De laatste sinterklaasliedjes waren nog maar nauwelijks verklonken, of ze werden al meteen zonder overgang vervangen door kerstliedjes. In de supermarkten, in het zwembad, zelfs bij de tandarts, overal werd je overspoeld door veelal Engelstalige liedjes. Om gek van te worden. Zelfs het carrillon van de kerk op het dorpsplein klepte van zeven uur ’s morgens tot elf uur ’s avonds elk half uur een kerstliedje. Nu waren dat wel oude liederen met een Nederlandse tekst, maar als je elke dag ‘Midden in de winternacht’ of ‘Stille nacht, heilige nacht’ een paar keer voorbij hoort komen, word je daar net zo goed gek van.
Ik hou veel van muziek, maar dan die van mijn eigen keuze op de door mij gekozen tijd. Ik wil ervoor gaan zitten om te kunnen luisteren met aandacht, niet om lastig te worden gevallen door een drenzende, jengelende, repeterende oorwurm als achtergrondmuziek, terwijl ik me probeer te concentreren op heel andere dingen. Ik heb een hekel aan ongewenst geluid, vooral als er niet aan te ontkomen valt.
Meer nog dan van muziek hou ik van de stilte. Die hoort bij dit schemerige seizoen, bij de verwachtingsvolle adventstijd, bij Kerstmis, feest van het terugkerende licht. De avond valt snel, het blijft lang donker en de geluiden van de dag sterven langzaam weg, verdwijnen in het duister.
Maar het is nooit meer echt stil, zelfs ’s avonds niet. Dichtslaande deuren bij de buren, het indringende gepiep van een auto die achteruit rijdt, de waarschuwende bel bij de spoorwegovergang, het geblaf van een hond. Het zou misschien helpen als het gesneeuwd had en alle geluid gedempt wordt, maar een witte kerst is een tafereel uit een ver verleden.
Toch is er een manier om de stilte af te dwingen: het lezen van poëzie. Als ik een gedicht lees, sluit ik me als vanzelf af van de rest van de wereld. In die stilte kom ik weer tot mezelf. Niets kan dan nog door de geluiddichte muur dringen die de woorden van het gedicht om me heen optrekken. Zoals het volgende gedicht van een van mijn meest geliefde dichters doet:
Ontkomen
Diep in de stilte binnengedaald –
zoals een vis
zoals een vis
binnen het water ademhaalt,
water dat adem en aanvang is.
Diep in de stilte – en vrij geraakt,
zoals een vis
zoals een vis
zwaarteloos vaart met vinnen en staart,
voelend wat water en koelte is.
Diep in de stilte eenkennig gewend
– zoals de vis
zoals de vis
enkel kent zijn element –
kennend de Ene die was en is.
uit: Ida M. Gerhardt, De zomen van het licht, 1983.
De titel van dit stille gedicht betekent voor mij ontkomen aan de geluiden van de dag, aan de drukte, aan de oppervlakte. En al heeft Gerhardt dat nooit zo bedoeld, die vis in het water, dat ben ik, zo voel ik me als ik gedichten lees, ‘diep in de stilte binnengedaald’. Poëzie is voor mij ‘adem en aanvang’, poëzie is het element waarbinnen ik vrij ben, waar de stilte heerst. De stilte heeft het laatste woord.








