aan een rolstoel?

    Zelf voelde hij zich ook gebonden. ‘Sinds 2021 ben ik nooit meer een weekendje weg geweest.’ Ik verraad mezelf als ik zeg het verpleeghuis te kennen. De volgende ontmaskering, zo voelt het, volgt daarop snel als ik vertel wat ik doe. Of deed. Tegenwoordig doe ik iets anders. ‘Dat lijkt me dankbaar werk,’ zegt hij. ‘Klopt. Héél dankbaar. Elke dag word ik bij de ingang opgewacht door een erehaag aan klappende en buigende oude mensen, buigen zover hun fysiek dat toelaat.’ Meteen zeg ik sorry. Hij bedoelde het goed, ik ben alleen zo allergisch voor dat dankbare werk. ‘Je zult het wel vaak over de dood hebben?’ 

    Misschien verbaast het, maar de dood is onder bewoners in een verpleeghuis helemaal niet gespreksonderwerp nummer een. Ook met het volle uitzicht op het einde, je bent de negentig gepasseerd, ligt alle dagen op bed voor het raam en ziet de Dood bij wijze van spreken zo aankomen rijden in een geelrode sportwagen, dan nog wend je je hoofd af en vraag je je af waarom de koffie deze ochtend zo bitter smaakt. Ook in het verpleeghuis gaat het vooral om het leven. Het dagelijkse van het leven, het ongemak van leven. Het voortslepende leven. Het lieve leven.

    De man buigt naar voren, zijn voet raakt die van mij. ‘In dit dagboek, Moeder, na vader,’ zeg ik, ‘vertelt Gerbrand Bakker over de dood van zijn vader. Niet de vraag waaraan zijn vader is overleden houdt hem bezig, maar de vraag: Waarom? Het wordt door mensen uit zijn omgeving als een gekke vraag gezien. Maar ik hoor vooral een variant op een zingevingsvraag (waarom overkomt mij dit?). Waarom is hij dood? De ademhaling, het anker dat ons in het leven houdt, verdwijnt. Waarom?’  Eigenlijk wil ik ook filosoferen over de betekenisvolle komma in de titel, maar in de treincoupé valt de schaduw van Utrecht Centraal al binnen. De tijd zit erop. ‘Jammer,’ zegt hij. ‘Het voelt onaf. Net nu het gesprek begint, eindigt het al. Zoals het in levens gaat.’

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Zijn debuutroman De wensvader  (2020) en de roman Augustus (2022) verschenen uitgeverij kleine Uil.

  • Wonderschone verhalen

    In de vroege ochtend reden we met de Lelijke Eend naar een recreatiemeer op zeventien kilometer afstand. Gisteren kochten we zomerschoenen, die behoorlijk prijzig waren. Terwijl we langs bosranden reden met af en toe een opening met zicht op een akker met jonge aanplant, spraken we af dat we vandaag geen cent zouden uitgeven. We hadden brood met schapenkaas en rucola mee, en een fles water. Later, toen we langs een soort slotgracht reden, kon ik me opeens voorstellen dat als ik de dingen niet goed meer zou weten gelijk zoals je als baby de dingen nog niet wist, ik vaak met de Lelijke Eend zou willen worden rondgereden. In de Eend voelt rijden als op reis gaan, ook als de bestemming niet ver is. Ik sprak mijn gedachte uit, hij lachte, zei dat het goed was. We zetten de auto op de parkeerplaats van een restaurant waar bij de ingang een bord stond dat hier alleen gasten van het restaurant mochten parkeren. We haalden onze tassen uit de auto en liepen naar het strandje waar je zonder badkleding het water in kunt. 

    We liepen langs een weide waar uitheemse runderen graasden, aan de andere kant van de wei lag het meer er prachtig bij. Het strandje dat wij voor ogen hadden, was nog een flink eind lopen, het was warm. We keken elkaar aan, gingen door het klaphek dat de runderen binnenhoudt, de wei in. Aan de waterkant legden we onze spullen in het gras, keken om ons heen en doken het water in. Het was heerlijk, we zwommen een flink stuk, kwamen niemand tegen. Daarna zaten we op onze handdoeken en aten het brood met schapenkaas en rucola. Toen nam ik het boek Hoe ik de vissen ontmoette, van de Tsjechische schrijver Ota Pavel uit mijn tas, me enthousiast aangeraden door een vriend. Op een ochtend appte hij me ‘Ken je dit al?’ met de cover van het boek. Hij sprak over, ‘wonderschone verhalen in prachtig proza over vissen’ en, ‘de diepe verbondenheid met de natuur’. Enthousiasme van een vriend moet immer gehonoreerd worden, ik kocht het boek.

    Misschien omdat ik aan een meer zat, of door het zonlicht op het wateroppervlak waarboven talloze libellen scheerden, of de wind die langs bomen en struiken streek waardoor de verhalen van Pavel zich zo perfect lieten lezen dat ik na elk verhaal opkeek, als zou de wereld veranderd zijn. Het waren prachtige verhalen waarin, zonder dat triestige zaken benoemd werden, er toch sprake was van een bepaalde droefheid. Ik moest denken aan Het dikke schrift van Ágota Kristóf, verhalen die je door hun zuiverheid en heftigheid overmannen. Pavel vertelt over zijn leven met een stem waaraan je gekluisterd raakt. Hij schreef ze in de perioden dat hij, geplaagd door een bipolaire stoornis, in inrichtingen verbleef. Een verhaal begint zo: ‘We gingen hout sprokkelen.’ Een onderneming met de hele familie. ‘Ik liep stil achteraan in de familieoptocht om alles te zien en niets van mijn leven te missen.’ In al zijn verhalen is hij de stille toeschouwer van zijn leven, dat hij in, ja, ‘wonderschone verhalen’ heeft beschreven. En die vissen, nog nooit iemand zo liefdevol over vissen horen spreken. Ota Pavel leefde van 1930 tot 1973. Lees dit boek!

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft op bij een goed verhaal.

  • Paradijs

    Zondagmiddag, alleen thuis en de regen klettert tegen de ruiten. Tijd om eindelijk eens de film te bekijken die ik al zo lang wil zien, Der Himmel über Berlin van Wim Wenders uit 1987. Gedurende anderhalf uur loop ik rond in het West-Berlijn van 1986, de Muur staat er nog. Twee engelen in zwarte trenchcoats met grote witte vleugels kijken in zwart-wit op de stad neer. Zelf kunnen ze alleen door kinderen gezien worden, niet door volwassenen, al proberen ze die te troosten in hun bestaan door af en toe een hand op hun schouder te leggen. Maar ze kunnen niet voorkomen dat mensen eenzaam zijn, zelfmoord plegen, verdriet hebben. Toch wekt hun leven bij een van de engelen het verlangen om ook mens te zijn, gewoon om ‘in je handen te kunnen wrijven als het koud is.’ Maar als hij dan inderdaad mens wordt, in een prachtige, poëtische scene waarin hij door de andere engel als een pasgeborene in de armen wordt gedragen, dan moet hij ook het lot van de mensen ondergaan en de angst en de twijfel leren kennen, in het besef dat hij nu sterfelijk is en niets meer voor altijd is. Ook de liefde niet, die voortaan vergezeld gaat van onzekerheid. Een lang gedicht van Peter Handke wordt in fragmenten voorgelezen gedurende de film en zegt meer dan een uitleg kan doen: 

    Als das Kind Kind war,
     wußte es nicht, daß es Kind war,
     alles war ihm beseelt,
     und alle Seelen waren eins. 

     Wie kann es sein, daß ich, der ich bin,
     bevor ich wurde, nicht war,
     und daß einmal ich, der ich bin,
     nicht mehr der ich bin, sein werde? 

     Als das Kind Kind war,
     warf es einen Stock als Lanze gegen den Baum,
     und sie zittert da heute noch.*

     Maar wat ik voor altijd onthouden wil van deze indrukwekkende film is hoe de eindeloze zwerftocht van de engelen hen in een bibliotheek brengt, waar achter bijna elke lezer een andere engel staat met een hand op de schouder van de mens die verdiept is in een boek. Om hem te helpen beter te begrijpen wat hij leest? Om hem, via hun aanraking, als een doorgeefluik goddelijke wijsheid te laten invloeien? Of willen de engelen simpelweg ook een boek lezen, maar zijn ze niet bij machte om zelf de bladzijden om te slaan? Ook ’s nachts, als een eenzame poetsvrouw haar stofzuiger heen en weer beweegt over het tapijt, zijn de engelen aanwezig in de bibliotheek. Ze hangen wat rond, in afwachting van het uur waarop de deuren weer opengaan en de mensen weer zullen binnenkomen. Had Jorge Luis Borges dan toch gelijk toen hij zei dat de hemel een soort van bibliotheek moet zijn?  

    Wanneer ik de volgende keer naar de bibliotheek ga, zal ik heel langzaam de bladzijden van mijn boek omslaan, totdat een lichte druk op mijn schouder me beduidt dat ik verder lezen kan. Onthoud dit: altijd als je een boek leest, staat er een engel naast je. 

     

    *Uit: Peter Handke, Das Lied vom Kindsein, geschreven voor de film.


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Toekomstromans

    Ik had een weekje vrijaf en las de omvangrijke roman De Mandibles, Een familieroman 2029-2047 van Lionel Shriver. Een toekomstroman die in Amerika in 2016 verscheen. De toekomst die Shriver beschrijft is opeens niet zo ver weg meer. Over hoe dat met toekomstromans gaat, laat Shriver een vader aan zijn dochter vertellen: ‘Net als 1984 – dat leek nog heel ver weg toen Orwell dat boek schreef, maar toen werd het echt 1984 en ging het jaar ook weer voorbij en het was bij lange na niet zo verschrikkelijk of vreemd of treurig als hij had voorspeld. Verhalen die zich in de toekomst afspelen gaan vooral over dingen waar mensen bang voor zijn op het moment dat ze die boeken schrijven. De toekomst is gewoon het spookbeeld, het grote onbekende.’

    Toekomstromans gaan doorgaans over het teloorgaan van een wereld zoals wij die kennen, daarbij stort het financiële stelsel in. Ik begrijp niet veel van beleggingsfondsen, mobiliseren van kapitaal en dergelijke. Als ik daarover lees, blijkt het hersendeel voor begrijpend lezen bij mij plots niet meer optimaal te werken, weet ik niets aan deze materie te verbinden. Als ik al dacht er iets van te begrijpen, ontglipte het me even snel weer. Toch heeft het lezen van de roman, Vermogen van Hernan Diaz, (vorige maand bekroond met de Pulitzerprijs 2023), me enig inzicht gegeven in het financiële wereldje. Vermogen is een knap gecomponeerde roman over de effectenbeurs en de man die het allemaal bedacht heeft. Een goede roman is een leerschool voor de onwetenden.

    Shriver beschrijft een wereld waarin niet meer gelezen en met de hand geschreven wordt. Sommige ouders leren het hun kinderen thuis nog. ’Ze had Willing geleerd het alfabet in blokletters te schrijven.’ In 2029 raakt Amerika failliet, spaartegoeden worden bevroren, voedsel en  water worden schaars. In een geweldige spin-off beschrijft ze hoe de Amerikanen zich hier doorheen werken. In al haar boeken is de interactie, de dialoog tussen haar personages fascinerend. Het lijken gesprekken die ze met zichzelf voert. Haar controversiële meningen over armoede, culturele toe-eigening, consumeren, waarover ze in haar columns voor The Guardian schrijft, werden al in De Mandibles uitgewerkt.

    Haar personages zijn niet uitgesproken links of rechts; ze pogen hun leven onder de knie te krijgen. Er wordt  gerefereerd aan rampen (9/11), en er is sprake van een ‘stenen tijdperk’ in 2024, toen het internetverkeer gedurende drie weken uitviel (pas op, volgend jaar is het zover). Rampen die het einde van de wereld lijken in te luiden. Beproevingen die in het niet vallen als in 2029 de grootste financiële crisis ooit in Amerika uitbreekt. Het geld is op, ‘Het is het beste dat dit land ooit is overkomen’.  Shriver laat haar personages graag teruggaan naar af, om weer helemaal opnieuw te kunnen beginnen, worden papieren cheques weer in gebruik genomen, kan er niet dagelijks gedoucht worden, en blijken de stroomvoorzieningen voor Tesla’s ontoereikend te zijn.
    Shriver eindigt haar roman (ze kon het niet laten) in 2057 met het nieuws dat Indonesiërs Australië binnenvallen, er eindelijk een Palestijnse staat kwam, ‘en het kon niemand iets schelen’. Gek hoe dit kijkje in de toekomst helemaal niet zo bevreemdend werkt.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks een column.

  • Wandelvakantie

    Nu de zon de dagen verwarmt, de akelei op lange dunne stelen roze bloeit, de druivenhagen minuscule druiventrosjes dragen, overweeg ik om mijn rugzak te pakken en eindelijk dat pad te gaan lopen waarover ik al zo lang roep het te willen lopen. Gewoon spullen inpakken en weg. Maar er is altijd wat, er moet iets met de katten, uitgenodigde eters afzeggen, geliefden achterlaten. Jezelf losmaken van dat wat je leven in stand houdt, en wat er dan van overblijft. Een leven lang verdoet de mens zijn tijd aan dromen en wensen dit of dat nog eens te ondernemen, en blijft veelal thuis. Dit mens in ieder geval. Levend in dromen neem ik een voorschot op een wandeling door het lezen van een klein boek ‘Omwegen’ getiteld, wat je bekend voorkomt. Via omwegen schijn ik pas te komen waar ik wil zijn. Maar dan toch, niet het doel, maar de weg erheen is waar het om gaat. Dus maak ik het espresso potje nog eens schoon, vul die met versgemalen koffie en vraag me af of ik wel geschikte schoenen in huis hebt.

    Toen Thomas Heerma van Voss op wandelvakantie ging met het gezin van zijn (toenmalige) vriendin, kreeg hij advies over het gebruik van nieuwe wandelschoenen van zijn vader. ‘Thuis had ik de schoenen alvast ingelopen, dat had mijn vader me aangeraden. Zoals hij me ook jaren terug, rond mijn achttiende, adviseerde om met leren schoenen zo snel mogelijk in plassen regen te stappen. “Wij hebben enorme brede voeten, dan moet je zulke trucjes toepassen.”’
    De familie van zijn vriendin is een doorgewinterde wandelfamilie, terwijl hij nog nooit aan wandelvakanties heeft gedaan. In zijn familie werd er tijdens vakanties ‘vooral stilgezeten’. ‘Per auto verplaatsten we ons met zijn vieren naar de Franse kust, altijd diezelfde villa aan zee, waar we drie weken min of meer leefden alsof we huisarrest hadden.’ Als ze al ergens wandelden was dat in een lokaal dorpje. ‘waar we slenterden van de parkeerplaats naar de dichtstbijzijnde café au lait (…) terrassen waren onze ankers, bewegen daaromheen voelde als noodzakelijk intermezzo.’

    Wart een heerlijk boekje, zachtmoedig, met humor. De auteur volgt gedwee, met enig genoegen de vijf geoefende wandelaars naar het einde van de dag. Dan is hij moe, ‘maar op een fijne manier’. Dat genoegen zit in het nabijzijn van zijn vriendin. Een jaar daarvoor gingen ze samenwonen, waarna zij met haar familie ging wandelen in Italië. Toen ze terugkwam twijfelde ze aan hun relatie. Nu liepen ze daar zomaar samen in de Ardennen, tevreden, misschien zelfs gelukkig. Dit alles getoond in kleine opmerkingen, hun handen die elkaar raken, dat hij zelden het gevoel had gehad, zo ‘samen’ te zijn als nu.

    De schoonmoeder heeft tijdens de wandeling de touwtjes in handen, de verblijfplaatsen geregeld, wijst op wat er gezien moet worden. ‘Och, wat schattig’, bij het zien van een houten bankje op een berg. Deze observaties: ‘Bovenaan de berg ging iedereen behalve mijn schoonvader zitten. (…) zelfs tijden de spaarzame pauzes wilde hij blijven bewegen.’ Ik las het verhaal van een welwillend mens, een liefde die geen stand houdt. En waarin gezocht wordt naar de plaats van de auteur in dit alles. Waarom de dingen genoteerd moeten worden? ‘Omdat ik ze niet wil vergeten.’ Prachtig geschreven. En zelf kon ik nu wel thuisblijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

  • Als je wil dat een droom werkelijkheid wordt

    Soso, auteur, heeft een nieuwe roman geschreven: Blauwe Bergen of Tien Shan. Trots brengt hij het manuscript naar zijn uitgeverij in Tbilisi. Hij heeft zes exemplaren bij zich: typoscripts voor de directeur en de uitgever, en voor de tien redacteuren met carbonpapier gemaakte eerste en tweede doorslagen, om na lezing onderling aan elkaar door te geven.  Soso weet hoe het werkt op de uitgeverij, dus hij dwingt bij iedereen de belofte af het manuscript snel, met voorrang, te lezen. Maar daar komt niets van terecht, want iedereen is druk met zijn eigen besognes. De enige die leest is de klusjesman, maar die moest juist met zijn tengels van de manuscripten afblijven. 

    In Blue Mountains or Unbelievable Story, een film uit 1983 van de Georgische cineast Eldar Shengelaja (1933), zien we hoe het Sosa en zijn manuscript vergaat. In de goede traditie van voormalige Sovjetstaten is Blue Mountains een satire. Over een hilarische verzameling hopeloze nietsnutten onder leiding van een directeur die qua uiterlijk het midden houdt tussen Ernst Happel, Edouard Sjevardnadze en K. Schippers.
    Terwijl iedereen de tijd stuk slaat met beuzelarijen, komen er steeds meer barsten in de plafonds. Waardoor worden die veroorzaakt? Dat is voor de directeur geen vraag: het komt ongetwijfeld door trillingen veroorzaakt door het motorvoetbal dat de godganse dag op een veldje naast de uitgeverij wordt gespeeld. Motorvoetbal! Over belachelijke noviteiten gesproken!

    Aan het eind van de film heeft niemand het manuscript gelezen en is het gebouw ingestort. Maar geen nood: de medewerkers verhuizen naar een ander, nieuw pand, om hun non-activiteiten tot in lengte van dagen voort te zetten. De uitgeverij is uiteraard een metafoor: formeel, voor de censuur, alleen voor de bureaucratie, maar natuurlijk, dat snapt een kind, in feite voor de Sovjet-Unie zonder meer. Behalve een satire is Blue Mountains ook een meesterlijke film, die raakt aan iets wat iedereen overal aangaat: als je wil dat een droom werkelijkheid wordt, moet je de uitvoering ervan niet afhankelijk stellen van anderen.

    Toen de film in 1985 werd vertoond op het filmfestival van Cannes, mocht regisseur Shengelaia (zijn vader was filmregisseur, zijn moeder actrice) er niet bij zijn van de Sovjetautoriteiten. Hij stopte met films maken om zich als politicus in te zetten voor de onafhankelijkheid van Georgië en maakte pas na tien jaar weer een film. In 2014, op zijn oude dag, werd Blue Mountains opnieuw in Cannes vertoond, nu als Cannes Classic, en ditmaal was hij wel aanwezig. De film stond na al die jaren, in tegenstelling tot de Sovjet-Unie, nog altijd als een huis.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Met open mond

    Ik lag met open mond in de stoel bij de mondhygiënist. Met een puntig tangetje prikte ze in tandvlees, krabde aan tanden en kiezen. Daarna zei ze, ‘Zo. Even wat tandsteen verwijderen.’ Ze nam een elektrisch aangedreven slijptolletje waarmee ze kundig en snerpend de bochten en hoeken rond mijn tanden nam. Mijn tong wrong zich als een slang in de holte van mijn mond, het slijptolletje ontwijkend. Gedachten worden dwingend als je ergens niet aan wilt denken. Dus raakte ik gefixeerd op mijn tong. Ik voorzag het verlies van een stukje tong, er zou bloed zijn, veel bloed en lallend spreken. Die croissant die ik mezelf na afloop had beloofd, kon ik wel vergeten. Kom, hield ik mezelf voor, denk aan iets anders (adem in adem uit). En daar kwam Elizabeth Jane Howard in mijn hoofd. Haar romandebuut, Een heerlijke tijd (1950), lag thuis op de keukentafel. Haar naam resoneerde als een mantra in mijn hoofd: Elizabeth Jane Howard, Elizabeth Jane…

    Ze was de stiefmoeder van de onlangs overleden schrijver Martin Amis. Hij was een puber toen Howard in 1962 zijn vader leerde kennen. Zij zette hem aan tot het lezen van Pride and Prejudice van Jane Austen. Kom maar eens om zo’n stiefmoeder. Amis liet graag weten dat hij zijn schrijverschap aan haar te danken had. Terwijl de mondhygiënist met zachte druk tegen mijn kaak mijn hoofd naar links dwingt, denk ik aan de zestienjarige naamloze verteller in Een heerlijke tijd, voor tien dagen uit logeren bij een onbekende familie. Hoe de vertelstem een goed verteller verraadt. Aan het einde van het boek is de naamloze verteller schrijfster, dat is wat ze (net als Howard zelf) voor alles wilde zijn. 

    De naamloze verteller blijft naamloos, zelfs als het moment daar is om zichzelf aan een ander personage voor te stellen, krijgt de lezer haar naam niet te horen: ‘“Ik heet Lucy,” zei ze. “Hoe heet jij?” Dat vertelde ik haar.’ Deze roman bestaat uit eenenveertig hoofdstukken die, nu ik er bij stilsta, als korte verhalen gelezen kunnen worden. De beginzin van elk hoofdstuk luidt een nieuw, perfect verhaal in. De eerste zin van de proloog luidt: ‘Ik werd wakker doordat de pels waarin ik was gewikkeld van mijn voeten was gegleden, die koud waren.’ Hoofdstukken beginnen met: ‘Dat was het begin van de fijnste kerst die ik me kan herinneren.’ En: ‘De volgende ochtend behandelde mijn vader me alsof er de vorige avond niets was gebeurd, en ik was hem dankbaar.’ Of: ‘De dag voor mijn vertrek wilde mijn moeder beslist dat ik minstens één nieuw kledingstuk kocht.’

    Howard vroeg in 1982 haar inmiddels ex-stiefzoon om raad. Of haar volgende boek een eigentijdse versie van Sense and Sensibility moest zijn, of een trilogie over een familie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Amis zei dat ze het tweede idee moest uitvoeren. Dat werd de vijfdelige romanreeks De Cazalets, een geweldige familiesaga. Het heeft iets moois, deze stiefzoon en stiefmoeder die op het literaire vlak elkaars gelijken waren.
    V
    oor ik het wist was de mondhygiënist bij het prettigste onderdeel van de behandeling gekomen; het polijsten der gehavende tanden, het voelde als een pleister.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Trauma

    We hadden afgesproken bij Ruby, het Chinees-Indonesisch restaurant bij ons in de buurt. ‘Ik liep al een poosje achter jullie, maar jullie waren niet bij te benen,’ zei hij. We kregen ons vaste tafeltje, achterin. ‘Dit is het bekende zwarte gat,’ zei hij. ‘Wat nu?’ Ja, wat nu? In de afgelopen zes jaar spraken R. en ik Jos Versteegen geregeld over zijn biografie in wording. De dagelijkse worstelingen, de losse eindjes, de plotse vondsten. Wat is een biografie schrijven toch een tour de force! En nu was het gedrukt en gepresenteerd in de grootste theaterzaal van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam: Hans Keilson. Telkens een nieuw leven

    Keilson schreef enkele opmerkelijke romans, had in Bussum een bloeiende praktijk als psychoanalyticus en werd op honderdjarige leeftijd wereldberoemd dankzij een recensie in The New York Times. Maar hij was ook jaloers, hield er vriendinnen op na, had woede- en angstaanvallen. En dan was er nog zijn levensloop waarin je met gemak de geschiedenis van de twintigste eeuw van nazisme, vervolging, onderduik en vernietiging terugvindt. Keilson en zijn zus overleefden, de ouders niet – een wond voor het leven. 

    Na het proosten op de biografie zei Jos: ‘Eerst dacht ik, die theaterzaal krijg ik met geen mogelijkheid vol. En toen werd ik bang dat er misschien te veel mensen zouden komen, dat er mensen bij de deur geweigerd zouden worden vanwege de brandveiligheid. Ik sliep er nachten slecht van.’ De stress van boekpresentatie en controle behouden, ik grinnikte uit herkenning. Natuurlijk verliep de boekpresentatie voorspoedig. Er was prachtige muziek, er was een indringende presentatie van Judith Belinfante, Jos sprak de weduwe Keilson en na afloop waren er volop drankjes. Kortom: mooi programma, goed georganiseerd en uiteraard stond niemand voor een gesloten deur. Het enige dat ontbrak waren boeken. Een foutje van de boekhandel die in plaats van een paar honderd boeken, slechts een doosje met dertig exemplaren had geleverd, en dan ook nog zonder jongste bediende met pinautomaat. Excuses volgden, dat wel.

    Onder het eten vroeg ik Jos naar het proefschrift dat Keilson op late leeftijd schreef; het is één van de meest interessante hoofdstukken van de biografie. Keilson onderzocht wat er was geworden van Joodse weeskinderen aan de hand van het concept ‘sequentiële traumatisering’. Voor Joodse kinderen onderscheidde hij drie fasen. De eerste: de bezetting van Nederland, de eerste maatregelen. De tweede fase is die van daadwerkelijke vervolging, deportatie van ouders, scheiding door onderduik. De laatste fase is de naoorlogse periode, waarin de mate van veiligheid bepalend is voor het doorbreken van ‘de keten der traumatiserende elementen’. Trauma is in het leven niet te ontlopen, maar hoe je door je omgeving wordt opgevangen, bepaalt hoe het trauma in je verhardt of verzacht.

    Veelbetekenend: ‘Niet iedereen heeft door dat de oorlog voor veel mensen pas na 1945 goed is begonnen’ aldus Keilson. Deze pagina’s uit de biografie zou iedereen moeten bestuderen en onthouden. Of het om oorlog gaat of om de zogenaamde afwikkeling van ‘Groningen’, de ‘Toeslagen’,  Long Covid, of het gaat om kleiner, bijna alledaags leed zoals geen boeken op de presentatie: wees oplettend en weet wat het voor een ieder betekent als compassie ontbreekt.

     

     

    Biografie Hans Keilson, Telkens een nieuw leven / Jos Versteegen / 544 blz. / uitgeverij Nieuw Amsterdam


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Gewoon een heel goed boek

    Op sommige schrijvers wacht je trouw als de denkbeeldige hond die voor de supermarkt aan een denkbeeldige lantaarnpaal vastzit. Soms tref je de schrijver bij een kringloopwinkel tussen de boeken. Je denkt: Hé, kijk nou, daar staat Hiske Dibbets. Je pakt haar eruit en leest haar verhalen met hun bevreemdende, hilarische werking. Waar je van houdt. Haar verhalenbundel en romans hebben een ‘no nonsense’ toon, ik vermaakte me er kostelijk mee. Nog niet zo lang geleden kwam ik haar tegen in Dagboek 1978 – 1982 van Mensje van Keulen, die eind jaren zeventig voor een etentje bij kunstenaar Jan Dibbets en zijn vrouw was. ‘zijn dochtertje, (…) Een lief meisje met een tandbeugel’. 

    Nu is er nieuw werk van Hiske Dibbets verschenen, Niet niks, en gaat over het jaar nadat haar op 1 oktober 2020 de dood werd aangezegd (niks Ispahaan, gewoon vanachter het bureau door een oncoloog), met de diagnose ongeneeslijke endeldarmkanker. Met dertig jaar minder dan haar levensverwachting zou kunnen zijn, treedt er een fase van rouw in om de dingen die niet meer zullen komen. Ze schrijft over haar leven en liefde voor haar man en dochter, vriendschappen die zich verdiepen. Ze vraagt de man, waarmee ze al meer dan dertig jaar samenwoont, met haar te trouwen. Zij die nooit wilde trouwen, besluit anders. Er had zich in het afgelopen halfjaar vanaf de diagnose, ‘een omkering van waarden voltrokken’ schrijft ze. Ze besloot dat ze twee levens had: een speelde zich af in het ziekenhuis, het andere in de werkelijkheid. ‘Dat die levens zich in twee tegengestelde richtingen ontwikkelden, zei iets over de surrealistische situatie waarin ik zat.’

    Ze herinnert zich haar tijd (1991) in Moskou, schrijvend voor Moskow Magazine van Derk Sauer. In datzelfde jaar leerde ze haar man kennen, die voor een maand naar Moskou komt, ze raakt zwanger van haar dochter, (‘made in Russia’) en keert terug naar Nederland. Daar begint ze verhalen te schrijven. Ze herinnert zich het plezier van het schrijven, hoe de verhalen zich ‘loswrikten’ uit haar verbeelding: ‘Op het moment zelf gebeurde er iets magisch: het verhaal ontstond vanzelf, de ene associatie riep de andere op.’ Haar debuut, Droomkeuken, wordt uitgegeven door Mai Spijkers. Later werkt ze er als lector, manuscripten doorspitten op literaire kwaliteiten. Dat de titel van haar debuut serieus bedoeld was, ze droomde van vervanging van haar jaren vijftig Bruynzeel keukentje. 

    Na haar derde boek stopt ze met schrijven, denkt het later weer op te pakken. Nu er geen ‘later’ meer is, ontstond het idee te gaan schrijven over haar beperkte leef-tijd, over ‘Een jaar met de dood op mijn hielen’. Voorbij de helft van het boek, schrijft ze dat ze kans ziet nog een boek te schrijven, over haar ziekte. Maar het zou niet alleen over kanker gaan; ‘het was ook een getuigenis van een tijd waarin herinneringen zich opdrongen en opstapelden.’ Die opeenstapeling ziet ze als een afdruk van haar leven, ‘zoals een fossiel in een steenlaag’. Dat wil ze vastleggen, ‘omdat een mens uiteindelijk niet veel meer is dan zijn herinneringen’. In het zoeken naar een beeld om de situatie waarin ze zich bevond te vangen, herinnert ze zich een logeerpartij bij een vriendinnetje. Ze noteert: ‘ Zazies kamer was behangen met aluminiumfolie. Vlak boven het logeerbed zat er een gat in. Als klein meisje verdween ik daarin tijdens een nachtmerrie en kon daarna de weg terug niet meer vinden.’ Het boek opent met dit beeld. 

    Anekdotes over een manuscript waarin de vrouw aan kanker lijdt en de man het nachtleven induikt. Een auteur die zichzelf voorstelt als: ‘reclamemaker met veel invloedrijke vrienden in de grachtengordel’. Ze vond het ridicuul, vroeg zich af welk punt de schrijver wilde maken, ‘ga vreemd terwijl je vrouw op sterven ligt?’ Het wordt hilarisch als ze schrijft: ‘Ik vermoedde dat het verhaal autobiografisch was en dat de schrijver een persoonlijkheidsstoornis had. Zijn naam was ook al zo irritant: Kluun. Afgewezen.’ Het boek verschijnt, (zoals bekend), bij een andere uitgeverij, wordt een verkoophit. Maar haar waarde oordeel wordt op het moment van lezen geëerd.
    Dan over een schilderij waarop medewerkers van de uitgeverij staan afgebeeld. Dat er af en toe mensen op geheimzinnige wijze van het doek verdwenen. ‘Mai Spijkers gaf [de schilder] weleens de opdracht iemand weg te schilderen, meestal vlak voordat degene werd ontslagen.’ Het werd ‘het stalinistische spookschilderij’ genoemd. 

    Dit boek leest als het in kaart brengen van een leven dat nog niet voorbij is maar ook niet meer vooruit geleefd kan worden. Ondanks de fijne verhalen, de anekdotes, de kracht die eruit spreekt het leven zo gewoon mogelijk te nemen, is er iets dat je terughoudt. Memoires meanderend door de bittere werkelijkheid van uitbehandeld zijn, langs ongemakkelijke gesprekken met artsen, het conflict met haar vader. En dan het gevoel, ‘Wacht, dit gaat over iemand die veel te vroeg gaat sterven, mag ik hier wel van genieten?’ Maar jemig, uit dit alles ontstijgt gewoon een heel goed boek.

     

     

    Niet Niks, Een jaar met de dood op mijn hielen / Hiske Dibbets / 231 blz. / uitgeverij Balans


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Met pensioen

    Deze maand ontvang ik voor de eerste keer AOW. Voor andere mijlpalen zoals afstuderen, huwelijk en geboorte van de kinderen moest ik nog inspanningen leveren, maar dit wordt me zomaar in de schoot gevlijd. Of mijn levenswandel nu onberispelijk is geweest of dat ik duistere paden betreden heb, het maakt niet uit. Voor AOW hoef je niets te doen, alleen maar officieel bejaard te worden. Nu het dan zo ver is, roept dat toch wel vragen op: wat vul ik in bij enquêtes als er naar mijn beroep gevraagd wordt? Nog steeds docent Nederlands, of moet ik er nu ‘voorheen’, ‘vroeger’ of ‘voormalig’ voor zetten? Of vul ik ‘huisvrouw’ in, of ‘gepensioneerd’ of zelfs ‘pensionado’, zoals ik tot mijn afgrijzen wel eens tegenkom? 

    Onzin, zeggen de kinderen. Jij blijft je hele leven lerares Nederlands. Je hebt je kennis en je liefde voor alles wat met taal te maken heeft toch niet tegelijk met de sleutels van je leslokaal ingeleverd? Je houdt toch ook niet op met moeder zijn omdat de kinderen de deur uit zijn? Je hoeft alleen niet meer ruimtevullend te spreken, alsjeblieft, je staat niet meer voor de klas waar je in elke hoek verstaanbaar moet zijn. En als we vragen of je even wilt nakijken of we iets correct geschreven hebben, dan graag het korte antwoord, mam, en niet de hele grammaticale uitleg. Wat dat betreft verandert er dus niets. ‘De aarde is niet uit haar baan gedreven’, zoals Willem Elsschot dichtte. De wereld zal er morgen weer hetzelfde uitzien, zoals ze altijd doet, ondanks alle gebeurtenissen die haar doen schokken. Plotseling tot een andere leeftijdscategorie gerekend worden valt daar niet onder, gelukkig maar. 

    Een andere vraag is of ikzelf nu veranderd ben? Ik besef dat ik inderdaad tot de bejaarden ben gaan behoren. Niet in één keer, denk ik, maar toch: ik kan zo voor de vuist weg de beginregels van klassiekers uit de wereldliteratuur citeren, maar ik ben vergeten waar ik mijn bril heb neergelegd. Gisteren heb ik urenlang gezocht naar de afstandsbediening, omdat ik zonder dat ding de radio niet kan uitzetten of van zender veranderen; we hebben daarom de hele avond verplicht naar muziek moeten luisteren, en ik haat opera. Oud worden zal langzaamaan een ruïne maken van de vaste burcht die ik ben. Op een dag zullen er vier ruiters, zwijgend op hun paard gezeten, staan wachten aan de overkant van de slotgracht. Ze zullen me gebieden om de ophaalbrug neer te laten en me over te geven, maar nu nog niet, nog niet. Ik ben nog steeds de koningin van het kasteel. 

    ‘Een goed najaar’

     De vruchten zijn verkocht.
     De boeren betalen de pacht aan de Heren.
     De vliegen vallen dood op tafel.

     Het regent gulzig en de bieten glanzen.
     De akkers verteren hun moederkoek
     en stijf in de wolken nadert de winter.
     Morgen koop ik zeven kannen olie
     en een nieuwe bril om in het boek te lezen.
     Deze winter ga ik nog niet dood.


     uit: Gedichten 1954-1968 / Paul Snoek


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.