• Oek de Jong en de Boekenbon Literatuur Prijs 2020

    De roman Zwarte schuur van Oek de Jong (1952) werd vorige week bekroond met een grote literaire prijs. De roman werd dit jaar twee maal eerder genomineerd voor een literaire prijs, waaronder de Libris, maar ving steeds achter het net. Voor veel lezers van de Zwarte schuur en van zijn eerdere werk is het dan ook een vreugde dat de Boekenbon Literatuur Prijs (voorheen de BookSpot, ECI, AKO Literatuurprijs), naar De Jong ging. Niet dat De Jong nooit een prijs gewonnen heeft, maar de echt grote prijzen gingen steeds aan hem voorbij.

    Oek de Jong debuteerde in 1977 met een verhalenbundel en brak door in 1979 met Opwaaiende zomerjurken waarvoor hij de F. Bordewijkprijs kreeg. Zijn tweede roman, Cirkel in het gras, een indringende liefdes geschiedenis, was geniaal. In 2002 volgde de sterke roman Hokwerda’s kind, waarvoor De Jong in België genomineerd werd voor de Gouden Uil, en hier voor de Libris Literatuurprijs. Zijn geweldige tweedelige roman Pier en oceaan (2012) kwam op de shortlist van de Librisprijs terecht en werd bekroond met de Zeeuwse Boekenprijs, F. Bordewijkprijs en de Gouden Uil. Verder publiceerde De Jong meerdere autobiografische geschriften, dagboeken en essays. En dan nu deze grote prijs, waar een bedrag van 50.000 euro aan verbonden is. Zelf ziet Oek de Jong deze prijs als een grote waardering voor de literaire roman.

    Oordeel jury

    Dit was onder meer wat de jury over Zwarte schuur zei: ‘Met zijn geconcentreerde, sterk psychologische aanpak heeft Oek de Jong een mens en een decor neergezet die de lezer moeiteloos opeisen en dwingt hem (…) om na te denken over de dunne lijn tussen seksualiteit en agressie, mannelijke identiteit en de al dan niet genezende kracht van kunst.’

    De jury bestond uit Jan Dertaelen, boekverkoper De Groene Waterman te Antwerpen en recensent, Sofie Gielis, redacteur literair tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, Sebastiaan Kort, recensent NRC, Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur literair tijdschrift De Revisor en Jeroen Vullings, literatuurcriticus Elsevier en Nieuwsweekend.

    Andere genomineerden waren dit jaar Marcel Möring met Amen, Koen Sels met Gloria, Stephan Enter met Pastorale en Charlotte van den Broeck met Waagstukken.

     

     

    Lees hier de recensie van Daan Lameijer over Zwarte schuur.

     

     

     

  • De donkerte onder het genot

    De donkerte onder het genot

    Op een zeldzame uitzondering na zijn Nederlandse auteurs doorgaans geen krullendraaiers. De literatuur van de lage landen moet het niet echt hebben van mooischrijvers. Die nuchterheid zal misschien aan de volksaard liggen, maar anderzijds is het wel opvallend dat de schrijvers van dit land heel wat gedenkwaardige personages hebben voortgebracht. Van Frits van Egters tot pakweg Alfred Issendorf of Jörgen Hofmeester: als de Nederlandse literatuur ergens in uitblinkt, is het wel in het neerzetten van sterke, geloofwaardige romanfiguren. Aan dat lijstje mag ook Maris Coppoolse toegevoegd worden, protagonist van Oek de Jongs roman Zwarte schuur.

    Pijnlijke herinneringen

    Maris is een kunstschilder die zijn leven op het eerste gezicht aardig voor elkaar heeft. Zeker, de relatie met zijn vrouw Fran vertoont ernstige barsten, maar er wordt een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum aan hem gewijd en zijn werk wordt internationaal gewaardeerd. Toch sluimert er een diepgeworteld, onderhuids ongenoegen in de kunstenaar: ‘Het gevoel van wachten werd elke dag sterker. Onder de mensen deed hij wat hij moest doen, professioneel, vol energie, met een lach, maar zodra hij alleen was zakte hij in. De catalogus van zijn tentoonstelling wilde hij niet meer zien – het leek hem een grafzerk. Hij kon zich er niet toe zetten ook maar één artikel over zijn werk te lezen. Het weerzien met zijn schilderijen riep herinneringen aan zijn jonge jaren in hem op, vooral de pijnlijke herinneringen, de pijnlijke momenten.’

    Een van die pijnlijke momenten is Maris altijd blijven achtervolgen in zijn leven. Het gaat om wat zich ooit afspeelde in de zwarte schuur uit de titel, een bouwsel in het Zeeuwse boerendorp waar Maris zijn jeugd doorbracht. Het hele boek, zeg maar Maris’ hele leven draait daarom, en tegelijkertijd is de concrete informatie over wat daar werkelijk is gebeurd beperkt. Wat weten we uiteindelijk over die schuur? Maris belandt er op zijn veertiende met Matty, een meisje uit de buurt. Het is een zondagmiddag, er hangt elektriciteit in de lucht, de twee klimmen op een hooizolder, binden elkaar beurtelings vast. De licht erotische sfeer slaat om als ze aan zijn prille mannelijkheid durft te twijfelen, ‘Jij bent geen echte jongen,’ zei ze. ‘Meer een soort meisje.’ Maris geeft Matty een duw, het meisje valt van de hooizolder en overleeft de klap niet.

    Twijfel over de waarheid

    Een ongeluk, zegt Maris. De verteller lijkt daar ook van overtuigd te zijn. Maar zijn zij betrouwbaar?  Zou het kunnen dat de informatie over het voorval niet alleen met mondjesmaat wordt vrijgegeven om de spanning op te bouwen, maar ook om twijfel te zaaien? Zo zijn er nog wel een aantal zaken in dit boek die vragen doen rijzen. Er lijkt bijvoorbeeld een confrontatie op til te zijn met Corné Tramper, de broer van Matty en Maris’ zwarte beest, een man van wie hij werkelijk bang is. Maar uiteindelijk blijkt Corné toch niet zo’n geweldenaar te zijn. Wat als Corné’s overtuiging dat zijn zus werd vermoord, klopt? Hoe moet het dan op hem overkomen als Maris een schilderij maakt over de schuur waar Matty stierf? De twijfel over Maris’ oprechtheid wordt nog groter als er nog een incident met een heroïnehoertje volgt waaruit blijkt dat hij soms zijn zelfcontrole verliest en opeens gewelddadig kan worden.

    We weten echter niet hoe de vork precies in de steel zit, en die spanning maakt Maris zo interessant: hij is niet zwart of wit. Er is alleen zekerheid over de onmogelijkheid om te ontsnappen aan zijn achtergrond, over de Zeeuwse klei die hij niet van zich af krijgt geschud. Maris gelooft niet in ‘opnieuw beginnen’. Er is een schaduw die hem altijd volgt, ‘Maar onder het genot lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’
    Hij weet dat hij niet aan zichzelf kan ontkomen, ook al rijdt hij in een opwelling naar Frankrijk, op de vlucht voor zijn demonen en op zoek naar loutering bij het door hem bewonderde werk van de vijftiende-eeuwse schilder Grünewald: ‘Met de punt van zijn schoen hakte hij een gat in het ijs. Hij boog zich voorover om met zijn hand het water op te scheppen en er zijn gezicht mee te wassen. Een paar seconden was de onrust er niet, een paar seconden was er alleen de zon die hem verwarmde, de schittering van het ijs en zijn hand die water schepte op een plek waar hij nog nooit eerder was geweest.’

    Zoals het leven zelf

    De lezer krijgt dus geen netjes afgerond verhaaltje, geen eind goed al goed en ze leefden nog lang en gelukkig, want zo zit het leven niet in elkaar. Evenmin pretendeert De Jong met dit boek volledige duidelijkheid te scheppen over de mens en zijn drijfveren, over wat er zich werkelijk afspeelt in het bovenkamertje en onder de motorkap, als alle beschermlagen weg zijn en de schone schijn wordt doorgeprikt. Met Maris heeft hij een personage gecreëerd dat je af en toe in staat stelt om misschien een glimp op te vangen van die waarheid, of daar op zijn minst over laat nadenken. De fragiliteit van Maris’ bestaan, het besef dat het onheil altijd om de hoek loert en het einde nooit ver weg is, komt bijvoorbeeld tot uiting in de passage, waarin Oek de Jong zijn hoofdpersonage confronteert met het plotse sterfelijkheidsbesef dat een mens opeens kan overvallen:

    ‘Maris reed rustig, zorgvuldig, met soepele bewegingen, en vaker dan nodig was keek hij in zijn spiegels. Bij het verlaten van de tunnel wierp hij een snelle blik op de plek waar hij had kunnen verongelukken. Hij had de vangrail van de tunnel op een haar na gemist. Een autowrak met een volledig in elkaar geperste voorkant had daar nu kunnen staan, de snijbranders hadden hun werk gedaan, de ambulance was weg, er was een kraanwagen gearriveerd, politiewagens met blauwe zwaailichten waren nog ter plaatse, een agent was bezig het versplinterde glas bij elkaar te vegen.’

    Great Dutch Novel

    De stijl van Oek de Jong is essentieel voor de mistige sfeer die hij schept. Je zou hem kunnen omschrijven als een schrijver van de bedrieglijke eenvoud, van een misleidend less is more. Want terwijl de openingszin, ‘Zwijgend zaten ze in de trein.’ nog niet meteen argwaan wekt, volstaat iets eenvoudigs als, ‘Maris wendde zijn blik af’, verderop in dit boek al om de lezer zijn oren te laten spitsen. Kortom, je krijgt nooit echt hoogte van die ongrijpbare man, maar hij laat wel een diepe indruk na. Mocht de term Great Dutch Novel niet zo potsierlijk en on-Hollands klinken, je zou haast zeggen dat Zwarte schuur voor die titel in aanmerking komt.

     

  • Oogst week 38 – 2019

    Zwarte schuur

    Onvoorspelbaar, anders en toch onmiskenbaar Oek de Jong. Dat zijn de eerste geluiden die je hoort over Zwarte schuur, de nieuwe roman van Oek de Jong.
    Zwarte schuur begint met de opening van een tentoonstelling van het nieuwe werk van de succesvolle kunstenaar Maris Coppoolse:

    … ‘Maris sprak kort, zoals hij altijd deed bij openingen. Hij maakte indruk door zijn zware stem met het Zeeuws accent, door zijn forse gestalte en opvallende kop met lange, rechte neus, zwarte haren, met grijs doorschoten, en helblauwe ogen. Hij leefde al bijna veertig jaar in grote steden, maar je kon nog altijd aan hem zien dat hij van het platteland kwam en dat zijn mannelijke voor- ouders boeren en landarbeiders waren geweest, net zo uit de kluiten gewassen als hij en met net zulke grote handen. Op deze avond in september hing er bovendien de aura van een grote ten- toonstelling om hem heen – vijftien zalen met schilderijen, het werk van een half leven – en van een al weken durende voorpubliciteit.’

    Maar dan wordt pijnlijk duidelijk wat hem al die jaren heeft geïnspireerd, een catastrofe uit zijn jeugd, waar hij al die jaren mee heeft moeten omgaan.

    Zwarte schuur gaat over dit leven van de kunstenaar, zijn huwelijk en zijn jeugd. Binnenkort hier een recensie.

    Zwarte schuur
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Sal

    Een jong meisje wil haar jongere zusje beschermen tegen haar vader. Koste wat kost. Bijna een jaar lang bereidt zij daarom een vlucht voor. Ze steelt een landkaart uit de schoolbibliotheek. Met gestolen creditcards koopt ze een kompas, een goed mes, regenjassen en een ehbo-set. Ze informeert zich op het gebied van overlevingstechnieken en leert zichzelf hoe ze een schuilplaats kan bouwen en vuur kan maken. Maar de praktijk is weerbarstiger dan de theorie. Het wordt een strenge winter en haar zusje heeft een arts nodig.

    Dit bijzondere verhaal dat zich afspeelt in de barre Schotse natuur is het debuut van Mick Kitson (1962). Deze journalist werd op zijn 40ste leraar. Uit onvrede over de boeken op de leeslijst van zijn leerlingen schreef hij Sal dat meteen een groot succes werd.
    Sal werd o.a. door The Scotsman bekroond tot een van de ‘Beste Schotse Boeken van 2018’ en The Guardian schreef: ‘Sal is an ambitious and skilled novel. Literature needs more stories like this.

     

    Sal
    Auteur: Mick Kitson
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De ziekte van Weimar

    Ook Kees ’t Hart vindt het belangrijk dat middelbare scholieren goede literatuur op hun lijst zetten. Hij heeft in ieder geval dit voorjaar meegedaan aan de serie ‘De ideale leeslijst’ in een toe te juichen serie in de Groene Amsterdammer afgelopen voorjaar.

    ’t Hart zet zich ook in Den Haag in voor de literatuur. In het Nationale Theater organiseert hij samen met Hans Muiderman het programma Over boeken. Drie verschillende gasten praten onder leiding van Kees ’t Hart over drie boeken. Tussen de gesprekken door is er livemuziek, een debuterende schrijver en maken de toeschouwers kans op een gratis boek. De volgende editie van Over boeken is op 2 oktober a.s.

    Maar het gaat hier natuurlijk om zijn nieuwe roman, De ziekte van Weimar. Deze keer speelt het verhaal zich af in 1807 in Franeker. Aan de Academie aldaar komt geld vrij voor de oprichting van een monument ter ere van de nieuwe wetenschap en maatschappij. Men is diep onder de indruk van een beeld in Goethes tuin in Weimar. Albert van Huszen reist daar per koets heen, vergezeld door de leden van de Franeker ceremoniële commissie om er met de schrijver en wetenschapper te overleggen over een replica van het beeld. Op te richten in Franeker, maar dan groter en grootser.
    In Weimar heerst na de Slag bij Jena van 1806 nog steeds chaos. Bovendien verdringen tientallen bezoekers zich voor Goethes huis; iedereen wil bij hem op audiëntie. Hij laat zich zelden zien. De tijd dringt als Albert erin slaagt hem te spreken.

    De ziekte van Weimar
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido