Hoe wereldproblemen zich kunnen vernauwen tot ‘welk boek neem ik mee?’ Ik verbaas mezelf. Morgenmiddag drie uur
vertrekt de boot naar Terschelling. Er gaat van alles door mijn hoofd. Denk aan lijstjes opstellen, kleding uitzoeken (waar is mijn badpak, die handige zaklamp!). Ondertussen ruim ik een keukenla uit. Er blijken regels te zijn waar ik aan te houden heb voor de vakantie kan beginnen. Er dringen zich dingen aan me op, ‘kijk mij, maak schoon, ruim op, dweil die keuken eens’. Alsof het de laatste dag van alles is, ruim ik een lade leeg, maak kleverige kruidenpotjes schoon. Poets het bestek blinkend op. Als de man de keuken in loopt, zeg ik, ‘ Vraag me niet!’ En leg keukengerei naast de bak met kruiden in de la.
Ik denk aan Erwin Mortier. In Gestameld Liedboek schrijft hij over zijn dementerende moeder, ‘Laden die ze al maanden, jaren onaangeroerd liet, trekt ze weer open, en ze zoekt en zoekt. Ik tref haar in de keuken terwijl ze met een lepel probeert jus uit een pan te scheppen, terwijl ze een glas bij de kraan houdt.’ Zijn moeder kan geen tien minuten meer stilzitten. Ik denk de laatste tijd nogal veel aan alzheimer, vasculaire dementie. Wanneer weet je als je de dingen niet kan terugvinden, het een gewoon vergeten is, of iets anders.
Terwijl ik uit een andere la aangebroken pakken sorteer, kijk ik naar mijn handen. Ze zitten losser in het vel (zoals het hele lijf), de linkerpink licht gekromd door een struikelende val jaren geleden. Ik knipper tweemaal met mijn ogen om de jaren waarin ik het veranderen van mijn handen even niet volgde, bij te stellen. Ze als de mijne te erkennen, zoals ik dat soms ook doe naar mijn spiegelbeeld. De man van een dierbare kijkt soms langdurig naar zijn handen, houdt ze gestrekt van zich af, brengt ze tot vlak voor zijn ogen, weer terug naar zijn schoot terwijl zijn ogen die handen volgen. Alsof ze hem vreemd zijn. Waar blijf je als je delen van jezelf niet meer kent. Ik zei het al, ik ben geobsedeerd door het grote vergeten, het verschrompelen van hersenen en lichaamspostuur, waar we blijven. Een vrouw die ik ken, met dezelfde ziekte, begroet haar kinderen en man sinds kort met, ‘Hee, daar ben je.’ Of, ‘Wat heb ik jou lang niet gezien.’
In de roman Reis naar het ongerijmde van Michael Ignatieff, beschrijft hij hoe de demente moeder naar haar jongste zoon kijkt als hij haar bezoekt. Ze kijkt alsof ze hem zou moeten kennen, maar ‘het laatje met namen in haar hoofd voorgoed dicht zit’. Dat er geen geheugen is zonder zelfbeeld. Het begint met het vergeten van dingen, dan vergeet je jezelf, verdwijnen de herinneringen. Hij schrijft over de moeder, ‘Het was deze schakel tussen heden en verleden die ze bezig was kwijt te raken. (…) Ze vroeg zich af wie die ‘ik’ was in haar eigen zinnen. Ze vroeg zich af of die herinneringen aan een blauwe bierpul in een warme tuin in een voorstad werkelijk van haarzelf waren. Omdat ze niet langer van haar leken, begon ze ze weg te gooien.’ Beter niks weg doen om te voorkomen dat er delen van jezelf verdwijnen.
Ondertussen rommelt de man door het huis de vakantiespullen bij elkaar. Mijn inzet is gewenst. Ik leg de boeken klaar, De vreemdelinge, Claudia Durastanti, In het oog, Marijke Schermer en Vreemden voor onszelf , Rachel Aviv. Dat het een fijne zomer mag worden.
Inge Meijer is afwezig tot eind september.





























































































































































































































































































