Woede als aanjager

Ik las over de dood van een moeder. Terwijl de dochter op een vroege zondagochtend onderweg is naar station Sloterdijk om naar Nijmegen te reizen, wordt ze gebeld door de vriend van haar moeder. Ze wil het wegdrukken, later terugbellen. Iets weerhoudt haar. Het is het vroege tijdstip waardoor ze toch opneemt. Ze hoort dat haar moeder is gevallen. Gevallen en overleden. In de momenten daarna, onderweg naar het huis van haar moeder, groeit er in de dochter een grote woede. ‘Als ik straks aankom zal ik het haar zeggen. “En nu doe je normaal godverdomme. Nu hou je op! Ik heb er schoon genoeg van. Je gaat godverdomme nu gewoon naar een dokter.” Dan zal ze wel begrijpen dat ze deze keer te ver is gegaan.’ Wat er gebeurt als een ouder overlijdt, een familiegeschiedenis zichtbaar wordt, daar is dit boek een verslag van.

De dochter is kwaad op haar moeder omdat ze nooit een dokter wil consulteren. Ze vertrouwde op alternatieve genezers. Er is een jongste broer, die hersenletsel opliep door een val, tijdens corona in complot theorieën begint te geloven, de moeder daarin betrekt. ‘Als jij het gevoel niet had gehad dat je moest kiezen, dat je altijd, altijd, altijd de deur voor Rein open moest laten, dat je er altijd voor hem moest zijn, dan was de wereld misschien wat minder zwart geworden voor je.’ Dat ze misschien nog had geleefd ‘als ze dit of dat’. De valkuil van het ‘als’, waarmee de dood op pauzestand wordt gezet. Maar dat ongeloof, die woede.

A.F.Th. van der Heijden werd op 31 mei 1993 gebeld door zijn moeder. Zijn vader lag met longemfyseem in het ziekenhuis. Terwijl hij luistert, wordt hij kwaad. ‘Hoe haalt hij het in zijn hoofd om in het ziekenhuis te gaan liggen, en zo mijn leven te ontregelen?’ Nooit gaf zijn vader gehoor aan zijn raadgevingen te stoppen met roken, met alcohol. Na enkele weken is zijn vader overleden. Van der Heijden schreef er het prachtige boek Asbestemming, Een requiem over.

Op het moment van sterven van een ouder, ontstaat er iets dat een uitweg moet vinden. Er moet iets afgerond worden dat niet af te ronden is, het moment van sterven als punt van terugkeer.

Ik denk aan mijn vader, een zachtmoedig man. Toen hij overleed heb ik geen afscheid kunnen nemen. Na een bepaalde verslagenheid was ik opeens driftig van woede. Uit woede tekende ik een portret van mijn vader, (als ik er nu naar kijk, kan ik niet geloven dat ik het maakte) de zachtheid die ik als schuld van zijn dood zag, verdrukte ik met krachtige lijnen. Er ontstond een portret van een onverzetbaar man. Het leek wel wat op Theodor Holman, waaraan ik verder niets verbinden kan.

Op dag achttien (onderschat niet het belang van de precieze aanduiding van tijd, plaats en dag, alsof het houvast biedt) na het overlijden van haar moeder, denkt de dochter haar moeder de volgende morgen even te bellen. ‘Wat doet mijn brein? Het is alsof het de hele tijd op zoek is naar manieren om het tij te keren, ondanks het feit dat ik zo godvergeten doordrongen ben van het feit dat je dood bent, dood. Dood.’ Die woede, de catharsis die gezocht moet worden. 

Michael Ignatieff schreef over de dood van zijn vader in Reis naar het ongerijmde. ‘Ieder stervensverhaal dat je vertelt, is bedoeld om de indruk te wekken dat je de dood hebt overwonnen, dat je het sterven hebt aanvaard en je ermee verzoend. Het is een leugen, iets wat je jezelf wijsmaakt om door te kunnen gaan.’ Hij aanvaardt de dood van zijn vader niet.

‘Noch heb ik er vrede mee. Ik ben het gewoon beu en dat op zichzelf is de beste reden om het verhaal opnieuw te vertellen. Vertel het verhaal om jezelf terug te vinden, om hem terug te vinden. Vertel het verhaal zodat zijn dood eindelijk plaatsvindt.’ Schrijven over verlies. Om dat definitieve punt te bereiken.

Het is niet de bedoeling de doden tot leven te wekken, dat nu ook weer niet. De dochter stelt zich voor hoe het dan zou gaan, als haar moeder er weer/nog was. ‘Bovendien realiseer ik me maar al te goed dat jouw dood betekent dat we nooit meer ruzie hoeven te maken. Dat we niet mee hoeven te maken dat je nog meer lichamelijke klachten zou krijgen en dat je niet meer zelfstandig had kunnen wonen. Ik zou tegen je gaan roepen: “als ik er geen dokter bij mag halen, dan zoek je het maar uit!”‘ Dat de dood daar een stokje voor had gestoken.

Wat me treft is de onversneden boosheid waarin zoveel liefde resoneert. Woede als aanjager om over liefde te schrijven is een combinatie die ten diepste ontroert.

 

 

Dat zijn wij zelf / Heidi Koren / 175 blz. / Hollands Diep


Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

 

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: