• Vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur

    Vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur

    Er zitten veel magische momenten in de nieuwe roman van Yu Hua (1960), de meest gelezen Chinese auteur van het moment. Dat magische begint al met de titel: Wencheng. In het Chinees kan het een plaatsnaam zijn, maar je kunt de Chinese karakters ook lezen als ‘fictie-stad’. En inderdaad gaat het in dit boek om een stad waarover je als lezer gerede twijfel mag hebben of ze wel bestaat.
    Lin Xiangfu verliest op jonge leeftijd zijn beide ouders. Hij gaat in de leer bij een meester-timmerman en met zijn timmerwerk en het geld dat zijn ouders hebben nagelaten, kan hij tamelijk zorgeloos leven. Toch heeft hij een grote zorg: hoe aan een geschikte vrouw te komen. Hij verpest zijn kans op de knappe dochter van een rijke familie en lijkt in zijn somberheid weg te zinken. Maar dan klopt er een curieus koppel bij hem aan de deur. Ze zeggen dat ze broer en zus zijn. Zij zijn op doorreis, het is niet zo duidelijk waarheen. De broer vertrekt al gauw weer, maar de zus die Xiaomei blijkt te heten, blijft bij Lin Xiangfu in huis.

    De twee komen nader tot elkaar, langzaam en voorzichtig. Op een avond stapt Li Xiangfu ‘door een waterstraal van maanlicht’ en kijkt naar Xiaomei die in bed ligt, ‘haar ineengekrulde lichaam bewegingloos. Na één moment van aarzeling ging hij voorzichtig naast haar liggen. Terwijl hij luisterde naar haar zachte, regelmatige ademhaling, tilde hij een stukje van haar deken van haar af en legde dat over zichzelf heen. Op dat moment draaide Xiaomei zich om en als een vis zwom ze zijn lichaam op.’

    Verdwenen

    Ze trouwen en krijgen een dochter. En dan verdwijnt Xiaomei, zomaar. Li Xiaofu neemt zijn dochtertje in een draagzak op de borst en trekt erop uit om Xiaomei te vinden. Maar wat weet hij weinig van haar. Hij heeft begrepen dat ze uit Wencheng komt, maar waar ligt dat? In de ijskoude winter gaat Lin Xiangfu de deuren langs om een vrouw te vinden die zijn baby borstvoeding kan geven. Overal vraagt hij naar de stad die zijn doel is, maar niemand weet iets.

    Als hij na honderden kilometers aankomt in de stad Xizhen besluit hij daar te blijven. Het plaatselijk accent lijkt op dat van zijn verdwenen Xiaomei en de vrouwen dragen er net als zij een hoofddoek en houten klompen. Hij verdient er de kost als boer en timmerman. Hij voelt zich schuldig: ‘Ik ben tekortgeschoten, tegenover jullie, mijn ouders, tegenover mijn voorouders. Maar jullie kleindochter heeft moedermelk nodig. Op jullie graf beloof ik dat ik terug zal komen.’

    Briefje

    Deze geschiedenis speelt zich af in de hoogst onzekere omstandigheden van China begin twintigste eeuw, vol oorlogsgeweld en banditisme. Na jaren, als Lin Xiangfu’s dochter al een jonge vrouw is, komen de bandieten ook voor haar. Bang toont het meisje zich niet. Ze geeft de bandieten thee en als ze die hebben opgedronken, zegt ze: ‘Laten we gaan.’ Bij de deur roept ze nog: ‘Ga snel aan mijn vader vertellen dat hij voor vijfhonderd zilveren dollar losgeld moet zorgen om me weer vrij te kopen.’ En vraagt de bandieten: ‘Waar moeten ze het losgeld heen brengen?’ ‘We sturen een briefje,’ zeggen ze.

    In de roman gaat het uitgebreid over de wreedheden die de bandieten jegens hun gevangenen begaan. Ze martelen en verkrachten, ze snijden oren af. Als ze moeten vluchten voor het leger, zegt een bandietenleider: ‘Verdeel de oren!’ Hij gooit een andere bandiet het oor van een belangrijkere gevangene toe. ‘Jij krijgt deze dure. Jij kunt goed schieten, blijf hier met je mannen om terug te vechten.’

    Op tweederde van de roman, nadat verscheidene personages hun tragisch lot hebben gevonden, verspringt de vertelling tientallen jaren terug onder de titel ‘Gaten vullen’. We krijgen nu veel meer te horen over het levensverhaal van Xiaomei. Aan het slot wil de roman de lezer ervan overtuigen dat de magie het uiteindelijk wint van de verschrikkingen. ‘De lucht was helderblauw, de zon scheen, en in de westelijke heuvels was het heerlijk. Welige bomen bedekten de glooiende heuvels, een ordeloze weelde aan gebladerte voerde langs de hellingen naar beneden. Plukjes bamboe staken hun smaragdgroene toppen tussen het uitgestrekte groen van de bomen door. Sappig gras groeide tussen de dijkjes en de sloten langs de akkers.’

     Yu Hua

    De onzichtbare stad volgt op de vijf boeken van Yu Hua die al in het Nederlands zijn verschenen. Dat was over een periode van ruim dertig jaar, allemaal bij uitgeverij De Geus, met verschillende vertalers. Leven! was in 1993 het boek waarmee Yu Hua doorbrak, in China en elders. Die roman schetst chronologisch de wederwaardigheden van een gewone familie in de twintigste eeuw, onder de republiek en het communisme. De verfilming ervan werd eveneens een internationaal succes. Daarna belichtte Yu Hua steeds de zelfkant van het leven in China, vaak met ironie. In zijn op een na laatste roman, De zevende dag, zwerft een overledene doelloos rond als geest omdat er geen geld was voor een graf. In zijn postume verhaal figureren corruptie, prostitutie en politiegeweld, en komen actuele Chinese praktijken aan bod zoals orgaanverkoop, het weggooien van dode baby’s en het gelieg van de autoriteiten over de aantallen slachtoffers van rampen.

    Annelous Stiggelbout, die al tekende voor een dozijn boeken uit het Chinees,  leverde opnieuw een prachtige vertaling af. Ze gebruikt karige taal waar dat past bij de wreedheden en bloemrijk idioom in lyrische passages. De roman is vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur. Met die kracht probeert de Yu Hua lang niet altijd de lezer te behagen. Sommige gruwelen zijn eigenlijk te erg voor woorden. De auteur toont weinig sentimentele band met zijn personages, van wie sommigen uit de roman verdwijnen voor je er erg in hebt. Zijn stijl houdt de lezer alert: nu eens grimmig en felrealistisch, dan weer avontuurlijk of sprookjesachtig. De hedendaagse Chinese literaire fictie heeft wat andere conventies dan de westerse  – kort gezegd: minder plot en meer wisseling van perspectief. Yu Hua is een meester in dat genre.

     

     

  • Een bijzondere mengeling van absurditeit, humor en mystiek

    Een bijzondere mengeling van absurditeit, humor en mystiek

    Recensie door Maartje Spoelstra

    De verhalen in Flesjes knallen van de Chinese Yu Hua geven blijk van groot vakmanschap doordat de lezer keer op keer het gevoel krijgt dat er meer is dan het verhaal vertelt, hoe compleet en helder opgebouwd ze ook mogen lijken. Daarbij zijn ze ook nog eens buitengewoon geestig. Na vier romans is Flesjes knallen Hua’s eerste verhalenbundel. Zijn laatste roman, De zevende dag, verscheen in Nederlandse vertaling in 2016. De korte verhalen komen uit de periode toen Hua net begon met schrijven, later begon hij zich met name te richten op het schrijven van romans.

    Kenmerkend in de verhalen van Hua is dat haar personages stuk voor stuk verwikkeld raken in situaties die ze niet begrijpen en vertwijfeld over zich heen laten komen. Zo krijgt in ‘Bloed en Pruimenbloesems’ een zoon van zijn moeder de opdracht om op zoek te gaan naar de moordenaar van zijn vader, een belangrijk krijger. Hij draagt een zwaard bij zich waarmee al sinds jaar en dag heldhaftige gevechten geleverd zijn door mannen in zijn familie. Vertwijfeld gaat de jongen op reis. Hij heeft alleen twee namen van mensen die naar de moordenaar van zijn vader kunnen leiden. Alles wijst erop dat hij bepaalde informatie en ervaring mist. ‘Ruan Haikuo mocht dan wel afstammen van een held, hij had de afgelopen vijftien jaar nooit deel uitgemaakt van de groep rondzwervende zwaardvechters van zijn vader, daarom had hij ook nooit van de grote reputatie van Vrouwe Rouge gehoord.’ Voortdurend blijkt dat mensen hem al kennen en meer informatie hebben dan hij. Ze laten hem echter zijn eigen reis vervolgen zonder verdere aanwijzingen. De lezer kan niet ontsnappen aan de indruk er iets anders gaande is wat volledig aan de aandacht van onze dapper voortploeterende jonge held ontsnapt.

    Die vervreemding komt terug in het merendeel van de verhalen, iets dat mogelijk te relateren valt aan de geschiedenis van China. Hua verklaart zelf in interviews dat de Culturele Revolutie (1966-1976) van grote invloed is geweest op zijn werk. Tijdens deze revolutie werd de bevolking onder het bewind van Mao Zedong gewelddadig onderdrukt. Er was daarnaast ook sprake van hevige censuur, waardoor alleen nog maar voorgeschreven boeken gelezen mochten worden. De gevolgen van deze revolutie worden in Flesjes knallen zichtbaar in het handelen van de personages die weer lijken te moeten wennen aan autonomie na jarenlange onderdrukking.  De vertrouwdheid met hun eigen land lijkt voorbij te zijn en hun handelingen worden voornamelijk gemotiveerd door invloed van buitenaf en zelden door eigen impulsen.

    De verhalen zijn abstract, gestructureerd en vaak geestig. Steden of personen hebben vaak een duidelijk fictieve naam, zoals de stad Mist in het verhaal ‘Het Verleden en de Straffen’. Hua heeft een vaste hand en weet zijn abstracte stijl feilloos te handhaven. Ogenschijnlijk eenvoudige situaties worden daardoor absurd en veelzeggend. Zo wordt er een man van zijn bed gelicht omdat er naar het schijnt een vriend van hem op sterven ligt. Hij kent echter de naam van de vriend niet, en is er zeker van dat hij deze persoon niet kent.  Doordat hij dit niet aangeeft en eenvoudigweg doet wat hem gezegd wordt neemt het verhaal een absurde wending. ‘Ik begreep dat het zinloos was om met deze gozer te blijven redetwisten, zijn spierkracht was namelijk minstens vijfmaal de mijne. Hij zou me als een broek uit het raam werpen. Ik zei daarom tegen hem: “Aangezien iemand die op sterven ligt mij wil zien, ben ik uiteraard bereid om te gaan”.’

    Er blijft ook telkens iets ongrijpbaars in de verhalen van Hua. Dat zorgt ervoor dat zijn verhalen een mystieke sfeer met zich meedragen. De lezer herkent vage sporen van oude volksverhalen, en er wordt voortdurend gespeeld met de suggestie dat ook de natuur een bepaalde rol speelt en misschien wel meer kennis dan de personages in het verhaal heeft. In ‘Voorouder’, een van de meest fascinerende verhalen van deze bundel, voelt een jongen zich aangetrokken tot de behaarde mannen die in het aan zijn dorp grenzende bos wonen en beschreven worden als ‘voorouders’. Hij voelt bijzondere verwantschap met deze mensen terwijl de andere bewoners van het dorp juist vrezen voor dit bos met al zijn behaarde bewoners. Bij alle gebeurtenissen wordt de indruk gewekt dat het bos en zijn inwoners op stilzwijgende getuige zijn en een stuk van het verhaal voor zichzelf houden: ‘Het bos wuifde in de wind als zwijgende golven’.

    De thema’s en ook de stijl van de verhalen doen sterk denken aan de verhalen van Kafka, zeker het al eerder genoemde verhaal ‘Het Verleden en de Straffen’. De hoofdpersoon is op zoek naar verklaringen voor dingen die in het verleden gebeurd zijn, een verdere toelichting wordt er niet gegeven. In zijn zoektocht raakt hij verstrikt in een bureaucratisch systeem waarin eigenlijk niemand een verklaring lijkt te hebben voor de dingen die ze volgens het systeem waaraan ze onderworpen zijn moeten uitvoeren.

    Hoe later in zijn werk, hoe meer Hua zich lijkt te concentreren op menselijke relaties, alsof dit iets is waar hij meer interesse voor krijgt naarmate de revolutie verder op de achtergrond raakt. Deze latere verhalen kenmerken zich nog steeds door zijn abstracte stijl, maar zijn in vergelijking met zijn eerdere verhalen minder mysterieus en fantasierijk.

    Fascinerend is dat het overduidelijk is dat de verhalen zich afspelen binnen de Chinese cultuur.  In alle subtiliteit wordt duidelijk dat er net andere gebruiken zijn dan in het Westen. Daar draagt ook de uitstekende vertaling aan bij. Uit de woordkeuze en de bloemrijke beschrijving blijkt duidelijk dat het gaat om een werk dat oorspronkelijk in een andere taal geschreven is. Bijvoorbeeld: ‘Ruan Haikuo groeide op met de traagheid van een weerbarstige wortel van een oude boom’.
    Kortom, deze bundel biedt de lezer niet alleen geestigheid en absurdisme, maar ook mooie mysterieuze verhalen die nog dagen na blijven sluimeren.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Het omgekeerde scheppingsverhaal

    Het omgekeerde scheppingsverhaal

    Een dichte mist hing in de lucht toen ik mijn gehuurde kamertje verliet en met onzekere tred door de lege, duistere stad liep. Vanaf de eerste zin refereert de Chinese schrijver Yu Hua aan het Bijbelse scheppingsverhaal uit het boek Genesis; dat kan niet missen. Maar wat dan volgt is totaal anders: Ik had het bericht ontvangen dat ik me ’s ochtends uiterlijk om 9.00 uur in het uitvaartcentrum moest melden, en dat het voorziene tijdstip van mijn crematie 9 uur 30 was. Omdat de ik-figuur, Yang Fei, die is omgekomen bij een brand in een restaurant, geen urn of graf kan betalen, laat hij zijn nummertje voorbij gaan en loopt weg.

    Scheppingsverhaal
    Dit weglopen zet de toon voor de magisch-realistische, absurde parabel vol flash-backs die volgt. waarin alles de omgekeerde wereld is: er wordt niet geschapen, zoals in Genesis, maar vooral verwoest. Bij sloopwerkzaamheden aan een huis raakt een echtpaar onder het puin bedolven. Beelden daarvan worden niet op de televisie vertoond. Je zag alleen maar de nieuwsanchors – een man en een vrouw – die hun zegje deden. Na wat reclame verscheen de in een westers maatpak geklede gestalte van een perswoordvoerder van het stadsbestuur op tv. Die alles ontkende en verklaarde dat het bericht was verzonnen en dat degene die de leugen de wereld in had geholpen in hechtenis was genomen.

    De tweede scheppingsdag verloopt al even surreëel. Het begint op een heen en weer schommelend bankje, in sneeuw en regen. Zoals de tweede scheppingsdag begint met de creatie van zee en lucht. De derde dag behelst het langste hoofdstuk van de zeven en loopt qua gebeurtenis vooruit op de zesde, wanneer Yang Fei wordt geboren, zoals Adam en Eva op de derde dag werden geschapen. Yang Fei komt in een toilet in een trein ter wereld, verdwijnt door het gat in de vloer en wordt op de rails gevonden door een 21-jarige wisselwachter, Yang Jinbiao. Deze neemt de boreling mee naar huis.

    Dan wordt Yang Jinbiao verliefd op een vrouw. Hij wordt heen en weer geslingerd in zijn liefde voor haar en Yang Fei: Hij leek op een handdoek die nat was van emoties; ik en de jonge vrouw hadden elk een uiteinde van de handdoek beetgepakt en we wrongen uit alle macht, tot de laatste druppel emotie op was. Hij besluit Yang Fei naar een weeshuis te brengen en laat het kind achter op een rotsblok bij een brug, in de hoop dat hij wordt gevonden.
    In dezelfde tijd drijven er op een dag opeens zevenentwintig dode baby’s in de rivier. Het hoofd van het ziekenhuis verklaarde dat het medisch afval was en dat het ziekenhuis geen enkele fout had gemaakt, want afval diende nu eenmaal te worden weggegooid.
    De vrouw die deze misdaad aan het licht bracht, blijkt degene te zijn die Yang Jinbiao met raad en daad terzijde had gestaan bij de opvoeding van zijn vondeling. Ze wordt achtereenvolgens overreden door een BMW, een vrachtwagen en nog een grote personenauto.

    De andere kant
    Het is geen toeval dat Yang Fei werd gevonden door een wisselwachter en dat het weeshuis waar hij naar toe werd gebracht, pal bij een brug lag. Het zijn voorboden van de zwerftocht van Yang Fei, tussen dag en nacht, hemel en aarde.
    Op de vijfde dag, waarop de vissen en de vogels waren geschapen, verkeert Yang Fei een beetje tussen hemel en aarde. Hij ziet twee skeletten, die in het ondermaanse haat en nijd waren, met elkaar spelletjes doen. ‘De haat die tussen hen had bestaan was de grenslijn tussen leven en dood niet overgestoken, die haat was blijven steken in de wereld die ze achter zich hadden gelaten.’ Aan wat ze noemen ‘de andere kant.’

    Er vliegen in het verhaal veel vogels voorbij, maar het is niet het lied van een nachtegaal dat Yang Fei op een gegeven moment hoort, maar het geschrei van de zevenentwintig babylijkjes.
    Op de zesde dag, de dag waarop God de mens schiep, valt het ‘een verdwaalde’ op, dat de meeste mensen die aan de ‘andere kant’ rondlopen tot skelet zijn gereduceerd en slechts enkele mensen nog maar vlees aan hun botten hebben. De verdwaalde is een man die om een graf voor zijn overleden vrouw te kunnen kopen, op aarde een nier verkocht. De chirurgen waren er dierenartsen.
    Op de zevende dag, de rustdag, zijn we weer terug in het uitvaartcentrum, waar ‘de skeletten gingen staan en weg begonnen te gaan, zoals het zeewater dat zich terugtrekt bij eb.’ Yang Fei vindt zijn vader terug, verdrietig dat hij zijn zoon in de steek had gelaten. De zoon realiseert zich dat ze ‘elkaar hadden lopen zoeken in twee van elkaar gescheiden werelden.’

    Dit vierde boek van Yu Hua kan op verschillende manieren worden gelezen. In de eerste plaats als een prachtig, surrealistisch, absurd en op zijn tijd geestig verhaal van deze James Joyce Award-winnaar. In de tweede plaats kan het boek worden gelezen als een omgekeerd scheppingsverhaal, met talloze reminiscenties aan het Bijbelse. En tenslotte als kritiek op de huidige situatie van  China.

    Kritiek op China
    Het boek volgt weliswaar door talloze toespelingen het Bijbelse scheppingsverhaal, maar er wordt nauwelijks iets geschapen, wel veel verwoest. Een huis stort in en zevenentwintig babylijkjes worden als medisch afval in een rivier gedumpt. De vrouw die de lijkjes ziet drijven, vindt onder verdachte omstandigheden de dood. Er zit kritiek op het feit dat de kerk in China sterk onder vuur ligt. Onlangs nog werd dominee Gu Yuese van de Chong-Yi kerk, de grootste protestants-christelijke kerk in China opgepakt. Zogenaamd op verdenking van corruptie, maar de Chinezen weten wel beter.

     Er zit uiteraard veel meer kritiek op China in het boek. Op de ‘sinificering’ van de maatschappij die ontdaan moet worden van Westerse invloeden, van maatpakken tot BMW’s. De kritiek strekt zich uit van het dumpen van dode baby’s tot het verkopen van een nier, van voedselvergiftiging tot het vermoorden van mensen, van volksverlakkerij tot perscensuur.
    Toch gloort er soms een beetje hoop. Bijvoorbeeld wanneer de twee skeletten, die elkaar in het ondermaanse niet konden luchten of zien, aan ‘de andere kant’ samen bordspelletjes doen. Hoop op een betere wereld, waar niet langer sprake is van vergiftigd en gemanipuleerd voedsel (denk aan melkpoeder schandaal 2008).

    Wat Ai Weiwei met beeldende kunst zegt, wat Zhang Zanbo met filmdocumentaires zegt, zegt Yu Hua in een roman. En hoe. Een stem die gehoord moet worden. Een stem die zegt dat China van ophouden moet weten, zoals op de zevende dag het werk stil gelegd werd. En voor sommigen nog steeds stil ligt.