• Ziel te koop

    Wie zegt dat hij niet bijgelovig is, liegt. We zijn het allemaal. En dan heb ik het niet over de traditionele, overgeleverde superstities die het kwaad moeten afweren, zoals het mijden van een zwarte kat, niet onder een ladder doorlopen en geen zout morsen. Zulke bijgelovigheden waarvan niemand meer weet wat de herkomst is. Ik bedoel de persoonlijke rituelen die juist het geluk dichterbij moeten halen, zoals de voetballer die voor de wedstrijd een kruisteken slaat, de leerling die op het examen een mascotte op zijn tafeltje zet of de gokker die zijn gelukssokken aantrekt voordat hij gaat pokeren. Zoals ik bij drie bevallingen hetzelfde lievelingsboek op mijn tafeltje had liggen en elk van de baby’s in dezelfde zachte kleertjes hulde. Het gevolg was wel dat we later, toen we eraan toekwamen om de foto’s in een album te plakken, niet meer wisten welk kind er was afgebeeld. 

    Het af te dwingen geluk eist echter grote offers. Ik vond dat de doorstane bevallingen op zich voldoende waren. Maar Doctor Faust verkocht zijn ziel aan de duivel in ruil voor kennis van de wetenschap, Paganini om de beste violist aller tijden te worden, Tommy Johnson de beste blueszanger. Ook Rob Schouten heeft er zijn gedachten over laten gaan:

    Ziel

    Ik zou liever een kwaliteitsziel hebben
    die ik niet kende; niet dit inruilding
    uit mensen die ik maar bekeken heb,
    dat het alleen doet als ik ernaar kijk.

    Mijn ziel zou ouderwets onzichtbaar zijn
    en in mij zitten. Alles wat ik zweeg
    en riep zou er duurzaam vervuld van zijn.
    Ik zou er niet aan denken haar te wensen.

    Zo’n ziel die je nog eens verkopen kunt.

    In het boek The Ceremonies uit 1984 van T.E.D. Klein, die een klein, maar huiveringwekkend oeuvre op zijn naam heeft staan, bespreekt universitair docent Jeremy Freirs het onderwerp bijgeloof met zijn studenten. Moderne, rationele jonge mensen, die met geamuseerde scepsis aangeven dat zij zich niet bezighouden met flauwekul als vrijdag de dertiende en gebroken spiegels. Freirs besluit tot een test en zwaait met een dollarbiljet dat hij aan een student wil geven die de meeste minachting tentoonspreidt. In ruil voor een vel papier, ondertekend en voorzien van de datum, waarop geschreven staat dat de jongeman hem voor altijd zijn onsterfelijke ziel verkoopt. Maar zelfs deze ongelovige student waagt de gok niet. 

    In het verhaal van Franz Werfel, Géza de Varsany, oder: wann willst du endlich eine Seele bekommen, voelt Freddie, de lompe tienerzoon van zogenaamd verfijnde aristocraten, dat hij eindelijk de ziel heeft die zijn ouders hem ontzeggen, als hij het wonderkind Géza op de viool hoort spelen. ‘Freddies ziel was door de plotselinge, verbijsterende bewondering voor het hogere, het onbereikbare, verschrikt uit haar pop tevoorschijn gekomen.’ 

    Wie net als Freddie voelt dat hij een ziel heeft als hij schoonheid ontmoet, in welke vorm dan ook, gaat die echt niet verpatsen aan de duivel, al zou je alle talen ter wereld mogen spreken. Zonder schoonheid is het leven zielloos. 

     

     

    Uit: Tevoorschijn stommelt het heelal / Rob Schouten, Arbeiderspers (1988)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Laatste bladzijden

    Soms wil je de laatste bladzijden van een boek overslaan. Ik had dat bij Moedermelk van de Letse schrijfster Nora Ikstena. Het lag beslist niet aan het boek, een prachtig boek. Het was omdat ik voorvoelde dat  de moeder het einde van het boek niet zou halen. Een afloop waarvan de eerste tekenen al op de derde bladzijde van het boek kenbaar werden gemaakt. ‘In de twintig jaar die ik met mijn moeder heb doorgebracht, heb ik haar nooit kunnen vragen waarom ze mij, een kleine hulpeloze baby, haar melk onthield.’ Dat er een einde aan alles komt, dat niets waarop gehoopt werd vervuld zou worden, gaat het hele boek mee. Uitlopend in een toestand die ik niet wilde weten. Dan ging ik maar thee zetten, was ophangen, post openen, ach, er is zoveel te doen in een huis.

    Door niet verder te lezen, vertraagde ik de levensverloop van moeder en dochter. Verijdelde het sterven van de een, het verdriet van de ander. In Moedermelk is het uit liefde dat de moeder haar dochter als baby de moedermelk ontzegt, haar laat opvoeden door grootouders. Wat ik stilletjes hoopte terwijl ik het gasfornuis schoonmaakte, was dat moeder en dochter op de laatste bladzijden nog een kans zouden krijgen, dat ze een soort ‘Happily ever after’ zouden bereiken.

    Ik had tot half zes de tijd, dan moest ik een trein halen. Naar een leesclub, waar we merendeels onbekend waren met elkaar. Dat is eigenlijk het beste voor een leesclub, dat je elkaar niet kent. Er was een schrijfster, een vriend, een vriendin van een vriendin, een doorlezer (dagen niet van zijn stoel komen en maar lezen), en ik. We zagen elkaar  bij een van de vijf thuis. Er kwam wijn en kaas op tafel. We luisterden naar verhalen uit onze levens, weefden daar onze bevindingen van het boek doorheen. Het bruiste zoals een glas champagne bruisen kan, verfrissend, tongen losmakend. Later kwam er een ovenschotel, salade, dessert op tafel. Tussendoor riep de schrijfster wel drie keer tegen de gastheer, ‘Jij kan ècht lekker koken!’ Waardoor wij wel moesten geloven dat haar man niet zo goed in de keuken was.

    Moedermelk is in het Engels vertaald als Soviet Milk. Wat we – terwijl we van de gevulde courgette aten – zo treffend, zo geweldig-goed-gekozen vonden. Want dat hele boek gaat over niet kunnen leven, niet kunnen ontwikkelen onder verstikkende Sovjetregels. De vriendin van de vriendin begreep eerst niks van het boek en ik begreep dat. Want ik was er ook pas na een tijdje lezen achter dat de dochter en de moeder om en om aan het woord zijn. Ik schreef met potlood een D of een M boven de tekstblokken. De doorlezer had het boek in het Engels op een e-reader in Cornwall gelezen. In de Engelse versie bleek het boek uit twee delen te bestaan. Wat voor verwarring zorgde.

    Toch las ik die laatste bladzijden, wanneer het de moeder is gelukt om te sterven. Het proza werd van registrerend, opeens meer ritmisch. ‘Haar lippen waren droog en gebarsten. Ik depte zachtjes haar borsten. Waaruit ik nooit had gedronken en die ik maar één keer had gezien, die nacht dat we gingen zwemmen in de rivier. (…) Ze waren als in mijn droom – warm en vol moedermelk… Een zee van melk. En ik dronk hem gulzig, ik dronk de melk van de goede, waarheidlievende moeder, en ik dronk de melk van het kwaad, die de slangen voedde, en de melk smaakte niet langer naar kamillethee maar naar iets raadselachtigs, dat mij kracht en macht gaf.’  Ja, een prachtig boek, het kwam goed.

     

     

    Moedermelk / Nora Ikstena / vertaling Brenda Lelie / uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Wat heb jij van je moeder geleerd

    De lijnen waarlangs wij lopen is een documentairefilm van beeldend kunstenaars Dominique Panhuysen en Danielle van Vree die op het IDFA niet zou misstaan, maar te zien was in het Amsterdamse puntWG. Panhuysen en Van Vree tonen hun moeders van respectievelijk zevenentachtig en tweeëntachtig in hun dagelijks leven; weduwen zijn ze, woonachtig in grote lege huizen. In een parallelle vertoning op twee schermen vertellen ze over de lijnen waarlangs zij hun leven hebben geleid. Het is verbluffend hoe vergelijkbaar deze beide vrouwen zich uitdrukken ondanks op het eerste gezicht totaal verschillende achtergronden. De een groeide op in een zuidelijk katholiek gezin en mocht uiteindelijk naar Utrecht voor een interne opleiding verpleegkunde. De ander werkte op de typekamer van een bank en ging als au pair naar Amerika. Veel verschil maakte dat dus niet.

    Ook het leven van mijn moeder, na de mulo aan het werk en vanuit het ouderlijk huis getrouwd, wijkt nauwelijks af van de blauwdruk die voor deze generatie vrouwen, geboren in de jaren 30/40 van de vorige eeuw, universeel lijkt te zijn. Levens die onherroepelijk leidden naar het huwelijk en daarna in het teken stond van man, kinderen en het huishouden. Anno 2023 kijken de moeders Van Vree-Badoux en Panhuysen-Delwaide daar met milde verbazing op terug. Zonder verbittering. Zo was het nou eenmaal. Je stopte met werken. Je kreeg kinderen. Pieter en Rudolf – hun mannen – hielpen hooguit bij het opvouwen van de lakens. En nu zijn ze dood. Daar hebben ze verdriet van (gehad), maar ze hebben hun belangrijke mannen wel overleefd.

    In de film zien we op twee schermen, in een afgewogen montage, hoe beide vrouwen vrijwel dezelfde handelingen uitvoeren. Ze schrijven een boodschappenlijstje, zetten thee, rommelen wat in hun aanzienlijke tuinen, vouwen kleren op en maken een kop soep voor zichzelf. Dat alles doen ze voorzichtig, bedachtzaam, een beetje breekbaar, maar ook volstrekt onnadenkend want geheel ingesleten in jarenlang gevormde patronen. Mijn eigen moeder is al dertig jaar dood, zij was nu eveneens zevenentachtig geweest. Ook haar handen deden het huishouden zonder dat het hoofd erover nadacht. Maar de rustige, broze wijsheid van deze twee vrouwen in de film heeft ze (jammer genoeg) niet mogen bereiken.

    In de laatste twee scènes vertellen de moeders van Dominique en Danielle hoe zij naar hun dochters kijken en dan blijkt dat zij min of meer langs dezelfde lijnen lijken te lopen als hun moeders. En ik vraag me af hoe mijn moeder, dertig jaar na haar dood, over mij zou hebben gesproken. Door op een intieme manier in te zoomen op twee voor de buitenwereld volstrekt anonieme levens hebben de makers een raamwerk gebouwd dat niet alleen de geportretteerde vrouwen kadreert, maar tevens aan iedere toeschouwer de vraag stelt: ‘Wat heb jij van je moeder geleerd?’ Zo’n film verdient een groter podium. IDFA, volgend jaar dan maar? 

     

     

    De filminstallatie is nog te zien in OBA Mercatorplein (17-11 t/m 17-12) en OBA Bos en Lommer (19-12 t/m 21-1).



    Jan Kloeze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column en regelmatig recensies.

  • Dichterbij dan waar je kijkt

    Het leven lijkt zich altijd elders te bevinden dan waar ik mij ophoud. Ik tuur ernaar, soms kom ik het nader. Waarom ik me er dan toch weer van afkeer, afstand zoek, weet ik niet. Wil ik enkel reiken, turen naar daar waar ik niet ben? Ben ik verslaafd aan verlangen, ‘Sehnsucht’, hartepijn? Nog een vraag. Wat is het toch dat ik zo graag lees, verlang naar een boek? Dat vroeg ik me af toen ik in het prachtige boekje Je keek te ver van Marjoleine de Vos stuitte op de vraag, ‘Wat is het toch dat je zo kunt verlángen naar wandelen?’ 

    Het afgelopen weekend had ik in Den Haag bij Crossing Border zullen zijn. Bij het interview met Zadie Smith, wat een ‘heerlijk gesprek’ moet zijn geweest. Ik had erbij zullen zijn. Ook bij het gesprek met de Palestijnse schrijver Adania Shibli, bij Michel Faber die een boek over muziek had geschreven. Ik zou het gehoord hebben als de interviewster aan Zadie Smith vroeg hoe haar schrijfdag eruit zag. ‘Ik breng mijn kinderen naar school, ga schrijven en haal mijn kinderen weer van school.’ Van zo’n overzichtelijk leven wens ik subiet schrijver te zijn. Maar goed, mijn kinderen zijn geen kinderen meer die gebracht en gehaald moeten worden. En er was sprake van hartepijn.

    Vorige week donderdag liep ik naar de winkel, het stormde. Het hart joeg me voort, wind sloeg de panden van mijn jas alle kanten op, woelde mijn sjaal los. Gebogen stapte ik voort langs tuinen met op maat gecultiveerde bomen, struikige planten, grind en tegels. Mijn oog viel op een stuk stof tussen de struiken, bont leek het. Een knuffeldoek van een kind, verloren toen het achterop de fiets zittend voorbij kwam. De storm nam het mee, bracht het hier. Ik keek nog eens, zag hoe de stof iets levends werd. Een konijn, nee, een haas. De lange lepeloren gestrekt over zijn rug. Donker bolle ogen, wijdopen neusgaten. Het lag er doodstil.’ Toen, nog voor ik ‘Hee, haas’ kon zeggen, was het verdwenen. Ik keek het na, dacht, ik heb een haas gezien. Ik was er buiten adem van.

    Zaterdagochtend zat ik, enigszins bedeesd (angsthaas) omdat mijn galopperend hart mij tot thuisblijven dwong, aan tafel. Ik las hoe de Israelische schrijver Edgar Keret in een interview vertelde dat hij, op de ochtend van 7 oktober, toen al dat verschrikkelijks in de kibboetsen in het zuiden van Israël gebeurde, er vanuit Tel Aviv naartoe wilde rijden. Om te helpen, mensen te redden. Tot hij bedacht dat hij geen auto reed. ‘Ik kan niet rijden. Ik kan niet eens een verband aanleggen. Ik kan gewoon niet zoveel.’ Dit blootleggen van zijn onvermogen iets te kunnen doen, bracht mij dichter bij de vreselijkheid van dit alles dan welk nieuwsbericht ook. Het willen reiken naar al wat we weten, wat we zien, iets willen doen, helpen. Het is als je tanden stukbijten op een stuk hout, deze realiteit.

    Marjoleine de Vos denkt tijdens een wandeling over het Groningse platteland na over een lezing over duurzame spiritualiteit. Ze ontmoet een vijfentachtigjarige, bijna blinde boer, vraagt hem, ‘Kunt u me zeggen: wat maakt het leven de moeite waard?’ Waarmee ze duurzame spiritualiteit vertaalt naar waardevol leven. ‘een houding die je vooruit helpt in het leven, een kijk op de wereld die het de moeite waard maakt haar te zien zoals ze is. “Nou”, zei hij, ‘dat is wel een héél gemakkelijke vraag.” Hij zweeg even en ik vroeg me af of hij eigenlijk wel begrepen had wat ik vroeg. Maar hij zei kalm: “Het gaat erom voldoening te hebben in wat je doet en in harmonie te leven met je omgeving.”’
    Je keek te ver, ik kijk te ver. Zoveel begreep ik wel.

     

     

    Je keek te ver / Marjoleine de Vos / wandelreeks ‘Terloops’ / Van Oorschot.


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Welkom in Stockholm!

    De meest gammele bus die je ooit hebt gezien arriveert op de plaats van bestemming: Stockholm. Hij stopt midden in de stad op Sergel’s Torg, het drukbezochte plein dat toegang geeft tot het centrale metrostation. In de bus zitten negen mannen, illegale migranten uit Turkije. De chauffeur zamelt hun paspoorten en geld in om werk voor hen te gaan regelen. Hij maant de mannen de gordijntjes dicht te houden en niet naar buiten te gaan. De film waar dit het begin van is heet Otobüs. Het is de debuutfilm van Tunç Okan, uit 1975. Via de migranten krijgen we een onthutsend satirisch kijkje op het land dat ze bezoeken. En dat land is natuurlijk niet Zweden, ook al speelt het verhaal zich daar af, maar onze hele westerse wereld. Je zou Otobüs een reisverhaal kunnen noemen in de geest van Gulliver’s Travels.

    De buschauffeur, het zal u niet verbazen, komt niet meer terug, want hij is een ordinaire mensenhandelaar. Terwijl de mannen, uit angst voor ontdekking, niet naar buiten durven, lopen er mensen langs de bus alsof die er niet staat. Wat je niet ziet, bestaat immers niet. Anderen kijken ernaar als naar een curiositeit, om schouderophalend weer verder te lopen. Welkom in Stockholm!

    Regisseur Okan (1942) studeerde in 1963 af aan de Faculteit Tandheelkunde van de Universiteit van Istanbul en kreeg een jaar later via een gewonnen acteerwedstrijd zijn eerste filmrol. In minder dan twee jaar tijd speelde hij in dertien populaire avonturenfilms. Maar in 1967 was hij het beu. Hij verweet de filmindustrie dat zij de Turkse samenleving verdoofde en in slaap wiegde, verliet Turkije en vestigde zich als tandarts in Zwitserland. Met Otobüs maakte Okan zijn entree als onafhankelijk filmmaker met een missie. Er volgden nog drie andere films, de laatste in 2013. Vier films in achtendertig jaar, dat is niet veel. Des te opmerkelijker is het dat over deze weinig bekende regisseur en zijn kleine oeuvre in 2020 in Leiden en proefschrift verscheen van de hand van Tayfun Einar Luxembourgeus, die Okans films ‘grensoverschrijdende cinema’ noemt. 

    ’s Avonds als het donker is geworden wagen de mannen zich naar buiten, op zoek naar iets te eten, water, een wc. Op hun omzwervingen worden ze geconfronteerd met de zelfkant van een wereld die hun volkomen onbekend is. We volgen ze gedurende en aantal dagen. Hun belevenissen zijn rauw en schrijnend zijn, maar soms, plotseling, ook onweerstaanbaar grappig. Zo zijn de scènes op de roltrap – een noviteit voor de mannen – ‘Tatiesk’ hilarisch. 

    Grenzen overschrijden gebeurt zelden ongestraft. De migranten uit Otobüs komen er slecht vanaf: uiteindelijk worden ze door de politie ontdekt en opgepakt. Maar de film zelf lukt het uitstekend. Hij werd bekroond met vijf prijzen, waaronder (op het internationale filmfestival van Karlovy Vary) de Don Quijote Award. Wat een schitterende prijs voor een regisseur met een missie! Inmiddels is de situatie voor illegale migranten er bepaald niet beter op geworden. Zodat Otobüs behalve een sterke, ook een halve eeuw later nog altijd een actuele film is.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Alles wat ik lees

    Ik kon niet slapen. Ik dacht aan A.S. Byatt, waarover Marja Pruis schreef in Oplossingen. Hoe zij ontroerd raakte door iets wat Byatt gezegd had, later weer twijfelde ze of ze het wel goed gehoord had. Ik verwar A.S. Byatt vaak (zo werkt mijn hoofd), met A.N. Ryst, de gelijkende initialen, de ‘y’ in de achternaam. Pruis was in 2016 bij de uitreiking van de Erasmusprijs door koning Willem Alexander aan A.S. Byatt. Ze hoorde haar zeggen, ‘This is the happiest moment of my life.’ Van ontroering sprongen Pruis de tranen in de ogen. Later vroeg ze zich af of dat wat ze hoorde ook gezegd was. Of Byatt niet ‘one of the happiest moments’ had gezegd. Maar dat was niet zo. Daarom moest ik naar beneden. Het leek van belang een boek in handen te hebben van een schrijfster die het gelukkigste moment in haar leven beleefde toen ze de Erasmusprijs ontving. En dat ze daar weer ontroering mee teweeg bracht. Met dat boek zal ik de schakel zijn tussen de ontroering van de een en het gelukkigste moment van de ander.

    Ik pakte Obsessie van Byatt uit de boekenkast. In alles wat ik lees, zoek ik naar iets wat ik zelf ontbeer. Terwijl de katten op de bank tegen elkaar aanschurken, het buiten donker is, wil ik gewoon dat personage in de bibliotheek zijn. De jongeman, Roland, in Obsessie, die zijn dagen doorbrengt in de leeszaal van de Londen Library. ‘Roland had het eenpersoonstafeltje waaraan hij het liefst zat, achter een vierkante pilaar, waar je toch goed zicht had op de klok boven de schoorsteen. Rechts van hem was een hoog en zonnig venster, waardoorheen je de hoge groene bladeren van St James’s Square kon zien.’ Ik verbeeldde mij die figuur te zijn, voelde me getroost.

    Ethel Portnoy schreef in Portret, ‘Pas toen hij dood was, begon ik mijn vader te zoeken.’ Sinds mijn broer er niet meer is, lees ik boeken waarin ik hem hoop tegen te komen. Ik las Harnas van hansaplast van Charlotte Mutsearts, Broer van Esther Gerritsen, Big Brother van Lionel Shriver, Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder.

    Moet een boek wat teweegbrengen om een goed boek te zijn? Ja, dat moet. Er zijn boeken die lezen alsof je een warm mes in een pakje roomboter steekt. Er gebeurt niets, het mes blijft heel, het pakje boter splijt niet doormidden. Daarentegen zijn er boeken die je niet zomaar begrijpt, maar zo geweldig goed in elkaar steken als een design meubel waarvan je de verbindingen niet ziet.

    Nadat ik Deborah Levy’s Living Autobiography had gelezen, dacht ik erover een ‘Birdsongclock’ te kopen. Levy kocht er een nadat ze verlaten was door haar man. In een mail van Koopjedeal (waarom krijg ik mail van Koopjedeal?) werd me onlangs de Birdsongclock met 57% korting aangeboden. Ik was er na aan toe er een te bestellen. Maar bedacht, met een gevoel van opluchting, dat ik er pas een mag kopen als ik verlaten word. Zo zet een boek me tot van alles aan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest terwijl ze leeft.

     

     

     

  • Sorry

    Hard/Hoofd, Verhaal van de Maand, Kluger Hans, De Optimist…, de combinatie van beeldende kunst en taal op deze literaire platforms is kennelijk een onverbiddelijke trend, versterkt door grafisch vormgevers die hun jubelende best mogen doen als deze merken stollen in fysieke vorm. Bij ‘Aaah’ bijvoorbeeld, het laatste Hard/Hoofd magazine, is nauwelijks een verhaal in dezelfde letter gezet, heeft de schilder zoveel mogelijk verfpotten over het papier uitgestort en kunnen kunstenaars niet wild genoeg hun gang gaan.

    Jarenlang pleitte ik, als professioneel bladenmaker, bij uitgeverijen van vakbladen voor meer en vooral beter beeld en probeerde ik vormgevers ertoe te verleiden niet steeds een foto in de hoek linksboven of rechtsonder op de pagina te plaatsen. In eerste instantie werd ik daarom blij van de aanpak van ‘Aaah’. Maar nadat ik dertig keer een pagina had omgeslagen, verlangde ik bijna terug naar de saaie vakbladen van vroeger, met hun voorspelbare bladspiegel en hun weinig onderscheidende rubrieken.

    Het was alsof ik bij iedere nieuwe feature mijn neus moest dichtknijpen, mijn ogen met een zonnebril moest bedekken en mijn adem moest inhouden voordat ik een volgende plons in het ‘Aaah’ kon nemen. Vertwijfeld bladerde ik door. Nergens rust te vinden. ‘Aaah’ werd mijn particuliere schreeuw om hulp, een verlangen naar stilte, naar contemplatie. Want is dat niet wat kunst vermag? Dat het lezers, kijkers en luisteraars een moment van verstilling brengt? Van (zelf)inzicht? Dat het een tintel brengt van huiver, van verlangen, van ontroering. In plaats van een oorverdovend scherm van paukenslagen waarin elke nuance op den duur verloren gaat.

    De makers van Hard/Hoofd magazine hebben na een intensieve en bewonderenswaardig effectieve marketingactie naar eigen zeggen meer dan 1600 betalende abonnees geworven, die elk 2,50 euro per maand automatisch laten incasseren. Ik ben er één van. Dat levert zo’n 50 mille per jaar op. Ik gun de makers de bescheidenheid om met dat geld straks juist minder uit te pakken. Dat het thema van het volgende nummer ‘sorry’ is, stemt hoopvol.

     

     


    Jan Kloeze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column.

     

  • Klont in de tijd

    Het was zo’n ochtend waarop ik dacht dat alles zomaar ineens afgelopen kon zijn. Dat heb ik wel vaker, dat de wereld zich als een grote open ruimte aan me voordoet. ‘Apocalypse now’. Ik zat in de trein en keek naar de goudkleurige sneakers van een oudere vrouw aan de andere kant van het gangpad. De trein raasde met hoge snelheid voort over de rails, nam schommelend de bochten, ik hing scheef, drukte mijn voeten op de grond. Ik dacht, wat is de betekenis van goudkleurige sneakers als we straks in puin liggen. Het leek opeens niet meer tot de onmogelijkheden te behoren dat alles uit de hand zou lopen. Ik zag het voor me, hoorde treinwielen gillen op de rails, scheurend ijzer, oorverdovende stilte, gestold tot een klont in de tijd. Toen viel de trein weer in een rechte lijn samen met het spoor, kwam ik op tijd voor mijn afspraak.

    Dat wat mogelijk is, ‘is een grens die telkens verschuift, afhankelijk van wat mensen bereid zijn toe te laten.’, schrijft Erri De Luca. In plaats van onder een deken te kruipen, pakte ik een novelle van de Italiaanse schrijver Erri de Luca. Over zijn kinderjaren in het Napels van de jaren zestig. Deze novelle schreef hij in een schrift op zijn knieën, zittend op een harde stoel. Het was in de winter van 1989 toen hij begon met schrijven, overdag werkte hij als bouwvakker. Hij schreef ‘in de overgebleven restjes van de dag’, een lange brief aan zijn moeder, het werd zijn debuut, Niet nu, niet hier.

    ‘Zolang er licht was in zijn ogen, maakte mijn vader foto’s.’, schrijft De Luca. Die foto’s bestrijken de periode van zijn tiende tot zijn negentiende. De Luca herinnert zich niets van die tijd. ‘Fotoalbums en archieven ondersteunen mijn herinneringen niet, ze vervangen ze.‘ Dat is mooi. Dan zoomt hij in op een foto van een straat waarop uithangborden met reclameleuzen, een oude bus bij een halte. Er is een marktstraatje waar mensen uitkomen. ‘Het beeld waar ik naar kijk wordt groter, de schaal wordt kleiner: één op honderd, één op vijftig, één op tien, net zo lang tot de voorbijgangers even groot zijn als ik en ik als zij.’ Hij zoekt op de foto de gezichten van mensen af, herkent een jonge vrouw, zijn moeder. Hij vraagt zich af of zijn moeder zich dit leven na de oorlog zo had voorgesteld. ‘In een smal kamertje waar enkel een streepje zonlicht over de pannen viel, met meubels die een ander had achtergelaten, besefte je op een drukkend warme middag, terwijl de kinderen, nat van het zweet, even sliepen, dat dit nu je leven was geworden, dit en niet meer’. 

    Ik geloof dat ‘dit en niet meer’ van grote betekenis is. Het heeft te maken met gepaste nederigheid, met elkaar de ruimte geven. Dat verdween, volgens De Luca, doordat ‘arme mensen een gevoel van urgentie kregen’. Hoe zijn moeder hem ‘nare dingen’ vertelde. ‘Een aardbeving had de levens van een volk verwoest, ansjovis was duurder geworden, de oude mensen in een eenkamerwoning verderop in de steeg waren door hun huisbaas op straat gezet. (…) Het kwaad deed waar het zin in had en je erop voorbereiden was niet genoeg. Je treurde daar met mij om, om de wereld.’ 

    Deze dagen wordt er geen ge-maar meer getolereerd. Er moet stelling genomen worden, jij of ik, hij of zij. Maar dat wil ik niet (De Luca schrijft dat een ‘maar’ eigenlijk een ‘omdat moet zijn), want elk mensenlevens is het waard om voor te kiezen. Ik hoorde van anderen die tot niets meer in staat waren. Zich afvroegen, ‘Hoe kan dit, wanneer is dit begonnen, wie is begonnen?’ Alsof de betekenis van alle dingen lange tijd onvindbaar was.

    De Luca zoekt aan de hand van een foto, toenadering tot zijn moeder in het verleden. Er is niets te vergeven, toch is deze novelle een groot liefdevol vergeven, doorweven met een gevoel van rechtvaardiging. Ik stel me voor hoe het zou zijn als alles in puin lag, ik dit boekje zou openslaan. Of het zou helpen. Ik dacht het wel.

     


    Niet nu, niet hier / Erri De Luca / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij HetMoet


    Inge Meijer is een pseudoniem en veellezer.

     

     

     

  • Moreel kompas

    Ik laat het boek dat ik heb gekocht aan een vriendin zien, The running grave, deel zeven van de Strike-detectiveserie van Robert Galbraith. De vriendin trekt haar wenkbrauwen op en vraagt of ik wel weet dat de auteur een pseudoniem is van J.K. Rowling, schrijver van de Harry Potter-boeken. Die zich openlijk negatief heeft uitgelaten over transgenderpersonen en dat ik daarom haar boek niet moet kopen. Ik moet er afstand van nemen, anders geef ik aan dat ik het met haar eens ben, zegt de vriendin. Ik wijs in mijn boekenkast naar schrijvers die zich ook niet wilden richten naar de kompasnaald van haar morele verontwaardiging. François Villon, dief en inbreker, Gerrit Achterberg, moordenaar, Jan Hanlo, pedofiel, Louis-Ferdinand Céline en Roald Dahl, verstokte antisemieten, George Simenon, schuinsmarcheerder die vaker in het bordeel dan in zijn eigen bed lag. En wat dan nog, vriendin. Hun boeken zijn onvergetelijk.

    Hoe ver reiken vooroordelen naar de wereldliteratuur. Malcolm Lowry en William Faulkner, alcoholisten; Gerard Reve, Jean Genet, homo. Mag dat ook niet? Er zijn genoeg voorbeelden van schrijvers die zich niet conformeerden aan de waarden en normen van de maatschappij waarin ze leefden. Incorrecte, immorele schrijvers, maar mogen hun boeken daarom niet gelezen worden. Mijn boekenplanken zouden aardig leeg raken. Afstand nemen? Heeft literatuur dan niet meer de functie om je kennis te laten maken met een andere wereld, een andere mening dan die van jou. Moet een boek niet op zijn merites beoordeeld worden. Een boek is zijn schrijver niet. Een schrijver is zijn boek niet. Shakespeare was geen koningsmoordenaar omdat hij de vader van Hamlet liet vermoorden. Nabokov, Ted van Lieshout en Pim Lammers zijn geen pedofielen omdat ze er een boek over schreven. 

    Oscar Wilde, die ook buiten de gebaande paadjes liep die de Victoriaanse samenleving voor hem had uitgestippeld, heeft gezegd dat er maar twee soorten boeken zijn, ‘goed geschreven of slecht geschreven’. Dat criterium zou moeten gelden voor elk kunstwerk. Natuurlijk draagt elk kunstwerk sporen van de kunstenaar, maar de kunstenaar hoeft niet met zijn werk vereenzelvigd te worden. Het werk moet los van de persoon gewogen worden. Picasso moet een enorme klootzak geweest zijn in zijn relaties met vrouwen, toch sprongen me de tranen in de ogen toen ik voor de eerste keer in het Prado in Madrid zijn ‘Guernica’ zag hangen. Zoals P. Hawinckels liet zien in zijn gedicht ‘half twee na christus’ kunnen hoog en laag naast elkaar bestaan in zowel schrijver als boek.

    ‘in de buien voor en na
    de dolstdriest denkbare dronkenschap
    schiep de dichter
    de meest onvergankelijke verzen
    en eenieder zal er zich terecht over verbazen
    hoe ook hier weer het hoogst verhevene
    met het laagst gezonkene
    hand in hand gaat
    als twee glazen aan een bril’

    Ga naar huis vriendin, en lees een stichtelijk boekje van een smetteloze auteur aan wie je je geen buil kunt vallen, als die tenminste te vinden is. En laat mij mijn boeken van onaangepaste, incorrecte schrijvers lezen.

     

    Uit: Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, 1988


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Alles onverwachts

    Het moet niet gekker worden, dacht ik, toen ik me weer in de badkamer terugtrok met een boek van Marja Pruis. Er was behoefte aan orde, aan een kaart waarop de dingen zich overzichtelijk voordoen. Want je doet maar wat, overziet de gevolgen niet en zit dan weer in de badkamer met een boek op schoot. De toestand Israël/Palestina escaleerde op de ochtend van de verjaardag van de tweeling kleindochters. En de kat at niet meer, was snotverkouden. Je dacht, dat kan er nog wel bij, een kat met een snotneus. De dag daarop fiets je naar het filmhuis. Helen Mirren speelt Golda Meir in de film Golda. Over haar rol tijdens de Jom Kipoeroorlog in 1973. Het was exact vijftig jaar later dat Israël opnieuw werd aangevallen. Alsof ze het erom deden, een film tevoorschijn halen om alles nog eens te verfijnen. 

    Mirren was verdwenen in een pak dat haar het postuur van Meir gaf. Alleen haar mond, tot een streep vertrokken, gaf enig houvast. Met olifantsbenen liep ze zwaarmoedig door de gangen van een ondergronds geheel. Ik zág Golda Meir. Ziek als ze was, onophoudelijk rokend, de ene sigaret met de andere aanstekend. Je dacht, hou daar toch eens mee op. Niemand die er iets van zei. Ze moest een land redden. In de film zei Meir tegen haar militaire staf, ‘Ik kruip niet onder de tafel, maar ik hou jullie niet tegen.’ Ze zei, ‘Toen ik als kind in Oekraïne was, sloegen ze voor de lol Joden dood op straat. Ik ben niet [meer] dat meisje dat zich verstopt in de kelder.’ En dat er altijd gevochten zal worden, vanuit onderdrukking, de hang naar overwinning. 

    En dan is er die foto van een oude vrouw in een open truck, meegevoerd door leden van Hamas. Een onvoorstelbaar gewone vrouw. Je ziet in haar je moeder, je grootmoeder, in zekere zin jezelf. Haar hoofd opgeheven (nee, niet fier), haar rechterarm hangt naar beneden, haar andere rustend in de schoot van een roze schort. Er is iets met dat schort. Het zit rommelig. Misschien is het een tafelkleed. Stond ze op het moment dat ze haar oppakten, in de deuropening van haar huis dat kleed uit te kloppen (denk niet aan de gewoonheid van broodkruimels, druivenpitten die eruit gleden). Het kleed in haar handen geklemd toen ze gedwongen werd in de truck plaats te nemen. In haar gezicht zoek je vergeefs naar sporen van paniek, verdriet.

    In de badkamer lees ik hoe Pruis aan Louis Tas vraagt waar hij met zijn patiënten naar op zoek is. ‘Naar de dingen die ze misschien nog teveel wegstopten en waarom.’, zei Tas. Dingen stop je weg omdat je je ervoor schaamt. ‘Schaamte is niet alleen een onderkennen van wat er aan de hand is. Het is als vorm van zelfminachting een soort ziekte. (…) tegen beter weten in, identificeert de schamer zich met de minachter, als hij zich afhankelijk voelt van diens oordeel.’ Opnieuw kijk ik naar de foto met de oude vrouw in die truck, zie de schaamte om de ongepastheid van alles, het uitgeleverd zijn, het niet weten. Vooralsnog was alles onverwachts. 

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Ode aan de grijze muis 

    De Franse acteur Michel Robin (1930-2020), hoofdrolspeler in L’invitation (1973) van Claude Goretta, speelde in zestig films, maar meestal waren het bescheiden bijrollen. Twee keer kreeg hij een hoofdrol, beide keren in de jaren ’70 en beide keren in een Zwitserse film, waaronder L’invitation (1973). Maar daarin is hij dan wel weer de verpersoonlijking van de bescheidenheid.
    Goretta laat hem schitteren in de gedaante van een administratief medewerker.

    Twintig jaar is zijn aanwezigheid op kantoor bijna onopgemerkt voorbijgegaan. Als de zachtmoedige, verlegen, ouderwetse, in zichzelf teruggetrokken middelbare vrijgezel Rémy Placet is hij er zoals een kantoorplant in de vensterbank er is. Net als de fuchsia van Annie M.G. Schmidt (‘een makkelijke plant’) overleeft hij op weinig aandacht. Vrienden heeft hij niet, de centrale figuur in zijn leven is zijn moeder. Wanneer die moeder sterft, is Placet ontroostbaar. Hij krijgt het advies het een poosje rustig aan te doen en neemt verlof. Het poosje duurt een paar maanden, waarna hij zijn collega’s uitnodigt voor een feestje in zijn nieuwe huis. 

    Dat nieuwe huis is tot ieders grote verrassing een kapitaal landhuis met een tuin ter grootte van een park. Placet blijkt steenrijk. De erfenis van zijn moeder heeft de uitwerking gehad van de kus uit het sprookje. De prins die eruitzag als een kikker is nu voor iedereen zichtbaar een prins geworden. Dit zet de kantoorverhoudingen totaal op z’n kop. Wat zich op kantoor liet aanzien als wereldvreemde sulligheid, krijgt in deze omgeving ineens iets aristocratisch en superieurs. Placet is hier volkomen op z’n plek en geniet zonder bijgedachten van zijn nieuwe situatie. Hij heeft zelfs een butler ingehuurd. Niet om zijn collega’s de ogen uit te steken, maar omdat hij hen, zoals hij zegt, als zijn tweede familie beschouwt en daarom vorstelijk wilde onthalen.

    Die goedheid, die hartelijkheid is niet aan hen besteed. Ze betalen hem terug met afgunst en wrok en door dronken te worden. De orde is verstoord. Placet betaalt de prijs, uiteraard, maar hij overleeft het wel. Zijn innerlijke rijkdom redt hem. Een meesterlijke film! En een meesterlijk gespeelde rol!

    Zoek je L’invitation op in Wikipedia, dan zie je drie acteurs genoemd als ‘hoofdrolspelers’, maar Michel Robin, de echte hoofdrolspeler, de ster van de film, wordt niet genoemd. Zelfde verhaal op de Internet Movie Database, die overigens drie andere namen noemt, maar dus evenmin die van Michel Robin. Blijkbaar is het lot van sommige mensen, wat ze ook doen, dat ze over het hoofd gezien worden. Michel Robin moest tot zijn oude dag wachten voor hij eindelijk wat aandacht kreeg dankzij Le fabuleux destin d’Amélie Poulain (2001), waarin hij de vader van de kruidenier is, en Un long dimanche de fiançailles (2004), waarin hij de oude man speelt die het slagveld bezoekt. En dat zijn allebei, inderdaad, bijrollen.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd. Maandelijks schrijft hij een filmcolumn voor Literair Nederland.

     

     

  • Boekenweekgeschenk

    Het was even schrikken toen bleek dat het boekenweekgeschenk een familie aangelegenheid is geworden. Familie ondernemingen hebben iets precairs, iets beslotens. Een keuze die ook nog eens in superlatieven omschreven werd door directeur CPNB Eveline Aendekerk. Wat moet je met een directeur die ‘ontzettend trots’ is, en het heeft over de ‘grootste’ schrijversfamilie (je wist niet waar je het zoeken moest, de betekenis van dit alles). Ze zei dat ‘de liefde voor lezen en boeken er bij de ‘Chabotten’ vanaf spat. En dat het precies die liefde is die ‘traditiegetrouw’ gevierd wordt tijdens de boekenweek. Ze zei, ‘Het gezin [de Chabotten] bestrijkt meerdere generaties en bestaat uit unieke karakters, waardoor de kijk op de familie een rijk kleurenpalet wordt. De Boekenweek van 2024 wordt daarom ook komend jaar weer een groot feest!” Jaja, het CPNB is me er eentje om Finkers maar eens te persifleren. Eerder wilden ze al van het woord essay af, alsof daarmee de lading van de inhoud zou veranderen. 

    Het CPNB zegt jongeren te kennen die afgeschrikt worden door het woord essay. Het CPNB is daardoor bang dat ze hun doel missen. En dat willen ze niet. Dus door een essay (een persoonlijk, beschouwend literair stuk) geen essay meer te noemen zodat jongeren er niet door worden afgeschrikt, is er de hoop dat ze het essay dat geen essay mag heten, gaan lezen. Maar wacht. Er is niks mis met jongeren die ergens van schrikken. Er mag geschrokken worden, graag zelfs. Niet alles hoeft tot een soort smoothie achtige substantie vermalen te worden.  

    Ilja Leonard Pfeijffer reageerde op de keuze van het CPNB voor de familie Chabot – om het boekenweekgeschenk te schrijven, en het essay te laten plaatsmaken voor een gedicht van de hand van, jawel Bart Chabot – en had het over ‘uitdaging’. Hij begon over zijn schoonmoeder die bij hen kwam eten. Zij spraken over Italiaanse politiek, de verwerpelijkheid van premier Giorgia Meloni, maakten daar veel woorden aan vuil. ‘De vraag die dan altijd vroeg of laat opkomt, meestal vroeg, is wie haar kan uitdagen… Toen verdween de tekst achter een betaalmuur, maar dat ‘uitdagen’ bleef hangen. Wie daagt de lezer uit, zet een begin van iets uit om te volgen, iets te ontdekken. Of, wie kan Eveline Aendekerk uitdagen om…

    Maar als we dan toch de niet lezende jongeren tegemoet willen komen, laten we dan een boek ook geen boek meer noemen, want dat is schrikken. Maar hé, scheer nu niet alle jongeren over een kam. Er zijn er die lezen, in treinen, op bankjes aan de waterkant, in bed (er wordt onvoorstelbaar veel in bed gelezen), aan keukentafels, toiletten, op het strand. We kunnen veel woorden vuilmaken aan de terugloop van lezers, waarvan ook niet duidelijk is of dat echt zo is. Misschien zijn er lezers die zich niet op de daartoe geëigende plaatsen ophouden, zoals daklozen, waarvan het CBS deze week meldde dat er minder daklozen zijn, maar de opvangcentra daarentegen in een reactie zeiden dat ze ‘ram’vol zitten. Soms moet er niet geteld, niets gezegd worden. Laat een essay een essay zijn, geef jongeren de kans iets te ontdekken, ergens naar te reiken en de essayisten van morgen te worden. 

    En waarom een boekenweekgeschenk niet geschreven door Mensje van Keulen, Marja Pruis of Kristien Hemmerechts? Of maak er desnoods weer een schrijfwedstrijd van voor debutanten, zoals Hella Haasse die ooit in 1949 won, debuteerde met het boekenweekgeschenk Oeroeg. Zet dan een lezerspoule van jongeren op die alle inzendingen lezen, een keuze maken. Zijn er in ieder geval weer een paar jongeren voor de literatuur gewonnen.



     


    Inge Meijer is een pseudoniem.