In het hoofd van de kunstenaar kruipen
Vakanties zijn altijd mooie momenten van afstand én toenadering. Afstand van het dagelijkse gedoe en werk, toenadering tot rust en al die andere zaken die het leven waardevol maken. Toenadering ook tot schoonheid. De schoonheid van de natuur, en de schoonheid van wat sommige mensen met hun handen kunnen maken. Tot de schoonheid van beeldende kunst.
De relatie tussen schoonheid van beeldende kunst en literatuur is een lastige. Het is de strijd tussen beeld en woord, twee ongelijkheden die in de vergelijking altijd al wat ongemakkelijk langs elkaar heen schuren. Al lijkt het beeld daar in zekere zin als winnaar uit te komen: a picture paints – immers a thousand words. Wat niet wil zeggen dat woorden het altijd afleggen. Soms verdiepen woorden wat je met het oog in musea ziet. Een pleidooi dus om je soms in de woorden van kunstenaars te verdiepen.
Misschien lukt dat nog wel het beste met autobiografieën, of met getuigenissen van vrienden of tijdgenoten van kunstenaar. Dan kom je de kunstenaars het meest nabij. Het is een vorm van literatuur die iedereen die van kunst houdt er soms eens op na zou moeten slaan. Al loopt de liefhebber daarbij wel tegen een taalprobleem op: veel van die autobiografieën of getuigenissen zijn niet in het Nederlands vertaald. Maar dat hoeft de pret natuurlijk niet te drukken. Een paar voorbeelden ter inspiratie.
Van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840 – 1917) is geen autobiografie bekend. Wel een paar interessante getuigenissen. De meest literaire daarvan is geschreven door Rainer Maria Rilke en draagt als titel simpelweg de naam van de kunstenaar: Auguste Rodin (1913, Nederlandse vertaling bij SUN 1990). Een boekje bestaande uit een voordracht, drie beeldbeschrijvingen en brieven aan Rodin zelf. Van alles druipt de bewondering van Rilke voor Rodin af. Zijn voorbeeld in de beeldende kunst, die geen kunst ‘maakt’ maar ‘schept’.

Zo’n tweeënhalve eeuw eerder is er in Frankrijk een vergelijkbaar boekje verschenen: Journal du cavalier Bernin en France, geschreven door Paul Fréart de Chantelou, tijdens Bernini’s bezoek aan Parijs. Bernini was daar om een portret te maken van de Zonnekoning. En De Chantelou, kunstverzamelaar, begeleidde hem daarbij. Het leverde een mooi dagboek op dat de worsteli
Naast deze getuigenissen zijn er ook verschillende interessante autobiografieën van beeldhouwers. Een zeer vermakelijke is die van Benvenuto Cellini, in 2000 in het Nederlands verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep: Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld, vertaald en ingeleid door Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt. 
En dan is er natuurlijk ook nog de autobiografie die Michelangelo liet optekenen door zijn leerling Ascanio Condivi (zie bijvoorbeeld Michelangelo, Life, letters, and poetry. Oxford World’s Classics).

‘Wanneer mijn hamer uit de ruwe rots
vormen van mensen houwt, beweegt hij daar
niet ongebreideld als een woeste knots
maar krachtens ’t willen van de kunstenaar’
Een beter pleidooi om je soms te verdiepen in het woord van de beeldende kunstenaar kan ik niet geven.
_____________
In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk.








