• Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Het leven van Johan Veeninga (1915-1966) eindigt ‘zo erg morsdood (…) op een snelweg’, zoals zijn jongste dochter (Djoeke) nogal direct over hem verwoordt in haar boek Het privédomein van mijn vader. Wat ze wil, is haar vader daarin weer tot leven brengen. Dat doet ze vooral in zijn eigen woorden, geput uit brieven en andere teksten en aan de hand van foto’s en de inhoud van zijn boekenkast. Tegenover ‘altijd weer dat ongeluk’ plaatst ze de man die aan de wieg stond van de literaire reeks ‘Privé-domein’ van uitgeverij de Arbeiderspers, waar hij adjunct-directeur was.

    Maar zover zijn we nog niet. Djoeke Veeninga beschrijft eerst de jeugd van haar vader in een gezin in Haarlem dat het niet al te breed had, de kweekschool, de baan als onderwijzer aan de Montessorischool in Haarlem en de dienstweigering. Toen hij werd opgeroepen, weigerde hij dienst en kwam terecht in de rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Het hierboven telkens herhaalde lidwoord ‘de’ is ingegeven door de inhoudsopgave van het boek, waarin elke paragraaf binnen één van de drie hoofdstukken (Haarlem/Veenhuizen, Den Haag en Amsterdam) vooraf wordt gegaan door dit lidwoord.

    Levensloop

    De loop van Veeninga’s leven wordt afgewisseld met beschouwende gedeeltes (bijvoorbeeld over ‘De zoekende ideoloog’, 1939) en als gezegd brieven en andere teksten van Djoeke Veeninga’s vader. ‘De zoekende ideoloog’ leest wat stroef, stroever dan de tekst van de dochter, die journaliste en programmamaker is.

    Niet alles wat hij schrijft valt meteen te plaatsen of is voor een buitenstaander even interessant, maar gelukkig geeft Djoeke context aan personen en situaties mee. Voor achtergrondinformatie plukt ze uit boeken van bijvoorbeeld de historicus Ger Harmsen. En toch ontglipt haar vader haar soms. Waarom is bijvoorbeeld de dienstweigeraar en pacifist die in het verzet zat overgegaan tot het liquideren van de WA-commandant van Haarlem? Een schot dat overigens niet dodelijk bleek.

    Soms ontkomt Djoeke Veeninga niet aan wat opsommerige passages, bijvoorbeeld wanneer ze de boekencollectie van haar vader beschrijft. Veel namen en titels passeren de revue. Maar waarom haar vader juist díe boeken las, wat de samenhang ertussen was, blijft onbesproken. Dat verwondert temeer omdat de schrijfster haar vader al op de eerste pagina introduceert als existentialist. Dat roept de vraag op: waar blijven existentialistische schrijvers als Sartre, De Beauvoir en tot op zekere hoogte Camus? We moeten geduld hebben, blijkt, want dit thema komt later alsnog aan de orde, wanneer Johan in een brief vermeldt dat zijn ‘vertaling van Sartre persklaar moet’. Dat wil zeggen van Het existentialisme is een vorm van humanisme (1946).

    Den Haag

    Interessanter is het tweede hoofdstuk over de Haagse periode na de bevrijding. Niet zozeer omdat Veeninga inmiddels een baan heeft als hoofdredacteur van de Jeugdkampioen van de ANWB, maar omdat van die periode de brieven met ‘zijn meisje’ ook haar antwoorden en zijn ‘kanttekeningen’ daarbij zijn opgenomen. Dat meisje is Djoekes moeder, Johanna (Joke) Kloosterboer.

    Na de tijd in Veenhuizen en de Tweede Wereldoorlog komt nu ‘deze lichtvoetigheid’ met Joke ‘zijn leven binnen trippelen’. Johan wil alle narigheid achter zich laten. Ze gaan samenwonen, trouwen en Johan onderhandelt over zijn salaris. Er wordt een zoon geboren, Duco.

    Amsterdam

    In november 1952 verlaat Veeninga de ANWB en gaat met zijn gezin naar Amsterdam. Daar wordt Djoeke ‘gehaald’, door de bekende huisarts/wethouder Ben Polak. Het boek wordt steeds interessanter, ook bijvoorbeeld door de beschrijving van Nieuw-West, de Amsterdamse buurt waar ze wonen: ‘Zo erg aan de rand van de stad dat je er bijna af valt’.

    Johan gaat als redacteur en na 1961 als adjunct-directeur werken bij de Arbeiderspers, als opvolger van Alfred Kossmann. Een van de eerste manuscripten die hij onder ogen krijgt, is De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. In zijn Memoires van Boontje (1988), welke memoires deel uitmaken van de beroemde serie Privé-domein, schreef Boon hierover. Al lezend kom je ook een schrijver tegen waarover Inge Meijer van Literair Nederland een column schreef: Ab Visser (1913-1982), een Flamboyant schrijver. Leuk hoe zo’n min of meer vergeten schrijver opeens ook op een andere plaats weer opduikt. Veeninga schrijft overigens, naast vertalen, zelf ook. Onder meer een reeks over Pukkie Planta bij de gelijknamige margarine en een jeugdboek, Het raadsel van de vier getallen.

    Op z’n minst even belangrijk als Privé-domein is de ABC-reeks, het eerste Nederlandse pocketboek dat helemaal in de geest van de Arbeiderspers én van Johan Veeninga past. Op die manier kon namelijk de gewone man ook een boek kopen en lezen.
    Het privédomein van mijn vader eindigt weer met het verkeersongeluk, waardoor de cirkel rond is. Veeninga is slechts vijftig jaar geworden. Ook de zoon Duco overleed bij dit ongeluk. Met haar boek doet Djoeke Veeninga haar vader eer aan en ondanks enkele kanttekeningen is het een interessant verhaal omdat het niet alleen als biografie maar ook als tijdsbeeld is te lezen.

     

     

  • Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    In september verscheen de biografie Een gat in het hoofd, Leven en werk van Heere Heeresma van de hand van radiomaker, presentator en voorheen boekverkoper Anton de Goede. Het is een dik boek geworden dat uitvoerig ingaat op werk en leven van deze schrijver, voor zover dat mogelijk was. Want Heeresma hield zijn privéleven zorgvuldig afgeschermd voor buitenstaanders, pottenkijkers en overheidsdienaren. Daarentegen is Heeresma’s werk – romans, verhalen, gedichten, brieven, ‘porno-persiflages’ en beschouwingen op de radio – zeer toegankelijk. Er verschenen van Heeresma tientallen boekuitgaven, verzamelbundels en herdrukken. Bovendien werd een flink aantal van zijn werken verfilmd en is zijn markante stemgeluid te horen op talrijke geluidsopnamen van gesproken columns voor de radio. Ook sprak hij zelf de luisterversie van een van zijn bekendste boeken in: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp.

    Heere Heeresma (1932-2011) werd geboren als zoon van een godsdienstonderwijzer, kennelijk minstens zo eigenwijs als zijn zoon. Heeresma senior overleed toen de jonge Heere elf jaar oud was. De dood van de vader, midden in de Tweede Wereldoorlog, was uiteraard een ingrijpende gebeurtenis voor het gezin, dat naast Heere zelf en zijn moeder inmiddels uit nog twee jongetjes bestond. Bovendien hadden de oorlogsomstandigheden onvermijdelijke gevolgen voor de Heeresma’s.

    Een wonderlijk mens

    Van enige schoolcarrière is in het leven van de schrijver in de dop nauwelijks sprake. Hij bracht jaren door op een internaat waar hem praktisch onderwijs werd geboden. Daarna begon een loopbaan van allerlei verschillende betrekkingen die korter of langer duurden, maar meestal korter. Vanaf het begin van de jaren zestig begon Heeresma duchtig te publiceren en met succes. Met name Een dagje naar het strand (1962) maakte veel indruk. Bij de presentatie van deze biografie zei auteur Anton de Goede: ‘Je kunt veel van Heeresma zeggen, maar hij bracht wel leven in de brouwerij’ en ‘Wanneer de naam Heeresma valt, is een schaterlach nooit ver weg’. Dat moge zo zijn, maar uit het boek rijst toch vooral het beeld op van een wonderlijk mens, met wie de omgang vaak zeer moeilijk tot onmogelijk moet worden genoemd. Berucht was Heeresma om het dwingende beslag dat hij op zijn gezelschap wist te leggen, vaak ongevraagd en soms tot diep in de nacht. Hij bouwde ook een reputatie op wegens zijn veeleisende omgang met uitgevers, die hij geld afhandig maakte door voorschotten te eisen voor boeken die vervolgens nooit verschenen. Dit alles combineerde hij met een onafzienbare reeks sterke verhalen over woonplaatsen, vervoermiddelen, belevenissen en zakelijke successen. Wat ervan waar was wist hij alleen – en waarschijnlijk was dat eigenlijk maar heel weinig. Juist omdat Heeresma met name in de jaren zeventig een aantal sterke en goedverkopende boeken schreef, werd hem veel vergeven. En ja, er viel vaak wat te lachen.

    De schrijver en publicist

    De Goede schrijft overtuigend en goed gestructureerd. In het boek wordt Heeresma behandeld als schrijver en publicist, maar ook als (ontrouwe) echtgenoot en vader, als onverzoenlijke broer, als man van het Bijbels taaleigen, als filosemiet. De auteur bewonderde Heeresma als adolescent, leerde hem in zijn tijd als boekverkoper bij boekhandel Athenaeum persoonlijk kennen en werkte later met hem samen bij de VPRO. Hij stond dus betrekkelijk dicht bij zijn onderwerp en is verfrissend oprecht wanneer hij soms ook gewoon toegeeft niet zeker te weten hoe sommige feiten zich hebben voltrokken. Uit veel verschillende bronnen heeft de biograaf zijn informatie betrokken en heeft daaruit een krachtig en coherent beeld gecreëerd van Heeresma, die desondanks zijn raadselachtigheid volstrekt behoudt.

    Treurig is Heeresma’s persoonlijke lot geweest. Aan het eind van zijn leven wendden zelfs zijn allernaasten zich van hem af. Zoals zijn vrouw, met wie hij meer dan veertig jaar gehuwd was geweest, en zijn zoon Heere Heeresma jr., die tot dan toe kennelijk symbiotisch met zijn vader had geleefd en gewerkt. Senior heeft het ernaar gemaakt, denkt de lezer. Hij stierf uiteindelijk schamel behuisd, armelijk en eenzaam. Daar staat tegenover dat Heere Heeresma iets flikte wat maar weinig schrijvers lukt: in de nadagen van zijn loopbaan schreef hij ‘opeens’ nog een paar boeken die door de pers zeer verrast en met groot enthousiasme werden onthaald, met name Een jongen uit plan Zuid ’38 – ’46, dat zelfs nog in het Duits werd vertaald.

    Toch ook onaangenaam

    Een gat in het hoofd is een smakelijk en met vaart geschreven boek over een wonderlijk, markant en ten slotte toch ook onaangenaam mens, die niettemin een volstrekt eigen plaats inneemt in de Nederlandse literatuur, en deze met enkele onverwoestbare titels heeft verrijkt. Verbluffend is het aantal rake typeringen dat Anton de Goede van Heeresma heeft opgeduikeld, van hen die met hem omgingen of van bewonderaars op afstand. De quote van criticus Wim Zaal, die Heeresma tientallen jaren had gekend, moet wel een van de meest treffende zijn.

    ‘En wat was hij begaafd, zij het slordig van beheer! Bij sommige verhalen denk je: Wat zou dit een meesterwerkje zijn geworden als de schrijver er meer zorg aan had besteed. Maar ik heb geleerd, schrijvers te nemen zoals ze zijn. Heere was een flamboyante melancholicus, een religieuze woningzoekende, een pathologische jongleur, een geldbeluste provo, steeds geteisterd en getroost door de gave van het woord.’

     

    In 2024 stelde biograaf Anton de Goede een bloemlezing samen uit Heeresma’s oeuvre, In 2024 verscheen Heeresma houdbaar / samenstelling Anton de Goed/ (Gedundrukt) bij Van Oorschot. Een signalement daarvan vindt u hier.

     

     

  • De dichter van het …en toch

    Op een grafmonument op begraafplaats Ockenburg in Den Haag staat de naam Ellen Warmond. Daaronder haar geboorte- en sterfjaar (1930-2011) en daaronder de aanduiding ‘Dichter’. Dichten was de essentie van haar leven. Trudy van Wijk (1951 – 2020), die in 2003 al een proefschrift over Warmonds dichterschap voltooide, schreef een biografie over haar, ook al vond Ellen Warmond dat haar privéleven niemand wat aanging. Van Wijk overleed voordat ze de biografie helemaal af had. De biografie werd geredigeerd en voltooid door Bertram Mourits, hoofd collecties van het Literatuurmuseum. In Geef niet mee!, staan de eerste dertig jaar van Warmonds leven centraal. De vijftig jaren die er op volgen krijgen veel minder aandacht. Het is niet duidelijk waarom Van Wijk zo weinig aandacht aan de laatste jaren van Warmonds leven schenkt en of ze dit zo bedoeld heeft.

    Ellen Warmond is het pseudoniem voor Pietronella Cornelia) van Yperen. Een naam die ze vrijwel nooit gebruikte. Een verzoek voor een interview, geadresseerd met haar geboortenaam, weigerde ze omdat ze geen interviews gaf. Ze schreef verder: ‘Ik moet u afraden brieven aan mij te adresseren aan ‘Van Yperen’, want die naam gebruik ik alleen voor dingen als de belasting, dus een dergelijke aanhef wekt mijn wantrouwen.’ 

    Kleinburgerlijkheid ontstijgend

    De biografie volgt het leven van Ellen Warmond chronologisch. Ze werd geboren in Rotterdam in een kleinburgerlijk christelijk gezin. Vader probeerde het arbeidersmilieu te ontvluchten, maar slaagde daar niet in. Ze deed laatdunkend over haar afkomst, terwijl er in haar ouderlijk huis toch opvallend veel gelezen en gemusiceerd werd. Het verhaal dat zij over haar jeugd vertelt is beladen met schaamte over ‘nette armoede’. Ze voelde zich niet begrepen en probeerde aan haar milieu te ontsnappen door te gaan dansen. Ze wilde kunstenares worden, boven het alledaagse uitstijgen. Haar danslerares Staluse Pera, die als vrouw haar eigen weg koos dwars tegen burgerlijke conventies in, was haar grote voorbeeld.

    Warmond hield van vrouwen. Als jonge danseres maakte ze kennis met Emmy Hemelraad, die een stuk ouder was. Haar grote liefde in de jaren vijftig was de oudere schrijfster Anna Blaman, die haar volgens Van Wijk wilde modelleren als een Pygmalion. Blaman ontdekte haar als dichteres en was haar moreel kompas, maar zij wilde tot Warmonds verdriet geen vaste relatie met haar. Dat verwerkte ze in haar gedichten. Na de dood van Blaman in 1960 zou het nog lange tijd duren voordat Warmond een vaste relatie kreeg. In 1965 kwam ze in Israël de reisleidster Eveline Witjas tegen, met wie ze jarenlang samenleefde, maar de relatie hield geen stand. Warmond was geen gemakkelijk mens, ze klaagde veel en vaak. De ex-geliefden bleven elkaar wel regelmatig zien, maar waren de laatste jaren van haar leven niet langer samen.

    Ontsnappen aan de werkelijkheid

    Van Wijk schrijft dat het bombardement van en de oorlogstijd in Rotterdam een belangrijke rol hebben gespeeld in Warmonds leven. ‘Waarschijnlijk werd tijdens deze periode de kiem gelegd voor een belangrijk thema in het werk van Warmond: de discrepantie tussen romantische verwachtingen en de ontnuchterende en ontluisterende werkelijkheid.’ Ze kwam tot het besef dat ze het volgende moment dood kon zijn en hield er een levenslange angst voor vuur en een afkeer van geweld aan over. Door de oorlog zag ze het bestaan als zinloos en absurd. Alleen door het schrijven van gedichten kon ze ontsnappen aan de bizarre werkelijkheid. Haar debuutalbum Proeftuin (1953) opent met het gedicht ‘Excuus’: ‘Om het inoperabel tekort / van gebaren die onvoltooid / en gedachten die verzwegen / blijven om alles wat nooit / kan worden prijsgegeven / beroep ik me op het gedicht / als machteloos tegenwicht.’

    Na Proeftuin verschenen er nog twintig poëziebundels en drie verhalenbundels van haar hand. In 1999 verscheen Kaalslag, haar laatste bundel. Van Wijk laat zien hoe de gedichten en de verhalen samenhangen met de gebeurtenissen en ervaringen in Ellens eigen leven. Ellen Warmonds poëzie stemt op het eerste gezicht niet bepaald vrolijk. In haar werk is de invloed van het existentialisme merkbaar. Ze kleedde de wereld en zichzelf uit tot op het bot. Ze voelde zich een vreemdeling op aarde. Ellen had geen hoge pet op van de mens, die ze een ‘dom dier’ en een ‘bedroefde blinde’ noemde. Ook van God verwachtte ze niets. De goden zijn volgens haar even machteloos als de mensen. Ook de oosterse goden brengen geen verlichting, want ‘een boeddha bijvoorbeeld in/ dit typisch hollandsch landschap/zou blaffen van hooikoorts.’ Carrière maken heeft geen zin, want ‘het onvermoeibaar draven op de plaats’ is het hoogst haalbare. Zelfs liefde ontmaskerde ze: ‘we houden niet elkaar/maar onze verloren jeugd in de armen.’

    Een van onze grote dichters

    Warmond is een van onze grote dichters, die als geen ander het naoorlogs levensgevoel onder woorden heeft gebracht. Ze wilde niet als specifiek vrouwelijk dichter onderscheiden worden, zo bleek onder meer bij de uitreiking van de Ann Bijns Prijs aan haar in 1987. Die prijs werd uitgereikt aan een ‘specifiek vrouwelijk geluid’. Zij zag hierin een vorm van discriminatie, alsof er een specifiek mannelijk of vrouwelijk geluid bestond. Ze wilde niet in een hokje worden geplaatst. ‘Ze schreef geen doelgroepenpoëzie,’ schrijft Van Wijk. 

    De laatste levensjaren van Warmond waren ontluisterend. Na de scheiding van Eveline Witjas leefde ze als kluizenaar. Ze zag vrijwel niemand meer, zat vol zelfverwijt en dronk veel. Mede doordat zij al meer dan tien jaar geen nieuw werk had gepubliceerd, bracht haar overlijden in 2011 maar weinig journalisten ertoe een necrologie te schrijven. Helaas komen we in de biografie niet te weten of Warmond na 1999 nog gedichten heeft geschreven. Ze hield wel een dagboek bij, maar gaf opdracht dat te verbranden.

    Het leven had voor Ellen Warmond geen van bovenaf gegeven zin. Maar het bood wel een ‘kristal van kansen’, van mogelijkheden om er zin aan te geven. Warmond probeerde – hoe onsamenhangend ook – een eigen wereldbeeld te ontwikkelen. Dichten is voor haar een antidotum tegen het zinloze, toevallige en absurde bestaan. Maar het was niet alleen een persoonlijke behoefte: haar gedichten hadden ook een functie. Ze zag ze als lampen waardoor niet alleen zij, maar ook lezers ‘uitzicht op inzicht’ kunnen verkrijgen. 

    Hoop en verlangen naar betere tijden

    Het laatste wat een mens volgens Warmond moet doen is zich neerleggen bij de gang van zaken. Ze geeft niet mee, verzet zich tegen hokjesgeest, berusting en luiheid. Ze noemt dat ‘het gooien van stenen door de ruit van verstarring’. In de jaren zestig en zeventig keerde ze zich in haar poëzie ook tegen de onderdrukking van mensen en volkeren en tegen oorlog. Haar latere werk werd steeds somberder en kaler. Ondanks de lichamelijke aftakeling bleef ze moedig in haar poging ‘het eigen ik net zo lang /recht in de ogen zien/ tot het een weerwoord weet.’ 

    Van Wijk bekritiseert de feministische literatuurwetenschapper Maaike Meijer die volgens haar een te somber beeld van het werk van Warmond schetst. Meijer plaatst Warmonds werk onder de noemer ‘De Grote Melancholie’, dat als volgt wordt omschreven: ‘een sterk gevoel van onheil en depressie. Het leven wordt als dood, nutteloos en waardeloos afgeschilderd.’ Warmond is voor Trudy van Wijk een dichter die door alle ellende heen verlangde naar lichtheid, overgave en zorgeloosheid. Ze bleef hopen op, en verlangen naar beter. Een van haar mooiste gedichten die dit illustreert is ‘Kleine akte van geloof’:

    ‘Hopende op meer dan dit
     Hopende op geluk
     de lachwekkend ontroerende bloesem
     die geen vrucht draagt

     iedere ochtend een kans
     iedere avond een aanloop
     naar later misschien
     misschien?

     en elke dag opnieuw
     verwachten wat niet bestaat

     dit weten tot in de polsslag
     dit weten met elke vezel
     en toch?

     en toch.’

    De biografie van Trudy van Wijk biedt geen nieuwe kijk op Warmonds gedichten, wel plaatst het haar gedichten in een context. Ook schuwt ze de donkere zijden van Warmonds bestaan niet, waarmee ze recht doet aan een dichter die zichzelf genadeloos durfde te analyseren. Warmond bleef ‘met open ogen/in de leegte zien.’ 



     

  • Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Van nare pestkop, heulend met de Duitse bezetter, tot uitgedoofde dementiepatiënt – dat zijn nog maar twee van de levens die in de biografie van Hugo Claus door Mark Schaevers besproken worden. Zijn onderwerp wekt niet veel sympathie op bij de lezer. Gelukkig maakt Schaevers het niet mooier dan het is en krijgen we in De levens van Claus een zuiver en volledig beeld van een van de grootste naoorlogse Nederlandstalige schrijvers. 

    Hugo Claus’ zelfgekozen dood vond plaats op 19 maart 2008. Het was zijn eer te na de ziekte van Alzheimer haar fysieke en geestelijke sloopwerk te laten afmaken, ‘hij wilde niet in duisternis sterven, maar waardig in het licht,’ aldus Bezige Bij-redactrice Suzanne Holtzer, die bij de euthanasie aanwezig was. Claus’s einde en de deerniswekkende maanden van aftakeling die eraan voorafgingen, worden door Schaevers zeer uitvoerig beschreven. De vraag die Schaevers zich te weinig stelt is of alle bijeengegaarde biografische details even relevant zijn. Zo vermeldt hij wat Claus in zijn dagboek schrijft na een etentje bij een bevriend advocaat: ‘Ik at: 1 meter geroosterde darm, gevuld met gerookte tong, ham en hart (na 3 vodka’s) met vijf glazen wijn, daarna wat gebakken darmen (die te keurig geschrobd waren, het beestachtige was totaal zoek) toen gebakken grouse (Schotse sneeuwhoen of korhaan) met frites en appelmoes en een halve liter Gevrey-Chambertin, daarna twee flinke stukken vla (gemaakt van mastellen en peperkoek) en een flinke brok geflambeerde pudding. […] Vanmorgen broeierig en broos in het hoofd.’

    Onmatig karakter van een brute jongen

    Tijdens de verbouwing van (alweer) een nieuw woonadres in de Provence logeren Claus en zijn vrouw Veerle de Wit, ‘in Le Mas de Curebourse, een achttiende-eeuws koetshuis in de boomgaarden bij L’Isle-sur-la-Sorgue. De keuken was er prima – heel Frans, kokkin met de toque op de kop’. Zou het eerste citaat nog kunnen gelden als indicatie van Claus’ onmatige karakter, het tweede lijkt pure bladvulling. 

    Maar goed, Schaevers pakt het werk nauwgezet aan en presenteert een nuchter, chronologisch feitenrelaas. Van de levens die hij beschrijft liegt het eerste, over Claus’ jeugd tijdens de oorlogsjaren, er niet om. Een klasgenoot: ‘Claus was een onaangename kerel. Hij was ambetant. Hij nam mijn potlood af. En hij had een reukske, zijn kleren stonken.’ Een buurmeisje noemt hem later een ‘lokale verschrikking’. ‘Hij was een brute jongen met veel geweld in zijn lijf.’ Als stoere puber in een Vlaams-nationalistisch en daarom Duitsgezind gezin zou hij graag naar het oostfront zijn gegaan, maar daarvoor was hij te jong. In plaats daarvan trad hij toe tot de NJSV, een uiterst rechts, radicaal-nationalistisch scholierenverbond, vergelijkbaar met de Hitler Jugend. Het is niet de fraaiste fase in het leven van Claus. Erg open is hij dan ook nooit geweest over zijn oorlogsverleden. Zoals hij trouwens graag mythes, vaagheden en aperte leugens over zichzelf rondstrooide.

    Schaevers citeert de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, die het mythologiseren van het verleden ‘zelfs een van [Claus’] belangrijkste drijfveren’ noemt. Claus beleefde zijn wereld volgens Schaevers ‘als een claustrofoob universum’. ‘En was erover schrijven niet de beste manier om te pogen zich van alle klemmen te ontdoen?’ Het resultaat is een versnippering van zijn persoonlijkheid, of – in Claus’ eigen woorden – ‘een bombardement van veranderingen’, met als resultaat ‘een man in scherven’. Ook qua activiteiten: dichter, romanschrijver, kunstcriticus, dramaturg, regisseur, librettist, vertaler, filmer, scenarist, tekenaar, schilder.

    Verandering van koers na de oorlog

    Claus schakelt na de oorlog wonderlijk snel over naar dat heel andere facet van zijn persoonlijkheid, het kunstenaarsschap. Ook de biograaf lijkt opgelucht te zijn de zwarte oorlogsbladzijden om te kunnen slaan. Claus werpt zich op de beeldende kunst en schrijft zijn eerste serieuze verzen. Als prille twintiger vertrekt hij naar Parijs, waar hij aansluiting vindt bij een opwindend gezelschap van avant-garde kunstenaars als Corneille, Karel Appel, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Lucebert en Hans Andreus. Hij maakt er kennis met het surrealisme, publiceert zijn eerste verhalen en waagt zich aan het schrijven van toneelstukken. Het verblijf in Parijs en zijn omgang met al die boeiende, eigenaardige geestverwanten wordt mooi door Schaevers beschreven, zoals hij überhaupt de hele dikke biografie door een aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus is. Schaevers is een ingewijde die zich nochtans niet op zijn persoonlijke nabijheid bij zijn onderwerp laat voorstaan en op een prettige manier op de achtergrond blijft. 

    Eenmaal erkend als buitensporig talent en veelzijdig kunstenaar gaat het hard met de carrière van Claus. Als dichter breekt hij door met De Oostakkerse gedichten, geworteld in zijn West-Vlaamse geboortegrond (‘land van mest en mist’), zoals die in feite in heel het oeuvre van Claus zijn weerklank vindt. Zo komt zijn proza pas echt goed op gang als hij de zangerigheid van de streektaal erin verwerkt. Toch verloopt Claus’ carrière als kunstenaar bepaald niet zonder horten en stoten. Regelmatig voelt hij zich geblokkeerd of ‘uitgebloed’ – door te hoge ambities, een hardnekkig gevoel van miskenning, gebrek aan inspiratie en een fatalistische levensvisie. Claus is een moeilijk mens, die hoge eisen stelt aan zichzelf en aan anderen. Hij brandt de debuutroman van zijn (toen nog) vriend Simon Vinkenoog radicaal af: ‘Er spreekt geen sensibiliteit uit, geen perceptie, aanvoelen van dingen, woorden, mensen. Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets dat je niet aan kan.’

    Schaevers voegt hieraan toe dat Claus’  conclusie ook iets zegt over wat hemzelf voor ogen stond als schrijver: ‘…wat wil je dat het mij kan schelen als het niet dwingend en heet als een schreeuw op mij afkomt?’ Hoewel kritisch op zichzelf kon Claus slecht tegen kritiek van anderen. Ook al deed hij voorkomen alsof het hem niet raakte, ‘in werkelijkheid leed hij eronder dat hij zo’n dunne huid had’, aldus Schaevers. Claus maakt een hele lijst ‘van de zgz progressieven die mij met al hun rancune – want anders kan het niet zijn – bespat hebben’. Zo noopt Claus in de loop van zijn leven vele collega’s, getrouwen en vrienden afstand van hem te nemen. 

    Imponerende en charismatische verschijning

    Hoewel rancuneus, onberekenbaar, onevenwichtig, ijdel en recalcitrant was Claus ook charmant, trouw en onderhoudend genoeg om altijd het middelpunt te zijn van een grote vriendenschaar. In het boek staan foto’s van Claus in gezelschap van Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Fons Rademakers, Remco Campert, Kees van Kooten, Tom Lanoye, Henny Vrienten, Guy Mortier en de Belgische premier Guy Verhofstadt. Claus’ imponerende verschijning en zijn magnetisch charisma zogen alle aandacht naar hem toe, waar hij ook was. Hij had op vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht. De levens van Claus doet zijn vele amoureuze allianties (vaak meerdere tegelijk) uitvoerig uit de doeken. Makkelijk was het niet altijd om levensgezellin te zijn van de overweldigende auteur. Net zo onbestendig en onrustig als in zijn vele relaties was Claus ten aanzien van zijn woonsituatie. Tientallen verhuizingen komen in de biografie voorbij, en vele daarvan uitgebreid beschreven. 

    Die uitvoerigheid, ook in andere onderwerpen, is een aspect dat het boek soms parten speelt. Zeker, De levens van Claus is een boeiende, goed geschreven, meeslepende biografie. Maar Schaevers heeft een beetje hetzelfde euvel als Claus zelf: onmatigheid. Hij ontspoort hier en daar in zijn zucht naar volledigheid. Gerrit Komrij schreef over Claus’ roman Schola Nostra, ‘Het lezen ervan maakte op mij de indruk van het moeten uitzitten van Wagners Ring der Nibelungen.’ Zo erg is het zeker niet, maar enig kordaat redactioneel snoeiwerk zou de biografie beslist ten goede gekomen zijn. 

     

     

  • Een overlever zonder huid

    Op 29 april 1995 onthulde het tv-programma Brandpunt dat de gewaardeerde Duitse hoogleraar Germanistiek Hans Schwerte in de oorlog SS-Hauptsturmführer was geweest onder Himmler. Hij had zich in het begin van de oorlog twee jaar in Den Haag bezig gehouden met onder andere rassenleer en genetica. Schwerte had zijn nieuwe carrière na de oorlog kunnen opbouwen omdat hij een verzonnen identiteit had aangenomen. Zijn echte naam was Hans Ernst Schneider. Hij bekende ‘diepe schaamte en rouw’, maar kreeg een storm van kritiek over zich heen en raakte zijn onderscheidingen en pensioen kwijt. Eén van de weinigen die het voor Schwerte opnam was Hans Keilson, de Joodse schrijver en psychiater wiens leven getekend was door de nazi’s: Keilson was naar Nederland gevlucht voor de Jodenvervolging en verloor zijn ouders in Auschwitz.

    Keilson had bewondering voor wat Schwerte had bereikt, maar vooral waardering voor diens eerlijkheid en inzicht in zijn eigen fouten. Hij zei naar aanleiding van deze hetze zelfs: ‘Ik zou niet willen zeggen dat ze nu met deze ex-nazi omgaan zoals ze vroeger met de joden omgingen, maar het komt wel aardig in de buurt’. Wie Hans Keilson tijdens zijn leven heeft gevolgd zal er niet eens van opkijken. Wie nu door middel van de biografie van Jos Versteegen kennis met hem maakt, kan aangekomen bij de beschrijving van deze rel (hoofdstuk 13), Keilsons reactie wel begrijpen. De biograaf heeft daarvóór uitgebreid aandacht besteed aan diens belangrijkste levenshouding: dat haat niet met haat dient te worden beantwoord. In de woorden waarmee Versteegen Keilsons gedachten samenvat: ‘Nieuwe haat tegenover oude haat stellen was een slecht idee, want dat betekende continuering van de cyclus van de haat en dus van de vernietiging’.

    Personage B.

    Keilson (1909 – 2011) huldigde die opvatting al vroeg. Zijn beroemde Tod des Widersachers verscheen voor het eerst in 1959 en een jaar later in het Nederlands als In de ban van de tegenstander. De eerste aanzetten daarvoor schreef Keilson al in 1944. Het boek kreeg pas wereldfaam toen The New York Times er in 2010 een enthousiaste recensie aan wijdde. Keilson was toen honderd jaar en dook ineens in allerlei tv-programma’s op, waaronder DWDD. Blijkbaar was de wereld toen pas op grote schaal toe aan erkenning van zijn belangrijke inzichten.
    In de ban van de tegenstander (dat veel autobiografische elementen bevat) gaat over de verhouding tussen Hitler en de Joden, hoewel de naam Hitler (personage heet in de roman B.), en de woorden ‘nazi’ en ‘Jood’ er niet in voorkomen. Het grondthema van de roman is dat haat een projectie op de tegenstander (zondebok) is van alles wat je van jezelf niet onder ogen wilt zien. Wie dat doet verdraagt zijn gehate kant niet en wil die ook niet weerspiegeld zien in iemand anders.: ‘In hem, de “ander” moet hij zichzelf vernietigen om de waan van zijn eigen grootsheid te redden’.  Vanuit dat inzicht kon Keilson met Schwerte contact leggen in plaats van met hem af te rekenen. Hij wilde doorzien welke krachten ertoe hadden geleid dat zoveel Duitsers Hitler-volgers werden en zijn haat tegen Joden deelden.

    Sequentiële traumatisering

    In de wetenschappelijke kant van Keilson was die gedachte eveneens leidend. Hij legde zich als psychiater/psycho-analyticus toe op hulp aan oorlogsweeskinderen. Een nieuwe aanpak daarin was zijn idee van de ‘sequentiële traumatisering’. Dat ging uit van drie opeenvolgende fases: de bezetting en de Jodenvervolging in Nederland, gevolgd door de deportaties en het verblijf in concentratiekampen of de onderduik en tenslotte de na-oorlogse periode waarin de kinderen werden toegewezen aan een voogd of instelling. Hij heeft veel van die kinderen geholpen door die fases te erkennen, en omdat hij goed kon luisteren. Keilson promoveerde op het onderwerp in 1979 en gaf er tal van lezingen over. Waarbij hij nog wel eens het verwijt kreeg dat die onderzoeken te statistisch waren.
    In de biografie is dat niet te merken. Versteegen verliest zich allerminst in cijfers, maar slaagt erin duidelijk te maken hoe belangrijk het werk van Keilson was en welke problemen de kinderen tegenkwamen na de oorlog. Ze kregen toen te maken met discussies die meer gingen over rechten van ‘onderduikouders’, pleeginstellingen, en de vraag of nieuwe voogden orthodox genoeg waren, dan met de zorg om het verlies van ouders en andere familie in de kampen. Door die voogdijdiscussies kregen die kinderen er nog een trauma bij.

    Blijven houden vanWagner

    Versteegen staat ontegenzeglijk erg sympathiek tegenover Keilson, maar hij verzwijgt niet zijn wat onbeminnelijke kanten zoals zijn jaloezie, zijn niet altijd respectvolle omgang met vrouwen, zijn ijdelheid  en zijn aandeel in de verwijdering tussen zijn dochter uit zijn eerste huwelijk, Barbara, en zijn zus Hilde. Waardevol in deze biografie zijn de heldere duiding van de diverse boeken en gedichten van Keilson, het zicht op de receptie daarvan in verschillende tijdsperioden, de reikwijdte van zijn therapieën en zijn verhouding tot de Duitse taal en Duitsland dat hem zoveel ellende had bezorgd. Versteegen maakt aannemelijk waarom Keilson bijvoorbeeld van Wagner, bij uitstek de nazi-componist, kon blijven houden.

    Er blijven ook vragen onbeantwoord omdat Versteegen niet teveel wil speculeren. Opvallend is dat hij signaleert dat Keilson zelfs in een ernstige roman als In de ban van de tegenstanders grapjes (‘knipoogjes’, noemt Versteegen ze) kon maken. Zo noemde hij twee katten die er in voorkomen Hützi en Bützi, naar de bijnamen die twee kinderen van een psychiater hadden bij wie hij college had gelopen. Het maakt nieuwsgierig naar het ‘knipoogje’ dat Keilson wellicht maakte toen hij in zijn valse persoonsbewijs in de onderduiktijd de naam Johannes Gerrit van der Linden liet vermelden. Zou hij gedacht kunnen hebben aan de destijds populaire Nederlandse dichter ‘De Schoolmeester’(Gerrit van de Linde) die tevens kostschoolhouder was (Keilson dichtte zelf en gaf sport- en muziekles aan kinderen die hij opving)? Hier stelt Versteegen de vraag niet.

    Hans Keilson – Telkens een nieuw leven doet recht aan een getormenteerd leven van een belangrijk schrijver en psycho-analyticus die de moed had om onder ogen te zien hoe haat gevoed wordt, een echte overlever, maar ook iemand die door alles wat hij geleden had, op zijn eerste vrouw Gertrud  overkwam als  (in haar woorden) ‘een mens zonder huid’.

     

     

  • Een toegewijde dilettant op tal van artistieke gebieden en als mens 

    Voor de poëzie van L. Th. Lehmann (1920-2012) moet kennelijk telkens opnieuw reclame worden gemaakt. Zo hij al aanspraak kan maken op enige reputatie, dan geldt die niet een gedicht of regel of een boek, maar een in de letteren befaamd geworden ‘elfde gebod’: Gij zult niet bloemlezen! Aan het eind van het jaar 2021 verschenen twee boeken die leven en werk van Lehmann onder de aandacht brengen. Ten eerste de bloemlezing (!) uit zijn poëzie, samengesteld door Robbert-Jan Henkes, onder de sardonisch-toepasselijke titel Gij zult niet bloemlezen (!!). Ten tweede een biografie, geschreven door Jaap van der Bent, die alleen al door de prachtige gedaante veel indruk maakt. Het boek is solide uitgevoerd, ligt stevig in de hand, is fraai vormgegeven en prijkt met meer dan honderd illustraties, waaronder een aantal in kleur.    

    Zodra je begint te lezen besef je meteen hoe weinig je eigenlijk weet over Lehmann. Oké, hij was veelzijdig: danser, dichter, schrijver, vertaler, jurist, gepromoveerd archeoloog. Oké, hij had een hang naar het lichtvoetige, surrealistische, originele, vernieuwende – maar toch: wat weet je dan eigenlijk over iemand? Je komt bijvoorbeeld te weten dat Louis Lehmann als kind Loukie werd genoemd, dat hij geen broertjes of zusjes had en dat hij een zeer innige band had met zijn moeder, of liever: zijn moeder met hem. Zo hield zij hem thuis toen het tijd werd voor de kleuterschool. Zij bracht in die jaren Loukie zelf wel het nodige bij.   

    De jonge dichter

    Het ontvankelijke kind leerde vervolgens op de lagere school vriendjes kennen, en ontwikkelde zich voor het overige aanvankelijk ‘normaal’ – halverwege de jaren dertig dient zich een interesse aan voor jazz, een muziekvorm die toen in Nederland nog als origineel en avantgardistisch gold. Op de middelbare school begint hij als 17-jarige met het schrijven van gedichten die via een schoolvriend onder ogen komen van Adriaan van der Veen. Van der Veen was secretaris van Jan Greshoff, die vanuit Brussel de redactie bestierde van het tijdschrift Groot-Nederland. Een en ander leidde voor Lehmann tot een komeetachtige entree in de Nederlandse literatuur op zeer aanvallige leeftijd, wat hem de bijnaam ‘Rimbaud in de polder’ opleverde, evenals de kwalificatie ‘wonderkind’. Schijnbaar immer geneigd tot relativeren was Lehmanns eigen commentaar jaren later hierop laconiek: ‘Zeventien jaar is een heel gewone leeftijd om verzen te schrijven. Als je de literatuurgeschiedenis doorkijkt dan zijn er niet anders dan wonderkinderen geweest.’ 

    Lehmann ontwikkelde een enorme poëtische productie die voor de oorlog vooral geplaatst werd in het toen nieuwe literaire jongerentijdschrift Werk. In januari 1940 debuteerde Lehmann – 19 jaar oud – door een misverstand met twee bundels in één maand: Subjectieve reportage als deel van de serie ‘De vrije bladen’ en de bundel Dag- en nachtlawaai, bij uitgeverij Stols in Den Haag. Menno ter Braak was niet zuinig in zijn recensie in de krant: hij vond dat Lehmanns poëzie ‘verbijstert door originaliteit en veelvoudigheid’. Ondertussen was Louis Lehmann – mede door zijn interesse voor het surrealisme – in contact gekomen met de jonge cineast Emiel van Moerkerken en de dichter Chris van Geel. En zo ontrolt zich een bestaan. 

    Verhuizen in oorlogstijd 

    Gek genoeg is de aandacht in deze biografie voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het bombardement op Rotterdam relatief gering: wel verhuist Lehmann met zijn moeder naar Arnhem, en vandaar naar Utrecht, Amsterdam, Leiden; hij leert meer mensen kennen, vergroot daardoor zijn artistieke netwerk, vriendinnetjes dienen zich aan. In Leiden is ook voor het eerst sprake van werk. Waar hij daarvoor van leefde blijft onduidelijk. In de loop van 1942 worden de gevolgen van de oorlog voor Lehmann voelbaar. Hij moet zich melden als SS-vrijwilliger, er wordt hem gevraagd lid te worden van de Kultuurkamer, Joodse vriendinnen krijgen het steeds moeilijker (en overleven ten slotte de oorlog ook niet). In schril contrast daarmee is het leven dat Lehmann kennelijk tamelijk onbekommerd wist te leiden. Coördinatiepunten blijven poëzie, uitstapjes, contacten met vriendinnen en vrienden; Jaap van der Bent doet het allemaal degelijk uit de doeken. Lehmann rolt erdoor, schijnbaar door een ‘gebrek aan ernst’. Simpel voorbeeld: de oproep van de Wehrmacht maakt Lehmann wel bezorgd, maar ten slotte reageert hij er helemaal niet op – en hoort ook niets meer. Lehmann verkent de mogelijkheden van het prozaschrijven, wordt in Leiden bewonderd door jonge fanatieke poëzielezers en levert talrijke bijdragen aan het unieke tijdschrift-in-één-exemplaar ‘De schone zakdoek’; voor het contact met de makers reist Lehmann af en toe naar Utrecht. Maar in de loop van 1944 duikt hij onder om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Hij leed honger en verveelde zich – maar overleefde alles ongedeerd.  

    Lehmann is vierentwintig als de oorlog is afgelopen. Hij mag dan jong zijn gedebuteerd, voor het overige lijkt hij overal in zijn leven tamelijk laat aan te zijn begonnen. Na de oorlog gaat hij rechten studeren en leeft zich uit in Leiden. Hij maakt muziek, verkeert met vrienden en vriendinnen en is – zoals hij in 1964 liet optekenen – ‘bezig om niet meer te schrijven’. Wel publiceerde hij besprekingen; maar Lehmanns Verzamelde gedichten [sic] kwamen in 1947 uit zonder zijn bemoeienis, ‘omdat hij daar geen zin in had’. Lehmann was de dertig al ruimschoots gepasseerd toen hij in het voorjaar van 1952 zijn studie afrondde en mr. in de rechten werd.

    Eerste roman en werkloos leven

    Hij verwerkte zijn ervaringen als student in de roman Tussen Medemblik en Hippolytushoef (1963). Opmerkelijk is overigens dat hij – als afgestudeerd jurist, in het begin van de in Nederland zo brave en burgerlijke jaren ’50 – er niet in slaagde werk te vinden. Hij probeerde het wel, maar het mislukte telkens. Hij hield zich in leven met schamele en tijdelijke baantjes; voordeel voor Lehmann was dat hij zijn leven lang van weinig kon rondkomen. Voor het overige besteedde hij zijn tijd aan contact met (literaire) vrienden, een verblijf van een paar maanden in Parijs en aan het schrijven van tientallen bijdragen, jarenlang, voor het tijdschrift Litterair paspoort, soms zeer lange stukken, origineel en degelijk en voornamelijk voor het geld. De bundel gedichten en de roman die hij publiceerde leverden niets op. Bovendien was Lehmann begonnen aan een nieuwe studie: klassieke talen ditmaal, met het oog op inbedding van zijn archeologische belangstelling. Daaraan kon hij meer toegeven na het behalen van zijn kandidaatsexamen in 1957. Archeologie studeren betekende vanaf dat moment ook soms graven, ‘het echte werk’, aldus Lehmann. Opmerkelijk genoeg inspireerde het hem ook weer tot het maken van poëzie.

    Hij studeerde, reisde, had af en toe een vriendin, woonde in een klein en oncomfortabel kamertje  op de hoek van de Herengracht en de Amstel. Kortom voor een man van tegen de veertig hield hij het echte leven wel enigszins op afstand. Zonder ernst of diepgang was het overigens niet. In 1959 ging Lehmann in psychoanalyse, welke behandeling meer dan tien jaar zou duren – zonder veel effect, aldus de cliënt zelf achteraf. Een uitvloeisel daarvan was dat, als Lehmann niet meer wist wat hij zeggen moest, hij overstapte op het gebruik van niet bestaande woorden. Dit inspireerde hem vervolgens weer tot een lang verhaal dat jaren later, t.g.v. Lehmanns negentigste verjaardag werd gepubliceerd. Contacten met verschillende Engelse vriendinnen leidden in één geval bijna tot een huwelijk – maar op het laatste moment ging het niet door. In 1960 ontmoette Louis Lehmann Alida Beekhuis die ruim vijftig jaar zijn levensgezellin zou blijven, zij het met wisselende intensiteit en een zekere mate van afstand: wat hen vooral bond was nieuwsgierigheid naar heel verschillende dingen. In een ruime maar armelijke en primitieve etage aan een Amsterdamse gracht beleefden zij een onstuimige en romantische tijd. 

    Muziek en Live performance

    Aanvankelijk was Geert van Oorschot zijn uitgever, maar in die tijd brak Lehmann brak met hem en werden zijn nieuwe dichtbundels uitgegeven bij De Bezige Bij. Daar ontmoette hij veel vrienden en bekenden en deed er ook enig vertaalwerk op. Poëzie intussen, werd in samenspraak met andere dichters, uit binnen en buitenland, meer en meer vermengd met muziek (vooral jazz) en optredens: live performance, waarvan de beroemdste manifestatie een poëzieavond in Carré was. Lehmann was toen overigens de enige die zijn optreden zelf voorzag van een muzikale noot (mondharmonica). Wat niet wegneemt dat de maatschappelijke loopbaan van Lehmann maar niet van de grond wilde komen. Hij weet dat meer en meer aan ‘de poëzie’, en nam er dan ook afstand van. Af en toe publiceerde hij nog een los gedicht in een tijdschrift maar er verschijnen geen bundels meer en een interview over poëzie loopt uit op een mislukking. Tegelijkertijd probeert Lehmann – begin 1962 eindelijk afgestudeerd als archeoloog – binnen dit vakgebied werk te vinden in de vorm van losse betrekkingen bij projecten in onder andere Engeland en de V.S. Voor het overige lijkt Lehmann vooral een afzijdige passant te zijn. Tegelijkertijd blijft hij open staan voor- en genieten van actuele ontwikkelingen op cultureel en artistiek gebied. Met dichten is hij gestopt, dansen doet hij des te meer; niet professioneel, wel met grote ernst en toewijding en tot op hoge leeftijd.          

    Dat Lehmann er niet in slaagt ‘echt’ werk te vinden frustreert hem meer en meer, wat hem wrokkig maakt en afstand doet nemen van vrienden en bekenden die wat dat betreft meer succes hebben. De poëzie heeft hij kennelijk blijvend vaarwel gezegd; wel helpt hij buitenlandse vrienden bij een optreden voor Poetry International in Rotterdam, maar zelf richt hij zich vrijwel uitsluitend op de archeologie. Daarbij blijkt steeds nadrukkelijker zijn interesse voor en deskundigheid ten aanzien van scheepsarcheologie. Het mondt uit in enkele serieuze publicaties en een tijdelijk baantje. Dat laatste krijgt na afloop een verrassend vervolg, in de vorm van een heuse werkloosheidsuitkering. Per 1 december 1978 ontvangt Louis Lehmann voor het eerst van zijn leven een geregeld inkomen, dat in vergelijking met wat hij gewend was niet eens zo slecht was.   

    Lehman op de radio

    De uitgave in 1981 van een bloemlezing uit het befaamde tijdschrift-in-één-exemplaar De schone zakdoek, die ondanks het beruchte elfde gebod toch poëzie van Lehmann bevatte, betekende voor het eerst in vele jaren een mogelijk nieuw momentum voor de dichter Lehmann. Maar tot zijn opluchting werd daar betrekkelijk weinig aandacht aan besteed. Wel manifesteerde Lehmann zich onder begeleiding en aanmoediging van VPRO-radiomaker Wim Noordhoek meer en meer als liefhebber van alle mogelijke soorten van muziek. Deze samenwerking zou meer dan dertig jaar duren, allerlei stijlen en invloeden kwamen voorbij, evenals Lehmanns eigen composities. Intussen ontwikkelde zich ook zijn archeologische specialisme ten aanzien van de Griekse galeischepen, wat uitmondde in twee publicaties die serieus besproken werden.

    Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon: Lehmann raakte in de loop van de jaren tachtig opnieuw betrokken bij de poëzie, zij het niet die van zijn generatiegenoten maar meer in de punkscene. Uitgerekend in kringen van krakers bij hem in de buurt treedt hij weer eens op. Hij komt in contact met Diana Ozon, met wie hij bevriend raakt, en publiceert in een lokaal blaadje weer eens een gedicht, zonder dat het iemand opvalt overigens. En dat was eigenlijk maar goed ook, want wie hem dichter noemde kreeg het namelijk fors met hem aan de stok, zoals Anton de Goede bemerkte na publicatie van een artikeltje in de VPRO Gids waarin hij Lehmann weer eens typeerde als (voormalig) poëtisch wonderkind. Lehmann bleef het dichterschap beschouwen als iets dat anderen kennelijk steeds heel belangrijk vonden; zelf meende hij dat zijn poëzie hem in zijn maatschappelijke loopbaan alleen maar last had bezorgd. 

    Levensgezellin Alida Beekhuis

    Mede daarom zon hij op een manier om zijn archeologische inspanningen en publicaties te bekronen met een proefschrift. Aanvankelijk waren de vooruitzichten slecht, maar door zijn kennismaking met Fik Meijer, met wie Lehmann goed kon opschieten, kwam die mogelijkheid alsnog in beeld. Het proefschrift, getiteld The polyeric quest. Renaissance and Baroque theories about ancient men-of-war verscheen in 1995 en op zijn 75ste mocht Louis Lehmann zich doctor noemen. Zijn levensgezellin Alida Beekhuis begeleidde een en ander even pragmatisch als liefdevol. Het was vooral om praktische redenen dat Beekhuis en dr Lehmann in 2000 alsnog in het huwelijk traden, op de soberst denkbare wijze, met alleen de getuigen als aanwezigen. In datzelfde jaar verscheen ook een bundeling van Lehmanns verzamelde gedichten – een boek van bijna 700 pagina’s – waarin hij eindelijk had bewilligd, mede omdat hij goed aanvoelde dat Alida daar prijs op stelde. 

    Bewonderenswaardige hoeveelheid informatie

    Lehmann bleef artistiek actief op allerlei vlakken – onder andere optredens te Ruigoord – maar natuurlijk gingen de jaren tellen, met onvermijdelijke gezondheidsklachten van dien. Er bleef aandacht bestaan voor Lehmann van hen die het goed met hem meenden, en bij diverse evenementen en festiviteiten was hij aanwezig – maar geleidelijk aan ging meer en meer langs hem heen. De gevolgen van zijn gezondheidsproblemen leidden in november 2012 tot het einde.     

    In deze biografie is een bewonderenswaardige hoeveelheid informatie bijeengebracht. Op zichzelf is de speelse, originele en ongrijpbare figuur Lehmann merkwaardig en veelzijdig genoeg voor een boek van deze omvang. Al had het boek gewonnen bij iets meer speelsheid.  Het is nogal opsommerig en werkt gestaag Lehmanns leven af, van begin tot eind. Informatief, zeker, boeiend ook, maar tegelijkertijd braaf. De hamvraag van zijn kunstenaarschap: ‘Waarom stopt een schrijver op enig moment met schrijven en houdt dat vervolgens dertig jaar lang vol?’ wordt door de titel van de biografie niet helemaal beantwoord. Lehmann was niet zozeer een dichter ‘die het niet wilde zijn’. Hij was de dichter die hij was. Hij wilde niet een dichter zijn zoals die blijkbaar behoorde te zijn in de ogen van anderen. Aan dat beeld wilde hij niet voldoen: niet zozeer principieel of onverzettelijk… zelfs in dat standpunt was hij onzwaarwichtig lijkt het. Maar het lot van wie publiceert is nu eenmaal dat anderen zich over die publicaties uitlaten. En daar moest Lehmann mee dealen. Dat hij dat deed op eigen, uitzonderlijke wijze, neemt de lezer  voor de man in, als de dichter die hij tegen wil en dank was, als veelzijdig en toegewijde dilettant op tal van andere artistieke gebieden en als mens. 

     

     

  • Een echt Renaissance-mens

    Meer dan tien jaar heeft Michiel van Kempen gewerkt aan deze biografie van Albert Helman. Het is dan ook een vuistdik boekwerk geworden: 638 bladzijden tekst en 75 bladzijden noten. Dat vraagt om een rechtvaardiging, zeker gezien het oude adagium: ‘In de beperking toont zich de meester’ en ….., wie is eigenlijk die Albert Helman?
    Voor het lezen van deze biografie wist ik niet zo bijster veel van Albert Helman. Mijn boekenkast bevat nog een pocket van zijn hand uit de Salamanderreeks getiteld Zuid-zuid-west. Bij het doorbladeren kwam het verhaal weer in mijn herinnering boven drijven, een serie schetsen over het koloniale leven in Suriname, waar zijn wieg gestaan heeft. Omdat de naam Helman mij wel altijd is bijgebleven als een van de Nederlandse vrijwilligers die zich voor de oorlog aanmeldden bij de Internationale Brigades om te gaan vechten tegen de fascisten van generaal Franco, heb ik een paar jaar geleden zijn opnieuw uitgegeven boek, De sfinx van Spanje, gelezen, een van de weinige ooggetuigenverslagen van de strijd tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Tenslotte stuitte ik onlangs bij een antiquariaat op een andere, aanzienlijk dunnere biografie van Helman uit 1949 geschreven door Max Nord. Helman was toen 46 en zou er nog 47 jaar aan vastknopen.

    Wie is Albert Helman?
    Lou Lichtveld (Albert Helman) is een Surinaamse jongen, die breekt met zijn roots en zich in 1922 in Nederland vestigt. Hij schrijft onder talloze pseudoniemen, maar meestentijds onder de naam Helman. Onder die naam is hij ook het meest bekend geworden. Hij is in zekere zin briljant te noemen. Hij is een snelle en originele denker, energiek, een vlotte en soms zeer goede schrijver, uitstekend muzikant en componist, prachtig dichter, sociaal vaardig, maatschappelijk betrokken, maar ook: zelfingenomen en zelfzuchtig, behept met een minderwaardigheidsgevoel, ongeduldig en vaak onaangenaam, dol op seks tot zelfs in zijn laatste dagen als, aldus Van Kempen, hij schalks in het oor van een van zijn lieftallige gezelschapsdames fluistert: ‘Weet je wat ik nou nog zo dolgraag eens zou willen? Een keer van bil gaan?’

    Wat heeft Albert Helman allemaal gedaan?
    Naast vele romans en korte verhalen heeft hij talloze recensies geschreven, commentaren geleverd, analyses geschreven, ingezonden brieven en heel veel gedichten. Hij heeft vele lezingen gehouden, zelfs op het kleine eiland Saba, wat Van Kempen de verzuchting ontlokt: ‘Hij geeft maar liefst drie lezingen op het piepkleine eilandje; soms vraag je je af of hij ook voor de albatrossen heeft gesproken.’ Hij is diplomaat geweest, minister, hoofd van de rekenkamer, redacteur van tijdschriften, vrijwilliger aan het front in de Spaanse Burgeroorlog, verzetsstrijder in Nederland, heeft in de zuiveringscommissie gezeten, heeft zich bemoeid met de onafhankelijkheid van Suriname, actief gelobbyd tegen Bouterse c.s. Hij heeft niet alleen gesproken en aan tafel gezeten met de culturele en politieke elite van Nederland, maar met de groten der aarde. Kortom Albert Helman is een actief baasje geweest, een man met buitengewone capaciteiten op tal van terreinen: een echt Renaissance-mens zoals hij ook graag wilde zijn, aldus Van Kempen.

    Wat is de betekenis geweest van Albert Helman op bovengenoemde vlakken?
    Dat blijft onduidelijk. Van Kempen schrijft in zijn inleiding: ‘Deze biografie geeft op sommige plaatsen niet de detaillering die biografen van auteurs van een klein oeuvre wel kunnen geven’. Hij heeft, zoals hijzelf zegt, rigoureuze keuzes moeten maken. Zo laat hij alle rapporten, memoranda en andere teksten van meestal lokaal belang uit Helmans diplomatentijd achterwege, maar ook structurele en stilistische analyses van zijn werk. Alleen ‘gefilterd sijpelen ze door naar het biografische verhaal, bijvoorbeeld daar waar kritieken aanleiding hebben gegeven tot publieke debatten’. Hoewel het eerste vanzelfsprekend is, is het tweede jammer en ook niet helemaal begrijpelijk. Helman is immers toch het meest bekend als literator en niet als diplomaat. Om hem te kunnen kennen, is inzicht in- en dus analyse van zijn werk toch onontbeerlijk? Zijn rigoureuze keuzes lijken dan ook vooral gebaseerd op de snoeischaar, maar hebben niet geleid tot een principieel andere benadering. Ondanks de veelheid aan bronnenmateriaal, blijft Van Kempen vasthouden aan een chronologische beschrijving van het leven van Albert Helman, eigenlijk zonder enigerlei andere vorm van ordening. Dit is jammer, aangezien er zo wel erg veel van de geïnteresseerde lezer gevraagd wordt. Helman heeft zich immers gedurende een lange reeks van jaren op tal van terreinen wereldwijd actief betoond. Van Kempen had er, gezien de overstelpende hoeveelheid materiaal, beter aan gedaan om, binnen een zeker chronologisch kader, te kiezen voor een meer thematische benadering, bijvoorbeeld, Helman als literator; Helman en Suriname enz.

    Tot en met hoofdstuk 7 blijft het boeien, waarschijnlijk omdat het gebodene zich tot dan toe afspeelt binnen de grenzen van onze eigen cultuurgeschiedenis, namelijk een stukje kolonialisme, verzuiling, opkomst fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de bezetting en tenslotte de wederopbouw en de afrekening. Daarna waaiert het verhaal alle kanten uit. Dit heeft vooral te maken met de vele diplomatieke activiteiten van Helman nadien. Als betekenisvolle schrijver lijkt hij, na de oorlog, zijn tijd gehad te hebben. Er beklijven daarvan alleen nog wat anekdotes en die zijn er genoeg. Helman was immers een controversiële figuur en Van Kempen kan daar smakelijk over vertellen. Maar er ontbreekt een betekenisvolle ordening, iets dat wel ten grondslag ligt aan het oude boekje van Max Nord. Helemaal rechtvaardig is deze kritiek natuurlijk niet. Het boekje van Nord is verschenen in de serie ‘Schrijvers van heden’ en pretendeert niet zozeer een biografie te zijn, maar slechts een duiding van de betekenis van het werk van de schrijver Albert Helman tot 1949. Het is geen biografie in de zin die Van Kempen voor ogen staat en bovendien in tijdsbestek veel beknopter. Maar het is wel gebaseerd op een betekenisvolle ordening, namelijk Helman als schrijver. Dus, niks geen relaas over zijn huwelijksperikelen, maar wel over de invloed van Kafka, Freud, Camus en het existentialisme op zijn werk, hoe zijn werk zich verhoudt tot dat van bijvoorbeeld Couperus. Op zo’n manier is zo veel meer omtrent Helman te leren.

  • Kunstenaar van de angst

    Hitchcock is waarschijnlijk de meest besproken regisseur uit de filmgeschiedenis. De eerste biografie over de iconische filmmaker verscheen twee jaar voor zijn dood in 1980, en inmiddels zijn er over hem nog minstens vijftien andere biografieën te vinden (die van Taylor, Spoto en McGilligan zijn het meest bekend). Peter Ackroyd voegt zich in dit rijtje met zijn nieuwste boek, dat de droge titel Alfred Hitchcock heeft meegekregen.

    Hitchcock was een merkwaardige man, en hetzelfde kan gezegd worden van zijn meest recente biograaf. Peter Ackroyd leeft min of meer voor het schrijven. Het verhaal gaat dat hij elke dag aan drie verschillende boeken werkt: de ochtend besteedt hij bijvoorbeeld aan een historisch werk, ’s middags is dan gereserveerd voor een biografie en in de avond wordt er bijgeklust met het schrijven van fictie. Zijn oeuvre telt inmiddels meer dan 50 boeken. De gemene deler is dat het over Engeland en Londen gaat, of over illustere landgenoten.
    Ackroyd beschrijft in deze biografie het leven van de Britse regisseur Alfred Hitchcock op strikt chronologische wijze en grotendeels aan de hand van zijn films.

    Angsten en obsessies
    Het eerste hoofdstuk, dat de jeugd beslaat van de jonge Alfred, geeft relatief veel achtergrondinformatie, die helpt om de publieke en bijna mythische figuur die hij geworden is te kunnen plaatsen. Het medium film stond nog in de kinderschoenen toen Hitchcock in het begin van de 20e eeuw in een voorstad van Londen de katholieke kostschool doorliep. Al op jonge leeftijd zou hij gekampt hebben met ongeoorloofde verlangens en daaruit voortkomende angsten. Ackroyd schrijft, bij uitzondering nogal speculatief; ‘Hij had een afschuw van het leven die hij alleen door zijn fantasie kon verzachten. En hij veranderde nooit wezenlijk. De angsten en obsessies uit zijn jeugd behield hij tot het einde van zijn leven.’

    Na een korte carrière in de reclamewereld belandde Alfred Hitchcock op 22-jarige leeftijd in de filmindustrie. Aanvankelijk was het zijn taak om de tussentitels bij stomme films te ontwerpen, maar al snel wist hij zich ook op andere terreinen van het filmproces nuttig te maken. Op de filmset leerde hij de vrouw kennen die zijn gehele carrière en leven bij hem zou blijven, Alma Reville. Ze werd altijd betrokken bij de totstandkoming van scenario’s en drukte ook haar stempel op de montagetechnieken die Hitchcock toepaste.

    Visueel
    Alfred Hitchcock mocht vanaf 1925 zelf op de regisseursstoel gaan zitten en oogstte onmiddellijk succes (hoewel hij in zijn leven ook geregeld te maken kreeg met slechte pers of tegenvallende bezoekersaantallen). De hoofdstukken over de vroege jaren van Hitchcocks carrière zijn interessant om te lezen. Hij was heel visueel ingesteld en zag individuele scènes levendig voor zich, vaak nog voordat hij een plot of personages had uitgewerkt. Dit laatste was werk voor de scenarioschrijver van dienst. Hitchcock werd sterk beïnvloed door de Duitse expressionisten, met name W.F. Murnau, die hem leerden hoe hij een verhaal moest vertellen zonder woorden te gebruiken. Een andere inspiratiebron was Edgar Allen Poe, wiens angstwekkende verhalen hem al vanaf jonge leeftijd fascineerden.

    Enkele films uit zijn Engelse periode genieten nog steeds bekendheid bij de filmliefhebber, maar zijn blijvende roem heeft Hitchcock te danken aan de films die hij in Hollywood zou maken vanaf de jaren 40 en vooral 50 (onder andere Rear Window, Vertigo, Psycho).

    Projectie
    Ackroyd beschrijft het productieproces achter een groot deel van Hitchcocks meer dan 50 films. De biografie is overwegend zakelijk van toon maar geeft soms smakelijke details over de samenwerking met sterren als Ingrid Bergman, Kim Novak en Grace Kelly. Een korte mening over waarde van de film binnen het oeuvre van Hitchcock volgt vaak, wat Ackroyd geregeld gepaard laat gaan met het oordeel dat de regisseur er zelf over heeft uitgesproken. Voor werkelijke filmanalyse is weinig ruimte. Ackroyd tekent op dat Hitchcock daar zelf ook niets van moest hebben: hij was vooral geïnteresseerd in het effect van zijn film op het publiek. ‘Hitchcock projecteerde zijn angst op zijn films, waarin deze een intrinsiek aspect van het dagelijks leven vormt. […] Hij had zo’n intieme band met zijn eigen angsten dat hij intuïtief in staat was die van het publiek op te poken.’

    De biografie Alfred Hitchcock is soms nogal droog, hoewel het te prijzen valt dat het boek nog geen 300 pagina’s telt, een prestatie die helaas voor vele biografen onbereikbaar blijkt. De ware Hitchcock-liefhebber zal wellicht weinig nieuws tegenkomen, maar voor wat breder georiënteerde cinefielen biedt het boek een vrij compact overzicht van de carrière van Hitchcock. Het werpt enig licht op wat sommigen wel ‘the dark side of genius‘ hebben genoemd en toont de werkwijze achter de bekendste films van de man die hele generaties in de bioscoop schrik wist aan te jagen.

  • Geen volk kan zonder verhalen

    Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas begint de epiloog in zijn boek Mohammed en het ontstaan van de islam als volgt: ‘Godsdienststichters komen nooit ‘uit het niets’ tevoorschijn. Ze zijn het product van hun omgeving en van hun tijd. Maar hun blik reikt verder’.

    Het is inderdaad wat dit boek zoveel boeiender maakt dan een levensbeschrijving van iemand die ideeën had waar hij anderen voor wist te winnen. Hulspas laat zien hoe de opkomst van de islam alles te maken had met de bewustmaking van een Arabische identiteit. En hoe die identiteit zijn basis vond in een herkomstmythe en geloof in een lotsbestemming. over zijn oorsprong.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hulspas zijn biografie van Mohammed begint met de politieke constellatie van de regio. In de eerste eeuwen van onze jaartelling was er eigenlijk nog geen sprake van een Arabisch volk. Eeuwenlang was het gebied ten prooi aan een machtsstrijd tussen Perzen en Byzantijnen, die beurtelings Arabische stammen inschakelden om voor hen te vechten. Het was in de ogen van de strijdende partijen een gevecht tussen Goed en Kwaad, een zienswijze die zijn basis vond in de verschillende religies, het christendom van Byzantium en het zoroastrisme van Perzië. Dwars door deze tweestrijd liep bovendien het Joodse volk, waarvan de leden verspreid over de hele regio woonden.

    Arabië, voor zover daarvan sprake was, was niet meer dan een schiereiland (met onder andere Saoedi-Arabië en Jemen). Het allegaartje van stammen dat daar woonde werd gedwongen onderlinge verschillen voor lief te nemen en zich te verenigen, toen de tweestrijd van de grootmachten beslecht leek te worden in het voordeel van de Perzen. Dat was een schrikbeeld voor die stammen die vanouds meer sympathie hadden voor het christendom.

    Maar wat moest die Arabische stammen binden? Daarin speelde Mohammed een essentiële rol door zijn woonplaats Mekka, die in het handelsverkeer nauwelijks van betekenis was, en de daar aanwezige Kaäba, te verbinden met een religieuze oorsprong. In zijn visie stamden de Arabieren af van Abraham, net als de Joden en christenen. Maar die waren afgedwaald van het geloof van deze aartsvader. Dat gold ook voor de Arabieren zelf, doordat ze het oudste heiligdom van het Abrahamistische geloof, de Kaäba, ernstig hadden verwaarloosd. En zo kon Mohammed de nieuwe Profeet worden die waarschuwde voor de komende Eindtijd als de Perzen zouden winnen. Alleen een terugkeer naar het zuivere geloof van Abraham kon redding bieden. In het begin verzamelde Mohammed nog slechts een aanhang in kleine kring, vooral omdat zijn aanhangers (de Hoems) wel de afstamming van Abraham aanvaardden, maar moeilijk de verering van ‘de drie dochters’, de vrouwelijke bemiddelaars tussen God en de mens, konden loslaten; een verering die door Mohammed, als voorstander van een volmaakt monotheïsme, werd afgewezen. Het zou na 12 jaar de reden worden voor een verhuizing van de Profeet naar Medina, de plaats waar hij in 632 zou sterven.

    Wie het leven van Mohammed wil beschrijven kan zich nauwelijks op vaststaande feiten beroepen. Ook Hulspas stonden slechts de Koran en de traditie, dat wil zeggen de overgeleverde verhalen en gebruiken, ten dienste. Die verhalen zijn lang van mond tot mond gegaan voor ze werden opgetekend. De oudste bewaard gebleven verzameling ervan die een gestructureerde biografie van de Profeet biedt, is die van Mohammed ibn Ishaak (de Nederlandse vertaling, Het leven van Mohammed, verscheen bij Bulaaq en is nog altijd verkrijgbaar). Hulspas leunt zwaar op deze biografie, maar gaat er bijzonder kritisch mee om. Even gedegen en doorwrocht is zijn exegese van de Koran. Hij ontleedt de verzen tot op het bot en elke bewering van eerdere biografieën wordt zo minutieus tegen het licht gehouden dat de lezer alleen maar diep ontzag kan hebben voor de mate waarin Hulspas zich zijn onderwerp heeft eigen gemaakt. Een enkele keer dreigt zijn verhaal wat breed uit te waaieren als hij nuance op nuance stapelt bij alle mogelijke interpretaties of bewerkingen van een Koranvers of het belang dat iemand kan hebben gehad om elementen in een verhaal weg te laten of toe te voegen. Er zullen best lezers zijn die, bijvoorbeeld in hoofdstuk 17 ‘De oorlog tegen Mekka en de Joden’, bezwijken onder de vele zinswendingen als  ‘gesteld dat’, ‘mogelijk’, ‘waarschijnlijk’, ‘als dit echt gebeurd is’, ‘suggereert dat’, om dan aan het slot te lezen: ‘Kortom, de latere verhalen zijn niet te vertrouwen’.

    Maar wie bereid is alle voorbehouden voor lief te nemen heeft met Hulspas’ boek een heldere biografie van Mohammed en een goede handleiding voor de benadering van de Koran in handen. De auteur maakt tevens duidelijk wat dit heilige boek nu werkelijk zegt over zaken die in onze dagelijkse actualiteit vaak worden opgedist als de belofte dat martelaren voor het geloof een paradijs met maagden wacht en hoe het gesteld is met de vrouw in de islam.

    Bovendien is de toon van Hulspas altijd licht en verstaat hij zijn vak om wetenschap aan leken over te brengen. Hij vertelt de verhalen op een smeuïge manier in verrassend frisse taal. Maar ook zijn bespiegelingen zijn zo ingeleefd dat je meegenomen wordt in de tijd. Af en toe roepen ze zelfs een glimlach bij je op: ‘Humor is zeldzaam in de Koran (…) Maar hier en daar klinkt in de openbaringen de invloed door van beroepsvertellers, die hun luisteraars graag vermaakten met grappige verhalen. Zo kregen ze wellicht de lachers op hun hand met het uitbeelden van Mozes toen deze plotseling, bij het naderen van een wonderlijk brandende braambos, de stem van God hoorde.’

    En als hij beschrijft hoe tolerant de islam zich opstelt tegenover de plicht tot het verrichten van de ‘heilzame werken’ (het bidden, het geven van aalmoezen, de ramadan enzovoort) noemt Hulspas God ‘geen scherpslijper’.

    Mohammed en het ontstaan van de islam geeft een verhelderend zicht op de basis van een religie die het Arabische volk een gevoel van eigenwaarde gaf. Dat kan leiden tot meer begrip. Dat ieder er zijn eigen interpretaties op na houdt, van moslimfundamentalisten aan de ene en islamofoben aan de andere kant, daar kan Hulspas natuurlijk weinig aan veranderen.

     

     

  • De kunst van een eenling

    De hoofdpersoon in de roman De speler van Dostojewski omschrijft een Duitse familie: een fatsoenlijke Vater die ’s avonds samen met zijn gezin zit te lezen, terwijl ‘boven het huisje de olmen en kastanjes ruisen. De zon gaat onder, de eiber zit op ’t dak.’ Zulke beschrijvingen kom je in de recent verschenen Nederlandse vertaling van de biografie van Johann Wolfgang von Goethe door filosoof en historicus Rüdiger Safranski niet tegen; Safranski beschouwt soortgelijke omschrijvingen als ‘weinig vleiend’ (p. 369). Sterker nog, het lijkt bijna alsof Goethe qua familie in het luchtledige hangt. Het zou zomaar kunnen, dat Safranski daarmee wil benadrukken dat Goethe ‘de kunst verstond een eenling te blijven’ (p. 17). Zoals de auteur dingen niet zonder reden weglaat, schrijft hij ook niet zomaar iets zonder bedoeling op.

    Zelfs de veelvuldig voorkomende gedachtestreepjes lijken weggelopen uit het werk van Goethe zelf. Evenals de tussenbeschouwingen die doen denken aan de eerste versie van Wilhelm Meister Wanderjahre van de meester zelf. Voorts zijn citaten zó raak gekozen, dat ze bevestigen wat Safranski over Goethe schrijft: ‘Hij ensceneert zijn liefdesperikelen in zijn brieven, verlengt en intensiveert ze en creëert in het schrijven een imaginair toneel’ (p. 53). Dit citaat ligt in het verlengde van de rode draad die Safranski door zijn biografie weeft: Goethes ‘verlangen een leven te leiden volgens de literatuur, dat pregnanter en betekenisvoller kan zijn dan het leven zelf’ (p. 96). Het schrijverschap is bij Goethe volgens Safranski ondergeschikt aan zijn leven (p. 220). Waarbij het eerste hem gemakkelijker afging dan het tweede. Safranski benadrukt het eerste, terwijl de moeizame wordingsgeschiedenis van Faust ook iets anders laat zien.

    Safranksi heeft Goethes werk, zijn primaire bron, gelezen vanuit dat uitgangspunt, het leven. Werther is bijvoorbeeld een jongeman ‘bij wie de gevoelens meer uit zijn lectuur dan uit het leven zelf stammen’ (p. 252). En passant haalt Safranski overigens de opvatting onderuit dat deze roman tot nabootsende zelfmoorden zou hebben geleid. Hoewel Goethes zelfmoordneigingen uit zijn vroege jaren en de zelfdoding van één van de dochters van kolonel Von Lassberg verderop in het boek wel met Werther in verband worden gebracht …

    Eén van de andere primaire bronnen naast Goethes eigen werk zijn brieven. Onder meer van Karoline Herder. Volgens hem had ook zij het met soortgelijke observaties over leven en werk als hijzelf maakte, het bij het rechte eind. Zij schreef aan haar man, als dichter, filosoof en theoloog de geestelijke tegenpool van Goethe: ‘Hij leeft nu eenmaal zoals de dichter met het geheel of het geheel in hem’ (p. 364). Hetzelfde geldt ook voor de kunsten die Goethe liefhad, en op zijn reizen in Italië leerde waarderen, en de natuurkunde, die hij een even warm hart toedroeg. Ook deze zuilen krijgen, net als Goethes werkzaamheden als criticus, jurist en politicus relatief veel aandacht. Safranski trekt uit deze veelzijdigheid de conclusie, dat Goethe voor alles een grenzeloos nieuwsgierig mens was, vol van het ‘machtige gevoel alles te kunnen assimileren wat hem de moeite waard leek’ (p. 431). Een beetje zelfzuchtig dus, maar zo ver gaat de bewonderende biograaf niet. Wel hield Goethe het daarbij klein, meent hij; Goethe hing, in tegenstelling tot Schiller, die ‘aan de mensheid dacht’, aan zijn ‘kleine kring van kunstvrienden’ (p. 465). Over Schiller schreef Safranski overigens eerder enkele in de pers goed ontvangen studies, evenals over Nietzsche, Heidegger, Schopenhauer en E.T.A. Hoffmann.

    Concluderend schreef Safranski met Goethe een meesterlijke biografie over één van de grootste meesters uit de wereldliteratuur. Hij baseerde zich op het werk van Goethe zelf en werkt consistent en evenwichtig het slechts in een enkel geval als een mal werkende idee uit dat Goethe een leven leidde volgens die literatuur. Daarbij wijst hij telkens momenten in zijn leven en werk aan die er een bepaalde wending aan gaven. Momenten die in een kroniek achter in het boek nog eens op een rijtje zijn gezet. Safranski weet die momenten, het leven en werk van Goethe op grond van primaire bronnen binnen de context van zijn tijd te plaatsen. Dit geeft het grootse boek dat – zoals het cliché zegt – leest als een roman meerwaarde en tilt het uit boven de zoveelste biografie over Goethe. Daarbij komt dat de studie ook nog eens mooi is vertaald door Mark Wildschut, die eerder boeken van Safranksi vertaalde.

     

    Goethe. Kunstwerk van het leven
    Biografie

    Auteur: Rüdiger Safranski
    Vertaald door: Mark Wildschut
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 704
    Prijs: € 44,99

  • Evenwichtig en fascinerend beeld in een knappe biografie

    Ooit zei een vriend van Poetin tegen hem: ‘Ik ben cellist. Ik weet dat jij geheim agent bent, maar ik weet niet wat dat inhoudt. Wie ben je? Wat doe je?’ Nogal koel antwoordde Poetin: ‘Ik ben specialist in menselijke verhoudingen.’

    De biografie van Poetin begint met zijn bezoek aan de Britse koningin Elisabeth, een van de meest directe, nog levende afstammelingen van de laatste Russische tsaar. Hiermee illustreren de schrijvers, Chris Hutchins en Alexander Korobko meteen de opzet van het boek: de opgang van de volksjongen Vladimir Poetin, Vlad voor zijn vrienden, in de grote boze wereld.

    Als kind groeit Poetin op in een éénkamerappartement in een Kommunalka in Leningrad, een grauwe woonkazerne waar privacy een onbekend begrip is. Tamelijk klein van stuk, heeft hij keihard moeten vechten om zich staande te houden tussen de jongens van de buurtgangs. Een echte pitbull met een ijzersterk karakter, aldus een oude vriend. Later heeft hij zich bekwaamd in verschillende vechtsporten, vooral judo, onder het motto: ‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’. Hij maakt carrière binnen de communistische Geheime Dienst, is geheim agent in Dresden als ‘De Muur’ valt, maakt, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, carrière in Leningrad, wordt door Jeltsin naar Moskou gehaald en schopt het vervolgens tot president van de nieuw opgerichte Russische Federatie. Vlad, de volksjongen wordt ontvangen door de hoge adel van het Britse hof. Vladimir Poetin, ex-vertegenwoordiger van een bewind dat verantwoordelijk is voor de moord op de tsarenfamilie kust de hand van koningin Elisabeth. Het lijkt wel een sprookje!

    Het gaat de schrijvers minder om Poetin politiek te duiden als wel om een beeld te geven van zijn persoonlijkheid en de opmerkelijke carrière die hij heeft gemaakt. Ook de titels van de hoofdstukken wijzen in deze richting. Zij hebben sterk het karakter van een avonturenroman, een jongensboek:

    1. Vlad de veroveraar
    2. Geheim agent en minnaar
    3. Tanks en toewijding
    4. Blair in het land van de sovjets
    5. Bloedbad in de achtertuin
    6. De jacht op Chodorkovski

    Hierin schuilt dan ook het aantrekkelijke van het boek. Wie wil nu niet wat meer weten over Poetin, die vrijwel dagelijks in de westerse media wordt afgeschilderd als een gewetenloze machtswellusteling, als een sluwe vos die, als leider van een van de machtigste landen ter wereld, niet alleen politiek volstrekt onberekenbaar is, maar vooral ook onbetrouwbaar? Het gevaar bestaat dat deze benadering enigszins hagiografisch wordt, dat Poetin te kritiekloos wordt neergezet als een echte mannetjesputter. Hoewel hij dat natuurlijk ongetwijfeld is, is het knap van de schrijvers dat zij ook oog blijven houden voor de schaduwkanten van zijn persoon.

    Het boek geeft een fascinerend beeld van een van de meest turbulente perioden uit de jongste geschiedenis: de ineenstorting van de Sovjet-Unie en, in het kielzog daarvan, van het hele Sovjetimperium in Oost-Europa, maar ook van de worsteling van het nieuwe Rusland om aansluiting te vinden bij de moderne wereld. Dit alles wordt geschetst aan de hand van de carrière van Poetin.

    Hij is, zoals zo veel Russen, bijzonder vaderlandslievend en ziet de KGB als voornaamste hoeder van dat vaderland: ‘Ik ga geheim agent worden: ‘dát zijn de mensen die de oorlog winnen, niet het leger. De soldaten zijn slechts dienaars, de spierkracht, maar niet de hersens.’
    Als agent van de KGB leert hij al snel dat de KGB bepaalt wat de wet is. Hij adoreert Andropov, ex-KGB-baas en de jong gestorven opvolger van de half seniele Sovjetbons Tsjernenko en bij de ineenstorting van de Sovjet Unie geldt zijn toewijding zeker niet het systeem, maar wel de KGB, het korps dat het vaderland beschermde. Poetin komt naar voren als een man met een groot gevoel voor kameraadschap, persoonlijke trouw, de laatste en enig overblijvende normatieve kracht om te overleven in een wereld die finaal is ingestort. Dit ervaart zijn beschermheer Sobtsjak, de burgemeester van het meest criminele wespennest van Rusland, Leningrad.

    Als KGB-agenten hem erin proberen te luizen, staat Poetin pal. Oude vrienden laat hij nooit in de steek. Hij creëert als het ware een coterie om zich heen van oude kameraden zoals bijvoorbeeld Medvedev, die door een persoonlijke eed van trouw aan elkaar gebonden zijn, feodaal bijna. Deze eigenschap brengt hem later ook in contact met de Russische president Jeltsin, die hem uiteindelijk naar voren schuift als zijn opvolger: ‘Als Poetins mentor kan ik jullie vertellen dat de democratie veilig is in zijn handen’.  Als wij westerlingen dit lezen, moeten wij daar een beetje wrang om lachen. De democratische opvattingen van Poetin zijn wel erg ‘Russisch’. Hij geldt vooral als een pragmatisch man, die bereid is moord te vergoelijken – en in ieder geval niet te beschouwen als iets dat in alle opzichten verwerpelijk is – zolang dit maar, in zijn ogen, het landsbelang dient. Een voorbeeld hiervan is de moord op de journaliste Anna Politovskaja, die al te vrijmoedig artikelen publiceerde over het Russische optreden in Tsjetsenië.

    Nu had Poetin ook bepaald geen eenvoudige klus te klaren. De economische chaos die Poetin erfde van Jeltsin was gigantisch. Diens ‘leningen voor aandelen programma’, waarbij Jeltsin bijna alle staatsbedrijven in de uitverkoop gooide om uiteindelijk waardeloze leningen te verkrijgen ter dekking van de uit de hand lopende staatsuitgaven, wekte de hebzucht van gewiekste en gewetenloze ‘Robberbarons’, oligarchen, zoals ze tegenwoordig genoemd worden. Poetin zag het als zijn voornaamste doel dit soort types de wacht aan te zeggen. Dit is hem ook gelukt. De meest bekende figuur onder hen is Chodorkovski, die een jarenlange straf moest uitzitten in Siberië. In hoeverre Poetin er werkelijk in geslaagd is deze Russische zwijnenstal echt uit te mesten, is de vraag. Maar goed, nu komen we toch weer te veel op het politieke vlak, terwijl het boek in essentie een beeld tracht te geven van de figuur Vladimir Poetin, van zijn karakter, zijn persoonlijkheid.

    Vanzelfsprekend zijn deze twee zaken niet van elkaar te scheiden, hooguit te onderscheiden. Naast zijn vaderlandsliefde, trouw, pragmatisme, hardheid en misschien zelfs een zekere gewetenloosheid springt zijn gevoel voor public relations in het oog. Bekend is zijn uitspraak: ‘Het enige verschil tussen een rat en een hamster is dat een hamster een betere PR heeft’. Hierin schuilt één van de factoren die westerse Kremlinwatchers vaak in verwarring brengt: Poetin voldoet niet aan het traditionele beeld van de vroegere Sovjetleiders. Hij kent het westerse gevoel voor pr uitstekend en maakt daar dan ook gebruik van op een manier die ons vaak onaangenaam verrast. Poetin is echt het type van wat met een mooi Duits woord genoemd wordt een ‘realpoliker’ die maar één doel nastreeft, nl. het behoud van de eigenwaarde van ‘moedertje Rusland’.

    Misschien schuilt er wel veel waars in de uitspraak van een vriend van Poetin, een zakenman in Londen, die zegt: ‘Vladimir Poetin is niet meer een moordenaar dan bijvoorbeeld Winston Churchill dat was.’ Een uitdagende stelling om  over na te denken, wellicht…… Maar hoe het ook zij, Chris Hutchins en Alexander Korobko zijn erin geslaagd het juiste evenwicht te vinden tussen een goed geschreven, gedegen biografie over een van de belangrijkste politieke figuren van onze tijd, gebaseerd op goed onderzoek zonder te vervallen in hetzij naïeve bewondering, hetzij virulente afwijzing. Een complicerende factor is gelegen in het feit dat er juist in de periode na de verschijning van dit boek zoveel is gebeurd dat de beoordeling van Poetin door de westerse wereld kleurt.

     

  • Portret van een oeuvre

    Recensie door Hans Bender

    Margot Dijkgraaf (1960), romanist en onder meer literatuurcriticus van diverse literaire bladen, is vanaf haar middelbare schooltijd gefascineerd geweest door het werk van Hella Haasse. Als twintiger stuurde zij de schrijfster soms brieven met vragen over een boek, dat ze zojuist had gelezen. De schrijfster belde haar dan steevast terug om de vragen te beantwoorden. De interviewster zat ondertussen niet stil; ze werkte voor NRC Handelsblad, voor diverse culturele organisaties, werd redacteur van literaire tijdschriften en schreef zelf een paar boeken. Al met al: in de 22 jaar, die zij Haasse heeft gekend is zij ongeveer 130 keer bij haar thuis geweest.

    In 2004 ontstond het plan, de gesprekken in een boek te bundelen; dat resulteerde in Spiegelbeeld en schaduwspel.

    Hella Haasse groeide op op Java en haar bekendste Indische boeken zijn haar debuut Oeroeg en het latere Heren van de thee. In 1988 krijgt zij de nodige bekendheid bij het grote publiek doordat Adriaan van Dis haar in zijn televisieprogramma ten tonele voert als ‘de schrijfster van Oeroeg‘. Het boek wordt later, in 2009, verkozen tot het centrale boek van de campagne ‘Nederland leest’. Bovendien omschrijft Van Dis haar als ‘de gesprekspartner van de koningin’. Het interview bevalt de schrijfster allerminst; ze wil uitsluitend worden beoordeeld op de kwaliteiten van haar literaire werk.

    In het algemeen wordt zij gezien als een erudiete, aardige en bescheiden dame zonder uitgesproken, laat staan controversiële standpunten. Ook de neerlandistiek besteedt relatief weinig aandacht aan haar: als Margot Dijkgraaf enige tijd na Haasse’s dood in 2011  een avond poogt te organiseren over haar werk vangt zij bij alle door haar benaderde hoogleraren bot. En tot op de huidige dag is er niemand gepromoveerd op (alleen) het werk van Hella Haasse.

    Opmerkelijk: Haasse wilde niet, dat het boek van Dijkgraaf een biografie zou worden; wie wilde weten wat voor leven zij had geleid moest – zo meende zij – haar boeken maar lezen. Tja, en wat denkt Dijkgraaf, de interviewster eigenlijk zélf van haar boek? Welnu, om te beginnen, ze vindt het – merkwaardigerwijze – geen interviewboek en evenmin een biografie. Zij omschrijft het als ‘mijn portret van het oeuvre van onze grootste twintigste eeuwse schrijfster…’

    Hella Haasse had levendige herinneringen aan haar vroege, Indische jeugd en zij legde daarbij de nadruk op de betovering, die uitgaat van de natuur. Dit aspect alsook de (gezins)wereld waarin zij opgroeide komt tot uiting in haar autobiografisch werk Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1974) en nog enkele andere boeken.
    Hella Haasse krijgt van huis uit liefde mee voor kunst en cultuur en daarnaast een zekere hartstocht voor literatuur en het schrijven. Dit alles wordt in hoge mate bepaald in de jaren die zij doorbrengt op het lyceum in Batavia. Na haar eindexamen vertrekt zij in 1938 naar Nederland, waar haar vader haar heeft ingeschreven voor de universitaire studie Nederlands in Utrecht. Tegen de zin van haar ouders verhuist ze naar Amsterdam om er Scandinavische talen, Zweeds en in het bijzonder Oud-Noors te gaan studeren. Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken en is Nederland door de Duitsers bezet. Hella stopt met de studie en schrijft zich in bij de toneelacademie. In 1943 doet zij daar eindexamen. Tijdens de opleiding en daarna treedt zij regelmatig op in het land. Zij schrijft in die tijd teksten voor kinderprogramma’s; ook voor Wim Sonneveld schreef ze – tot 1947 – veel cabaretteksten.

    In 1944 trouwt Hella Haasse met Jan van Lelyveld, die aanvankelijk archeologie en geschiedenis, later rechten studeerde. Hij had literaire ambities, was redacteur van het satirische studentenblad Propria Cures en vroeg haar – al in 1940 – tot de redactie toe te treden.

    Hella Haasse betitelde de roerige oorlogsjaren als ‘ de belangrijkste van mijn leven’, maar pas veel later, in 1963, schreef zij daarover een roman De meermin waarin de problematiek – twee geliefden, die verschillende toekomstverwachtingen koesteren – in vermomde vorm opduikt.

    In 1945 verschijnt Hella’s eerste dichtbundel Stroomversnelling. Interviewster Dijkgraaf ziet daarin een bekend motief van Haasse’s optreden: ergens bij willen horen, met name bij de geliefde, om tegelijkertijd de eigen creatieve autonomie te behouden.  Ook het ‘Feniksmotief’ keert in haar oeuvre vaak terug, bijvoorbeeld in De scharlaken stad (1951) en Een nieuwer testament (1966).

    Phoenix is een vogel uit de Griekse mythologie. Hij vliegt eens in de 500 (!) jaar naar Egypte en nestelt daar hoog in een boom. Nest plus vogel vatten vlam, waarna de vogel verjongd uit zijn as herrijst. Deze wedergeboorte, het nieuwe begin, heeft Haasse nog talloze malen uitgewerkt.

    Terug naar een eerder genoemd thema, de door de interviewster in het oeuvre van Haasse ‘ontdekte’ – en door de schrijfster in de gesprekken bevestigde – discrepantie ten aanzien van de toekomstverwachtingen tussen geliefden. Dat werpt de vraag op voor welke lezer een boek als dit nu eigenlijk het meest geëigend is. Welnu, voor degenen die genieten van de verhaaltrant van Hella Haasse zal dit boek zeker welkom zijn. So far, so good. Maar degene voor wie dit boek een uitkomst zou moeten zijn – de man of vrouw aan wie de psychologische diepgang werkelijk besteed is – zou dat niet de eerder genoemde promovendus zijn, die vooralsnog  ontbreekt in onze literatuurgeschiedenis? Uw recensent ziet daar een mogelijkheid.

    Al met al kan Spiegelbeeld en schaduwspel een verhelderend boek zijn voor bewonderaars van het werk van Hella Haasse. En die zijn er genoeg.