• Een overlever zonder huid

    Op 29 april 1995 onthulde het tv-programma Brandpunt dat de gewaardeerde Duitse hoogleraar Germanistiek Hans Schwerte in de oorlog SS-Hauptsturmführer was geweest onder Himmler. Hij had zich in het begin van de oorlog twee jaar in Den Haag bezig gehouden met onder andere rassenleer en genetica. Schwerte had zijn nieuwe carrière na de oorlog kunnen opbouwen omdat hij een verzonnen identiteit had aangenomen. Zijn echte naam was Hans Ernst Schneider. Hij bekende ‘diepe schaamte en rouw’, maar kreeg een storm van kritiek over zich heen en raakte zijn onderscheidingen en pensioen kwijt. Eén van de weinigen die het voor Schwerte opnam was Hans Keilson, de Joodse schrijver en psychiater wiens leven getekend was door de nazi’s: Keilson was naar Nederland gevlucht voor de Jodenvervolging en verloor zijn ouders in Auschwitz.

    Keilson had bewondering voor wat Schwerte had bereikt, maar vooral waardering voor diens eerlijkheid en inzicht in zijn eigen fouten. Hij zei naar aanleiding van deze hetze zelfs: ‘Ik zou niet willen zeggen dat ze nu met deze ex-nazi omgaan zoals ze vroeger met de joden omgingen, maar het komt wel aardig in de buurt’. Wie Hans Keilson tijdens zijn leven heeft gevolgd zal er niet eens van opkijken. Wie nu door middel van de biografie van Jos Versteegen kennis met hem maakt, kan aangekomen bij de beschrijving van deze rel (hoofdstuk 13), Keilsons reactie wel begrijpen. De biograaf heeft daarvóór uitgebreid aandacht besteed aan diens belangrijkste levenshouding: dat haat niet met haat dient te worden beantwoord. In de woorden waarmee Versteegen Keilsons gedachten samenvat: ‘Nieuwe haat tegenover oude haat stellen was een slecht idee, want dat betekende continuering van de cyclus van de haat en dus van de vernietiging’.

    Personage B.

    Keilson (1909 – 2011) huldigde die opvatting al vroeg. Zijn beroemde Tod des Widersachers verscheen voor het eerst in 1959 en een jaar later in het Nederlands als In de ban van de tegenstander. De eerste aanzetten daarvoor schreef Keilson al in 1944. Het boek kreeg pas wereldfaam toen The New York Times er in 2010 een enthousiaste recensie aan wijdde. Keilson was toen honderd jaar en dook ineens in allerlei tv-programma’s op, waaronder DWDD. Blijkbaar was de wereld toen pas op grote schaal toe aan erkenning van zijn belangrijke inzichten.
    In de ban van de tegenstander (dat veel autobiografische elementen bevat) gaat over de verhouding tussen Hitler en de Joden, hoewel de naam Hitler (personage heet in de roman B.), en de woorden ‘nazi’ en ‘Jood’ er niet in voorkomen. Het grondthema van de roman is dat haat een projectie op de tegenstander (zondebok) is van alles wat je van jezelf niet onder ogen wilt zien. Wie dat doet verdraagt zijn gehate kant niet en wil die ook niet weerspiegeld zien in iemand anders.: ‘In hem, de “ander” moet hij zichzelf vernietigen om de waan van zijn eigen grootsheid te redden’.  Vanuit dat inzicht kon Keilson met Schwerte contact leggen in plaats van met hem af te rekenen. Hij wilde doorzien welke krachten ertoe hadden geleid dat zoveel Duitsers Hitler-volgers werden en zijn haat tegen Joden deelden.

    Sequentiële traumatisering

    In de wetenschappelijke kant van Keilson was die gedachte eveneens leidend. Hij legde zich als psychiater/psycho-analyticus toe op hulp aan oorlogsweeskinderen. Een nieuwe aanpak daarin was zijn idee van de ‘sequentiële traumatisering’. Dat ging uit van drie opeenvolgende fases: de bezetting en de Jodenvervolging in Nederland, gevolgd door de deportaties en het verblijf in concentratiekampen of de onderduik en tenslotte de na-oorlogse periode waarin de kinderen werden toegewezen aan een voogd of instelling. Hij heeft veel van die kinderen geholpen door die fases te erkennen, en omdat hij goed kon luisteren. Keilson promoveerde op het onderwerp in 1979 en gaf er tal van lezingen over. Waarbij hij nog wel eens het verwijt kreeg dat die onderzoeken te statistisch waren.
    In de biografie is dat niet te merken. Versteegen verliest zich allerminst in cijfers, maar slaagt erin duidelijk te maken hoe belangrijk het werk van Keilson was en welke problemen de kinderen tegenkwamen na de oorlog. Ze kregen toen te maken met discussies die meer gingen over rechten van ‘onderduikouders’, pleeginstellingen, en de vraag of nieuwe voogden orthodox genoeg waren, dan met de zorg om het verlies van ouders en andere familie in de kampen. Door die voogdijdiscussies kregen die kinderen er nog een trauma bij.

    Blijven houden vanWagner

    Versteegen staat ontegenzeglijk erg sympathiek tegenover Keilson, maar hij verzwijgt niet zijn wat onbeminnelijke kanten zoals zijn jaloezie, zijn niet altijd respectvolle omgang met vrouwen, zijn ijdelheid  en zijn aandeel in de verwijdering tussen zijn dochter uit zijn eerste huwelijk, Barbara, en zijn zus Hilde. Waardevol in deze biografie zijn de heldere duiding van de diverse boeken en gedichten van Keilson, het zicht op de receptie daarvan in verschillende tijdsperioden, de reikwijdte van zijn therapieën en zijn verhouding tot de Duitse taal en Duitsland dat hem zoveel ellende had bezorgd. Versteegen maakt aannemelijk waarom Keilson bijvoorbeeld van Wagner, bij uitstek de nazi-componist, kon blijven houden.

    Er blijven ook vragen onbeantwoord omdat Versteegen niet teveel wil speculeren. Opvallend is dat hij signaleert dat Keilson zelfs in een ernstige roman als In de ban van de tegenstanders grapjes (‘knipoogjes’, noemt Versteegen ze) kon maken. Zo noemde hij twee katten die er in voorkomen Hützi en Bützi, naar de bijnamen die twee kinderen van een psychiater hadden bij wie hij college had gelopen. Het maakt nieuwsgierig naar het ‘knipoogje’ dat Keilson wellicht maakte toen hij in zijn valse persoonsbewijs in de onderduiktijd de naam Johannes Gerrit van der Linden liet vermelden. Zou hij gedacht kunnen hebben aan de destijds populaire Nederlandse dichter ‘De Schoolmeester’(Gerrit van de Linde) die tevens kostschoolhouder was (Keilson dichtte zelf en gaf sport- en muziekles aan kinderen die hij opving)? Hier stelt Versteegen de vraag niet.

    Hans Keilson – Telkens een nieuw leven doet recht aan een getormenteerd leven van een belangrijk schrijver en psycho-analyticus die de moed had om onder ogen te zien hoe haat gevoed wordt, een echte overlever, maar ook iemand die door alles wat hij geleden had, op zijn eerste vrouw Gertrud  overkwam als  (in haar woorden) ‘een mens zonder huid’.

     

     

  • Geen volk kan zonder verhalen

    Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas begint de epiloog in zijn boek Mohammed en het ontstaan van de islam als volgt: ‘Godsdienststichters komen nooit ‘uit het niets’ tevoorschijn. Ze zijn het product van hun omgeving en van hun tijd. Maar hun blik reikt verder’.

    Het is inderdaad wat dit boek zoveel boeiender maakt dan een levensbeschrijving van iemand die ideeën had waar hij anderen voor wist te winnen. Hulspas laat zien hoe de opkomst van de islam alles te maken had met de bewustmaking van een Arabische identiteit. En hoe die identiteit zijn basis vond in een herkomstmythe en geloof in een lotsbestemming. over zijn oorsprong.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hulspas zijn biografie van Mohammed begint met de politieke constellatie van de regio. In de eerste eeuwen van onze jaartelling was er eigenlijk nog geen sprake van een Arabisch volk. Eeuwenlang was het gebied ten prooi aan een machtsstrijd tussen Perzen en Byzantijnen, die beurtelings Arabische stammen inschakelden om voor hen te vechten. Het was in de ogen van de strijdende partijen een gevecht tussen Goed en Kwaad, een zienswijze die zijn basis vond in de verschillende religies, het christendom van Byzantium en het zoroastrisme van Perzië. Dwars door deze tweestrijd liep bovendien het Joodse volk, waarvan de leden verspreid over de hele regio woonden.

    Arabië, voor zover daarvan sprake was, was niet meer dan een schiereiland (met onder andere Saoedi-Arabië en Jemen). Het allegaartje van stammen dat daar woonde werd gedwongen onderlinge verschillen voor lief te nemen en zich te verenigen, toen de tweestrijd van de grootmachten beslecht leek te worden in het voordeel van de Perzen. Dat was een schrikbeeld voor die stammen die vanouds meer sympathie hadden voor het christendom.

    Maar wat moest die Arabische stammen binden? Daarin speelde Mohammed een essentiële rol door zijn woonplaats Mekka, die in het handelsverkeer nauwelijks van betekenis was, en de daar aanwezige Kaäba, te verbinden met een religieuze oorsprong. In zijn visie stamden de Arabieren af van Abraham, net als de Joden en christenen. Maar die waren afgedwaald van het geloof van deze aartsvader. Dat gold ook voor de Arabieren zelf, doordat ze het oudste heiligdom van het Abrahamistische geloof, de Kaäba, ernstig hadden verwaarloosd. En zo kon Mohammed de nieuwe Profeet worden die waarschuwde voor de komende Eindtijd als de Perzen zouden winnen. Alleen een terugkeer naar het zuivere geloof van Abraham kon redding bieden. In het begin verzamelde Mohammed nog slechts een aanhang in kleine kring, vooral omdat zijn aanhangers (de Hoems) wel de afstamming van Abraham aanvaardden, maar moeilijk de verering van ‘de drie dochters’, de vrouwelijke bemiddelaars tussen God en de mens, konden loslaten; een verering die door Mohammed, als voorstander van een volmaakt monotheïsme, werd afgewezen. Het zou na 12 jaar de reden worden voor een verhuizing van de Profeet naar Medina, de plaats waar hij in 632 zou sterven.

    Wie het leven van Mohammed wil beschrijven kan zich nauwelijks op vaststaande feiten beroepen. Ook Hulspas stonden slechts de Koran en de traditie, dat wil zeggen de overgeleverde verhalen en gebruiken, ten dienste. Die verhalen zijn lang van mond tot mond gegaan voor ze werden opgetekend. De oudste bewaard gebleven verzameling ervan die een gestructureerde biografie van de Profeet biedt, is die van Mohammed ibn Ishaak (de Nederlandse vertaling, Het leven van Mohammed, verscheen bij Bulaaq en is nog altijd verkrijgbaar). Hulspas leunt zwaar op deze biografie, maar gaat er bijzonder kritisch mee om. Even gedegen en doorwrocht is zijn exegese van de Koran. Hij ontleedt de verzen tot op het bot en elke bewering van eerdere biografieën wordt zo minutieus tegen het licht gehouden dat de lezer alleen maar diep ontzag kan hebben voor de mate waarin Hulspas zich zijn onderwerp heeft eigen gemaakt. Een enkele keer dreigt zijn verhaal wat breed uit te waaieren als hij nuance op nuance stapelt bij alle mogelijke interpretaties of bewerkingen van een Koranvers of het belang dat iemand kan hebben gehad om elementen in een verhaal weg te laten of toe te voegen. Er zullen best lezers zijn die, bijvoorbeeld in hoofdstuk 17 ‘De oorlog tegen Mekka en de Joden’, bezwijken onder de vele zinswendingen als  ‘gesteld dat’, ‘mogelijk’, ‘waarschijnlijk’, ‘als dit echt gebeurd is’, ‘suggereert dat’, om dan aan het slot te lezen: ‘Kortom, de latere verhalen zijn niet te vertrouwen’.

    Maar wie bereid is alle voorbehouden voor lief te nemen heeft met Hulspas’ boek een heldere biografie van Mohammed en een goede handleiding voor de benadering van de Koran in handen. De auteur maakt tevens duidelijk wat dit heilige boek nu werkelijk zegt over zaken die in onze dagelijkse actualiteit vaak worden opgedist als de belofte dat martelaren voor het geloof een paradijs met maagden wacht en hoe het gesteld is met de vrouw in de islam.

    Bovendien is de toon van Hulspas altijd licht en verstaat hij zijn vak om wetenschap aan leken over te brengen. Hij vertelt de verhalen op een smeuïge manier in verrassend frisse taal. Maar ook zijn bespiegelingen zijn zo ingeleefd dat je meegenomen wordt in de tijd. Af en toe roepen ze zelfs een glimlach bij je op: ‘Humor is zeldzaam in de Koran (…) Maar hier en daar klinkt in de openbaringen de invloed door van beroepsvertellers, die hun luisteraars graag vermaakten met grappige verhalen. Zo kregen ze wellicht de lachers op hun hand met het uitbeelden van Mozes toen deze plotseling, bij het naderen van een wonderlijk brandende braambos, de stem van God hoorde.’

    En als hij beschrijft hoe tolerant de islam zich opstelt tegenover de plicht tot het verrichten van de ‘heilzame werken’ (het bidden, het geven van aalmoezen, de ramadan enzovoort) noemt Hulspas God ‘geen scherpslijper’.

    Mohammed en het ontstaan van de islam geeft een verhelderend zicht op de basis van een religie die het Arabische volk een gevoel van eigenwaarde gaf. Dat kan leiden tot meer begrip. Dat ieder er zijn eigen interpretaties op na houdt, van moslimfundamentalisten aan de ene en islamofoben aan de andere kant, daar kan Hulspas natuurlijk weinig aan veranderen.

     

     

  • Biografie over ‘ongepolijste’ schrijver

     

    Er zijn verschillende biografieën verschenen over de Amerikaanse schrijver Jack London (1876-1916); hieraan heeft onze landgenoot Hans Dütting (1947) er in 2014 eentje toegevoegd onder de simpele titel: Jack London.

    Dütting heeft meerdere biografieën geschreven, o.a. over Jan Cremer; hij was tot zijn pensionering als medewerker verbonden aan het Letterkundig Museum in Den Haag. De werkwijze van de biograaf is als volgt. Hij opent met een chronologie van het leven van Jack London. Op zich niets bijzonders, dat doen wel meer biografen. Maar Dütting doet dat heel strikt – jaartalsgewijs – bovendien vermeldt hij per jaartal diverse belangrijke gebeurtenissen.

    Voorbeelden: 1882: Jack London bezoekt de lagere school. De schrijver Robert Louis Stevenson publiceert Treasure Island. 1890: Jack maakt zijn school af en gaat werken in een conservenfabriek waar zalm wordt ingeblikt. Vincent van Gogh pleegt zelfmoord. 1896: Jack verlaat de middelbare school en wordt toegelaten tot de universiteit van Californie. Theodor Herzl publiceert zijn boek Der Judenstat, de aanzet tot het georganiseerde Zionisme.

    De vroege jeugd van Jack verloopt – evenals de rest van zijn korte leven – stormachtig en avontuurlijk. Essentieel, al in zijn lagere schooltijd, is dat hij wordt gegrepen door de literatuur, mede onder invloed van de bibliothecaresse en dichteres Ina Coolbrith. Zijn hartstocht voor boeken laat hem nooit meer los. En vanaf zijn middelbare schooltijd (1895 in Oakland, Californië) publiceert hij korte verhalen en artikelen, al verloopt dat proces aanvankelijk moeizaam en zonder noemenswaardige inkomsten. Hij heeft dan al (in 1893) een carrière als matroos achter de rug aan boord van een schoener, die via o.a. Hawaï de Beringzee bezoekt. Terug in Californië werkt hij in een jutefabriek. Hij krijgt in een wedstrijd voor jonge schrijvers de eerste prijs (25 dollar) voor zijn verhaal ‘Story of a Tyfoon off the Cost of Japan’.

    In 1896, dus op 20-jarige leeftijd, sluit hij zich aan bij de Socialist Labor Party. Voor deze partij stelt hij zich tweemaal kandidaat voor het burgemeesterschap van Oakland, doch beide keren tevergeefs.

    Het jaar daarop verlaat hij de universiteit en besluit hij zich volledig aan de literatuur te wijden. In hetzelfde jaar wordt bekend, dat er in Klondike, in het uiterste noorden van Canada, goud is gevonden en dus vertrekt de avontuurlijke London naar Klondike. Maar veel goud vindt hij daar niet en terug in Oakland verkoopt hij zijn schamele hoeveelheid goud voor 4 dollar 50! In deze periode doet hij in gesprekken in kroegen inspiratie op voor zijn bestseller The Call of the Wild. Het boek werd aanvankelijk – in 1903 – als feuilleton in de Saterday Evening Post gepubliceerd. Toen het in boekvorm verscheen verkocht London de rechten – uit geldnood – voor 2000 dollar aan de uitgever. Daarna werden er miljoenen exemplaren van verkocht! Het boek is altijd in druk gebleven. Het werd een klassieker, die tot op de huidige dag op Amerikaanse middelbare scholen verplichte literatuur is. Er verschenen meer dan 60 vertalingen. In het Nederlands onder de titel: Als de natuur roept.

    Het succes van het boek kan worden verklaard door een ongewone opzet: de goudkoorts wordt gezien door de ogen van Buck, een sledehond. De goudzoekers in dat onherbergzame gebied kregen te maken met een verschrikkelijk klimaat, waarin sledehonden uiterst waardevol waren. De gokverslaafde baas van Buck verkoopt de hond aan weinig zachtzinnige hondentrainers, die hem met knuppels africhten om hem daarna naar het koude noorden te sturen. Hier komt de sledehond in opstand en weigert verdere diensten. Een goudzoeker ontfermt zich over hem; de instincten van zijn voorouders worden geleidelijk, tijdens lange tochten door het woud, sterker en wanneer zijn baas door Indianen is vermoord, geeft hij toe aan een lokroep: hij sluit zich aan bij een troep wolven. Maar toch: een keer per jaar keert hij terug naar de plaatst waar zijn baas werd vermoord. En nog eenmaal huilt hij daar heel hard als eerbetoon aan een goede baas. Het gigantische succes van Call of the Wild vestigde Londons naam als schrijver.

    Hij heeft er zijn leven ook alleszins naar ingericht: hij werd een uitermate productieve auteur, die in tijdschriften en boeken – 50 stuks maar liefst, terwijl de auteur maar 40 jaar oud werd – zijn mening weergaf over uiteenlopende onderwerpen als inkomensproblemen, carrièremogelijkheden, onderwijs, cultuur/religie/moraal van andere volken, liefdadigheid, huwelijksproblemen en echtscheiding. Dit laatste aspect kende de auteur uit persoonlijk ervaring: nadat hij op 24-jarige leeftijd trouwde met Elisabeth Maddern (‘Bess’) bij wie hij al gauw twee dochters kreeg, werd hij drie jaar later weer verliefd op zijn vroegere vriendin Charmian Kittredge, scheidde van zijn vrouw en trouwde met zijn vriendin, die tot zijn dood bij hem bleef. Van de talloze boeken die London schreef mogen er enkele niet onbesproken blijven. Met The Sea-Wolff (1904) sloot hij zich aan bij een aantal schrijvers van zeeverhalen als Edgar Allan Poe en Herman Melville.

    In 1908 schreef de oude socialist in hem het boek The Iron Heel, een vernietigende aanklacht tegen het kapitalisme van zijn tijd en tevens een belangrijke bijdrage aan de ophanden zijnde economische revolutie. De kringen, die in hem – terecht-  het grote literaire talent van Californië zagen deden zijn  socialistische theorieën graag af als een gril van voorbijgaande aard. Maar dat deed niets af aan het feit dat hij – in het kader van de klassenstrijd – ook waarschuwde voor de gevaren van het fascisme. Het begin van de 20ste eeuw liet dat in zekere zin al zien.

    In het voorjaar van 1913 was Jack London de bekendste en best betaalde schrijver ter wereld maar in weerwil van zijn verbluffende literaire productie kende de schrijver periodes van zwaarmoedigheid. Hij twijfelde dan aan zijn werk, aan het socialisme, aan de ranch die hij had laten bouwen, aan zijn vrienden, aan zijn met verve verdedigde recht op zelfmoord etc. Tijdens deze depressies, die hij voor iedereen verborgen probeerde te houden, dronk hij enorm veel, schold hij met dikke tong en zocht hij ruzie. Maar hij zou zichzelf niet zijn geweest als hij dit niet zou hebben opgeschreven en dat leverde de autobiografisch roman John Barleycorn op. Het werd een klassieker over het alcoholisme, zelfs zodanig dat het een van de leidende factoren werd waardoor in 1919 in de VS het algehele alcoholverbod tot stand kwam, de zogenaamde drooglegging.

    In zijn laatste roman The Star Rover (1915) beschrijft London de ervaring van iemand die in een beruchte eigentijdse gevangenis was gemarteld. Er werd een beeld geschetst van het verschrikkelijke leven, zoals ooit beleefd door een ex-gevangene, die daarbij hallucinaties kreeg over dramatische episodes uit een verre geschiedenis. Deze verschillende periodes van het verleden boden de schrijver de gelegenheid om kritiek uit te oefenen op leven en moraal van de eigentijdse maatschappij.

    Jack London overleed op 22 november 1916. Zijn dood schokte de VS én Europa. Omdat bewezen werd, dat hij kort vóór zijn overlijden morfine had gebruikt houden veel van zijn biografen het op een zelfmoord door een overdosis. Maar de betrouwbaarsten onder hen, waaronder één van zijn dochters achtten dat onwaarschijnlijk. Hij zat namelijk tot zéér kort voor zijn dood vol enthousiaste plannen voor nieuwe boeken, reizen en het kopen van uitbreidingsgrond voor zijn ranch. Men houdt het meer op uremie als doodsoorzaak, een gevolg van nierfalen. Biograaf Hans Dütting sluit zich hierbij aan. Hij concludeerde in zijn biografie terecht, dat toen later geraffineerder en meer gepolijste schrijftechnieken in zwang kwamen er voor een ‘ongepolijste’ schrijver als Jack London altijd een plaats zal blijven bestaan; zijn werk blijft springlevend.

     

  • Nieuwe blik op dode dichter

    Willem Kloos is hét protoype van de dichter. Gekweld, dronken en eenzaam. Vol van Grote Gevoelens, Hevige Hartstochten en Onvervulde Verlangens die zich in eindeloze stromen sonnetten en andere gedichten een weg banen. Willem Kloos (1859-1938) was de dichterlijke voorman van de paleisrevolutie in de Nederlandse letteren bij uitstek: de Beweging van Tachtig. Hij bezorgde in 1882 de eerste uitgave van de gedichten van zijn jonggestorven vriend Jacques Perk, die een nieuw tijdperk inluidden in de Nederlandse literaire geschiedenis en hij – Kloos – voorzag dit boekje van een programmatische inleiding. En ten slotte redigeerde hij vanaf 1885 meer dan vijftig jaar het tijdschrift dat spreekbuis der Tachtigers was: De nieuwe gids. Na drieste beginjaren vol van passie, originaliteit en overmoed ontpopte Kloos zich tot een levend fossiel van wat zo glorieus begon. En daarmee zat hij zijn eigen beeldvorming en nagedachtenis danig in de weg. Het is dus een mooie daad van eenvoudige rechtvaardiging dat aan Kloos’ leven en werk onlangs een biografie werd gewijd.

    Het beeld van Kloos als gedoemd poëet c.q. dichtervorst is op het lachwekkende af herhaald in hagiografisch aandoende en inmiddels zeer gedateerde publicaties, zoals van Max Kijzer, K.H. de Raaf en last but not least van Kloos’ weduwe Jeanne Reyneke van Stuwe herself. Dit beeld wordt door Bart Slijper krachtig bijgesteld, allereerst door zijn focus op de enkele jaren van Kloos’ werkelijk belangrijke optreden in de Nederlandse letteren en ten tweede door Kloos zonder terughouding in al zijn deerniswekkendheid voor het voetlicht te brengen. Kloos’ zelfmoordpoging (met een broodmes) is wel een dieptepunt dat hier waarschijnlijk voor het eerst wordt opgedist (Jeroen Brouwers noemt in elk geval in zijn boek uit 1984 over zelfmoord in de Nederlandse letteren het geval Kloos niet).

    Slijpers suggestieve beschrijving van het contact tussen de jeugdige dichters Kloos-Perk resp. Kloos-Verwey laat ruimte genoeg voor een 21ste eeuwse interpretatie van volledig geconsumeerd homoseksueel contact. Of daarvan echt sprake geweest is blijft vaag. Doet het ertoe en ‘willen wij dit weten’? Misschien niet, maar de ogenschijnlijk veelzeggende behandeling van dit even delicate als gewichtige onderwerp laat onduidelijkheid bestaan die de nieuwsgierigheid wel prikkelt maar niet bevredigt.

    Slijper laat meer vragen van de lezer onbeantwoord: bv. hoe Kloos’ vrienden reageerden op zijn toch wel wat burgerlijke huwelijk. En we hadden ook wel iets meer willen weten over contacten van Willen Kloos met zijn vader, stiefmoeder, stiefbroer. Of waar Kloos van leefde. Of hoe Kloos m.n. in zijn zwartste jaren zijn zenuwziekte en alcoholverslaving wist te combineren met het redacteurschap van De nieuwe gids. Over de achtergrond van figuren als Witsen, Van der Goes, Gorter, Alberdingk Thijm, Paap hadden ook enkele aanvullende alinea’s kunnen zorgen voor meer reliëf en perspectief. Wie waren al die mensen, hoe kenden ze elkaar, etc. Nu blijven het toch passanten die af en toe fel belicht worden. Wie niet enigszins thuis is in de betreffende materie kan daardoor ook wel wat ‘tekort komen’.

    Als er één woord van toepassing is op dit boek dan is het ‘impressionistisch’. De auteur Bart Slijper focust zeer sterk op een beperkt aantal levensjaren van Kloos. Die zijn zonder meer doorslaggevend of in elk geval relevant, zeker waar het zijn vriendschappen betreft (Slijper spreekt dikwijls van ‘liefdes’) met Jacques Perk en Albert Verwey. Maar het resultaat is toch ook: onevenwichtigheid. Bij sommige gebeurtenissen staan we zo ongeveer in de kamer om een en ander bij te wonen en mee te maken, door middel van langdurig uitgesponnen verslagen, levendig aangevuld met goedgekozen dagboek- en briefpassages. Anderzijds worden Kloos’ laatste veertig levens- en huwelijksjaren in enkele alinea’s afgedaan. Neutraler geformuleerd: dit is een journalistieke biografie. Slijper concentreert zich op wat ‘het belangrijkste’ is in Kloos’ leven, de rest is bijzaak – en blijft dus grotendeels buiten beeld.

    Dit doet niet af aan het feit dat dit boek levendig en aantrekkelijk is. Het prijkt, zoals het hoort, met een aanzienlijk notenapparaat en verantwoording, maar de biografie is nergens zwaarwichtig of taai. De bronnen waaruit Slijper heeft geput zijn bovendien overvloedig, rijk, origineel en gevarieerd. Slijpers commentaar is hier en daar juist knap-laconiek (‘Dingen waren anders vroeger.’, p. 199) of aandoenlijk betrokken (‘Ach, Willem dan toch.’, p. 225; ‘De treurigheid van dit alles.’, p. 227). Ook scherp is Slijper soms in zijn bijna aforistisch aandoende kwalificaties: ‘Hij is gecapituleerd en heeft overwonnen’, p. 242.

    Zoals gezegd: het bestaande beeld van Willem Kloos – als daarvan al iets was overgebleven – was eenzijdig, verouderd en ook niet helemaal rechtvaardig. Bart Slijper geeft met zijn levendige boek over deze dode dichter de lezer van vandaag een nieuwe blik. Het verhaal over ‘de mens’ Willem Kloos kan biograaf Bart Slijper niet leuker maken dan het is; de ‘figuur’ Willem Kloos verdient dit boek volledig. Slijper heeft Kloos ontdaan van literair-historisch aangekoekte ballast die het zicht op de reële betekenis van Kloos belemmerde. Namelijk die van katalysator van de Beweging van Tachtig en van een ‘nieuw geluid’ in de toenmalige Nederlandse letteren.

    In dit gevreesd gemis.
    Het leven van Willem Kloos

    Auteur: Bart Slijper
    Verschenen bij: Uitgeverij Bert Bakker
    Aantal pagina’s: 325
    Prijs: € 24,95

     

  • 10 jaar Literair Nederland: 2007 – Doris Lessing wint Nobelprijs voor de Literatuur

    door Ingrid van der Graaf

    Dat Literair Nederland aandacht besteedt aan literaire, historisch belangrijke gebeurtenissen, maakt het archief tot een waardevolle bron waar zo nu en dan uit geput kan worden. In 2007 won Doris Lessing (1919-2013) de Nobelprijs voor Literatuur. Dat hier twee verschillende recensenten, de één anoniem, de ander was Pauline van der Lans, over schreven, maakt het alleen maar interessanter.

    Het gouden boek (The golden notebook, 1962) van Doris Lessing kwam in 1978 in Nederlandse vertaling uit en werd ongewild een must voor elke vrouw die zich enigszins in de feministische hoek ophield. Het  is een omvangrijke roman over de sociale en psychologische onrust in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Het leven van schrijfster Anna Wulf staat centraal in het boek. Anna probeert door middel van vier notitieboekjes haar leven de baas te blijven. Daarbij heeft elk schrijfboek zijn eigen functie: zwart voor haar ervaringen in Afrika, rood voor de toenmalige politieke situatie, geel voor de gefictionaliseerde versie van zichzelf en blauw voor haar dagboek. Het maakte indruk, je leven te ordenen door het in vier verschillende kleurschakeringen op te delen. De rustgevende ordentelijkheid die daarvan af straalde deed menigeen ernaar verlangen dit ook te beheersen. Ook mij stond het idee wel aan om verschillende schrijfboekjes te gebruiken. Maar het bracht me niet de rust en overzichtelijkheid die ik tijdens het lezen van Het gouden boek in Anna dacht terug te zien. Ik raakte in een soort vacuüm door het ontleden van gevoelens en gedachten, en dan ook nog te moeten kiezen in welk boekje, welke kleur het bijgeschreven moest worden, verlamde me compleet. Maar des te meer gold mijn bewondering voor Lessing, hoe zij tot het construeren van deze complexe roman was gekomen.

    In mijn vriendenkring van die tijd werden overigens te pas en te onpas, notitieboekjes cadeau gedaan. Nu ik erover nadenk zou het zomaar kunnen zijn dat door Het gouden boek, vanaf eind jaren zeventig, het gebruik van opschrijfboekjes, drastisch gestegen is.

    Lees hier het wat zakelijker bericht van 11 oktober 2007, en hier de uitvoerige en heldere bespreking over het werk van Lessing (15 oktober 2007) door Pauline van der Lans. Beide berichten hebben als uitgangspunt het winnen van de Nobelprijs voor de Literatuur door Doris Lessing.

     

    Lees ook:
    2011, Knip dan, toe dan 

    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland 

     

  • In memorium Rutger Kopland (1934-2012)

    Door Ingrid van der Graaf

    Vorige week overleed in de nacht van 11 op 12 juli de dichter  Rutger Kopland, pseudoniem van de psychiater Rudi van den Hoofdakker. Rutger Kopland werd 77 jaar en publiceerde sinds 1966 meer dan tien poëziebundels en essays. In 1988 ontving hij de PC Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre en in 1998 de VSB Poëzieprijs. Voor zowel zijn kunst als zijn wetenschappelijke prestaties ontving hij twee eredoctoraten.

    Maar hij paste voor een koninklijke onderscheiding. ”Mensen die krom liggen voor het buurthuis of zich belangeloos inzetten voor de lokale sportclub verdienen een lintje”, aldus Kopland in 2005. Evenals de eer om als Dichter des Vaderlands op te treden, liet hij aan zich voorbij gaan. Kopland leefde na een ernstig auto-ongeluk in december 2005 zeer teruggetrokken en trad nauwelijks meer in het openbaar op.

    Als psychiater was Kopland een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding. Van 1981 tot 1995 was hij hoogleraar biologische psychiatrie. Tijdens zijn hele loopbaan streed hij voor de erkenning van de ‘zachte krachten in de geneeskunde’, zoals hij dat noemde. ‘Men hoeft geen wereldvreemde holist te zijn om toe te geven dat voor de analyse van een medisch probleem een stethoscoop, een bloedmonster en een scan vrijwel nooit voldoende zijn. Er is zoiets als een gesprek nodig,’ aldus Kopland.

    Kopland debuteerde destijds in Tirade en in 1966 kwam zijn eerste bundel Onder het vee uit.
    Verder publiceerde hij:
    Het orgeltje van yesterday, 1968
    Alles op de fiets, 1969
    Wie wat vindt heeft slecht gezocht, 1972
    Een lege plek om te blijven, 1975
    Al die mooie beloften, 1978
    Dit uitzicht, 1982
    Voor het verdwijnt en daarna, 1985
    Dankzij de dingen, 1989
    Geduldig gereedschap, 1993
    Het mechaniek van de ontroering. Essays over de esthetische ervaringen in poëzie en wetenschap, 1995
    Tot het ons loslaat, 1997
    Over het verlangen naar een sigaret, 2001
    Twee ambachten. Essays over psychiatrie van poëzie, 2003
    Een man in de tuin, 2004
    Verzamelde gedichten, 2006
    Toen ik dit zag, 2008
    Inleiding in de ‘Patafysica, 2010

    Zijn werk werd vertaald in het Frans, Duits en Engels.

    In de Surinamestraat in Den Haag werd op 31 maart 2012 een muurgedicht van Kopland onthuld door wethouder Marjolein de Jong. Het gedicht staat op een blinde muur van het Hofje van Schuddegeest, eigendom van de Koninklijke Haagse Woningvereniging 1854. Gerrit Noordzij bracht de tekst aan. Twee van zijn gedichten zijn sinds 2000 ook gebeiteld in een ijzeren plaat aan de achtermuur van de Steile Tuin in het Arnhemse Sonsbeekpark.

    Het Letterkundig Museum in Den Haag brengt een hommage aan de dichter. Kopland schonk in 2006 een groot deel van zijn literaire archief aan het museuM.

    In November 2011 werd er een symposium gehouden over de levensbeschouwlijke aspecten in het werk van Rutger Kopland. Waarvan hier een verslag geschreven door Heleen Rippen.

    De literaire website Tzum plaatste een mooi I.M. Rutger Kopland van Coen Peppelenbos.

    Op de site van Van Oorschot memoreert Wouter van Oorschot dat Rutger Kopland, een van de auteurs was die de uitgeverij trouw bleef na de dood van  zijn ouders. ‘Van alle door mijn ouders uitgegeven auteurs die de uitgeverij trouw bleven na de dood van mijn vader in 1987, was Rutger Kopland als laatste nog in leven.’

    Beluister hier het gesprek op radio 1 met Menno Hartman, hij was de redacteur van Kopland bij uitgeverij Van Oorschot.

     

  • In memoriam Doeschka Meijsing (1947-2012)

    ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’

    Maandag 30 januari overleed de schrijfster Doeschka Meijsing op 64 jarige leeftijd. Mijn boekenkast als stille getuige dat ik haar kende; De hanen en andere verhalen, Robinson, Tijger, tijger!, De beproeving, Vuur en zijde, 100 % chemie en Over de liefde, stonden met hun ruggen, opeens lichtelijk verschrokken naar me toe. Alsof ze te lang vergeten stonden. Doeschka Meijsing, haar naam alleen al steeg uit boven andere schrijvers, die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig debuteerden. Robinson was het eerste boek dat ik van haar las en het was prachtig, terughoudend en bedacht maar tegelijkertijd vrij rebellerend.

    Doeschka Meijsing werd geboren onder de naam Maria Johanna Meijsing in Eindhoven op 21 oktober 1947 als tweede kind in een gezin van vier kinderen. Begin jaren vijftig verhuisde het gezin naar Haarlem. Ze vertrok naar Amsterdam toen ze Nederlands en literatuurwetenschap ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. In die tijd schreef ze verhalen en gedichten en op 22 jarige leeftijd debuteerde ze in het literaire tijdschrift Podium. Na haar studie gaf ze van 1971 tot 1976 les aan het St. Ignatiusgymnasium en tot 1978 was ze wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978, ze had toen al drie boeken gepubliceerd, trad ze toe tot de redactie van de boekenbijlage van Vrij Nederland en in 1989 werd ze literatuurredacteur van opinieblad Elsevier.

    Ze schreef zo’n 20 boeken waaronder verhalen, romans, gedichten en essays. Met  haar jongere broer, Geerten Meijsing schreef ze in 2005 Moord & doodslag. Voor haar werk  ontving ze verschillende prijzen waaronder de Annie Romeinprijs in 1997 voor haar gehele oeuvre en in 2008 werd Over de liefde met meerdere prijzen bekroond: AKO Literatuurprijs, F. Bordewijkprijs en Opzij Literatuurprijs.
    Doeschka Meijsing schreef een aanzienlijk en respectabel oeuvre bij elkaar. Deze maand zou haar nieuwe verhalenbundel Het kauwgomkind uitkomen maar volgens uitgeverij Querido heeft ze het boek niet kunnen voltooien.

    In haar laatste boek, Over de liefde (2008), waarmee ze volgens sommigen pas echt doorbrak, (wee degene, die haar daarvoor niet kende), roept Meijsing dezelfde onherroepelijkheid op als in haar eerste roman Robinson. In Over de liefde begint Meijsing de derde alinea met: ‘Iemand had, buiten mijn weten, mijn leven overhoop geschopt en mijn toekomst aan diggelen.’ In die sfeer opende ze ook haar eerste roman (Robinson): ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’ De onomkeerbaarheid van het lot, al doe je nog zo je best, het neemt je altijd onverwacht te grazen. Haar personages zijn immer zoekende en worstelen met de werkelijkheid maar gingen er nooit aan onderdoor. Op 30 januari bepaalde het lot anders en overleed Doeschka Meijsing na een zware operatie. Een belangrijk schrijfster is heengegaan. Haar boeken blijven, fier rechtop in de boekenkast en hopelijk zullen veel van haar titels een herdruk beleven.

     

     

  • Biografiegegevens Charlotte Mutsaers

    Charlotte Jacoba Maria Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942) is schrijfster, essayiste en schilderes. ‘Vaak word ik getypeerd als liefhebber van details. Meestal is dat goed bedoeld maar het is geen juiste voorstelling van zaken. Er bestaan geen details. Alles is via causale ketens met elkaar verbonden en je hoeft geen speurneus te zijn zoals ik om er achter te komen dat de haar van een rups van niet minder importantie is dan het Vrijheidsbeeld.’

    Persoonlijk

    Charlotte Mutsaers wordt geboren in Utrecht. Haar moeder is – als we van haar verhalen, essays en interviews uitgaan – een dominante vrouw die haar sterk het gevoel geeft lastig en luidruchtig te zijn. Haar vader is kunsthistoricus: ‘Hij werkte als documentalist op het kunsthistorisch instituut in Utrecht en had ook voor zichzelf een gigantische verzameling van duizenden plaatjes aangelegd. Die knipte hij uit de jaarlijkse kunstkalenders en de kerstnummers van luxebladen als L’Oeil en Du. Summum summarum zo’n knippende en plakkende vader. Af en toe mocht ik bij hem op schoot zitten en dan liet hij me “examen” doen. Ik moest dan raden uit welke tijd een bepaald kunstwerk stamde en van welke hand het was. Op die manier heb ik een enorme kennis van de schilderkunst verworven. Zijn verzameling bevindt zich thans in het NKD (Nederlands Kunsthistorisch Documentatiecentrum) te Den Haag’ (www.charlottemutsaers.nl).

    Na haar middelbare schooltijd studeert Mutsaers eerst Nederlands, vervolgens gaat ze – via enige omwegen op haar negenentwintigste naar de Rietveldacademie in Amsterdam. Veel exposities heeft ze daarna niet, maar haar werk wordt wel veelvuldig gekocht door verzamelaars.

    In 1994 breekt ze als schrijfster door met Rachels rokje, een persoonlijk universum van verhalen, herinneringen, uitweidingen en associaties rond een radicale verliefdheid.

    Mutsaers is getrouwd met de neerlandicus Jan Fontijn en woont met man en hond afwisselend in Amsterdam, Frankrijk en Oostende.

    Bron: www.charlottemutsaers.nl en www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden

    • Het werk van Mutsaers wordt als postmodernistisch beschouwd. Anthony Mertens: ‘De ruis in de teksten van Charlotte Mutsaers is geruststellend en onrustbarend tegelijkertijd, want het weer kan daar van het ene op het ander moment omslaan.’
    • Mutsaers stond voor de Tweede Kamerverkiezingen 2006 en 2017 op de lijst van de Partij voor de Dieren.
    • In een interview met Adriaan van Dis uit 1983, illustreert Mutsaers dat ze vloeiend woorden andersom blijkt te kunnen uitspreken en zingen.
    • In 2004 werden op initiatief van Charlotte Mutsaers tien bijzondere edities van haar boek Bont (2002) bij opbod verkocht middels een speciale internetveiling ten bate van de Stichting Bont voor Dieren.
    • In 1987 ontwerpt ze een serie kinderpostzegels. In 2000 stelde ze een aantal werken tentoon in de Vleeshal voor de tentoonstelling Schilderen en schrijven.

    Links

    www.charlottemutsaers.nl

    Werken

    • Het circus van de geest (1983, emblemata)
    • Hazepeper gevolgd door Napoleon, Sunt pueri pueri… en Varia (1985, essays)
    • Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw (1986, beeldverhaal)
    • De markiezin (1988, roman)
    • Hanegeschrei (1988, beeldverhaal)
    • Kersebloed (1990, essays)
    • Rachels rokje (1994, roman)
    • Paardejam (1996, essays)
    • Zeepijn (1999, verhalenbundel)
    • Bont. Uit de zoo van Charlotte Mutsaers (2002)
    • Cheese! (2003, boek en cd)
    • Koetsier Herfst (2008, roman)
    • 2010 – Pedante pendules en andere wekkers (essays)
    • 2012 – Dooier op drift (poëzie)
    • 2012 – Sodom revisited (poëzie, uitgave in de Matchboox-serie met artwork van Louis Gauthier)
    • 2015 – Tongetje in de Bijenkorf
    • 2017 – Harnas van Hansaplast

    Prijzen en benoemingen

    Bron: www.literaireprijzen.nl

     

     

  • Tonnus Oosterhoff

    door Menno Hartman

    Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953) is een Nederlands dichter en schrijver. Zijn poëtische werk wordt standaard goed onthaald in de kritiek en voor iedere bundel ontving hij tot nu toe een literaire prijs. Zijn experimenten met vorm en digitale media, die vooral in Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2002), een bundel met bijgeleverde cd-rom tot uitdrukking komen, zijn vooruitstrevend en vernieuwend. Criticus Jos Joosten: ‘Moeilijk is zijn werk zeker niet, “apart” is het wel.’

    Persoonlijk
    Tonnus Oosterhoff wordt in 1953 geboren in Leiden. Hij volgt het gymnasium in Groningen en gaat Nederlandse taal- en letterkunde en psychologie aan de Rijksuniversiteit in Groningen studeren. Aansluitend daarop studeert hij psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en gaat hij werken als schoolpsycholoog.

    Oosterhoff debuteert relatief laat als dichter. In 1990 verschijnt zijn eerste gedichtenbundel Boerentijger. Guus Middag schrijft over deze bundel dat het ‘een veelzijdige, eigenzinnige en weinig verliteratuurde indruk’ maakt. Oosterhoff  ontvangt voor zijn debuut de C.Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie.

    Oosterhoff gaat werken als tekstschrijver en in 1991 debuteert hij als prozaïst met de verhalenbundel Vogelzaken.

    In 2001 initieert Tonnus Oosterhoff een eigen website, waarop ‘bewegende’ gedichten te zien zijn en hij een geheel nieuwe manier van het lezen van poëzie introduceert. Tom van Deel in Trouw over de ‘bewegende gedichten’: Meer nog dan in de bundel mogelijk is, laat deze cd-rom gedichten in beweging zien (zo heet hij dan ook). Wat dat betekent, kan ik alleen maar omschrijven in beeldende termen. Het schijfje bevat twaalf gedichten, waarvan er slechts een enkele in de bundel staat, het meeste is nieuw en extra. Soms verschijnt er op het scherm een stuk tekst waar na verloop van tijd allerlei veranderingen in optreden, alsof iemand bezig is varianten aan te brengen. Soms ook begint het met een woord dat aangevuld wordt en uitgroeit tot een tekstgedeelte, dat vervolgens weer verdwijnt en later, gewijzigd weer opdoemt. Het is een muzikaal, en ook beeldend, te noemen procédé, dat ongelooflijk sterk werkt, vanwege de ritmiek van opkomen en verdwijnen en vanwege de overvloed aan betekenissen die erdoor ontstaat’.

    Bron: www.kb.nl

    Bijzonderheden

    • De roman Het dikke hart verscheen in 1999 in Duitsland onder de titel Das dicke Herz: roman.

    www.tonnusoosterhoff.nl

    Werken

    • Boerentijger (1990, gedichten)
    • Vogelzaken: verhalen (1991)
    • De ingeland (1993, gedichten)
    • Het dikke hart: roman (1994)
    • Kan niet vernietigd worden: verhalen (1996)
    • Tekeningen 1970-1971 (1996, jaarwisselingsuitgave)
    • {Robuuste tongwerken,} een stralend plenum (1997, gedichten)
    • De lichtjes op de autoradio… (1998, gedichten)
    • Ook de schapen dachten na: essays (2000)
    • Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen: gedichten (2002)
    • Dans zonder vloer: verhalen (2003)
    • Hersenmutor: gedichten 1990-2005 (2005)
      Bron: www.kb.org
    • Prijzen
    • 1990    C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie voor Boerentijger.
    • 1994    Herman Gorter-prijs voor De ingeland.
    • 1995    Multatuli-prijs voor Het dikke hart.
    • 1998    Jan Campert-prijs voor {Robuuste tongwerken,} een stralend plenum.
    • 2003    VSB Poëzieprijs voor Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen.
      Bron: www.literaireprijzen.nl
  • Leonard Nolens

    door Menno Hartman

    Leonard Helena Sylvain Nolens (Bree, 11 april 1947) wordt beschouwd als één van de belangrijkste levende dichters van België.

    Persoonlijk
    Leonard Helena Sylvain Nolens wordt in 1947 in Bree, Belgisch-Limburg geboren. Hij komt uit een burgerlijk welgesteld milieu. Na zijn middelbare school studeert hij aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen. In 1968 verhuist hij naar Antwerpen, waar hij als freelance vertaler gaat werken. Van 1969 tot 1973 is Nolens redacteur van het experimentele tijdschrift Labris.

    In 1969 debuteert Nolens als dichter met de bundel Orpheushanden, waarin barokke, experimenteel aandoende gedichten staan. In de loop der jaren treedt er een versobering op in zijn werk, en krijgt het een meer parlando-achtige toon.

    Nolens heeft zich inmiddels ontwikkeld tot een van de belangrijkste Vlaamse dichters en publiceerde tevens vier dagboekdelen. In zijn werk staat de dichterlijke identiteit centraal. Zijn biografie ziet hij dan ook het liefst alleen uit zijn naam en werken bestaan.

    Leonard Nolens woont in Antwerpen.

    Bijzonderheden:

    • Veelvoorkomende thema’s in het werk van Nolens zijn de jeugd, vrouwen, eenzaamheid en alcohol.
    • Uit zijn werk spreek vaak een sterke drang om het leven ten volle te ondergaan, in zijn extases maar zeker ook in zijn dieptepunten.
    • Leonard Nolens verwacht van zijn lezers een volledige, compromisloze overgave. Zo schreef hij: ‘Dus lees me. Lees me helemaal of lees me niet.’
    • David Nolens (1973), de zoon van Leonard Nolens, debuteerde in 2002 met de roman Vrint.

    Werken

    • Orpheushanden (1969, poëzie)
    • De muzeale minnaar (1973, poëzie)
    • Twee vormen van zwijgen (1975, poëzie)
    • Incantatie (1977, poëzie)
    • Alle tijd van de wereld (1979, poëzie)
    • Hommage (1981, poëzie)
    • Vertigo (1983, poëzie)
    • De gedroomde figuur (1986, poëzie)
    • Geboortebewijs (1988, poëzie)
    • Stukken van mensen (1989, dagboek)
    • Liefdes verklaringen (1990, poëzie)
    • Hart tegen hart (1991, poëzie)
    • Tweedracht (1992, poëzie)
    • Blijvend vertrek (1993, dagboek)
    • Honing en as (1994, poëzie)
    • De vrek van Missenburg (1995, dagboek)
    • En verdwijn met mate (1996, poëzie)
    • De liefdesgedichten (1997, poëzie)
    • Een lastig portret (1998, dagboek)
    • Voorbijganger (1999, poëzie)
    • Manieren van leven (2001, poëzie)
    • Derwisj (2003, poëzie)
    • Bres, met etsen van Dan Van Severen (2004, een livre de peintre, Ergo Pers Gent)
    • Laat alle deuren op een kier (2004, verzamelde gedichten)
    • Een dichter in Antwerpen (2005, poëzie)
    • Een fractie van een kus (2007, poëzie)
    • Bres (2007, poëzie)

    Prijzen

    • 1974Prijs van het beste literaire debuut voor De muzeale minnaar
    • 1976Arkprijs van het Vrije Woord voor Twee vormen van zwijgen
    • 1976Poëzieprijs van de provincie Antwerpen voor Twee vormen van zwijgen
    • 1980Driejaarlijkse Hugues C. Pernathprijs voor Alle tijd van de wereld
    • 1980Poëzieprijs van de provincie Limburg voor Alle tijd van de wereld
    • 1984Tweejaarlijkse poëzieprijs van De Vlaamse Gids voor Vertigo
    • 1991Jan Campert-prijs voor Liefdesverklaringen
    • 1997Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre
    • 2002Gedichtendagprijzen voor ‘Hostie’ uit de bundel Manieren van leven
    • 2007Karel van de Woestijneprijs voor poëzie van de gemeente Sint-Martens-Latem
    • 2008VSB Poëzieprijs voor Bres

    Aquarel Leonard Nolens © Siegfried Woldhek 2008

  • Harry Mulisch

    Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 29 juli 1927) geldt als een van de meest vooraanstaande naoorlogse Nederlandse schrijvers. Samen met Willem Frederik Hermans en Gerard Reve wordt hij gerekend tot De Grote Drie van de Nederlandse literatuur. Mulisch vierde in 2007 zijn tachtigste verjaardag. Zijn adagium: ‘Dat ik sterfelijk ben, moet eerst maar eens bewezen worden.’

    Persoonlijk

    Harry Kurt Victor Mulisch wordt op 29 juli 1927 in Haarlem geboren. Zijn vader, Karl Victor Kurt Mulisch komt uit het toenmalige Oostenrijk-Hongarije. Zijn moeder, Alice Schwarz is joods. In 1936 scheiden zijn ouders, Mulisch wordt vooral opgevoed door de huishoudster Frieda Falk.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt zijn vader bij Lippmann-Rosenthal & Co, een collaborerende bank. In deze positie kan hij zijn zoon en ex-vrouw beschermen tegen deportatie. Na de oorlog wordt hij veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Zijn moeder emigreert naar Amerika.

    Begin jaren zestig toont Mulisch zich betrokken bij maatschappelijke ontwikkelingen. Voor Elsevier verslaat hij het proces tegen de nazi Adolf Eichmann in Jeruzalem, wat resulteerde in het boek De zaak 40/61 en hij voelt zich openlijk aangetrokken tot het communistische Cuba van Fidel Castro. Hij bezoekt het eiland meerdere malen en in 1968 schrijft hij een ode aan de Cubaanse revolutie, Het woord bij de daad. Het standpunt inzake Cuba wordt Mulisch tot op de dag van vandaag kwalijk genomen door critici, die menen dat hij nadrukkelijk afstand had moeten nemen van Castro en de revolutie.

    Mulisch woont in Amsterdam samen met Kitty Saal en hun zoon Menzo (1992). Officieel is Mulisch nog getrouwd met Sjoerdje Woudenberg, met wie hij twee dochters heeft: Anna (1971) en Frieda (1974).

    Bijzonderheden:

    • Constanten in het werk van Harry Mulisch zijn onder andere de Tweede Wereldoorlog, de aansluiting bij en het verwijzen naar mythen (met name de Oedipus-mythe), een sterke symboliek en een strakke romancompositie met meerdere verhaallijnen.
    • In 2006 werd er een planetoïde naar Mulisch genoemd. De Mulisch heeft een diameter van ongeveer 5,5 kilometer en draait op een afstand van zo’n 350 miljoen kilometer tussen Mars en Jupiter in een baan om de zon en voltooit een omwenteling in 1301 dagen.
    • In 2007 kozen NRC-lezers De ontdekking van de hemel tot beste Nederlandstalige boek aller tijden.

    Links
    www.mulisch.nl
    www.kb.nl/dossiers/mulisch

    Werken

    • Archibald Strohalm (1952)
    • Tussen hamer en aambeeld (1952)
    • Chantage op het leven (1953)
    • De diamant (1954)
    • Het mirakel (1955)
    • Het zwarte licht (1957)
    • Manifesten (1958)
    • Het stenen bruidsbed (1959)
    • Tanchelijn (1960)
    • De knop (1961)
    • Voer voor psychologen (1961)
    • Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf, tijdens de Jongste Dag (1961)
    • De zaak 40/61 (1962)
    • Bericht aan de rattenkoning (1966)
    • Wenken voor de Jongste Dag (1967)
    • Het woord bij de daad (1968)
    • Blauwdruk van de opera Reconstructie (1969)
    • Paralipomena Orphica (1970)
    • De verteller (1971)
    • De verteller verteld (1971)
    • Over de affaire Padilla (1971)
    • De toekomst van gisteren (1972)
    • Oidipous Oidipous (1972)
    • Soep lepelen met een vork: tegen de spellinghervormers (1972)
    • Het seksuele bolwerk (1973)
    • Woorden, woorden, woorden (1973)
    • Bezoekuur (1974)
    • De vogels: Drie balladen (1974)
    • Mijn getijdenboek (1975)
    • Tegenlicht (1975)
    • Twee vrouwen (1975)
    • Volk en vaderliefde: een koningskomedie (1975)
    • De taal is een ei (1976)
    • De wijn is drinkbaar dankzij het glas (1976)
    • Het ironische van de ironie: Over het geval G.K. van het Reve (1976)
    • Axel (1977)
    • De verhalen 1947-1977 (1977)
    • Oude lucht (1977)
    • Wat poëzie is: Een leerdicht (1978)
    • Paniek der onschuld (1979)
    • De compositie van de wereld (1980)
    • De aanslag (1982)
    • Opus Gran (1982)
    • Egyptisch (1983)
    • Het boek (1984)
    • Hoogste tijd (1985)
    • De gedichten (1987)
    • De pupil (1987)
    • Grondslagen van de mythologie van het schrijverschap (1987)
    • De elementen (1988)
    • Theater 1960-1977 (1988)
    • Het beeld en de klok (1989)
    • De zuilen van Hercules (1990)
    • De ontdekking van de hemel (1992)
    • De kamer (1997)
    • Zielespiegel (1997)
    • De procedure (1998)
    • Het theater, de brief en de waarheid (2000)
    • Siegfried (2001)
      Bron: www.dbnl.org

    Prijzen

    • 1951 Reina Prinsen Geerligs-prijs voor Archibald Strohalm
    • 1957 Anne Frank-prijs voor Archibald Strohalm
    • 1957 Bijenkorf-literatuurprijs voor Het zwarte licht
    • 1961 ANV-Visser Neerlandia-prijs voor Tanchelijn
    • 1961 Athos-prijs voor zijn gehele oeuvre.
    • 1963 Vijverberg-prijs voor De zaak 40/61
    • 1977 Cestoda-prijs voor gehele oeuvre
    • 1977 Constantijn Huygens-prijs voor gehele oeuvre
    • 1977 P.C. Hooft-prijs voor gehele oeuvre
    • 1986 Diepzee-prijs voor De aanslag
    • 1993 Multatuli-prijs voor De ontdekking van de hemel
    • 1993 Mekka-prijs voor De ontdekking van de hemel
    • 1995 Prijs der Nederlandse Letteren voor zijn gehele oeuvre
    • 1999 Libris Literatuur Prijs voor De procedure
    • 2003 Premio Flaiano Internationale literatuurprijs, Italië
    • 2007 Premio Nonino, Italië
      Bron: www.literaireprijzen.nl en www.debezigebij.nl

    Benoemingen

    • 1977 Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
    • 1992 Officier in de Orde van Oranje-Nassau,
    • 1992 Zilveren eremedaille gemeente Amsterdam
    • 2000 Chevalier de l’ordre des arts en des lettres, Frankrijk
    • 2002 Het Kruis van Verdienste eerste klasse in de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland.
    • 2003 Officier des Arts et des Lettres, Frankrijk
    • 2007 Doctor honoris causa, Universiteit van Amsterdam

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl

     

  • Gerrit Kouwenaar

    door Menno Hartman

    Gerrit Kouwenaar (Amsterdam, 9 augustus 1923) wordt sinds de jaren vijftig gerekend tot een van de belangrijkste Nederlandstalige dichters. ‘Het gaat in de kunst maar om een paar eenvoudige thema’s: liefde, dood, onrecht, schoonheid. (…) Een goed kunstwerk is aan de tijd ontstolen, is die onbarmhartige tijd te slim afgeweest.’

    Persoonlijk

    Gerrit Kouwenaar wordt op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren. Hij is de zoon van Jeltje Bloksma en David Kouwenaar, een bekend journalist. Kouwenaar gaat naar het Amsterdams Lyceum. Het gezin verhuist naar Bergen (N.H.) en Kouwenaar volgt de HBS in Alkmaar.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog verhuizen Kouwenaar met zijn ouders en broer David naar Baarn, maar hij verhuist samen met zijn broer snel weer terug naar zijn geboorteplaats, waar hij de rest van zijn leven blijft wonen.

    Van 1945 tot 1950 werkt hij op de kunstredactie van De waarheid, later werkt hij freelance voor Vrij Nederland, Het vrije volk en als redacteur van Podium en De Gids.

    In 1953 debuteert Kouwenaar met de bundel Achter een woord. In 1955 schrijft hij een inleiding op de bloemlezing Vijf 5-tigers. Het zorgt ervoor dat hij lange tijd met die stroming wordt geassocieerd, maar zijn latere werk wordt geroemd om zijn volstrekt eigen geluid.

    Kouwenaar kreeg voor zijn gedichten talrijke onderscheidingen, waaronder de P.C.Hooft-pijs (1971) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1989). Hij heeft tevens een groot aantal vertalingen gemaakt van toneelstukken van onder andere Brecht, Goethe, Schiller, Weiss, Sartre en Dürrenmatt. In 1967 ontvangt hij voor zijn vertaalwerk de Martinus Nijhoffprijs.

    Gerrit Kouwenaar woont in Amsterdam en brengt de zomers door in Zuid-Frankrijk.

    Bijzonderheden

    • In zijn vroegste, experimentele dichtwerk, die vaak persoonlijk en sterk maatschappijkritisch zijn, overheerst de naoorlogse sfeer. Vanaf de jaren zestig wordt zijn poëzie geleidelijk abstracter en hermetischer. In heldere verzen onderzoekt hij de relatie tussen taal en werkelijkheid. De laatste decennia staat het ‘stilleggen van de tijd’ centraal in zijn werk.
    • De dichtbundel Totaal witte kamer (2002), met gedichten naar aanleiding van de dood van zijn vrouw Paula, vormde de aanleiding voor een televisiedocumentaire over Kouwenaar.
      Bron: www.kb.nl

    Links

    www.kb.nl

    Werken

    • Vroege voorjaarsdag (1941)
    • Uren en sigaretten (1946, twee novellen)
    • Goede morgen haan (1949)
    • Negentien-nu (1950, roman)
    • Ik was geen soldaat (1951, roman)
    • Achter een woord (1953)
    • Vijf 5-tigers (1955, bloemlezing)
    • Hand o.a. (1956)
    • Val, bom (1956, proza, herziene versie in 1963)
    • De ondoordringbare landkaart (1957)
    • Het gebruik van woorden (1958)
    • De stem op de 3e etage (1960)
    • Gedichten (1960)
    • Weg verdwenen (1961)
    • Zonder kleuren (1962)
    • Zonder namen (1962, herziene versie in 1965)
    • Sinaia (1964)
    • St. Helena komt later (1964)
    • Autopsie/anoniem (1965)
    • Honderd gedichten (1969)
    • Data/decors (1971)
    • Landschappen en andere gebeurtenissen (1974)
    • Volledig volmaakte oneetbare perzik (1978)
    • Gedichten 1948-1978 (1982)
    • Het blindst van de vlek (1982)
    • Het ogenblik: terwijl (1987)
    • Een eter in het najaar (1989)
    • Een geur van verbrande veren (1991)
    • Er is geen elders waar het anders is (1993)
    • De tijd staat open (1996)
    • Een glas om te breken (1998)
    • Helder maar grijzer (1998)
    • Totaal witte kamer (2002)
    • Het bezit van een ruïne (2005)

    Prijzen

    • 1958 Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor De mensen zijn geen goden.
    • 1961 Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Zou een hand.
    • 1962 Jan Campertprijs voor De stem op de 3e etage.
    • 1963 Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Zonder namen.
    • 1967 Roland Holst-prijs voor zijn gehele oeuvre.
    • 1967 Martinus Nijhoffprijs voor zijn toneelvertalingen.
    • 1970 P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre.
    • 1989 Prijs der Nederlandse Letteren voor zijn gehele oeuvre.
    • 1997 VSB Poëzieprijs voor De tijd staat open.
    • 2004 Karel Van de Woestijneprijs voor Totaal witte kamer.