• Komt dat zien!

    Op internet zag ik een waarschuwing: ‘De film is erg traag, zonder grote gebeurtenissen, kijk alleen als je je verveelt met normale films en iets anders wilt zien.’
    Zo’n waarschuwing is aan mij wel besteed. En de film ook: Thampu, Engelse titel The Circus Tent, van de Indiase regisseur Govindan Aravindan (1935-1991). Een film uit 1978,  behorend tot de op het Italiaanse neorealisme geïnspireerde parallelle cinema of New Indian Cinema, een filmstroming die in de jaren vijftig in de staat West-Bengalen ontstond als alternatief voor de reguliere commerciële Indiase cinema.

    Thampu duurt 130 minuten. Ik had er geen moment van willen missen en was vanaf de eerste minuut geboeid door het schouwspel dat Aravindan (naast filmregisseur en scenarioschrijver, ook muzikant, cartoonist en schilder) op het scherm tovert. Artiesten, muzikanten, een aap, een geit, een luipaard in een niet al te stevig uitziend houten hok, tentpalen, tentdoek en alle verdere benodigdheden van het Chitra Circus – vraag niet hoe, maar alles past op de open laadbak van één aftandse vrachtwagen. De dorpskinderen rennen de auto joelend tegemoet. Het opbouwen van de tent, op de oever van een rivier, is al een voorstelling op zich. Het circus bestaat uit meisjes met een fietsact, jongleurs, een dwerg, clowns, een niet meer zo jonge dame die bevallig met een parapluutje koorddanst, een luipaard die van wankel krukje naar wankel krukje springt en zich halverwege met zichtbare tegenzin door een man op de nek laat nemen. 

    Aravindan nam de film op in het dorp Thirunavaya aan de oevers van de rivier de Bharathapuzha. Een script was er niet. Op de eerste dag werd het circus opgezet en alle inwoners waren uitgenodigd om de voorstelling bij te wonen. Verschillenden van hen hadden nog nooit eerder een circus bezocht. Al snel vergaten ze de camera en de lampen en gingen volledig op in wat ze zagen. En zo gebeurt het wonder. Hoe armoedig de voorstelling ook is, het publiek gaat er volledig in op en leert jou zo beter te kijken: namelijk door de ogen van het oude besje dat haar tandeloze mond wijd open lacht van plezier. En jawel: even later kijk ook jij ademloos naar het kunststukje van een geit op een akelig dunne evenwichtsbalk.

    Het circus blijft drie dagen. De film, zwart-wit en in documentairestijl gedraaid, volgt het wel en wee van de artiesten en van de dorpelingen in het ritme van de opeenvolgende dagdelen. De magie maakt plaats voor melancholie. De koorddanseres doet haar kunstje al 44 jaar, vertelt ze, en ze is moe. En na drie dagen verliezen ook de dorpelingen echter hun interesse. Het gewone leven herneemt zijn loop en het circusgezelschap trekt weer verder zonder een spoor achter te laten.
    In 2022 presenteerde het Filmfestival van Cannes een gerestaureerde versie van Thampu in het programma Cannes Classic.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Menselijke contacten

    Toen zondag de week tot stilstand kwam, was het lente. De tuin trok maar je bleef binnen. Je werd ergens verwacht maar meldde je af. Er dreigde hoofdpijn. Lezen in Martelaarschap, Dagboeken 1965-1974 van J.J. Voskuil was de enige manier om rust te vinden. Niets fijner als lezen hoe anderen dagelijkse verplichtingen trotseren, vriendschappen onderhouden, standhoudt in het huwelijk. Dingen waarin je wel eens verstek laat gaan. Na de hoofdpijn kwam de slaap, waarna alles weer helderder werd. Op 4 september 1971 noteerde Voskuil hoe hij opknapt van een hoofdpijnaanval.‘ ‘s Avonds, als die langzaam wegtrekt, de bekende helderheid die alles doorziet en wijsgerige rust geeft. De eerste voorzichtige slokjes alcohol, die de hoofdpijn verder terugdringen. Een gelukkig man.’ Dan weet je dat de som van migraine geluk is.

    In Martelaarschap staan lange brieven waarin menselijke relaties worden uitgemeten. Brieven die je gretig leest, daarbij jezelf direct (in het uitspinnen van gedachten) op achterstand voelt staan. En dan de momenten van wrijving, ruzie met L.. Het elkaar niet begrijpen, het achteraf uitspreken van wat er verwacht werd (en waar opnieuw ruzie van komt) is fenomenaal. De aanschaf van een nieuwe stofzuiger gaat niet zonder slag of stoot. L. is voor een Siemens, hij een Miele. Op 12 juni bezochten ze de V&D en de Bijenkorf. Op 14 juni 1973 wordt op de Prinsengracht een Miele gekocht. Op 16 juni staat deze nog steeds in zijn verpakking, ‘Aan eigendom moet je langzaam wennen.’ noteert hij fijntjes die dag. Dat maakt het lezen van deze dagboeken zo heerlijk, op zeker moment de zelfreflectie.

    Op zaterdag 30 juni noteert hij dat hij na het eten de rem van L.’s fiets heeft gerepareerd. Zij verwachtte dat hij kwam afdrogen, waarover onenigheid. Hij stelt voor te gaan fietsen. Hij had moeten vragen (van L.) of ze eerst boodschappen moesten doen. Want, ‘Ze heeft al boodschappen gedaan, en ze had willen fietsen, maar het had een verrassing moeten zijn.’ Als ze dan toch fietsen, hij voor zij achter, is ze geërgerd ‘dat we rechtsaf slaan’. Even later roept ze kwaad ‘dat ik aan de verkeerde kant van de verkeerspaal langsrijdt’. Later vraagt hij welke kant ze liever op wil. Zij zegt dat hij geen rekening met haar houdt. Even daarvoor had ze gezegd dat hij geen rekening met haar hoefde te houden. De betekenis van iemand die zegt dat je geen rekening met hem/haar hoeft te houden, is meestal dat je er wel rekening mee moet houden. Dat moge duidelijk zijn.

    De dunne lijn waarop het huwelijk balanceert. Op zijn verjaardag 1 juli, zitten ze bij Américain. ‘L. met een pils en ik met een sorbet, omdat ik het er op mijn verjaardag eens van wilde nemen, wat L. weer wat verdrietig maakte achteraf, omdat ze het niet aardig vond dat zij voor die ene keer niet ook een sorbet had genomen.’ Waarna hij concludeert, ‘Zonder L. zou ik helemaal nergens zijn.’

    Op 11 juli ziet hij bij thuiskomst een onbeschreven girobiljet op zijn bureau liggen. “‘Wat moet dat girobiljet daar”, vroeg ik, geprikkeld en bereid om overal ruzie over te maken.’ God, wat neemt die man zich voor je in, hij zou het liefst de wereld de rug toekeren maar zal dit nooit doen. Alleen al door L., die hem bij de les houdt. Zouden huwelijken met de heftigste ruzies het langst duren?, denk je opeens. Je moet aan Joan Didion denken, die na het overlijden van haar man John Dunne (waar ze zeer trouw aan was gewesst) zei dat ze niet gelukkig waren. ‘Hij had een driftig humeur, werd driftig om alles.’

    Op 7 augustus noteerde Voskuil, ‘Vannacht werd ik zo triest wakker dat het even duurde voor ik wist waar ik was. Ik kwam tot de conclusie dat het kwam door al die geforceerde menselijke contacten die me dag in dag uit worden opgedrongen. Een onnatuurlijke toestand. Ik zou boer moeten zijn.’ Dat de mens maar een bepaalde hoeveelheid menselijke contacten per week, per dag kan hebben. Dat je alles het best uit kunt houden met een boek op de bank. Dat je van beroep het liefst lezer was geworden, of boerin op een klein stukje land.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Samsara

    Monniken met hun ogen dicht hebben een slaapverwekkend effect op me, vooral in de bioscoopzaal waar de overgang van licht naar donker de productie van melatonine stimuleert. In de film Samsara dragen de monniken fraaie oranje gewaden, zijn sommigen zo jong dat ze nauwelijks stil kunnen zitten en produceren gezamenlijk een soort gezoem dat resoneert in mijn borst en me automatisch aanzet tot bewust ademhalen. Aandachtiger ademen is een oude reflex. Jarenlang hield ik me bezig met boeddhistische leringen en retraites. Meditaties deed ik dagelijks. De drie edele waarheden bestudeerde ik aandachtig net als het achtvoudige pad. Ik wist dat ik me bevond in de eindeloze cyclus van leven en dood – samsara – maar probeerde daaraan te ontstijgen door te streven naar verlichting. Totdat ik me realiseerde dat het boeddhisme veel boeddhisten voortbracht, maar nul boeddha’s, wat vreemd was omdat de religie haar volgelingen wel het Nirwana beloofde. 

    Nee, nu spring ik niet naar Tommy Wieringa. Zijn boek heb ik nog niet gelezen. Ik blijf bij Samsara, de nieuwste film van Lois Patiño. Daarin gaat het over het wonderlijke geloof in reïncarnatie. Het schijnt dat de eerste christenen besloten de mogelijkheid van wedergeboorte niet op te nemen in hun nieuwe religie omdat het fatalistisch en lui maakte: ‘lukt het nu niet om het juiste te doen, dan komt het wel in een volgend leven.’ Daarom creëerden de christelijke aartsvaders het concept van hel en hemel; je moest het in dit ene leven goed doen, anders werd je op de Dag des Oordeels afgewezen. Het is een effectief werkprincipe gebleken. De kerk kreeg zijn zieltjes onder controle. Maar het idee van de hel is net zo bespottelijk als dat van reïncarnatie. Er is geen leven na de dood. Dat is het enige concept. Dood is dood. Misschien is het leven slechts een illusie van levende doden, maar dat is een mindfuck die een eigen column verdient. Hier beperk ik me tot de onmogelijkheid dat na de dood een samenhangend ik-besef rond blijft cirkelen in Bardo – de tussenwereld – totdat er een moment aantreedt waarop die arme dolende ziel opnieuw in den vleze mag treden.

    Lois Patiño doet in Samsara niettemin zijn best dat Bardo tot leven te brengen. Een kwartier lang wordt de bioscoopbezoeker met zijn ogen dicht geteisterd door harde, om niet te zeggen keiharde geluiden, en felle lichtflitsen, daarmee de tussenwereld simulerend. Volgens de Patiño is er na de dood een enorme herrie. Dat is op zich een grappige gedachte. Want de vooronderstelling is dat het na de dood stil is, doodstil. Soms schijn je ook een warm licht en een niet oordelende liefde mee te maken, zoals uit verhalen over bijna-doodervaringen blijkt. Maar bijna dood is niet dood. Bijna dood is iets wat iemand wellicht nog kan meemaken. Dood niet. Niemand  die dood is, kan iets ervaren. Wees niemand, zei een grappenmaker in dit verband ooit. Al het andere wat hierover wordt beweerd, is geloof.

     

     


    Jan Kloeze schrijft voor Literair Nederland maandelijks een column. Begin maart verschijnt zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

     

  • Me and my shadow

    En opeens is daar een schaduwkant. Eigenlijk sinds kerst. Er bewoog iets in me rond dat zicht wilde krijgen op een deel van mezelf dat ik maar niet te zien kreeg. Kort voor kerst las ik in Trouw de rubriek ‘Leesvoer voor de kerstperiode’ waarin zes schrijvers een boek aanbevolen. Elke Geurts tipte Ontmoeting met je schaduw. Ze had het over ‘de kracht van de onderdrukte kanten van je persoon’. Dat het enige wat je schaduw wil, is gezien worden. Dus kocht ik het boek, volgde het advies van Geurts op en kroop (lekker) onder een dekentje op de bank. Dat viel nog niet mee met een boek dat in gewicht een pond ruim overschreed en zich niet soepel liet openen. Tot blz. 79 kwam ik, daar las ik: ‘Feedback van anderen is een van de beste methoden om inzicht te krijgen in je persoonlijke schaduw. Hoe ziet iemand anders je?’ 

    Kort daarvoor las ik de roman Empusion dat opent met een citaat van Fernando Pessoa. ‘Het zonlicht blijft de regisseur van de waarneembare wereld. Het onbekende loert naar ons vanuit de schaduw.’

    Empusion wordt de feministische tegenhanger van De toverberg genoemd. Gek genoeg komen er geen vrouwen in voor. Ja, aan het begin, de kokkin,maar die ligt op bladzijde 39 al dood op de eettafel in de eetzaal. Een andere vrouw beweegt zich als een soort belofte door het boek, ongrijpbaar. Het boek wordt bevolkt door aan tuberculose lijdende mannen en hun verzorgers die in 1913 in een kuuroord in Görbersdorf verblijven. Deze mannen vinden vrouwen van een ondergeschoven soort. Dat het vrouwenlichaam niet de vrouw toebehoort, maar de mensheid. Wanneer er een literaire kritiek van een vrouw in de krant is geplaatst, zeggen ze: ‘Dus ook hier willen de suffragettes iets te vertellen hebben. Dit is werkelijk grotesk.’ Volgens hen schrijven vrouwen niet, ‘en als ze al schrijven dan lezen wij dat niet.’

    Het was ergerlijk, en ik vroeg me af wat Tokarczuk met al die vrouwmiskennende opmerkingen wilde laten zien. Tot ik achter in het boek onder ‘Aantekeningen van de auteur’ lees dat alle misogyne opvattingen afkomstig zijn van beroemde auteurs als Joseph Conrad, Freud, Fielding, Kerouac, Pound, Sartre, Yeats, Strindberg, Plato enzovoorts. Ja, dan is het opeens klip en klaar dat dit een feministische roman is.

    Tokarczuk schrijft na al die misogyne uitlatingen ergens: ‘Volgens ons is juist dat wat in de schaduw blijft, dat wat aan het oog onttrokken wordt, het interessantst.’ Het is of ik docente (Elke Geurts) van de cursus schaduwschrijven hoor praten. Drie zondagmiddagen ging ik naar de Haarlemmerdijk in Amsterdam. De eerste cursusdag riep ik, in een poging wat beslagen te ijs te komen naar de man of hij mijn schaduwkant kende. ‘O ja’, zei hij. ‘Dat jij alles altijd van de positieve kant ziet, dat alles zomaar kan.’  O jee, hier doelde hij op onze verhuisplannen, de (confronterende) discussie die ik de dag ervoor nog over voerde. Ik riep direct, terwijl ik mijn tas pakte, dat dat niet telde. Dat hij dat niet mocht gebruiken.

    Dat was natuurlijk wel een vet schaduw dingetje dat ik daar van tafel veegde.

     

    Deze week was ik in museum More en werd getroffen door het schilderij ‘Alter ego’ door de Zweedse kunstenares Mamma Andersson. Daarin was de schaduw zichtbaar gemaakt. Zag ik opeens  mezelf.

     

     

    Citaat Pessoa uit: Kroniek van een leven dat voorbij gaat / vertaling Michael Stoker


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.

  • Sylvia Plath en de ‘Big Freeze’

    Het was februari 1963 dat Sylvia Plath in Londen het leven liet. Het was de koudste winter ooit in Engeland, de ‘Big Freeze’. Op 11 februari stak zij haar hoofd in de oven. Kort daarvoor bracht ze haar twee kinderen een beker warme melk op bed, iets te eten. Ze trok ze een warme trui aan, ging terug naar de keuken, waar ze haar leven beëindigde. In de zomer, voorafgaand aan haar daad, verliet haar man, Ted Hughes haar voor een ander. Alsof dat alles verklaren zou.

    Ik lees de brieven die Sylvia Plath aan haar moeder in Amerika schreef. Op 2 oktober 1956 schreef ze, ‘everyday, one has to earn the name of “writer” over again, with much wrestling’. Haar hele leven was een ‘wrestling’ om erkenning te krijgen voor haar schrijverschap. Haar moeder adviseerde haar in een van haar brieven steno te leren zodat ze in haar onderhoud zou kunnen voorzien. Plath schreef haar terug dat er niets anders voor haar op zat dan te accepteren dat haar dochter schrijfster was.  

    In haar laatste brief aan haar moeder (February 4, 1963) schreef ze: ‘I shall simple have to fight it out on my own over here… The children need me most right now, and so I shall try to go on for the next few years writing mornings, being with them afternoons and seeing friends or studying and reading evenings.’ Op 12 februari ontving haar moeder een telegram van Hughes, ‘Sylvia died yesterday’. Ze werd dertig jaar, haar roman The bell jar was net gepubliceerd. 

    In februari 1963 waren het IJsselmeer en de Waddenzee bevroren. Ik was zeven, ik wist niets van Sylvia Plath. Op een zaterdag gingen mijn zus en ik met de slee naar de groenteboer voor een zak aardappelen. In twintig minuten gleden we erheen. Op de terugweg kregen onze rubberen laarzen geen grip op de bevroren grond. Mijn zus trok uit alle macht, ik boog om de slee een duw te geven en viel voorover op het ijs. Het leek wel een slapstick uit Laurel en Hardy. We gierden het uit.  Tot het bloed uit mijn gescheurde bovenlip de sneeuw kleurde. De vrieskou bracht alles tot stilstand. 

    De schrijfster Fay Weldon (1931-2023) schreef in 2006 een stuk over Sylvia Plath voor  Vogue Magazine. Ze was bevriend met de vrouw waarvoor Ted Hughes haar verliet. Ze schreef: ‘En koud was het, tijdens de winter van 1963. Ik was acht maanden zwanger toen Sylvia pillen innam en haar hoofd in de oven stak. Ik woonde twee minuten lopen bij haar vandaan. Ze woonde met twee kleine kinderen in een huurflat. Het was een klein, ellendig en koud flatje. Misschien maakte het bord dat aan de gevel hing en dat iedereen duidelijk maakte dat W.B. Yeats er had gewoond, iets goed. Ik wist dat het slecht met haar ging. Ik had bij haar langs moeten gaan. Ik had naar Sylvia toe moeten gaan. Ik wist dat ze vanuit haar flatje het huis in Chalcot Square kon zien waar ze met Ted had gewoond.’

    In de wonderschone roman over een liefde, Jij zegt het vertelt een gefictionaliseerde Ted Hughes over zijn leven met Plath. ‘Onwetend van de ramp die zich op 23 Fitzroy had voltrokken en die op dat uur aan het licht kwam, bracht ik op de vroege maandagochtend van 11 februari 1963 mijn vriendin naar haar werk, reed naar huis, maakte de kachel aan, ging achter de schrijftafel zitten en schreef. Het was nog drie uur lang bedrieglijk stil totdat rond twaalven de telefoon met een schok ontwaakte en snerpend de sluier van mijn ontzettende argeloosheid verscheurde. Ik nam op om het schot te casseren van de vier verwoestende woorden die de rest van mijn leven zouden nagalmen: “Je vrouw is dood.”’
    In februari denk ik aan Sylvia Plath, aan bittere kou.



     

    vertaling tekst Fay Weldon: Rob van Essen
    Jij zegt het
    / Connie Palmen / Prometheus (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.

     

     

     

     

  • Afko’s 

    Afkortingen, ik vind ze vreselijk. De onstuitbare zegetocht van het Engelse idioom in berichten vind ik al irritant genoeg, maar het ergste zijn gehanteerde acroniemen als YOLO, FOMO, BFF en OMG. En een stapelacroniem als Vrijmibo is ronduit belachelijk. Evenals Nanowrimo, de afkorting van ‘National novel writing month’, waarbij het de bedoeling is dat je in één maand 50.000 woorden schrijft. Dat zal nog een hele klus worden voor de mensen die vinden dat de titel van de wedstrijd al te veel woorden bevat om voluit te schrijven. En de vrouw in de trein die luid en uitvoerig haar seksleven besprak en haar keuze van anticonceptie, en toen van haar vriendin te horen kreeg dat het TMI was, op z’n Engels uitgesproken. Die afkorting moest ik thuis opzoeken: Too Much Information. Dat was ook erg. 

    Afkortingen zijn een belediging voor de taal. Ze suggereren dat de gebruiker de taal niet belangrijk genoeg vindt om woorden en begrippen voluit te schrijven. Bovendien geeft hij daarmee aan dat hij jou als lezer ook niet de moeite waard vindt om tijd en aandacht aan te spenderen. Je moet maar raden wat er staat. Zoek het zelf maar uit, zegt de afkorting.
    In het nieuwe nummer van het tijdschrift Onze Taal staat een mooi artikel van Ande Cremers,  getiteld: Een ‘bopla met biba’s’ (borrelplank met bitterballen), met een aantal frappante voorbeelden van ‘afkogebruik’ onder bepaalde groepen studenten. Wie het niet begrijpt, hoort er niet bij. Alsof ze lid zijn van de ‘Jopopinoloukicoclub’ van Joop ter Heul, over wie Cissy van Marxveldt schreef. 

    Afkortingen in literatuur of poëzie waren tot voor kort ondenkbaar. Nu worden er zogenaamde sms-gedichten geschreven, met afkortingen en emoji’s, omdat ze niet meer dan 160 tekens mogen bevatten, spaties en leestekens inbegrepen. Je leest ze alsof je een rebus oplost, maar een hoog literair gehalte is dan ook geen vereiste. Een voorbeeld van een gedicht met afkortingen dat ik wel mooi vind, omdat de afkortingen deel uitmaken van het creatieve eindrijm, is ‘De wilde kamelenman’ van Bibi Dumon Tak, dat als een zuinige contactadvertentie geschreven is, brieven onder nummer en betalen per woord:

    Wilde kamelenman, alleenstaand,
    zkt. kennismaking met vr.
    6 jr.
    kinderen geen bezwr.
    Sterk. Zeer trouw.
    Flex. Kan tegen hitte (+50 °C.)
    en extr. kou (-40 °C.)
    Komt uit Mongolië, Gobi wstn.
    Chinese uit Lop Nur geen probl.
    Mag ook hele harem zijn.
    Tam niet gewenst,
    (want te veel vermenst).
    Ben jij, of zijn jullie, de ware(n)?
    Laat dan een boodschap achter in het zand.
    We zijn nog maar met duizend,
    het is zo stil en leeg hier
    en mijn ♥ staat al te lang in brand.

    Afkortingen leveren tijdwinst op, wordt beweerd. Steeds vaker worden daarom ook de punten tussen de letters weggelaten: mvg, aub, dwz. Alsof je uren kwijt zou zijn aan het voluit schrijven van die woorden; mijn ergernis over die afkortingen duurt veel langer. En dan: wat doen mensen die ‘ffw88’ schrijven met al die gewonnen tijd? 

     

     

    Uit: Bibi Dumon Tak, Laat een boodschap achter in het zand (2018)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Verstrekkende betekenis van de Mauthausen Cyclus

     Hoe mooi is mijn geliefde
     Met haar doordeweekse jurk

     Met een kammetje in haar haar.
     Niemand wist dat zij zo mooi is.
     Meisjes van Auschwitz,
     Dachau meisjes
     Hebben jullie mijn geliefde gezien?


    Dit is een fragment uit één van de vier gedichten van Jacovos Kambanellis, door Mikis Theodorakis op muziek gezet en bekend als de Mauthausen Cyclus. Zondag 28 januari was het Internationale Herdenkingsdag voor de Holocaust. Het projectkoor Mazi verzorgde die dag een uitvoering van de Mauthausen Cyclus in de Remonstrantse Kerk, een 17e eeuwse schuilkerk
    in Alkmaar niet zichtbaar vanaf de openbare weg en een passende locatie voor een uitvoering van de Mauthausen Cyclus. Het zaaltje zat vol oudere mensen. Waarom waren er geen jonge mensen? Verdwijnt een begrip als Mauthausen langzamerhand steeds meer uit ons collectieve geheugen? Zal dit ook gelden voor Dachau en Auschwitz? Tijdens het concert betrapte ik mij op de gedachte dat er onder de toehoorders, ongetwijfeld gegrepen door de schoonheid van de muziek en verbijsterd door de bezongen verschrikkingen van de holocaust, totaal verschillende gedachten leven ten aanzien van de gebeurtenissen in de Gazastrook. Bizar dat juist Israël zich hedentendage voor de rechtbank moest verdedigen tegen de beschuldiging van genocide. Tijdens de nabespreking van het concert ging het echter alleen over de schoonheid van de muziek en de prachtige vertolking daarvan door Mazi. Misschien wel goed ook. 

    Voor mij is de de Mauthausen Cyclus nauw verbonden met de jaren van mijn politieke bewustwording. De militaire staatsgreep in Griekenland kreeg veel aandacht in Nederland en leidde er zelfs toe dat een vakantie naar Griekenland door menigeen werd gezien als collaboratie met het militaire bewind. Mijn belangstelling werd gewekt, ik ging lezen over Mauthausen, Dachau, Bergen-Belsen en Auschwitz.

    Auschwitz, dat was het concentratiekamp waarheen dr. Stoppelman (1914-1994) in 1944 na verraden te zijn in de onderduik, op transport werd gesteld. Stoppelman overleefde het kamp en was een van de belangrijkste getuigen in het proces tegen kamparts Mengele. Na de oorlog was zij kinderarts in het Binnengasthuis in Amsterdam waar ik als kind eens was opgenomen. Ik zie haar nog voor me. Een kleine vrouw met een vriendelijke uitstraling, grijs haar in een knotje, een bril op en vol belangstelling voor haar patiëntjes. Altijd droeg zij een witte doktersjas met korte mouwen, het getatoeëerde nummer op haar arm duidelijk zichtbaar. Pas later begreep ik dat dit het kampnummer was uit Auschwitz. Mijn vader vertelde mij dat zij, bij mijn aanmelding als patiënt, vroeg of de naam Bartman geschreven werd met één of twee ‘ennen’.

    Lange tijd zijn mijn herinneringen aan haar naar de achtergrond verdwenen tot ik plotseling in de Volkskrant (29 januari 2022) een paginagrote foto van haar zag staan. Ik was er diep door geschokt, zeker na lezing van haar aangrijpende levensverhaal van de hand van Ellen de Visser. Ik heb haar naam opgezocht op het Holocaustmonument in Amsterdam, wat grote indruk op me maakte. Haar naam daar op die muur te zien gaf voor mij betekenis aan al die namen op die muur. Men moet zich ervoor hoeden te verdrinken in grote aantallen. Je moet de eenling blijven zien. Later ben ik met mijn dochter afgereisd naar Vilnius in Litouwen en heb daar de massa-executieplaatsen bezocht bij Paneriai. We waren met stomheid geslagen, mijn dochter is mij toen dichterbij gekomen. Onlangs werd ik daar weer aan herinnerd bij het lezen van het hoofdstuk De grote begraafplaats van de Joden in het boek Duister Europa van Robert D. Kaplan, over de ontwikkelingen in wat hij noemt, Groot-Roemenië. 

    De Mauthausenliederen hebben een verstrekkender betekenis. De liederen, destijds vertolkt door Maria Faradouri, vonden een enorme weerklank in Griekenland. Na de Tweede Wereldoorlog raakte Griekenland als eerste betrokken bij de Koude Oorlog. Stalin en Churchill speelden eind 1944 in het geheim handjeklap en maakten op de achterkant van een lucifersdoosje de afgespraak dat Stalin voor 90% zijn gang kon gaan in Roemenië, Hongarije, Bulgarije en Joegoslavië, terwijl Engeland het voor het zeggen zou hebben in Griekenland. Griekenland raakte verzeild in een burgeroorlog (1946-1949) tussen enerszijds de communisten en anderszijds de door Engeland en Amerika gesteunde conservatieve regering. Een regering die zwaar leunde op ex-fascisten die nauw hadden samengewerkt met de Duitsers en gruwelijk hadden huisgehouden onder het grotendeels uit communisten bestaande verzet. De Engelsen en Amerikanen hadden hier geen moeite mee. Immers, ex-fascisten waren de beste anti-communisten.

    Deze gebeurtenissen zijn aangrijpend op familieniveau beschreven door Periclis Sfyridis in zijn boek Blauwe en rode ziel. In het jaar van het verschijnen van de Mauthausen Cyclus in 1967, vond er in Griekenland een militaire staatsgreep plaats. De Mauthausenliederen werden verboden, Theodorakis gearresteerd. Hij verdween zoals zovele anderen, in de kerkers van het kolonelsregime. Zo werden zijn liederen verzetsliederen en werden in gevangenissen gezongen en geneuried. Theodorakis kreeg een heldenstatus, niet alleen in Griekenland, maar ook in Nederland. Waar de roerige jaren zestig met zijn anti-Amerikaanse inslag door de dagelijkse tv-beelden van de oorlog in Vietnam een aanvang namen. Tegen deze achtergrond moet de impact van de Mauthausenliederen op mij gezien worden.

     

     Meisje met je bange ogen
     Meisje met je ijskoude handen
     als de oorlog voorbij is,
     vergeet me niet.
     Vreugde der wereld,
     kom naar de poort
     Laten we elkaar kussen op de weg
     Laten we elkaar omhelzen op het plein

     


     

    Misschien is deze column over het leven van Marie Stoppelman ook interessant om te lezen.

     

  • De pijn van het afscheid

    Als de Amerikaanse documentaireregisseur James Blue (1930-1980) ergens om herinnerd zal worden, is het om zijn documentaire The March, over de Mars op Washington van 28 augustus 1963 met Martin Luther Kings beroemde toespraak ‘I have a dream’. Maar een jaar eerder leverde hij een film af die nauwelijks minder indrukwekkend is: Les oliviers de la justice. Het is zijn eerste en enige verhalende speelfilm, met een Franse productiemaatschappij clandestien gedraaid (onder het mom dat het een film over de wijnbouw zou worden) in Algerije terwijl de onafhankelijkheidsstrijd gaande was.

    Een volwassen zoon, Jean, een pied-noir, een in Algerije geboren Fransman, is teruggekeerd naar Algerije, omdat zijn vader er op sterven ligt. Deze vader heeft op het Algerijnse platteland een florerende wijngaard aangelegd, zijn levenswerk, die hij echter onder druk van de veranderde maatschappelijke verhoudingen heeft moeten verkopen. Hij woont nu met zijn vrouw in een bovenwoning in Algiers. Zijn sterfbed loopt synchroon met het sterfproces van het Franse kolonialisme. Beelden van de actualiteit in Algiers worden afgewisseld met Jeans herinneringen aan een onbezorgde kindertijd op de familieboerderij. De Algerijnse boezemvriendjes van toen zijn volwassen mannen geworden, die de strijd voor een onafhankelijk Algerije (1954-1962) steunen maar toch ook nog op een bepaalde manier gehecht zijn aan hun vroegere baas, zoals Jean op zijn beurt gehecht is en blijft aan het land en de vrienden van zijn jeugd. 

    Over die wederzijdse gehechtheid en de worsteling om die te verbreken, gaat het. De film is gebaseerd op de gelijknamige roman van Jean Pélégri, die samen met Blue het script schreef en de oude Franse wijnboer speelt. Pélégri was een van de 900.000 Europese Algerijnen die in de maanden na de Algerijnse onafhankelijkheid naar Frankrijk vluchtten. De weemoed en de pijn van het afscheid waarmee Jean door Algiers loopt doen denken aan die al net zo prachtige en net zo vergeten film Déjà s’envole la fleur maigre (1960) van de Belg Paul Meyer over het afscheid van een Italiaanse gastarbeider van de Borinage. Net als deze documentair gedraaide speelfilm bezit Les oliviers de la justice een overrompelende, neorealistische authenticiteit, die het verdriet bijna tastbaar maakt. Een andere overeenkomst is dat beide films, de ene in België, de andere in Frankrijk, jarenlang verboden waren.

    James Blue, die zijn in Amerika begonnen filmstudie afrondde aan de fameuze IDHEC filmschool in Parijs (hij maakte samen met studiegenoot Johan van der Keuken in 1957 de afstudeerfilm Paris a l’aube), zou de rest van zijn leven (veelal korte) documentaires maken. Ook gaf hij les aan de UCLA. Onder zijn studenten waren Francis Ford Coppola, George Lucas, Terrence Malick, Paul Schrader en Jim Morrison. In een artikel uit 1976 schreef hij: ‘In plaats van mensen op te leiden voor een meer dan twijfelachtige carrière in Hollywood, kunnen we ze kanaliseren naar het ontwaken van een gemeenschapsgeweten. Er is genoeg werk voor iedereen.’ 

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Ode aan de allenigheid

    Er zijn boeken waarnaar je kunt verlangen ze opnieuw te lezen. Zoals anderen jaarlijks De avonden van Reve herlezen, las ik jaren achtereen Een braaf meisje van Philip Roth tijdens de kerstvakantie. Ook naar de Faxen aan Ger van Mizee of In koelen bloede van Capote kan ik verlangen, of dat ene boek Wat behouden blijft van Wallace Stegner. Om de sfeer, de kunst van het schrijven die ik eruit af wil lezen. Het laven aan levens die op papier hun beslag vinden. Ik zoek naar uitdrukkingen die kunnen verklaren waarom Café Dorian me zo bezighoudt dat ik het nog eens ging lezen. Waardoor het me opnieuw betoverde. Ik genoot van elk borreltje dat er geschonken werd, de beschrijvingen van de personages ‘Als de avond valt zit je op een krat voor Abu’s winkel terwijl hij zakjes kikkererwten en linzen uit dozen haalt, ze schikt in het rek daaronder.’ Ik had het net uit, maar pakte het snel mee toen ik een trein naar Amsterdam moest halen. Alsof er geen stapels boeken op tafel voor het grijpen lagen. 

    Er is een vrouwelijke verteller die jaren geleden door haar geliefde werd verlaten. Ze was zwanger van hem. Ze heeft het hem vergeven, maar is hem niet vergeten. Tien jaar later zoekt  ze zijn naam op Facebook. Hem daar te vinden brengt een schok teweeg, een schok die haar doet besluiten hem tot personage te maken in een stad aan een rivier in een Zuid-Europees land met een café en allerlei mensen die door zijn leven bewegen. En een zoon. De geliefde heette Guillaume, als personage krijgt hij de naam Hollander. Ze schrijft hem een nieuw leven in, een leven zoals zij hem zou gunnen.

    ‘Ik had geen account, snap niet waarom ik er na al die jaren een aanmaakte om je op Facebook te gaan zoeken. Nee, dat snap ik wél: als je nog ergens bestond dan had je uitgerekend dat ons kind op 25 oktober tien jaar zou moeten worden. Ik vond je meteen en liet verder alles uit mijn handen vallen: dagenlang kreeg ik geen woord op papier.’ In die schok zit een weten dat pas op de laatste pagina’s onthuld wordt. Het boek geeft langzaamaan een andere werkelijkheid prijs.

    Hollander koopt cadeautjes voor het kind waarvan hij niets weet maar waarvan de vertelster het hem laat weten. Ze schrijft hem naar het kind toe, laat hem het kind zien terwijl het bij haar op de fiets zit. ‘Over drie dagen is de jongen jarig. Het kind dat je steeds helderder voor ogen ziet wordt tien en op de avond voor zijn verjaardag zal zijn moeder in een storm van scharen, plakband en rollen papier cadeaus inpakken’, schrijft ze.

    Toen je laat in de avond weer in de trein zat, wist je opeens waar dit boek aan raakte. Je dacht aan die andere roman Het jasje van Luis, over de verdwijning van een ‘vaderlijke’ vriend. Je meende dat dit boek geschreven is om die vriend eindelijk dat zo gegunde leven na zijn levenseinde te geven. Met deze gedachte ga je natuurlijk te ver, dat weet je ook wel. Maar zo mooi is literatuur, zo mooi is dit boek. Dat je een wending kunt geven aan de werkelijkheid, aan meegegeven intenties. Café Dorian is een prachtige, zachtmoedige roman. Een roman waaruit een verlangen naar de omkeerbaarheid der dingen spreekt. Daarmee een ode is aan de allenigheid van de mens.



    Café Dorian / Gilles van der Loo / 237 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.

  • Een kano maken

    Vorige week werd me tijdens een boekenfeestje een boek toegestopt met de woorden, ‘Jij kunt wel wat poëzie hebben’. Ja, ja, haastte ik me te zeggen, als kreeg ik een borrel aangereikt waar ik hard aan toe was. Het was een boek van gewicht, Omeros van Derek Walcott. Ik keek ernaar alsof ik nog nooit zoiets gelezen of gezien had, en dat was ook zo. Omeros verscheen 1990 in Amerika waar de in Saint Lucia geboren Walcott woonde. Hij was een Nobelprijswinnaar (1992), voor hem gewonnen door Nadime Gordimer, na hem door Toni Morrison. Schrijvers die ik wel in hun tijd las. De jury noemde zijn werk in 1992, ‘een poëtisch oeuvre met grote helderheid, gedragen door een historische visie die uit een multicultureel engagement is voortgekomen.’ Omeros is een epos in vierenzestig verzen. Het boek opent met een ongelofelijke directheid. 

    ‘”Zo hakken wij, bij een zonsopgang, die kano’s om.”
     Philoctetes glimlacht voor de toeristen die zijn ziel willen
     vangen met hun camera’s. Als de wind het nieuws komt

     brengen bij de laurier-cannelles gaat hun blad trillen
     zodra de bijl van het zonlicht de ceders treft,
     omdat ze de bijlen in onze ogen konden zien.’

    Mijn geest gaat direct aan het vertalen, maakt beelden van wat er staat. Bij ‘de bijlen in hun ogen konden zien’ voel je angst. De boom wordt aangevallen en neemt daar – trillend van angst – notie van, ziet zijn ‘killer’ toeslaan. De houthakkers zijn moordenaars. Nadat ze geveld zijn, worden de holtes van de bomen uitgebrand om tot de vorm van kano’s te komen. Je ziet het ontstaan. Daar waar eerst de boom stond, is een gat in de grond. De simpele ambacht van het creëren van een boot, en dat wat achterblijft.

    ‘Hij zag het gat zich herstellen met het schuim van een
    wolk als stortzee. Toen zag hij de kleine zeezwaluw’

    Stop. Nu niet steeds vertalen van wat je leest. Het komt er altijd slechter vanaf, dan wat er staat. Walcott lezen brengt iets teweeg, een vibratie die doorklinkt, een overschrijden van de mate waarin iets begrepen kan worden. Door enkel te luisteren naar wat er verteld wordt, woord voor woord, regel voor regel, witregel en opnieuw regel voor regel, wordt er iets vloeibaar. Gaat het stromen. Je kende de schrijver van naam, maar het gewicht van zijn werk nog niet. Vooreerst ben ik zonder commentaar.

    ‘Een criticus die weigert te veroordelen is geen criticus; een criticus die alleen bewondert en waardeert, plaatst zich buiten de kritiek.’, lees ik in het kleine blauwe boekje, Over recenseren van T. van Deel. Dat er nog boeken zijn die je alles wat je daarvoor las doen vergeten. Niet oordelen, het enkel ondergaan is soms wat een boek van je vraagt. 

     

     

    Uit: Omeros / Derek Walcott / Vertaling: Jan Eijkelboom / De Arbeiderspers (1993)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ontdekt wekelijks nieuwe boeken.

     

     

  • De Mrs. Dubose methode

    De oude mrs. Dubose heeft mij vijfentwintig jaar geleden van het roken afgeholpen. Zij is de krengerige dame die in To kill a mockingbird van Harper Lee de dertienjarige Jem zo treitert, dat hij uit machteloze woede alle camelia’s in haar tuin vernielt. Voor straf moet hij haar een maand lang elke middag voorlezen, tot de wekker gaat die haar dienstmeisje elke dag een beetje later laat rinkelen. Wat Jem niet weet is dat deze vrouw kanker heeft en vastbesloten vecht tegen haar morfineverslaving. Het voorlezen dient als afleiding om de toediening van het medicijn steeds een beetje langer uit te stellen, net zo lang totdat ze daadwerkelijk zonder kan. Want ze heeft zich voorgenomen om als ze sterft ‘to leave this world beholden to nothing and nobody.’ De ijzeren wil en de moed van de breekbare oude dame dwongen mijn bewondering af. Zo wilde ik ook zijn, nam ik me voor, ‘de slavin van niets en niemand’ (vertaling van Hans Edinga). Dus heb ik nooit meer gerookt, maar ik heb nog niet, zoals zij, alles losgelaten.

    Ik moest aan mrs. Dubose denken nu de telefoonverslaving van jongeren zo vaak in het nieuws is. Door vijf, zes uur per dag met hun telefoon bezig te zijn krijgen ze lichamelijke klachten, worden geestelijk lui en raken in een sociaal isolement. In diezelfde tijd zou je veel andere dingen kunnen doen, zoals lezen. Maar ik heb makkelijk praten, want ik heb geen smartphone maar wel heel veel boeken, bewijzen van een bezetenheid waarvan ik niet wil genezen.  

    Het zou goed zijn om, geheel in de stijl van mrs. Dubose, telefoonverslaafde jongeren voor te lezen, elke dag een kwartiertje langer. Eerst hun telefoon laten inleveren, dan een goed boek uitzoeken, spannend en dik genoeg om er een tijd mee te kunnen uitzitten. Om dan net als Sheherazade elke keer te besluiten met een cliffhanger die de toehoorders zo doet snakken naar het vervolg dat ze smeken om door te gaan. En dan maar hopen dat ze uiteindelijk ten prooi vallen aan een andere verslaving, een die hun leert zelf na te denken, hun verbeeldingskracht te gebruiken, empathie te kweken en te ontdekken dat ieder mens anders mag zijn. Voorgelezen worden en zelf lezen zijn het medicijn tegen vele kwalen zoals , onwetendheid, onbegrip en intolerantie, terwijl het eeuwige scrollen op een scherm hen op den duur eenzaam en ongelukkig maakt. Ik vraag me af of de dichter Ellen Warmond dat bedoelde toen ze het volgende gedicht schreef:

    S.O.S.

    ‘De telefoon opnemen op de grens
     van het bestaanbare ten einde raad
     een wildvreemd nummer draaien
     roepend:
     ik ben doodongelukkig dood
     en ongelukkig zeg iets
     wat mooi klinkt lieg iets
     wat beter lijkt ik ben
     doodongelukkig red mij.’

    Gelukkig zijn er heel veel ouders en docenten die de Mrs. Dubose-methode allang hanteren, niet voor straf, maar uit noodzaak. Ray Bradbury schreef: ‘You don’t have to burn books to destroy a culture. Just get people to stop reading them.’ Lang leve de mensen die dat proberen te voorkomen.

     

    *Uit: ‘Proeftuin’ (1953) Ellen Warmond


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Gestolen momenten

    Dan is er opeens het besef van ‘a lady of a certain age’, uit dat nummer van Divine Comedy. Al weken speel ik het af op Spotify. Alsof ik er een verborgen betekenis in moet vinden. Ik had het niet door, maar het gaat over dingen die voorbij gaan, nooit meer terugkomen. De waarheid is als Barbapapa, steeds van kleur en vorm veranderend. Ik dacht aan het interview met de gepensioneerde hoofdredacteur van de The Washington Post, Martin Baron. Dat Trump hem woedend belde als er een stuk over hem verschenen was dat hem niet beviel. Beweerde dat de The Post een ‘haatmachine’ en een ‘dikke vette leugen’ was. Baron liet hem uitrazen, beëindigde dan het gesprek. Want: ‘Ik had andere dingen te doen.’ Je niet gek laten maken. Dat zou je ook wel willen. Dag voor dag, Een getijdenboek van de liefde van Helga Schubert, gaat over haar man, die ze als jonge vrouw leerde kennen. Hij was haar docent, ze schelen dertien jaar. Hij lijdt aan dementie, heeft constante zorg nodig die zij hem geeft.

    Je denkt aan twee vrouwen in je omgeving die mantelzorger voor hun partner zijn. In Dag voor dag schrijft Schubert dat het leven zich uiteindelijk vernauwt tot ‘gestolen momenten’, waarin ze kan schrijven. Een moment van respijt heeft. Ook was er een verheugen, als haar man voor de nacht was klaargemaakt, ‘we onze handen in elkaar verstrengelden, zijn koude in mijn warme, dan begon voor ons de mooiste tijd van de dag: hij zei dat ik zijn moeder, zus, zijn grote broer, die allemaal dood zijn, zijn man zijn vrouw ben. Alles. Ik vroeg of hij geen pijn had en ik verheugde me al op het opstarten van de laptop, vooraf de begroetingsfoto van hoge golven tegen een fort in de Atlantische Oceaan. Eigenlijk maakt het niet uit waar ik woon, dacht ik, zolang hij er maar is, en als hij niet meer in dat verpleegbed zou liggen, tevreden en voldaan en zonder pijn, maar zijn lichaam dood zou zijn en ik in een eenkamerwoning, misschien wel in een tehuis of in een oude woongroep in Nederland of aan de Noordzee of in Berlijn zou wonen, zou hij er ook altijd zijn, want hij is in mij.’ Hoe klein het leven wordt.

    Een mooi boek, over stilstaan, maar ook over verdergaan waar de ander achterblijft. Als ze vraagt of hij geen pijn heeft, op dat moment is ze de werkelijkheid al een stap voor, door het verheugen op wat komen gaat. Dat gestolen moment. Schubert schreef een geschiedenis van een liefde. Op de achtergrond het verhaal van de oorlog, waar haar man als zeventienjarige inging, na drie jaar krijgsgevangenschap weer uitkwam. En hoe je je bedrogen kunt voelen omdat de partner die je kende, niet meer is. En dat zulke verhalen je steeds meer aangrijpen.
    Ja, die dame van een zekere leeftijd. Ik zing mee terwijl ik de eerste helft van het refrein typ: ‘You chased the sun around the Cote d’Azur / Until the light of youth became obscured / And left you on your own and in the shade / An English lady of a certain age’. Dat alles voorbij gaat, dat je het weet. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem