• Klassiek in kleur

    De kleuren spatten van de pagina’s. Koos striptekenaar Dick Matena voor sober zwartwit bij Gerard Reves De Avonden en Willem Elsschots Kaas, Multatuli’s Saïdjah en Adinda verbeeldt hij in een explosie van groen, bruin en blauw. En het werkt!

    Dick Matena (1943) is een grote naam als het om Nederlandse striptekenaars gaat. Wie de stripbladen Pep en Eppo uit de jaren zeventig en tachtig las, kent hem van verschillende stripseries, zoals De Argonauten en Dandy. Daarnaast schreef hij scenario’s voor Storm en De Partners. In 1986 won hij al de prestigieuze Stripschapsprijs. Toen moest het leeuwendeel van zijn werk nog komen, de verstripping van klassieke kinderboeken, romans en verhalen. Een stroom van titels volgde: Chris van Abcoudes Pietje Bell en Kruimeltje, Nienke van Hitchums Afke’s tiental, Jan Wolkers’ Kort Amerikaans, Kees de jongen van Theo Thijssen. Ook Roald Dahl en Charles Dickens heeft hij eens onder zijn hoede genomen. En dan nu uit de Max Havelaar, Saïdjah en Adinda, de geschiedenis van een tragische liefde tussen twee jonge mensen in de dessa, tegen het decor van kolonialisme en machtsmisbruik.

    De tekst van deze stripeditie is nagenoeg integraal overgenomen van de Max Havelaar-editie uit 1979, zo staat in de verantwoording. Slechts kleine gedeelten van de tekst zijn weggelaten, coupures die de lezer niet opvallen. De spelling is stilzwijgend aangepast, geen ‘den ketapan’, zoals in de editie van 1979, maar ‘de ketapan’. Ook enkele stripplaten hebben het boek niet gehaald, maar zijn wel op een website terug te vinden. Achter in het boek staat een verklarende woordenlijst met Indonesische en Nederlandse woorden: melati is jasmijnbloem, klappa is kokos, ketapan is een boomsoort etc.

    Close-up

    In Saïdjah en Adinda laat Matena Multatuli (Eduard Douwes Dekker) zelf het verhaal vertellen. Al op de eerste pagina portretteert Matena hem, terwijl hij één van de beroemdste regels uit de Max Havelaar voorleest: ‘Saïdjahs vader had een buffel, waarmede hij zijn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het districtshoofd van Parang-Koedjang, was hij zeer bedroefd, en sprak geen woord vele dagen lang.’

    Enkele bladzijdes later blijkt dat Multatuli zijn verhaal voorleest op wat een soiree lijkt van witte, welgestelde dames en heren. De gezichten van die bezoekers zijn interessant. Ze lijken onaangeroerd, zelfs een tikje verveeld in het begin, maar tegen het einde, als het drama heeft plaatsgevonden, draait Matena zijn camera (die vooral close-ups gaf van Multatuli’s gezicht), naar de zaal en zie je hoezeer het publiek geraakt is. Het is een handige zet van de tekenaar om Multatuli sprekend op te voeren en hem in beeld te brengen. Zo zit je als de lezer Multatuli dicht op de huid en probeer je emotie in zijn ogen te ontdekken – wat overigens niet zo gemakkelijk is, ook van Multatuli’s gezicht is moeilijk iets op te maken. Maar juist de pagina’s waarop deze close-ups ontbreken, zijn aansprekender. Je wordt als lezer niet afgeleid en je blijft meer in het verhaal van Saïdjah en Adinda. Natuurlijk is die geschiedenis overbekend. Saïdjah en Adinda past in de traditie van tragische liefdesgeschiedenissen als Tristan en Isolde en Romeo en Julia. Politiek blijkt telkens fnuikend voor de liefde.

    Eenzaamste plaat

    Saïdjah vertrekt naar Batavia om voldoende geld te verdienen voor twee buffels. Hij belooft Adinda met haar te trouwen wanneer hij terugkomt. Dan komt de korte dialoog tussen Saïdjah en Adinda die de schaduw van de tragiek vooruitwerpt.

    ‘Als ik terugkom zal ik roepen in de verte…’
    ‘Wie zal dat horen, als we rijst stampen in ’t dorp?’
    ‘Dat is waar. Maar Adinda… O ja, dit is beter. Wacht me bij het Djatibos onder de ketapan, waar je mij de melati hebt gegeven.’
    ‘Maar Saïdjah, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te [op te] wachten bij de ketapan?
    Saïdjah bedacht zich een ogenblik en zei: Tel de manen. Ik zal uitblijven driemaal twaalf manen…’

    De terugkeer van Saïdjah bij de ketapan levert de mooiste strippagina’s op. Zijn geduld wordt op de proef gesteld. Hij observeert tijdens zijn ‘afmattend wachten’ het op en neer klauteren van een eekhoorn, ziet de komst van een vlinder. In de decors wordt wit steeds prominenter. Als Saïdjah naar
    Badoer rent en het huis van Adinda niet meer kan vinden, staat hij uiteindelijk in een groot wit vlak, met om zich heen – op afstand – de vrouwen van Badoer met in hun rug het groen van het oerwoud. Het is de eenzaamste plaat van het boek, die je meteen raakt.

    Saídjah sluit zich aan bij de opstandelingen tegen het Nederlands gezag: ‘niet om te strijden zozeer, als om Adinda te zoeken. Want hij was zacht van aard, en meer ontvankelijk voor droefenis dan voor bitterheid’. De kleuren zijn donkerder geworden, zeker bij de vondst van het dode lichaam van Adinda. Saïdjah, overmand door verdriet, werpt zich in de bajonetten van de Nederlandse soldaten.

    Tekenstijl

    Wat opvalt is dat Dick Matena in zijn tekenstijl meer inzoomt dan uitzoomt. Kenmerkend zijn de portretten, of uitsneden van gezichten, met name die van Multatuli of van Saïdjah, en heel verschillend zijn die gezichtsuitdrukkingen nu ook niet. Net iets te vaak zet Matena zijn camera op de lip van de personages. Het zijn de grote tekeningen die Saïdjah en Adinda bijzonder maken: de buffels op het land, de aanval van een tijger op een liggende Saïdjah, de jongen die uit de klappaboom valt, of de aankomst van Saïdjah in Serang, tekeningen die de lezer bijblijven, tekeningen – en kleuren! –  die de lezer brengen in het Nederlands-Indië van de negentiende eeuw. Dan zie je Matena’s meesterschap.

     

  • Eendimensionaal verhaal in fraaie beelden

    De man van nu, het klinkt als de titel van een ouderwets tijdschriftartikel uit de jaren vijftig over een veranderende, verbazingwekkende wereld met daarin echtgenoten die voortaan huishoudelijke taken verrichten, maar het is de naam van een strip van twee gerenommeerde hedendaagse stripauteurs: de Nederlander Hanco Kolk en de Belg Kim Duchateau. In de stripwereld is er veel sprake van samenwerkingen tussen een scenarist en een tekenaar. In dit album is er iets anders aan de hand: de duidelijk van elkaar te onderscheiden visuele stijlen van beide tekenaars worden in een en hetzelfde album gecombineerd tot een totaalproduct.

    Deze graphic novel kent dus twee scheppers en twee tekenstijlen. Het verhaal gaat over de liefde van een man, Rafael Falstaff, voor een vrouw die in een andere tijdsdimensie leeft. Kolk heeft de ene tijdsdimensie voor zijn rekening genomen, Duchateau de andere. De genoemde Falstaff raakt obsessioneel verliefd op een vrouw met wie hij nooit gesproken heeft en met wie lichamelijk contact niet mogelijk is, een vrouw die voor hem in feite niet meer is dan een mooi plaatje. Kolk en Duchateau maken het moeilijk om mee te leven met de mannelijke hoofdfiguur. Waar de stijlen (met name die van Kolk) aantrekkelijk zijn, mist deze strip emotie, ze gaat niet over echte mensen voor wie je iets kunt voelen. Alleen het begin van het album roept empathie op, wanneer we even het perspectief van de vrouw uit de andere dimensie volgen. Het vervolg is verhaaltechnisch teleurstellend en we keren ook niet meer terug naar het oorspronkelijke perspectief zodat er in dit album sprake is van losse eindjes: het is een science fiction verhaal zonder werkelijke diepgang. Zonde dat stilistisch meesterschap (bij Kolk) wordt ingezet voor een verhaal dat niet veel lezers werkelijk zal raken. Het is een cliché onder recensenten, maar ‘de innerlijke noodzaak’ om precies dit album te maken lijkt te ontbreken.

    Waar de naam van de mannelijke hoofdfiguur, Falstaff, lukraak naar Shakespeare’s Falstaff lijkt te verwijzen, is de naam van de vrouw uit de andere dimensie, Sylvia Calvijn, treffender. Er lijkt haar een onafkeerbaar einde te wachten te staan waar ze zelf geen invloed op heeft, wat wel aan de predestinatieleer van de protestantse voorman doet denken. Zij is als personage interessanter dan de eendimensionale man om wie het verhaal nu is opgebouwd. Als de auteurs ervoor hadden gekozen meer haar dimensie (en perspectief) te blijven volgen had dit mogelijk een volkomener eindproduct opgeleverd.

    Het album wordt visueel enigszins tot een eenheid gemaakt door de stemmige inkleuring van Marloes Dekkers, die dezelfde nostalgiserende (bruine, grijze en beige) kleuren gebruikt in de stukken van beide tekenaars. Duchateau’s stijl sluit aan bij de Vlaamse striptraditie (hij is vooral bekend om zijn absurde  grappen, bijvoorbeeld in de verhalen over Esther Verkest). De stijl van Kolk, ooit getypeerd als ‘de fraaie lijn’,  is ambitieuzer en doet denken aan Matisse. Kolk (bekend van Gilles de Geus, Meccano en S1ngle) laat zien dat het mogelijk is om beeldende kunststijlen te gebruiken in strips met een verhaal. Het is voor de lezer spannend om zijn sierlijke beelden te bekijken en het is eigenlijk jammer dat Duchateau’s stijl niet meer op de zijne lijkt. Met andere woorden: had Kolk maar het hele album voor zijn rekening genomen. Want het experiment van de twee stijlen in één album is niet helemaal geslaagd. De tekeningen van beide scheppers hadden of meer, of juist veel minder op elkaar moeten lijken, om (in het laatste geval) het contrast groter te maken. Nu is er sprake van iets daartussenin.

    De keuze voor twee stijlen vloeide voort uit het verhaalgegeven van de twee tijdsdimensies, elk anders vormgegeven. Het is al enige decennia modieus in de westerse maatschappij om te speculeren over het begrip tijd. In SF-films, boeken en strips wordt veelvuldig gereisd naar het verleden en de toekomst of naar een andere dimensie. De benadering van Kolk en Duchateau nodigt uit om anders naar het begrip tijd te kijken. In de filosofie, denk aan Joke J. Hermsen en Jos de Mul, wordt tegenwoordig veel gespeculeerd over zaken als innerlijke (oftewel subjectieve) tijd(sbeleving) of een ander fenomeen, posthistorische, niet lineaire tijd. Er zijn auteurs die pleiten voor het instellen van een academische discipline ‘time studies’. Van dergelijke maatschappelijke denkpatronen zien we iets terug in De man van nu, al is de visie op het verloop van de tijd niet zo interessant als bijvoorbeeld in de recente science fiction film Arrival.

    Science fiction hoeft niet per se pulp te zijn, denk aan boeken als Nineteen eighty-four en Brave New World. Dergelijke klassiekers bieden een dystopisch beeld van de toekomst. Dit dystopische aspect ontbreekt in De man van nu. Niet snel zal er bij een lezer de gedachte opkomen: ‘wat erg zou het zijn als dit de werkelijkheid was/zou worden’. Het had een heel beklemmend verhaal over de onmogelijkheid van communicatie tussen mensen die in verschillende dimensies leven kunnen zijn, maar het verhaal zoals het er nu ligt roept vooral onverschilligheid op. Hier stuiten we op de keerzijde(n) van de fraaie stilistiek van Kolk en de Vlaamse mannekensstijl van Duchateau: het ziet er allemaal mooi uit, maar het raakt je niet. Het is geen werkelijke satire (een artistieke vorm die Duchateau overigens wel beheerst, zo blijkt uit ander werk) en ook niet het tegenovergestelde: een warm verhaal over wat het is om mens te zijn in deze tijd of welke tijd dan ook. Misschien zijn het geen stijlen die passen bij diepgang en karakterontwikkeling. Misschien is daarmee aangetoond dat het niet makkelijk is om stilistische virtuositeit uit de beeldende kunst om te zetten in een narratief product. Het ene medium is het andere niet. De ‘fraaie lijn’ is prachtig, maar ook iets te nadrukkelijk gericht op het esthetische, de stijl is iets te mooi om werkelijk te beroeren. Het oog wordt gestreeld, maar het hart niet geraakt.

    Kolk en Duchateau zijn bekroonde stripauteurs. Ze staan sociologisch en ook kunstzinnig aan de top van de hedendaagse stripcultuur uit de lage landen. Kolks reeks ‘Meccano’ is van internationaal niveau, wat ze wel ‘on-Nederlands goed’ noemen, maar voor De man van nu geldt dat minder. Het is een boeiend experiment, maar geen potentiële klassieker, omdat het verhaal niet over gelaagde echte mensen gaat die echte en dus moeilijke keuzes moeten maken.

     

  • Sprookjes hebben geen woorden nodig

    De Bijbel, de Griekse en Romeinse mythen en sagen, en de sprookjes van Grimm en Andersen – dat zijn de verhalen die steeds weer opduiken. Blijkbaar hebben die zich zo verankerd in onze cultuur dat we er niet omheen kunnen of willen.

    Al vroeg komen we ermee in aanraking. Van veel van deze verhalen zijn tekenfilms gemaakt en er zijn boekjes voor heel jonge kinderen die het verhaal op eenvoudige wijze vertellen. Omdat de kennis ervan breed verspreid is, kunnen we ook spelen met de inhoud en erop variëren. Hans Teeuwen maakte bijvoorbeeld in zijn eerste show een hutspot van allerlei Bijbelverhalen en er zijn talloze varianten van sprookjes, ook door auteurs die hun sporen in de literatuur hebben verdiend, zoals Louis Paul Boon en Rudy Kousbroek.

    De tekenaar Frank Flöthmann is zich bewust is van de traditie. Zo hervertelde hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus. De enige woorden in dat filmpje vormen de zin in de inleiding: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

    Voor sprookjes geldt dat ook en van Flöthmann is nu  een sprookjesboek verschenen in een Nederlandse uitgave: Sprookjes van Grimm zonder woorden. De tekenaar heeft een uitgekiende manier van vertellen gevonden. De tekeningen zijn bijzonder strak. Elementen eruit doen denken aan pictogrammen. Daarbij gebruikt hij naast wit en zwart slechts twee kleuren: rood en groen. Het gebruik van deze complementaire kleuren, geeft helderheid. Het heeft ook iets hards: er is geen nuance. Maar ook dat past bij de vertellingen.

    Het ‘lezen’ van de tekeningen vergt enige inspanning, maar de lezer wordt daar rijk voor beloond. Ten eerste is de manier van vertellen uitermate geestig. De keuze van de symbolen is zo verrassend, dat lach geregeld op de loer ligt. Als de prinses in ‘De kikkerkoning’ aan haar ouders vertelt dat ze met de bal gaat spelen, zien we in een beeldballonnetje een pictogram van een voetballer. De paardenstaart en het kroontje bij het poppetje maken duidelijk dat het om het meisje zelf gaat.

    Verder is het steeds weer verbazend hoeveel informatie Flöthmann kwijt kan in enkele simpele beelden. De moeder van Roodkapje houdt een heel verhaal tegen het meisje als ze haar dochtertje op pad stuurt: niemand aanspreken, geen bloemen plukken, rechtstreeks naar oma. In drie heel simpele beeldballonnetjes maakt Flöthmann dat helder. Zijn verhalen duren dan ook meestal maar vier of zes bladzijden.

    Sprookjes van Grimm zonder woorden laat zich niet lezen als een ander stripboek, doordat niet altijd de normale plaatjesvolgorde (regel voor regel) is aangehouden. Met pijltjes stuurt Flöthmann de lezer naar de volgende plaatjes. Zo kunnen we op één bladzijde kiezen voor zowel de route van de wolf als die van Roodkapje.

    De sprookjes zijn van Grimm, maar Flöthmann gaat er vrij mee om. Aan het eind van Roodkapje leeft de wolf nog. Met een schortje voor bedient hij grootmoeder, Roodkapje en de jager, die genieten van een maaltijd. En als Hans en Grietje weer thuis zijn na hun avontuur bij de heks, smeden ze meteen snode plannen om hun ouders buiten spel te zetten.

    Hoe langer je kijkt in Sprookjes van Grimm hoe meer het opvalt dat Flöthmann een geraffineerd tekenaar en verteller is. Met minimale middelen maakt hij de gemoedsgesteldheid van de personages duidelijk en altijd weer zijn er vondsten op detailniveau. De stiefzussen van Assepoester proberen het glazen muiltje. In het beeldballonnetje staan dan drie tekeningetjes: een voet, een schoen en daartussen het ‘groter-dan-teken’, >.

    Sprookjes van Grimm zonder woorden is een heerlijk boek. Aan de ene kant conserveert Flöthmann de aloude verhalen, maar tegelijkertijd vernieuwt hij ze en zo houdt hij ze levend. Sommige verhalen zijn misschien wat minder bekend (‘Duimendik’, ‘Gelukkige Hans’, ‘Het dappere snijdertje’). Wie ze bij Flöthmann leest, zal de neiging hebben het oorspronkelijke verhaal op te zoeken, om te zien wat de verschillen zijn.

    De sprookjes van Grimm zijn al oud, maar ze zijn nog zeker niet belegen. Flöthmann laat ons zien dat ze springlevend zijn en dat ze generaties lang meekunnen.

     

     

  • Charles Burns rondt trilogie krachtig af

    In sommige strips is het leven simpel: er is een probleem en dat moet opgelost worden. Je krijgt wat aanwijzingen en uiteindelijk lukt het of lukt het niet. Soms komen er in de loop van het verhaal problemen bij, zodat het verhaal onvoorspelbaar is, maar in principe is de wereld overzichtelijk.
    Charles Burns maakt andere strips. Met Zwart gat schreef hij al een verontrustend boek over een samenleving die in de greep is van een geheimzinnige ziekte. De wereld is nog duisterder geworden in zijn trilogie X, De korf en Suikerschedel.

    Deel 1 begint met de jongeman Doug, die wakker wordt. Hij heeft een hoofdwond. In ieder geval heeft hij een pleister op de zijkant van zijn hoofd. Zijn haar is weggeschoren op een kuifje na.
    Doug gaat zijn kat Dropje achterna, door een gat in de muur en komt in een wereld met vreemde wezens terecht. Hij probeert zich te oriënteren, maar krijgt niet goed grip op de situatie. Gelukkig heeft hij een gids, zoals Dante die had op zijn tocht door hel, louteringsberg en paradijs.
    Als je goed kijkt, zie je dat het eigenlijk niet Doug is die op pad gaat, maar een alter ego. Doug heeft wel eens opgetreden met een masker dat wat doet denken aan Kuifje. Er zijn in de drie boeken van Burns meer verwijzingen naar Kuifje, zoals de stijl van tekenen en de roodgevlekte eieren. Het personage dat Doug toen speelde, is een deel van hem en is tot leven gekomen.

    In de hallucinante wereld waarin de afsplitsing van Doug terechtkomt, komen enkele elementen steeds terug, onder anderen zijn vader, die niet zo heel veel van het vaderschap terecht heeft gebracht, maar aan wiens aanwezigheid, ook na zijn dood, Doug zich niet kan onttrekken.
    In de ‘werkelijke’ wereld treffen we de jonge Doug aan, maar ook een wat oudere. Die gaat in Suikerschedel op zoek naar zijn vroegere geliefde Sarah.

    In deel 1 en 2 waren veel aanzetten die weliswaar intrigeerden, maar waarvan nog niet duidelijk was waar ze op uit zouden lopen. Zo was er het gegeven van de korf, waarin een ‘broedster’ eieren legde. De broedster bleek een meisje die haar tijd doorbracht met het lezen van romantische stripverhalen.
    Al dat soort aanwijzingen komt in deel 3 samen in de plot: de romantische liefde uit de stripboekjes, waarvan je al kunt aanvoelen dat de werkelijkheid niet zo zoet zal zijn; de vader en het eieren leggen, die natuurlijk allebei met het ouderschap te maken hebben; het geweld, dat terugkomt op de polaroidfoto’s in de eerdere delen – het loopt allemaal uit op een ontknoping, die hier natuurlijk niet onthuld kan worden.

    Achteraf kun je constateren dat het verhaal van Burns knap in elkaar gezet is, maar dat is waarschijnlijk toch niet wat de lezer van deze drie boeken het meeste bij zal blijven. Burns tekent een duistere wereld, die wij met onze ratio niet kunnen beheersen. Weliswaar wordt duidelijk waarom Doug de grip op de werkelijkheid is kwijtgeraakt, maar je kunt je als lezer niet aan het idee onttrekken dat jij ook op het randje van het ravijn loopt: het kan goed gaan, maar voor je het weet, verlies je de grond onder je voeten.
    Natuurlijk beseffen we dat meestal niet: we doen ons werk, eten op tijd, hebben ons gezin en onze hobby’s. Ons leven lijkt op orde. Maar Burns laat zien dat het huis van ons leven misschien wel niet zo stevig gebouwd is. Er hoeft maar weinig te gebeuren of er valt een gat in de muur en wat gebeurt er als we daar doorheen stappen?

    Suikerschedel eindigt met het alter ego met het kuifje, dat door het gat terugkeert in het huis. Hij vindt het griezelig, maar is zo moe dat hij in slaap valt. Als hij wakker wordt, ziet hij boven de afgebrokkelde muur een strakblauwe lucht. Graag zou je je opgelucht voelen, omdat uiteindelijk alles goed gekomen is, maar het blauw van de lucht is vrij donker en de muur biedt geen enkele bescherming. Na het lezen van Burns kun je nooit meer echt gerust zijn.

     

    Suikerschedel

    Auteur: Charles Burns
    Vertaald door: Arend Jan van Oudheusden
    Verschenen bij: Uitgeverij Oog & Blik
    Aantal pagina’s:
    Prijs: € 21,95

  • De stad was van ons!

    In de jaren tachtig was het kraken van leegstaande panden geregeld in het nieuws, vooral als het daarna tot ontruimingen kwam. We kennen allemaal nog de namen van De Groote Keyser en de Lucky Luyk, waar met harde hand de bewoners verdreven werden. Geregeld waren er in die tijd ‘krakersrellen’. De dag dat Beatrix ingehuldigd werd als koningin, waren de woningnood en het kraken nadrukkelijk een thema. Overal zag en hoorde je de leus ‘Geen woning, geen kroning’. Hoe hard het er bij die rellen aan toe ging, is terug te lezen bij A.F.Th. van der Heijden, De slag bij de Blauwbrug.

    Na de jaren tachtig was het niet afgelopen met het kraken, maar het haalde niet meer de voorpagina’s van de kranten. Dat het kraken doorgegaan is, lezen we in de beeldroman De kraker, de agent, de jurist en de stad. Het boek volgt drie verhaallijnen, getekend door drie verschillende tekenaars, die allen met één steunkleur werken. Het verhaal van de kraker wordt verteld door journalist Moira van Dijk en getekend door Maia Matches. De kleur is rood, wat goed het verzet aangeeft van de krakers. Jasmijn Snoijink vertelt het verhaal van de agent en Aart Taminiau tekent het. Hier is de steunkleur natuurlijk blauw. De jurist wordt verteld door de al eerder genoemden, plus Marieke Aafjes. Sjoerd Kaandorp maakte de tekeningen, met een groenige steunkleur.

    Je zou het boek een documentaire kunnen noemen, maar evengoed een roman. Veel van de feiten kloppen, maar niet iedere betrokkene wilde zijn medewerking verlenen of herkenbaar in beeld gebracht worden. In zo’n geval werd er een fictief personage opgevoerd.

    Het boek begint met de ontruiming van een pand aan de Lauriergracht, in 2012, afwisselend beschreven vanuit de kraker en vanuit de agent. Daarna krijgen we te lezen wat eraan vooraf ging. Een belangrijke rol speelt daarbij de Wet Kraken en Leegstand, uit 2010, die het kraken verbood. Over die wet lezen we vooral in de verhaallijn van de juristen.
    De juristen staan aan de kant van de krakers. Ze worden met een vette knipoog geïntroduceerd als een soort superhelden, die blijkbaar het kwaad bestrijden. De bekendste naam is die van Britta Böhler, die onlangs als romanschrijver debuteerde.

    Voor het evenwicht, zou je ook graag iets willen lezen over de juristen die aan de kant van de overheid stonden. De kraker, de agent, de jurist en de stad is nu wel erg een boek geworden met sympathie voor de krakers, wat toch wat afbreuk doet aan het documentaire karakter van het boek. Weliswaar wordt in het ‘blauwe’ gedeelte wel beschreven en getekend hoe het overleg in de ‘driehoek’ (burgemeester, hoofdofficier van justitie, chef van de politie) verloopt, maar de lezer leeft meer mee met de krakers en met de juristen die hen ondersteunen.

    Het motto waarmee het boek begint, is ‘De stad is van ons!’, een kreet die verbonden is met de kraakbeweging. Zo’n kreet roept een complete wereld op, van anarchie, verzet, vrijgevochtenheid; van het bevechten van een eigen plekje in de maatschappij. Het is nu een verzuchting in de verleden tijd geworden: de stad was van ons. De kraker, de agent, de jurist en de stad toont ons de nadagen van de tijd dat krakers het voor het zeggen dachten te hebben.

    Dat is onmiskenbaar een kwaliteit van het boek: het geeft een beeld van een stad in een verwarrende periode, waarin repressie en vrijheidsdwang met elkaar botsten. Verder documenteert het boek goed het ontstaan van de Wet Kraken en Leegstand. Aan het eind van het boek is een uitgebreid namenregister opgenomen, compleet met portretten, zodat we kunnen zien hoe eenzelfde persoon er bij de drie verschillende tekenaars uitziet. Verder is er een verklarende woordenlijst.

    Er is alles aan gedaan om De kraker, de agent, de jurist en de stad tot een degelijk tijdsbeeld te maken. Bovendien hebben de scenaristen ervoor gezorgd dat het verhaal prettig leest en ook de tekenaars hebben goed werk geleverd. Dat het boek niet helemaal objectief is, is maar een klein bezwaar. Juist daardoor kan de lezer zich gemakkelijk identificeren. In de boekhandel mag het boek op twee plankjes terechtkomen. Bij de beeldromans en bij de geschiedenisboeken.

     

     

     

  • Zoektocht naar het leven

    Recensie door Levi Entfield

    Wat is een strip, of nauwkeuriger, wat is een stripverhaal? Wanneer noem je een boek een stripboek. Van Dale schrijft bij stripverhaal: ‘beeldverhaal in stroken van enige afbeeldingen naast elkaar’. Zelf associeer ik strips met albums uit mijn jeugd: stapels Jan, Jans en de kinderen en de knal oranje Suske en Wiske’s. Inmiddels weet ik dat er strips in allerlei soorten en maten bestaan, en dat de ‘klassieke’ Suske en Wiske’s daar slechts een klein onderdeel van uitmaken.

    Bij de boeken van Barbara Stok had ik dan ook in eerste instantie niet het gevoel dat ik een stripverhaal aan het lezen was. Daarvoor nemen haar teksten een te belangrijke plaats in en zijn haar tekeningen voortdurend van te wisselend formaat. Soms in kleur, soms met een fotoachtergrond ? waar ze vervolgens haar verhaal in heeft getekend. Zo nu en dan is er helemaal geen tekst of juist bijna alleen maar tekst en geen beeld. Sommige beelden lijken collages, maar altijd heeft haar stijl iets prettig nonchalants en iets slordigs: vermoedelijk veroorzaakt door de vrij dikke zwarte lijnen die ze gebruikt. Haar laatste boek Dan maak je maar zin heeft bijna de afmetingen van een gewoon boek, iets tussen een A4’tje en een A5’je in. Stok heeft zojuist als eerste vrouw de prestigieuze Stripschapprijs gewonnen. Zelf zegt ze in een interview dat haar verhalen het allerbelangrijkste zijn. Zo begint ze pas met tekenen als ze helemaal klaar is met schrijven. Ze plaatst zelfs eerst de tekstballonnen in het plaatje en gaat er dan omheen tekenen. Geen wonder dat je niet meteen aan een stripboek denkt, als je haar boekt leest.

    Centraal in Dan maak je maar zin staat het plotselinge overlijden van haar 49-jarige zwager, Guus. Stok opent met deze dramatische gebeurtenis, maar zet dat zo nuchter neer, dat het des te harder aankomt. Je ziet Guus op de bank televisie kijken, op de volgende bladzijde zit hij op dezelfde bank: dood. Zijn ogen zijn veranderd in twee crucifixen, de bril ligt op de grond met een barst in het glas. Dan volgt een tekening zonder tekst, waarin naar voren komt wat voor een zenuwentoestand een hartstilstand met zich meebrengt. Guus wordt gevonden, er is nog een pols voelbaar, er wordt hartmassage toegepast, er is een ambulance en onderaan de tekening ligt Guus aan de hartbewaking met een zuurstofmasker op zijn neus.

    Door alle plaatjes heen is een lijnenspel getekend dat nog het meest doet denken aan een doolhof. Alsof Guus de uitgang niet meer kan vinden. Dan zie je Ricky (de vriend van Stok) gebeld worden, met de mededeling dat zijn broer een hartaanval heeft gehad. Hij scheurt naar het ziekenhuis en terwijl hij langs een weiland vol woeste (prachtig vormgegeven) rennende paarden rijdt, weet en voelt Ricky ineens dat zijn broer is overleden. De begrafenis is getekend op twee bladzijde naast elkaar, met een pikzwarte ondergrond terwijl de rouwende en verdrietige personages in witte lijnen zijn neergezet. Om de twee bladzijdes heen is een soort lijst getekend, die eruit ziet als een verzameling woedend gekraste uithalen. Nu ben je pas op pagina twintig, maar Stok heeft je in die eerste pagina’s al meteen bij de lurven weten te grijpen door haar verbeelding van het overlijden van een naaste.

    Na deze opening begint de zoektocht van Stok naar de zin van het leven, naar de zin van háár leven in dit geval. Ze neemt je als lezer mee op haar zoektocht, in een nuchtere en ontwapenende tekenstijl. Ze maakt je deelgenoot van haar gedachten en gevoelens, van haar onzekerheden en twijfels. Dat doet ze met humor en de nodige zelfspot. Nergens wordt ze sentimenteel, terwijl ze toch veel gebeurtenissen beschrijft en tekent die je raken en soms tot nadenken stemmen. De kwaliteit schuilt in haar eerlijkheid, waardoor je je nooit een voyeur voelt van haar leven. Bovendien zijn veel van haar belevenissen herkenbaar. Doordat al die herkenbare situaties zijn samengebracht in haar boek, gebeurt er iets wonderlijks. Stuk voor stuk gaan de verhalen en situaties vaak maar over kleine dingen, maar doordat al die kleine gebeurtenissen en gedachten samenkomen, kun je er een levensvisie in zien die veel mensen zal aanspreken.

    Neem bijvoorbeeld het hoofdstukje ‘Schuld’. Daarin loopt Ricky tijdens een optreden van een band in een café een hersenschudding op omdat de zanger per ongeluk een houten sculptuur van het plafond afstoot, dat vervolgens terechtkomt op het hoofd van Ricky. Die zanger moet je aanklagen zegt een vriend. Nee, het café moet je aanklagen, zegt een vriendin. Het is mijn eigen schuld, zegt Ricky. Nee, zegt Stok. Het was niemands schuld en niemands verantwoordelijkheid. Het was gewoon pech. Hm, vragen de vrienden zich af, wat is pech ook al weer? Iets van lang geleden, het is uit zwang geraakt omdat pech nog zelden voorkomt. Dan leest Ricky in de Van Dale: ‘het betekent: slecht weer op vakantie’. Het verhaal geeft aan hoe dichtbij de Amerikaanse claimcultuur is gekomen.

    Dan is er het hoofdstuk ‘ABN Amro’. In slechts één beeld geeft Stok overduidelijk weer wat het probleem is achter deze bank en achter de kredietcrisis. Terwijl Stok lichtjes ongemakkelijk haar koffie drinkt, vertelt haar oom onder het genot van een sigaar over de tijd dat hij als financieel adviseur bij de bank werkte: ‘Langzamerhand veranderde de filosofie van de bank. We moesten producten slijten, aantallen draaien.’ En dan, in een nieuw tekstballonnetje: ‘De klant eerlijk en objectief advies geven, werd op een gegeven moment ouderwets.’

    Grappig is haar stukje over haar behoefte te leren mediteren en haar angst in een groep terecht te komen met allemaal zweverige types. Daarom geeft ze zich op voor Acem meditatie (een Noorse variant), die wat minder zweverig lijkt te zijn en inderdaad blijkt bij het voorstelrondje dat de deelnemers stuk voor stuk nuchtere mensen te zijn. Totdat Stok zichzelf bij het voorstellen als een zweverige boeddhist profileert, waarop je de andere cursisten ziet denken (ha, dat kan bij een strip: mensen iets zíén denken) ‘wat een zweefkees’, ‘altijd hetzelfde met die meditatiecursussen’.

    Wat mooi in tekst en beeld is gebracht, is haar vakantie naar Japan. Je ziet haar verwondering over deze andere cultuur en tegelijk laat ze een aantal vooroordelen sneuvelen. Bijvoorbeeld als ze een boeddhistische tempel bezoekt en het zo leuk vindt dat een vriendelijke Japanse meneer haar van alles gaat uitleggen over deze tempel. Het blijkt helemaal geen gids te zijn, maar een souvenirverkoper die haar iets probeert aan te smeren, wat hem nog lukt ook. In dit verhaaltje laat ze ook nog zien wat reizen zo leuk maakt: dat je leert relativeren. Als ze na aankomst op Schiphol in de spits naar Groningen terechtkomt, realiseert ze zich dat de spits in Nederland ongeveer zo druk is als een zondagmiddag in Japan.

    Bijna hilarisch is het beeld waarin Stok en Ricky op de bank tv kijken. Ricky zit onderuit gezakt op zijn sokken en met een biertje in de hand. Dan maakt Stok de dodelijke opmerking: ‘Hé! Jij bent precies even oud als Obama.’

    Er is één verhaaltje dat als een rode draad in haar boek loopt: Ricky die tevergeefs probeert een abonnement van zijn overleden broer Guus probeert stop te zetten, om precies te zijn vijf keer. Op de laatste bladzijde van het boek ? we zijn tweeënhalf jaar verder ? blijkt dat nog niet gelukt te zijn en wordt het bijna hilarisch: je ziet Ricky aan de telefoon ontploffen: ‘Hij is namelijk DOOD’. Het boek van Stok smaakt naar meer, het heeft mij duidelijk gemaakt dat er veel meer op stripgebied valt te beleven dan alleen mijn oude stapel Jan, Jans en de kinderen. Misschien moet ik haar voorbeeld, de stripmaker Robert Crumbs maar eens gaan lezen. Of beter nog: haar eerdere vijf albums.

     

    Dan maak je maar zin
    uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar

  • Blacksad 3: Rode Ziel

    Dit is een strip waarin dieren met menselijke trekken de hoofdrol spelen. En toch lijkt het niet op Donald Duck.

    John Blacksad is een privé-detective die begin jaren vijftig, gekleed in trenchcoat, vuile zaakjes op moet lossen en en passant een korte liaison met een mooie vrouw beleeft. Daarmee past hij in de grote filmtraditie van de film noir, met kettingrokende hardboiled macho’s als Humphrey Bogart in bijvoorbeeld The Maltese Falcon (1941), en recenter Bruce Willis in de prachtige stripverfilming Sin City (2005).

    De archetypische privé-detective heeft stadse wijsheid, is doortastend, heeft een slechte jeugd gehad, rookt en drinkt stevig en uit zich het liefst in half grommend uitgesproken zinnen die vol onwankelbare zekerheden staan. En de mooie vrouwen, liefst van een hogere klasse dan de straatschuimer, vinden dat allemaal woest aantrekkelijk.

    John Blacksad is dat een zwarte kat, maar verder past hij perfect in die traditie. Als hij vanuit een flat met een verrekijker twee mensen beloert, staat als de voice over in een film: “Je hoeft niet bovenmatig slim te zijn om te snappen dat je een geheim hebt ontdekt. Als de locatie vreemd is, het tijdstip vreemd is en de hoofdpersonen bezig zijn iets vreemd te doen… dan kun je er zeker van zijn dat er een addertje onder het gras zit… en als er in zo’n situatie een onguur type met een detonator opduikt, dan moet ophouden met denken… en optreden!” Dan volgt een spectaculaire scène waarin Blacksad een atoomgeleerde redt van een bomaanslag en daarna het ongure type, een krokodil met slangenleren laarzen, door een schoenwinkel heen mept.

    Dit soort verhalen, het maakt niet uit of ze in fictie, in strip of in film zijn, staan en vallen door twee belangrijke factoren: de hoofdpersoon moet een integere klootzak zijn that you love to hate en het verhaal moet deugdelijk in elkaar zitten. In Blacksad is dat allebei dik in orde. Hooguit is Blacksad iets te sympathiek, maar daar staat tegenover dat hij ook een vreselijke macho is, dus je kan je prima het vereiste beetje ergeren. Het verhaal is erg sterk en wordt overtuigend gebracht. Blacksad komt terecht in de heksenjacht die senator McCarthy begin jaren vijftig opende op al dan niet vermeend communisten, ook al het thema van de ongeveer tegelijkertijd uitgekomen film Good night, and good luck. van George Clooney. Een van oorsprong Duitse kernfysicus, een uil, stelt na de Tweede Wereldoorlog zijn kennis in dienst van Amerika. In de oorlog heeft hij de verkeerde kant gekozen, en hij is vastbesloten om die fout niet nog een keer te maken. Dus om te vermijden dat de Amerikanen het monopolie op atoomwapens krijgen, wil hij zijn kennis ook naar de Sovjet-Unie doorspelen. Alleen een evenwicht in bewapening, redeneert hij, kan de wereldvrede waarborgen. Daar is niet iedereen het mee eens. Spionage, verraad, machtsmisbruik en geweld liggen dan op de loer. Mooie bijrollen voor de communistenjager senator, een trotse haan in krijtstreeppak, en de dichter Alan Ginsberg, een gnoe (in het Engels een ‘wildebeest’) in houthakkershemd die zijn gedicht ‘Howl’ op een strandfeest voordraagt.

    De tekeningen zijn erg realistisch (zo kan je de auto’s prima herkennen, en komt het straatbeeld van New York in de 50’s overtuigend over), zelfs als alle personages dieren zijn. Het knappe van tekenaar Juanjo Guarnido is dat hij al die dieren een menselijke uitdrukking weet te geven. Soms is de keuze van welk dier voor welk personage gebruikt moet worden wat voorspelbaar, zoals de krokodil voor de slechterik, de uil voor de professor of de wezel voor de journalist, maar het is telkens weer verbazend hoeveel emotie de tekenaar is een kattenkop kan leggen, of hoe menselijk een Dalmatiër die ten onder gaat aan waanvoorstellingen, kan zijn.

    Het is natuurlijk een eeuwenoud procédé om menselijke eigenschappen op een dier te projecteren. Via Ovidius’ Metamorfosen via de fabels van La Fontaine naar Donald Duck en Art Spiegelmans Maus. De serie Blacksad voegt daar vuig realisme aan toe en schrijft zich even gemakkelijk in de traditie van de hard boiled detective in en weet het al vijftig jaar actuele thema van Amerika’s overheersende rol in de wereld pregnant te verbeelden.

    Toch niet slecht voor een neefje van Mickey Mouse, Crazy Cat en Garfield.

    Via deze link kunt u de eerste zes pagina’s van het boek bekijken

    Let vooral op de emoties van de pokerende dieren op de eerste pagina, en het mooie plaatje op de derde pagina, met de hele dierentuin rond een roulettetafel.

    Juan Díaz Canales (scenario) en Juanjo Guarnido (tekeningen), Blacksad 3: Rode Ziel (oorspr. L’Âme Rouge), uitgeverij Dargaud, Parijs 2005

    Patrick Bassant