• Jan Kostwinder

    Kortgeleden werd in het Amsterdamse literaire theater Perdu een bijzonder boek gepresenteerd. Het is paars-blauw en dik en op de voorkant staat in witte letters ‘Alles is er nog’. Het bevat de verzamelde gedichten van Jan Kostwinder, die ruim anderhalf jaar geleden overleed.

    De samenstellers Hein Aalders en Chrétien Breukers hebben bij de gedichten een uitgebreid en betrokken nawoord geschreven, waarin ze Kostwinder zelf veelvuldig aan het woord laten, onder meer over zijn geboorte: ‘Aan het eind van een warme zomernacht in 1960 werd ik met de navelstreng om mijn hals geboren in Oude-Pekela, een dorp in Noord-Oost-Groningen. Het gesternte was ons kleine gezin niet gelukkig gezind want tweeënhalf jaar later overleed mijn vader aan leukemie.’

    Het vroege verlies van zijn vader en de levenslange zoektocht naar diens identiteit behoren tot de belangrijkste, telkens terugkerende autobiografische elementen in het literaire werk van Kostwinder, die eigenlijk net als zijn vader Jan de Vries heette. Over het begin van zijn schrijverschap en de nauwe band tussen zijn leven en werken schreef hij zelf in een essay in literair tijdschrift Parmentier: ‘Dat dacht ik toen twaalf was, gepest werd en vernederd, stotterde; mijn vader miste, mijn stiefvader haatte ? ik dacht, ik schrijf het godverdomme allemaal op. En daar ben ik nog steeds mee bezig. En dat zal ik zo eenvoudig en helder mogelijk doen: opdat het door iedereen gelezen kan worden, dus niet alleen door een paar theemutsen van de universiteit, en opdat iedereen kan denken: ik ben dus niet de enige die stottert en die bang is dat-ie nooit een meisje zal krijgen ? en de rest.’

    In zijn Amsterdamse studietijd richt Kostwinder samen met Stef van Dijk, Rogi Wieg en Marisa Groen het literaire tijdschrift Adem op. Drie jaar later, in 1988, verschijnt zijn debuutbundel Binnensmonds, in 1994 gevolgd door Een kussen van hout. In de tijd tussen beide bundels voltooit hij zijn studie Nederlands en verlaat hij Nederland. Eerst verblijft hij ongeveer een jaar als leraar in Oxford, daarna geeft hij vijf jaar lang Nederlandse les in Wales. Hoewel hij in Wales al een formidabel drankprobleem ontwikkelt, beleeft hij er een relatief welvarende en gelukkige tijd: zijn leraarschap verschaft hem enig aanzien, hij werkt van een afstandje gedreven voort aan zijn Nederlandse literaire carrière en zijn vrouw Marisa Groen schenkt hem twee zoons.

    Het gaat pas echt mis als Kostwinder Wales verlaat en verhuist naar het Belgische Mol. Hier verliest hij in enkele jaren zijn baan en zijn vrouw en krijgen drugs en alcohol een steeds fermere greep op zijn leven. In oktober 1998 belandt hij in een psychose, waarna hij via Geel en Bergen op Zoom terugkeert naar Amsterdam. De laatste drie jaar van zijn leven worstelt Kostwinder met zichzelf, zijn omgeving en zijn verslaving, al lijkt het vanaf het voorjaar van 2001 beter te gaan: hij betrekt een nieuwe woning, bereid zich voor op een promotie-onderzoek aan de universiteit en werkt aan een nieuwe roman (werktitel: Jessica Durlacher. Een felrealistische roman). Eind augustus van hetzelfde jaar overlijdt hij echter aan een hartaanval.

    Naarmate de jaren vorderden, schreef Kostwinder minder poëzie en meer proza. Wel lag al enige tijd een nieuwe dichtbundel te wachten op publicatie: Donkere wolken pakken zich samen boven het hoofd van Meneer De Vries. De gedichten uit deze bundel schreef Kostwinder tussen 1995 en 1998 en zijn nu, op een viertal dat al eens in poëzietijdschrift Zanzibar verscheen na, voor het eerst voor een groter publiek leesbaar. Dat Alles is er nog toch zo’n dik boek geworden is, terwijl Kostwinder bij leven slechts twee dichtbundels publiceerde, komt niet alleen door de opname van het onuitgegeven Meneer De Vries-manuscript: het bevat daarnaast nog een groot aantal verspreide en nagelaten gedichten, waaronder het volgende:

    Wintergedicht

    Sneeuw daalt op ons neer,

    wij lopen hand in koude

    hand, van ver klinkt een oude,

    vertrouwde schreeuw ? zoals nu

    wordt het nooit meer.

    – Weet je nog dat we ingesneeuwd

    raakten en niets hadden te bepraten?

    – Stil kleine, dat is voor later,

    trek je pyjama aan, klim op mijn schoot,

    laten we samen moesjelief omhelzen

    want pappa is wel gek

    maar hij is nog lang niet dood.

     

    Van Jan Kostwinder verschenen de dichtbundels Binnensmonds (Uitgeverij Wel, 1988) en Een kussen van hout (Uitgeverij Perdu, 1994) en de prozawerken Regenhond (Houtekiet / De Prom, 1997) en Brieven aan Willem-Alexander (idem, 1999). Samen met Hein Aalders schreef Kostwinder een drietal beschouwingen over Cesare Pavese, bijeengebracht in Een man alleen. De zelfmoord van Cesare Pavese (1995).

    Het postume Alles is er nog ? verzamelde gedichten verscheen enkele dagen geleden bij Uitgeverij Thomas Rap.

     

    Thomas Mohlmann

  • Anneke Brassinga

    Ongebreideld. Exuberant. Taalgeweld: rijkdom en beheersing. Barok.

    Een reeks woorden die het oeuvre van Anneke Brassinga omschrijven. Dat oeuvre is voor het grote publiek begonnen met vertalingen en heeft zich uitgebreid met essays en gedichten. Het ene is niet van het andere te scheiden. Zo begeleiden de essays de vertalingen, zo schrijft Brassinga apologetische teksten voor de schrijvers die ze vertaalt. Haar poëzie schijnt losser van het andere werk te staan, lijkt een domein apart te zijn. Maar wanneer we de taal in het centrum van dat oeuvre stellen, zien we de eenheid ervan duidelijk voor ogen.

    Eigenzinnig is hét woord dat van toepassing is op dit oeuvre. Haar vertalingen van o.a. Broch, Beckett, Melville, Nabokov, Diderot zijn een standpunt. Het zijn geen gemakkelijke boeken, ze vergen van de lezer enige inspanning maar ze hebben ook iets te bieden: ze staan in het brandpunt van de cultuur. Sommige van deze boeken zijn zowel proza als poëzie en het is deze vermenging van genres die het werk van Brassinga zo verrassend maakt. Sommigen zullen dit werk loodzwaar vinden maar in feite zijn het boeken die van de lezer weerwerk vragen, die de lezer actief in het taalproces willen binnentrekken.

    Naast dat eigenzinnige is er ook het speelse, het avontuurlijke. Denken is voor haar werken met taal en dat denken mag geen grenzen opgelegd worden. Het gaat dikwijls in tegen de tijd ?maar ook (soms) tegen de eigen persoon. Dat taalspel komt het duidelijkst aan bod in haar. Eigenaardig genoeg: deze Nederlandse dichter komt dicht te staan bij enkele Franstalige Vlaamse schrijvers. De taalbarok van een Michel de Ghelderode of zelfs het taalgeweld van een James Ensor. Alle drie nemen ze de taal, haar woorden, haar onderdelen letterlijk en creëren ze een nieuwe taal. Het taalspel van Anneke Brassinga is legendarisch, leidt een eigen woekerend bestaan, creëert zichzelf. Bij haar is de kunst een overlevingsstrategie maar zonder larmoyant te zijn: kunst als adem en bloed zonder tranerigheid, zonder de kitsch van het sentiment. Er schuilt een kracht, een innerlijke gloed in dit werk ?ondanks de pijn, ondanks de wereld. De gretigheid en uitbundigheid die ze aan het leven onttrekt, legt ze in de taal. Dat leven wordt gecondenseerd in de gebaldheid: zinnen, alinea’s worden samengetrokken in een woord, een beeld. En dat geeft een explosie.

    Op 26 april 2003 zal DRUKsel de nieuwste bundel Adagio sostenuto van Anneke Brassinga voorstellen. Niet alleen omdat deze poëzie krachtig en innoverend is, maar ook omdat veel van haar werk in bibliofiele, kleine uitgaven verschenen zijn. 

    Zie ook het gedicht Aanzoek van Anneke Brassinga.

    Bron: DRUKsel

    Een uitgebreide bibliografie vind je hier

     

  • Frits Bernard Hotz

    F.B. Hotz werd op 1 februari 1922 geboren in Leiden. In de jaren dertig, die hij zelf bestempelde als ‘de donkerste en domste jaren van deze eeuw’, en waarin armoe en oorlogsdreiging de jaren grauw en zwaar maakten werd hij ook nog eens geconfronteerd met de scheiding van zijn ouders.

    In 1942 begint Hotz aan een muziekstudie. De eerste jaren na de oorlog moet hij met tbc het bed houden. In 1949 echter begint zijn loopbaan als jazzmusicus, hoewel in zijn achterhoofd dan al de wens bestaat verhalen te schrijven.

    In 1956 trouwt Hotz met de 21-jarige Barbara en in 1961 krijgen ze een zoon, Jeroen. Dat zijn huwelijk weinig geluk bracht was bekend bij vrienden en uit enkele van zijn verhalen stijgt een verlammende en grimmige sfeer op die ongetwijfeld door de schrijver zelf doorvoeld werd in de huiskamer. En dan gebeurt er iets in zijn leven wat waarschijnlijk de kern van zijn bestaan heeft gevormd, het verhaal waar alles om draait, maar dat hij nooit direct heeft opgeschreven: zijn vrouw Barbara verlaat hem om met een van zijn vrienden te gaan samenwonen. De vrouw van die vriend vermoordt vervolgens haar ontrouwe man: de vrouw kreeg tien jaar, Hotz en zijn zuster, met wie hij ging samenwonen, kregen de verzorging van het kind van die vrouw en haar vermoorde man toegewezen. In veel van Hotz’ verhalen spreekt een soort angst van vrouwen, wellicht terug te voeren op deze gebeurtenis.

    Hotz leidt een teruggetrokken bestaan waarin hij kalm en onzeker aan zijn eerste verhalen werkt.Het werk van Van Oudshoorn is een grote inspiratiebron voor hem, maar hij durft zijn verhalen niet naar uitgevers te sturen. Dat durft hij pas in 1974 (intussen 52 jaar oud) als hij een stukje leest over een literaire prijsvraag voor debutanten.’Ik dacht: als ik nog langer wacht dan gaat het binnenkort helemaal niet meer. Dan ben ik seniel.’ Een paar maanden later wordt het verhaal ‘De Tramrace’ in het tijdschrift Maatstaf gepubliceerd. ‘Ik vond het zo onbegrijpelijk mooi dat ik me niet kon voorstellen dat het een debuut was van een totaal onbekend iemand,’ schreef Maarten ’t Hart. 

    Hotz was een langzame schrijver, hij sleep en schaafte aan elke zin tot deze precies zo was als hij wilde. Zelfs onderweg naar de uitgever om werk in te leveren, stopte hij halverwege op het postkantoor, nam plaats aan een tafel (die waren daar toen nog) en begon opnieuw zijn in te leveren werk te corrigeren, voor de zoveelste keer. ‘Dan dacht ik, verdomme, dat is niet goed, dat moet anders.’ En zelfs wanneer hij het manuscript allang had ingeleverd stuurde hij, nog steeds twijfelend, korte zinnetjes na die er alsnog in moesten.
    Enthousiast zijn de reacties wanneer in 1976 eindelijk zijn eerste bundel Dood weermiddel verschijnt .’De literaire voorjaarssensatie van 1976′, ‘Een van de grootste Nederlandse schrijvers’ en ‘Een nieuwe Elsschot’ koppen de kranten. Dood weermiddel is de eerste van een reeks verhalenbundels met zo’n duidelijke eigen stem dat ‘de nieuwe Hotz’ al gauw een begrip wordt.
    Ernstvuurwerk uit 1978 (bekroond met de F. Bordewijkprijs) wordt gevolgd door Proefspel (1980), Duistere jaren (1983) en Eb en vloed (1987).
    De verhalen van F.B. Hotz worden veelal onderverdeeld in historische verhalen (vaak gesitueerd in de negentiende eeuw en de eerste jaren van de twintigste eeuw), deels autobiografische verhalen over de eigen jeugd en (eveneens op eigen ervaringen gebaseerde) verhalen over het leven als jazzmusicus in de jaren vijftig en zestig. Hotz laat voorwerpen een belangrijke rol spelen in zijn werk, vooral ‘wonderen van techniek’ als treinen, auto’s en stoomtrams krijgen veel aandacht. Er zijn meer telkens terugkerende elementen in Hotz’ werk aan te wijzen: zijn hoofdpersonen zijn in zichzelf gekeerde mannen, wat eenzaam vaak en zich bewust van het onheil dat zich telkens weer over hen uit zal storten. Soms gaan ze voorzichtig een relatie aan, maar nooit met veel overtuiging. Je hoort de echo van het mislukte huwelijk van zijn ouders en de rampspoed die zijn eigen huwelijk hem gebracht heeft er duidelijk in terug.
    Dominerende vrouwen winnen het daarbij nogal eens van door techniek of kunst gefascineerde mannen. ‘We aten en het opscheppen ging met pijnlijke stilte gepaard. Eindelijk zei Dorien tegen Kees: “Moet je nog niet wat groente? Ik dacht dat je zoveel groente aankon.” “Graag,” zei hij en keek triest naar de glibberige andijvie.’
    Na vijf sfeervolle verhalenbundels verschijnt de novelle De voetnoot (1990) en een jaar later zijn eerste roman De vertekening (1991) een mooi klein werkje dat nauwgezet de teloorgang van een huwelijk uiteenzet. Vervolgens wordt er vijf jaar lang niets meer van hem gepubliceerd. Pas in 1996 verschijnt er nog een nieuwe bundel, getiteld De vertegenwoordigers, met enkele verhalen en drie beschouwingen. In het NRC Handelsblad liet Hotz weten dat deze dunne bundel zijn oeuvre wel eens zou kunnen afsluiten. Zijn zuster was in een eerder stadium al heel tevreden over haar huisgenoot: ‘Het is een beste jongen en hij heeft een boek geschreven.’
    Het is meer geworden. Een kleine roman, 62 verhalen, een novelle en enkele beschouwingen. Geen groot oeuvre, maar groots in de wijze waarop hij met weinig middelen een heel eigen wereld kon oproepen, waarvoor hij in 1998 de P.C. Hooftprijs ontving. Op 5 december 2000 overleed hij.

     
    Bibliografie
    1976 Dood weermiddel verhalen
    1978 Ernstvuurwerk verhalen
    1980 Proefspel verhalen
    1983 Duistere jaren verhalen
    1987 Eb en vloed verhalen
    1989 De voetnoot novelle
    1991 De vertekening roman
    1996 De vertegenwoordigers verhalen en beschouwingen
    1997 Het werk verzameld werk in twee delen

    DdH

     

  • René, Gysen

    “Lezen is schrijven is zich herinneren is leefbare realiteit scheppen is zich als persoon handhaven.”

    Het leven en schrijven van René Gysen (Antwerpen, 1927-1969) draait rond twee kernwoorden: authenticiteit en ziekte. Vanaf 1946 lijdt hij aan longtuberculose. Enerzijds mist hij daardoor zijn jeugd en de kans om zich in te burgeren. Anderzijds ervaart hij de realiteit als absurd: alles verliest zijn onschuld en natuurlijkheid. Onder invloed van Asger Jorn en markies de Sade, van zijn ziekte en van zijn behoefte aan authenticiteit creëert Gysen – die ook schreef onder de pseudoniemen ‘Kieng Kool’ en ‘John Lamoureux’ -voortdurend nieuwe werkelijkheden. Daarbij volgt hij steeds hetzelfde proces: 1) hij observeert de werkelijkheid vanuit banaliteiten; 2) hij ontmaskert die werkelijkheid als onecht, ‘niet authentiek’ en 3) stelt daartegenover een nieuwe (talige) werkelijkheid. Ook zichzelf ontmaskert hij als niet authentiek zodat er niets anders overblijft dan het proces zelf. Typisch voor het lyrisch proza van René Gysen is de vermenging van fictie en realiteit, de vermenging van genres en de fragmentatie. Zijn werk is moeilijk toegankelijk, waardoor hij weinig gelezen wordt ondanks zijn belang voor de vernieuwing van het Vlaamse proza. Naast schrijver was Gysen ook redactielid van de tijdschriften Gard Sivik (1956-1964) en Komma (1964-1969), en een gewaardeerd literair criticus. Hij verzorgde eveneens een Nederlandse vertaling van het werk van de Sade.

    Bibliografie: 

    – ‘René Gysen’: Langs een kronkelend pad met aarzelend licht aan de einder’ In: 5 Geloofsbrieven. Samengesteld door de redactie van Komma, Nijgh & Van Ditmar: ’s-Gravenhage 1967
    Over René Gysen. Samengesteld door de redactie van Komma, Nijgh & Van Ditmar: ’s-Gravenhage/Rotterdam 1969
    – Paul de Wispelaere, ‘Het trillen van de taalantennes’, In: Paul de Wispelaere, Het Perzisch tapijt. Literaire essays en kritieken, De Bezige Bij: Amsterdam 1969

     

  • Alfred Schaffer

    Begin deze maand berichtten wij u over de genomineerden voor de tiende VSB Poëzieprijs. De jongste van het vijftal dichters is nog geen dertig jaar oud en debuteerde minder dan tweeënhalf jaar geleden met de bekroonde bundel Zijn opkomst in de voorstad. Alfred Schaffer werd op 16 september 1973 geboren als zoon van een Nederlandse vader en een Arubaanse moeder. Hij studeerde Moderne Nederlandse Literatuur en Film- en Theaterwetenschappen in Leiden. In 1996 vertrok hij naar Zuid-Afrika. Hij vestigde zich in Kaapstad, waar hij promoveerde in de letterkunde en sindsdien onderzoek verricht en lesgeeft aan de universiteit. Voor de Afrikaanstalige kranten Die Burger en Beeld schrijft hij over Nederlandse poëzie.

    Van tijd tot tijd overweegt Schaffer remigratie, maar vooralsnog is hij helaas slechts zelden op een Nederlands literair podium te vinden. Kort geleden was hij weer even in het land, onder andere om op te treden tijdens de landelijke gedichtendag, maar doorgaans vinden zijn contacten met de Nederlandse literaire wereld toch vooral via internet plaats. Zijn redacteur bij de Amsterdamse uitgeverij Thomas Rap ontmoette hij zelfs pas na het verschijnen van zijn debuut in levende lijve: de bundel was geheel per e-mail tot stand gekomen. Zijn opkomst in de voorstad verscheen in het najaar van 2000 en werd in Nederland en Vlaanderen bijzonder enthousiast ontvangen. Een nominatie voor de jaarlijkse C. Buddingh’ Prijs (voor het beste poëziedebuut) en de toekenning van de eerste Jo Peters Poëzieprijs 2002 (voor jong talent) volgden.

    Schaffer ontpopt zich als een tamelijk productief dichter: zijn tweede bundel, Dwaalgasten, verscheen al in mei 2002 en momenteel werkt hij hard aan de opvolger, die gepland staat voor 2004. Voordien zal uitgeverij Perdu nog een bijzondere uitgave verzorgen van tien van zijn gedichten. De lijst van literaire tijdschriften waarin zijn gedichten een plek vonden, neemt intussen indrukwekkende vormen aan en bevat onder meer Bunker Hill, Dietsche Warande & Belfort, Krakatau, De Revisor, Tirade, Vrijstaat Austerlitz en Zanzibar. Ook werd werk van hem opgenomen in zowel Sprong naar de sterren. De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw (Kwadraat, 1999) als Vanuit de lucht. De eerste generatie dichters van de eenentwintigste eeuw (Passage, 2001).

    In relatief korte tijd heeft Schaffer een zeer herkenbare stijl ontwikkeld, gekenmerkt door een sober taalregister en een quasi-nonchalante toon. In fragmentarische beschrijvingen en anekdotes trekken tal van merkwaardige personages en absurde details voorbij, soms voorzien van kort commentaar of een droge vaststelling. De transparante taal suggereert een grote mate van overzichtelijkheid en helderheid, maar (in de woorden van Christiaan Weijts:) ‘hoe helder het allemaal ook mag klinken, van geen enkel gedicht heb je na lezing het idee dat je het helemaal begrepen hebt’. Juist doordat het vaak knarst tussen de woorden en de beelden die ze creëren, hebben Schaffers gedichten een verwarrend en niet zelden humoristisch effect.

    Citaat:
    Ik heb je raad nodig,
    deze avond verdient iets beslissends.
    Niet te verwarren met een slechte afloop natuurlijk.

    Uit ‘Een mislukte grap’, in: Zijn opkomst in de voorstad, p.37.

    Interview met Alfred Schaffer:
    home.wanadoo.nl/ewouw/asview.htm

    Korte beschouwing ‘Verstaanbaar, maar met mate’, door Christiaan Weijts:www.leidenuniv.nl/mare/2002/30/bibliotheek.html

    Recensie van Zijn opkomst in de voorstad, door Danny Degenaar:
    home.wanadoo.nl/ewouw/schaffer.htm

    Recensie van Dwaalgasten, door Edwin Fagel:
    home.wanadoo.nl/ewouw/alfred_schaffer.htm

    Korte biografie en twee gedichten:
    www.epibreren.com/rs/schaffer.html

     

  • Lucebert

    Lucebert werd op 15 september 1924 te Amsterdam geboren onder de naam Lubertus Jacobus Swaanswijk. Met de Vijftigers, waarvan hij de ongekroonde keizer was, stormde hij begin jaren vijftig met zijn experimentele poëzie de gezapige literaire wereld binnen. Aanvankelijk stuitten zijn gedichten en optredens ? bij een voordracht in 1951 goot hij, onder de titel ‘Herfst’, een glas water uit over zijn hoofd ? op veel weerstand, maar al in 1954 werd hem de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam toegekend. Toen Lucebert echter verkleed als Keizer naar de uitreiking kwam, werd hem de toegang ontzegd.

    De vader van Lucebert was huischilder, en had een eigen zaak. Zijn moeder liep weg toen hij twee jaar oud was. Toen Lucebert na de ULO begon te werken in de zaak van zijn vader werd zijn tekentalent ontdekt. Hij kreeg een beurs en ging in 1938 voor een half jaar naar het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs. Daarna ging hij weer aan het werk, maar besloot al snel te gaan zwerven. Voor Lucebert, die leefde zonder vast inkomen, kwam in 1947 het aanbod van het Franciscanesseklooster in Heemskerk als een welkome opdracht; hij vervaardigde een enorme wandschildering in ruil voor kost en inwoning. Helaas waren de zusters niet erg tevreden met het resultaat en ze lieten het geheel overschilderen met witte verf.

    Lucebert exposeerde voor het eerst in 1948. In dat jaar startte tevens zijn professionele carrière als dichter: hij schreef het gedicht ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’ voor het tweede nummer van het literaire tijdschrift Reflex.

    In het programmatische en beroemd geworden gedicht ‘Verdediging van de 50-ers’ legde Lucebert in 1949 de kleinburgerlijkheid van Nederland en de, op dat moment, vrij gezapige en kneuterige Nederlandse poëzie onder vuur: 

    de hollandse cultuur is hol van helen, het leven in commissie niet alleen in zede, ook genade de eigen zaken eigen zielen zijn bordelen,
    (…)
    gij letterdames en letterheren, gij die in herenhuizen diep zit uit te pluizen daden, ik zeg Daden van genot en van ontberen, wanneer gij blake rimbaud of baudelaire leest; hoort, door onze verzen jaagt hun heilige geest: de blote kont der kunst te kussen onder uw sonetten en balladen.

    ‘Verdediging van de 50-ers’, in: Verzamelde gedichten, Lucebert

    De waardering voor het werk van het enfant terrible van de Nederlandse literatuur nam al snel toe. In 1962 ontving hij alsnog de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, in 1965 gevolgd door de Constantijn Huygensprijs. In 1967 werd zijn gehele oeuvre bekroond met P.C. Hooftprijs. In 1983 ontving Lucebert de prestigieuze prijs der Nederlandse Letteren en in 1990 – vier jaar voor zijn dood – de Jacobus van Looy-prijs.

    De poëzie van Lucebert kenmerkt zich door een associatieve, experimentele stijl. Zijn gedichten worden dan ook vaak als moeilijk en ontoegankelijk ervaren. Maar wie zich overgeeft aan de klanken en het gedicht ‘ondergaat’ vindt veel prachtigs:

    als je weet waar ik ben zoek me dan/ bij de winden van morgen bij de grijsaards de/ kinderen/ geen blinddoek zal het je verhinderen/ bij afwezigheid mijn ziel te plunderen (…)

    ‘als je weet waar ik ben zoek me dan’, in: Verzamelde gedichten, Lucebert

    Vanaf 1965 woonde Lucebert afwisselend in Bergen (NH) en Javea (Spanje). In 1994 overleed hij in Alkmaar. (AMvdP) 

     

  • Abdelkader Benali

    Abdelkader Benali is vier jaar oud als hij in 1979 vanuit het Marokkaanse Ighazazza door zijn vader naar Nederland wordt gehaald. Zijn vader verdient in Rotterdam de kost als slager. Zeventien jaar later publiceert Benali zijn eerste roman Bruiloft aan Zee. Daarvoor heeft hij al diverse literaire prijzen gewonnen, waaronder tweemaal El Hizjra, De Kunstbende en het lustrum van de Universiteit van Leiden. Ook heeft hij een jaar gratis studeren verdiend met zijn essay Vernieuwing als traditie. Bruiloft aan Zee wordt een ongekend succes. Het wordt genomineerd voor de AKO- literatuurprijs, wint de Geert-Jan Lubberhuizenprijs en verschijnt inmiddels vertaald in Engeland, de Verenigde Staten, Spanje, Duitsland, Frankrijk en Denemarken.

    Het verhaal van Bruiloft aan Zee is snel verteld: Lamarat Minar keert met zijn familie terug naar zijn geboortestreek. Daar zal het huwelijk voltrokken worden tussen zijn zus Rebekka en zijn oom Mosa. Op de vooravond van de bruiloft komt Lamarat er echter achter dat zijn oom het hazenpad heeft gekozen. Hij moet van zijn vader de deserterende bruidegom opsporen en wordt daarbij geholpen door de taxichauffeur Chalid. De bruiloft en de ontmaagding vinden alsnog plaats, maar het bloed vloeit op een ontraditionele manier… Veel beroemder dan de inhoud is de vorm van de roman: de vele vertelperspectieven, de door elkaar verweven verhalen en vooral Benali’s springerige, originele taal. Zelf zegt hij daarover in De Groene Amsterdammer: ‘Ik was tijdens het schrijven Middernachtskinderen van Rushdie aan het lezen, dat boek is een braakneiging van taal en ik schreef zelf ook in een roes.’ (Wie van Benali’s stijl wil proeven: klik hier)

    Op 1 januari 1999 ging Benali’s eerste toneeltekst De Ongelukkige (naar een roman van Louis Couperus) in première, hij schreef deze tekst in opdracht van de Toneelschuur te Haarlem. De samenwerking beviel. In 2000 verzorgde hij de teksten voor de Toneelschuurproductie Drift en in 2001 was zijn monoloog Yasser in Haarlem te zien. In die laatste speelt Sabri Saad El Hamus de Palestijnse acteur Yasser Mansour die -tot grote woede van zijn familie- het joodse personage Shylock gaat spelen in Shakespeare’s de Koopman van Venetië. Op weg naar een voorstelling in Maastricht verliest de acteur zijn koffer, gejat door Marokkaanse straatschoffies, met daarin de neus van Shylock. Vanaf dat moment raakt Yasser het spoor helemaal bijster, alles gaat in zijn hoofd door elkaar spelen: zijn rol in het theater, zijn rol in het leven en de rol van zijn leven. Het liefst zou hij namelijk Yasser Arafat spelen. Mensen herkennen hem zelfs op straat! Maar naast de dromen is er in zijn razernij ook nog zicht op de werkelijkheid: ‘Oorlog is een dubbelloopsgeweer waarvan de ene loop geladen is met een kogel en gericht op de tegenstander. De andere loop is geladen met twee kogels en is met een u-bocht gericht op het eigen gezicht. Wie aanvalt zal altijd verliezen. Niemand zal de oorlog winnen,’ Naast bovengenoemde boeken verscheen van Benali nog de roman de Langverwachte en de verhalenbundel Berichten uit Maanzaad- stad. Abdelkader Benali wordt dit jaar achtentwintig jaar.

  • Eva Gerlach en de verhuizer

    Dichters worden met van alles vergeleken: zieners, orakels, priesters, zelfs smeden en bakkers. Nooit met verhuizers. Daarvoor moet je een dichter als Eva Gerlach zijn. Ze verzon dit pseudoniem toen ze een verhuiswagen van de Firma Gerlach voorbij zag komen. Heel passend, vond ze: een dichter is immers ook een soort verhuizer – een verplaatser van betekenissen. “Je haalt iets uit de werkelijkheid en plaatst het in een ander verband.”

    Eva Gerlach werd als Margaret Dijkstra op 9 april 1948 geboren in Amsterdam. Haar vader was schrijver en scenarist van beeldverhalen. Hij verliet het gezin toen Gerlach vier was; zij werd verder opgevoed door haar moeder, een lerares Nederlands, en haar stiefvader, een geoloog. In haar vroege dichtwerk zoals Een kopstaand beeld (1983) zullen de figuren van de dominante moeder en de weinig liefdevolle vader meermalen terugkomen. Van haar vijfde tot haar achttiende woonde het gezin in Paramaribo. Terug in Nederland volgde ze verschillende studies: Spaans, culturele antropologie en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze had vele banen en bijbanen: van zweminstructeur tot magazijnhulp. Ook vertaalde ze gebruiksaanwijzingen, assisteerde ze bij het maken van catalogi en hielp ze toneelgezelschappen. Ze publiceerde vervolgens in een groot aantal tijdschriften – van Tirade tot Nieuw Wereldtijdschrift. Sinds eind jaren zeventig leeft ze van haar vertaal- en schrijfwerk. Ze woont in Amsterdam, met haar man en twee dochters.

    Gerlachs eerste gedichten verschenen in 1977 in het literaire tijdschrift Hollands Maandblad. Haar debuut, Verder geen leed, verscheen twee jaar later en kreeg meteen de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Haar belangrijkste thema’s komen in deze eerste bundel als aan de oppervlakte: verval, het verstrijken van de tijd, maar vooral ook de betekenis van begrippen als ‘waarneming’, ‘vastlegging’ en ‘vergetelheid’. “Je duwde me op tot ik vaart kreeg. Wind / sloeg bij het naar voren zwaaien in mijn ogen, / terug was het of ze werden weggezogen. / uit mijn gezicht. Beneden was ik blind.”

    Gerlachs stijl is klassiek en afgemeten, met verzen in een strak schema. Het zijn doorlopende zinnen, in een soort Nijhoff-parlando, heel ingenieus met enjambementen ingekleed, zodat het gebruik van rijm uiterst subtiel is. Haar poëzie lijkt hierin enigszins op die van Judith Herzberg.

    Wijlen J.B. Charles en enkele andere bewonderaars waren zo onder de indruk van Gerlachs gedichten dat ze een speciale prijs in het leven riepen, de J.B. Charlesprijs: een kist met flessen Italiaanse champenoise wijn die Charles (Willem Hendrik Nagel) bij Gerlach thuis liet bezorgen. Tegenstanders had Gerlach ook. Hans Warren stoorde zich aan haar anonimiteit. Hij geloofde bijvoorbeeld niet dat Gerlach een vrouw was en wist zeker dat er een man achter het pseudoniem school – zeker toen in haar volgende bundel Een kopstaand beeld (1983) jongensherinneringen (volgens Warren) voorkwamen. En inderdaad zijn in deze bundel volop herinneringen aan de jeugdjaren aanwezig – alleen wel die van Gerlach zelf. Zoals de titel van deze tweede bundel al aangeeft – een kopstaand beeld is het bekende camera obscura-effect – is fotografie een belangrijke inspiratiebron. In een artikel in Tirade zou Gerlach duidelijk maken wat de betekenis van fotografie is: niet de herinnering zelf en het vastleggen van tijd, maar het produceren van eeuwigheid. Woorden hebben die kracht niet: het zijn immers abstracties die geen zeggingskracht hebben. “Eva Gerlach heeft een toon getroffen die velen diep raakt,” schreef Peter Bekkers in De Held. “Als Donne, Quevedo en Achterberg van grote invloed op haar werk zijn, dan mogen wij die drie heren wel dankbaar zijn.”

    Stijl en thematiek veranderden vanaf de bundel Dochter uit 1984, waarin haar te vroeg geboren dochter een grote rol speelt. Deze ontboezemingen hebben wel als gevolg dat geruchten de ronde doen over de tot dan toe anonieme dichteres. Een jaar na het uitkomen voelde Gerlach zich geroepen om voor de eerste keer naar buiten te treden. In een interview met de Haagse Post legde ze uit waarom ze tot nu toe verkoos om achter een pseudoniem schuil te gaan. Niet alleen om privacy-redenen, maar ook vanwege haar literaire opvattingen, zo blijkt. “De biografie is een leugen. De literatuur is werkelijkheid.”

    In de daaropvolgende bundel, Domicilie, (1987) zal het thema van dood en leven een nog veel grotere rol krijgen. Haar stijl wordt losser: minder strakke, regelmatig gevormde verzen, meer ruimte voor onregelmatige strofen en elliptische zinnen. Poëzie wordt een plek om te wonen. “Kijk God, hier woon ik, dag en nacht / in vorm en veiligheid gebracht.” Andere teksten bieden eveneens een thuisbasis – van kinderliedjes tot gedichten. In 1988 kreeg zij voor haar hele oeuvre de A. Roland Holstpenning.

    De laatste jaren heeft Gerlach af en toe ook kinderboeken (gedichten) geschreven, zoals Hee meneer Eland (1998) en Oog in oog in oog in oog (2001), geïllustreerd door Sieb Posthuma. Over de eerstgenoemde bundel schreef Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad: “De gedichten die ze nu voor jongeren heeft geschreven in een bundel met de misleidend kinderlijke titel Hee meneer Eland, lijken zo helder als glas. Maar ze zijn vaak veel geheimzinniger dan ze lijken.” Oog in oog in oog in oog is een bundel kinderpoëzie zonder leestekens, bestaande uit gedichten die veelal over het zoeken naar identiteit gaat. “Dat je niet weet dat je gezien kan worden / Dat je rustig als bloed in jezelf / weer gewoon klopt en meedoet met wat gebeurt / in plaats van dat het steeds zeurt in je zitten mijn spikes goed.” “Hopelijk nemen leerkrachten de tijd om deze gedichten een aantal malen aan de kinderen voor te lezen,” schreef Remco Ekkers in Poëziekrant.

    In Wat zoekraakt (1994) blijkt ook Gerlachs fascinatie voor getallen en reeksen. De bundel bevat drie reeksen van tien gedichten, samen goed voor 44 pagina’s. Dat is geen toeval: ook in Dochter zijn de getallen drie, vijf en acht oververtegenwoordigd. Wat zoekraakt gaat over verdwijnen, veranderen en doodgaan. De bundel krijgt de Jan Campertprijs. Niet iedereen is het daar mee eens. Remco Ekkers betoogt in de Leeuwarder Courant dat Gerlach te moeilijk schrijft. Trouws Tom van Deel staat aan de andere zijde: hij vindt wel dat de nieuwe vorm meer bij haar onderwerpen hoort en dat Gerlach met weinig woorden situaties kan beschrijven. “Met voortreffelijk woordgebruik geeft zij schitterende beelden weer.” En Arie van den Berg over haar in 1997 verschenen bundel Niets bestendiger (1998): “De kwaliteit van Gerlachs poëzie is verbazingwekkend constant. Dat is niet het gevolg van haar ruime inspiratiebron, maar heeft zoals bij elke goede dichter te maken met hoe ze onder woorden brengt wat haar omringt. Er wordt scherp gekeken in haar gedichten – met als paradoxale conclusie dat de wereld en het leven daarin onoverzichtelijk zijn.”

    In 2000 krijgt Gerlach de PC Hooftprijs voor haar poëzie – een kroon op haar werk. Ze kreeg onderscheiding voor haar complete oeuvre, dat inmiddels uit tien dichtbundels bestaat.

    Dit jaar schrijft Eva Gerlach de vierde Gedichtendagbundel Daar ligt het. Deze speciale bundel bevat een tiental nieuwe gedichten en is vanaf 30 januari verkrijgbaar.

    Zo

    Een hond met ijzeren ogen had mijn hand

    in zijn mond genomen. Ik wilde
    niet dat dit gebeurde maar was bang
    te scheuren als ik mij verzette. Luister
    hond, zei ik, laat me los en ik geef je
    wat je verlangt. Maar wat hij wilde was alleen
    dat ik niet verder ging en met mijn andere hand
    hem streelde. Zo. Dagen en nachten in
    zijn ogen zag wie van ons sterker scheen.

    uit: Daar ligt het (2003)

    Werk van Eva Gerlach: Een kopstaand beeld (1983); Dochter (1984); De kracht van verlamming (1988); Wat zoekraakt (1994); Alles is werkelijk hier (1997) Hee meneer Eland (1998); Niets bestendiger (1999); Voorlopig verblijf (1999); Solstitium (2000); De invulbare ruimte (2000); Oog in oog in oog in oog (2001).

    met dank aan Het Schrijversnet en Remco Volkers

     

  • Biografie Jan Arends 'Angst voor de winter' – Nico Keunings

    Op dinsdag 21 januari is het precies 29 jaar jaar geleden dat zijn tweede bundel werd gepresenteerd. En dat hij een einde aan zijn leven maakte door uit het raam van zijn flat te springen. Volgende maand verschijnt bij De Bezige Bij zijn biografie Angst voor de winter, geschreven door neerlandicus Nico Keunings.

    Jan Arends wordt op 13 februari 1925 in Den Haag geboren als vaderloos kind van Gerardina Elizabeth Arends. Van zijn achtste tot zijn dertiende zit hij op de (antroposofische) Vrije School, waar hij zich een buitenstaander voelt en wordt gepest door de andere leerlingen. Op zijn dertiende gaat hij naar een katholiek jongensinternaat in Rijswijk en vanaf zijn achttiende probeert hij in zijn onderhoud te voorzien met de meest uiteenlopende baantjes, waaronder reclame-copywriter, schoenmaker, huisknecht, hotelportier, krantenbezorger, broodbezorger en ijscoman. Terwijl het hem niet lukt een enigszins geslaagde maatschappelijke carrière op te bouwen, leest en schrijft hij als een bezetene. Het tweede deel van zijn leven brengt hij grotendeels door in psychiatrische inrichtingen.

    Arends debuteert in 1949 als schrijver in het tijdschrift Ad Interim. Zijn eerste boek, Lente/Herfst, verschijnt in 1955 als Maatstafdeeltje 14, nadat het eerder dat jaar als verhaal werd opgenomen in het juni/juli-nummer van literair tijdschrift Maatstaf. Een jaar later publiceert hij zijn eerste gedichten in Vertoning, een tijdschrift dat na zijn eerste jaar ophoudt te bestaan. In 1962 plaatst Gard Sivik één bedrijf van Arends’ nooit opgevoerde toneelstuk Smeer of De weldoener des Vaderlands en verschijnen zijn gedichten nog in Podium en Tirade, maar pas in 1965 brengt De Bezige Bij zijn debuutbundel Gedichten uit.

    Met de verhalenbundel Keefman (1972) verwerft hij nationale bekendheid. In uiterst geladen taal beschrijft hij hierin de ervaringen en gevoelens van mensen voor wie het leven tot een hel geworden is. Vooral het titelverhaal ‘Keefman’, waarin de patiënt Keefman zijn psychiater in een lange monoloog verwijtend toespreekt over de voortdurende vernedering tijdens zijn behandeling, maakt diepe indruk. Het verhaal is in 1977 verfilmd en later ook bewerkt voor televisie en toneel. Tijdens het schrijven van de meeste verhalen in Keefman is Arends geen vrij man: ‘Keefman’ en ‘Het ontbijt’ schrijft hij in het Willem Arntsz Huis in Utrecht en ‘Vrijgezel op kamers’ in de Jelgersma-kliniek in Oegstgeest. In de Nieuwe Revu van 5 mei 1973 zegt hij hierover: ‘Ik schreef het toen om de psychiater duidelijk te maken, hoe het met mij gesteld was. Maar het werd niet serieus genomen. De psychiater zou zèlf wel uitmaken, wat de beste therapie voor mij was.’

    Zijn werk speelt zich vooral af ‘in de schaduw van het gekkengesticht’, in de innerlijke belevingswereld van de psychiatrische patiënt. In zijn verhalen verzet hij zich tegen de strenge scheidslijn tussen ‘normaal’ en ‘gek’ en probeert hij de afstand te verkleinen tussen patiënt en maatschappij. Hij doet dat op een weinig orthodoxe, weinig verheven, maar bijzonder indringende manier. Ook Arends’ zeer geconcentreerde gedichten zijn nauw met zijn persoonlijke ervaringen en omstandigheden verbonden en worden beheerst door waanzin, ziekte, drank en angst.

    Op 21 januari 1974, de dag waarop zijn nieuwe gedichtenbundel Lunchpauzegedichten verschijnt, pleegt Jan Arends zelfmoord. Om acht uur ’s avonds springt hij uit het raam van zijn flat aan het Amsterdamse Roelof Hartplein. Eigenlijk is hem dan al de Multatuliprijs 1973 toegekend, maar op het moment van zijn overlijden is het juryrapport nog niet klaar. Het doel van de prijs is ‘het bevorderen van de scheppende kunst’, en omdat bij een overleden auteur de productie niet meer te stimuleren valt, ziet men van uitreiking af.

    Bibliografie:
    1955 Lente/Herfst (verhaal; Maatstafdeeltje 14)

    1965 Gedichten (poëzie)
    1972 Keefman (verhalen)
    1974 Lunchpauzegedichten (poëzie)
    1974 Ik had een strohoed en een wandelstok (verhalen)
    1975 Nagelaten gedichten (poëzie; samengesteld door Remco Campert)
    1984 Verzameld werk (verhalen en poëzie; samengesteld door Thijs Wierema en ingeleid door K. van Weringh)

    Citaat:

    Als
    iedere niksnut
    wordt geprezen
    als
    een groot dichter
    wat
    blijft er dan
    over
    voor
    een arme schooier?

    (‘Voor Remco Campert’, in: Lunchpauzegedichten, p. 51)

    Aanvullende bi(bli)ografische gegevens:
    www.ongebonden.nl/auteur/arends/mainw

    www.geocities.com/Athens/Ithaca/2249/arendsjan

    www.kunstbus.nl/verklaringen/jan+arends

     

  • Ingenieurs van de ziel – Boek van de week

    ‘Het socialistisch realisme en de realiteit waren in een onmogelijke spagaat beland.’ Frank Westerman maakt deze opmerking bijna terloops, ergens halverwege zijn Ingenieurs van de ziel; en toch is er geen treffender samenvatting denkbaar.

    De titel van het boek van de week verwijst naar Stalins beroemde opdracht aan schrijvers: ‘De mens wordt herschapen door het leven en jullie moeten behulpzaam zijn bij het herscheppen van de ziel. Jullie, schrijvers, zijn de ingenieurs van de ziel.’ Onder leiding van Maksim Gorki moesten zij (waaronder naast Gorki vooral Platonov en Paustovski in het boek voorkomen) eenvoudige taal gebruiken en de mensen op de hoogte stellen van de grote sprong voorwaarts die Rusland onderging. Mensen moesten weten dat de socialistische heilstaat dankzij zijn industriële, technologische kennis Moeder Natuur onder controle kon krijgen. Zelfs als het een woestijn betrof, waar het bijna constant vijftig graden is en alles in een grote wolk van verdamping wegstuift. Deze plek de rode draad in het boek – is de Karakoem-woestijn in het huidige Turkmenistan. Daar was in 1847 de Baai van Kora Bogaz ontdekt, zo groot als Vlaanderen, waar dankzij de specifieke ligging zeer bijzonder zout neersloeg: glauberzout. Een prachtige kans voor Moskou om te laten zien wat er technisch mogelijk was. Er werden chemische industrieën neergezet, academici gestuurd en de jeugdafdeling van de Partij moest de socialistische boodschap gaan verkondigen. Bij aankomst kregen de kolonisten al snel te maken met een ontnuchterend feit: er was nauwelijks drinkwater. Ook hier hadden de fysische ingenieurs echter een oplossing voor: de ombuiging van vijf immense rivieren dwars door midden Rusland naar de Karakoem-woestijn.
    Dit was kort gezegd – het materiaal waar de schrijvers mee moesten werken. Vooral Konstantin Paustovski was bij het project betrokken – in 1932 brak hij door als Sovjetschrijver met de Baai van Kora Bogaz, een lyrische beschrijving van de hele onderneming. Hoe Paustovski de onmogelijke spagaat tussen realiteit en socialistische realiteit wist vol te houden, blijkt al snel als Westerman in dit boek op zoek gaat naar de bronnen: Paustovski kende de realiteit helemaal niet. Hij was nooit in de Baai geweest.

    Ingenieurs van de ziel werd vorig jaar genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en wordt binnenkort vertaald in het Engels.

  • K. Michel – Auteur van de week

    ‘Taalfilosofisch maar niet gortdroog; muzikaal, geestig, lyrisch, parlandistisch,’ zei Joost Zwagerman ooit over K. Michel, onze Auteur van de Week.

    K. Michel is het pseudoniem voor de op 13 augustus 1958 te Tilburg geboren Michael Maria (‘Michel’) Kuijpers. Hij studeerde aan het Sint Odulphuslyceum en daarna vanaf 1978 filosofie in Groningen en Amsterdam. Na zijn studie gaf hij samen met Arjen Duinker de literaire circulaire ‘AapNootMies’ uit. Hij debuteerde in 1989 met de gedichtenbundel Ja! Naakt als de stenen. Hij werkte mee aan de bundel Openbaringen. Zeventien jonge dichters over het cruciale gedicht (1989). In 1990 verscheen zijn uit het Spaans vertaalde keuze van gedichten van de Mexicaanse letterkundige Octavio Paz, onder de titel Het vuur van iedere dag. Michel was een van de vijf genomineerde debuterende dichters voor de C. Buddingh’-prijs 1990, (overigens gewonnen door Nachoem M. Wijnberg). In 1992 publiceerde hij de verhalenbundel Tingeling & Totus, die in 1999 door het Onafhankelijk Toneel werd bewerkt tot een toneelvoorstelling. Voor zijn tweede gedichtenbundel Boem de nacht (1994) kreeg hij de Herman Gorterprijs en zijn derde bundel Waterstudies (1999) werd bekroond met de VSB-poezieprijs en de Jan Campertprijs. Naast zijn Paz-vertalingen heeft K. Michel ook poëzie vertaald van Russell Edson en Michael Ondaatje. Hij is redacteur van het literaire tijdschrift Raster.

    Nee en ja

    Nee en ja er is altijd
    meer dan een keus
    En voor je iets doet (of laat)
    kun je altijd tot basta tellen
    Een ruzie vraagt twee meningen
    een kus vier lippen
    een lichaam vijf liter bloed
    Om regen te maken, een boom
    een huis. muziek, een droom
    zijn meerdere elementen vereist
    En in de sporen van schichtige dieren
    rond, een modderige drinkplaats
    schitteren ’s nachts ontelbare sterren
    Voor iemand die slechts denkt
    met de één (en niet de ander)
    is dat getal een hamer
    en is de hele wereld een spijker

    uit Waterstudies (1999)