• Al wandelend tot de essentie komen

    Al wandelend tot de essentie komen

    Ze zijn er al even, vaak uitgestald op de toonbank bij de boekenwinkel, de Terloops-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Kleine, handzame boekjes van bekende schrijvers over hun favoriete wandeling. Wat meteen opvalt zijn de mooie uitgaven: ingetogen, klassiek bijna, tekening op de kaft met een paar mooie penseelstreken tot stand gekomen. Al vele memorabele wandeltochten zijn er verschenen en nu mochten Sander Kollaard (1961) en Yolanda Entius (1961) hun wandelrelaas aan de imposante lijst toevoegen. 

    ‘Er zijn dagen dat ik me niet eens kan voorstellen dat ze nog komt,’ begint Sander Kollaard zijn verhaal met de passende titel Lentehonger. Hij tekent het op tijdens de sombere winter in Zweden, het land waarin hij sinds 2006 woont en werkt. Reikhalzend kijkt hij uit naar  de ‘glorieuze’ lente, ‘de ongelooflijke frisheid ervan, het licht, de kleur.’ Hij telt de minuten daglicht die er dagelijks bijkomen. ‘Ik tel ze allemaal,’ schrijft hij, een korte zin die de urgentie kernachtig en invoelbaar weergeeft. Op de tijd vooruitlopend, schrijvend vanuit zijn wandelaantekeningen en herinneringen, probeert hij de lente alvast op te roepen. Maar eerst wordt de lezer uit de droom geholpen. Zweden heeft namelijk ‘een overwegend saai landschap, (…)  gedomineerd door eindeloze, eenvormige akkers en even eindeloze en eenvormige bossen.’ Land- en bosbouw worden op ‘industriële schaal’ bedreven en bij de kap wordt er niet lichtvoetig te werk gegaan; er is geronk van dieselmotoren en ‘het indringende waarschuwingssignaal bij achterwaartse bewegingen,’ omineuze herrie van voertuigen die een ‘verwoesting’ aanrichten, een ‘ravage’. Deze rigoureuze bomenkap komt ook voorbij in Kollaards vorig jaar verschenen roman De kleuren van Anna

    Kibbelende seizoenen

    Al woont Kollaard landelijk, hij en zijn vrouw S moeten een goed half uur rijden om een plezierige wandeling te vinden, een die het documenteren waard is. En die vinden ze, in een gebied ‘waar alles een slag kleinschaliger is’ en dat een variatie biedt die elders ontbreekt. Veel dieren ontmoeten ze op de wandeling: vogels in het bijzonder (ganzen, leeuweriken, kieviten, kraanvogels, puttertjes, eksters), maar ook reeën, hazen, muizen en een jonge adder ‘midden op het pad, levend maar kennelijk suf van de kou,’ waar Kollaards hond geïnteresseerd aan snuffelt. Mooie bespiegelingen volgen over de symboliek van de lente – ‘wedergeboorte, herstel, nieuw leven’ – en onze gemoedstoestanden, onze verbondenheid met de seizoenen, en hoe die terug te vinden is in kunst en mythologische verhalen. Ook denkt hij aan de dood van zijn moeder, kort daarvoor, op het hoogtepunt van de coronapandemie; al wandelend krijgt rouw de ruimte. 

    Kollaards proza wordt gedragen door een zeer eigen stem waar zowel levenslustige lichtheid als melancholie in doorklinken. Die dualiteit is overal in zijn werk te vinden. Neem het volgende, waar niet alleen een wonderschoon landschap wordt getoond, maar ook een lente die worstelend op gang komt en soms even ten onder gaat: ‘Op weg naar huis, aan het eind van de middag, zien we hoe op deze eerste lentedag een winteravond valt, even spectaculair als grimmig, met geeloranje horizonlicht en vlak erboven een donkerpaarse wolkenbank die her en der uitloopt, als waterverf, aan de kleur herkenbaar als sneeuwbuien.’ Er gebeurt hier iets in het hoofd van de lezer dat alleen de magie van goede literatuur genoemd kan worden: iets opent zich, nieuwe gewaarwordingen, een frisse blik. Zelfs iets banaals als koeienpoep weet Kollaard glans te geven wanneer hij schrijft over ‘stijfbevroren plakkaten zomerstront’.

    Niet gemaakt voor het alleen-zijn

    Ogentroost begint met een aangename vaart. Monter vertelt Yolanda Entius over hoe ze tot het wandelen is gekomen. Ze is geen reiziger of avonturier: ‘Liever bouw ik een huis en leg ik een moestuin aan.’ Toch brengt het wandelen haar iets wat het alle moeite waard maakt: ze voelt zich vrij, ‘vrij van twijfel’. De wandeling waarover wij lezen is een uitdagende – sommigen zouden het een barre tocht noemen –  in de Mercantour, het grensgebied van Frankrijk met Italië, waar ze al wandelend nadenkt over herkenbare levenszaken, zoals de moderne wereld waarin we leven. ‘Hier, in het westen, is een overvloed waardoor onze talenten niet meer worden aangesproken en gaan kwijnen. En wat te denken van mijn zintuigen? Ogen die niets zien dan mijn cursor en de letters letters letters die ik tik tik tik.’  

    Stilistisch gezien wringt Ogentroost, vooral de bevreemdende platheden. Zo moet Entius nodig ‘pissen’ (‘en niet zo’n beetje ook’), haar man F. ‘poepen,’ en is ‘schijten met dit weer een beproeving, maar zeker geen ramp.’ En dan nog de veelvoud aan clichés: ‘glad vergeten,’ ergens mee ‘in je nopjes’ of ‘in je sas’ zijn, regen die met ‘bakken uit de hemel’ valt, ‘hijgend als een paard,’ bergen die meer dan eens omschreven worden als ‘puisten.’ Grappig als spreektaal, kleurloos op papier. Je hoopt daarom op een goed verhaal, een stukje inzicht, food for thought. Mooi is de bespiegeling over samen- versus alleen-zijn, die oprecht aanvoelt en ontroert. ‘Ik ben, ik zeg het maar eerlijk, niet gemaakt voor het alleen-zijn. Ik ben te jong te lang alleen geweest om er de lol van in te kunnen zien. (…) Ik bewonder ze wel hoor, mensen die volmaakt gelukkig zijn zonder een lief, maar ik heb nog nooit zo’n man of vrouw ontmoet, alleen maar mensen die het beweren; (…).’ Je voelt dat Entius heel wat te verduren heeft gehad in haar leven. Ook tijdens de wandeltocht moet ze zich steeds vermannen, zichzelf steeds weer moed inspreken.

    Ronduit onprettig is de botsing tussen Entius en F., die van de lezer een voyeur maakt. We kennen F. immers niet en leren hem ook niet echt kennen, alleen via deze botsing met Entius die van hem een onsympathiek, kleinzerig figuur maakt. Even later worden we uitvoerig getrakteerd op het medisch dossier van Tea, een wandelvriendin van vroeger. Gaandeweg vraag je je af: Waar dienen al deze intieme details toe? Misschien is bekendheid met het gehele oeuvre van Entius een voorwaarde om Ogentroost echt te kunnen waarderen, al moet een kunstwerk op zichzelf kunnen staan, niet hoeven leunen op voorgangers. 

    Waar Lentehonger uitblinkt in subtiliteit en gelaagdheid, grossiert Ogentroost in een directheid die weinig overlaat aan de verbeelding van de lezer. Kollaard laat de natuur zelf tot leven komen, als een personage haast, en wanneer de auteur verlangt, verlangen wij mee. Ogentroost blijft erg particulier, en een verhaal dat wil beklijven moet meer bieden dan dat.

     

  • Een interessante reis in een personagegedreven roman

    Een interessante reis in een personagegedreven roman

    Van Yolanda Entius (1961) verschenen eerder onder andere de romans Rakelings (2005) en Abdoel en Akil (2017). Entius studeerde geschiedenis, ging naar de toneelschool en werkte als actrice en regisseur. Haar nieuwste roman, getiteld Niet ik, speelt zich deels af op een toneelschool, waar hoofdpersoon Lena verliefd wordt op haar docent Dimitri. Niet ik is een boeiende personagegedreven roman over de zelfontwikkeling van een jonge vrouw.

    Lena studeert aan de toneelschool maar heeft moeite met het vinden van haar plek. Ze merkt dat ze zich voortdurend te zeer bewust is van zichzelf. Van een afstand analyseert ze de rol die ze inneemt op school en in haar sociale leven. Hierdoor lukt het haar nauwelijks een andere rol te spelen, terwijl dat toch juist is wat ze op de toneelschool hoort te doen. Wanneer ze bij een project begeleiding van docent Dimitri krijgt, wordt ze verliefd op hem. Deze verliefdheid confronteert haar extra met haar eigen gebreken.

    Heden en verleden als handleiding

    Lena vertelt als ‘ik’ haar eigen verhaal. De gebeurtenissen in haar leven die haar gemaakt hebben tot wie ze is, hangt de auteur kundig op aan haar verliefdheid op Dimitri. Rondom dit thema weet Lena namelijk belangrijke momenten uit haar jeugd te plaatsen, waardoor ze langzaam maar zeker bepaalde gedragingen en gedachten in perspectief kan plaatsen. Deze herinneringen beschrijft Lena in de derde persoon op een koele en afstandelijke manier.

    Het heden wordt afgewisseld met momenten uit het verleden en deze scènes zijn moeiteloos met elkaar verweven. Door de constante koppeling maakt Lena zichzelf indirect duidelijk hoe haar verleden haar acties en gevoelens in het heden beïnvloedt. Hierdoor is al vanaf het begin duidelijk dat er meer zit achter haar ogenschijnlijk onschuldige verliefdheid. Ze koppelt de gebeurtenissen uit haar heden en verleden aan elkaar, waaruit de impact van haar verliefdheid op haar latere leven blijkt: ‘En of het door de herinnering kwam, eerst aan mijn vader en later aan Dimitri, of aan die jurk, of gewoon door de verpletterende banaliteit van al die beweging om mij heen, die onaangedane bedrijvigheid; ik merkte dat ik stil begon te vallen. Ik stolde in de tijd.’

    De door Entius zorgvuldig gekozen plaatsen van de herinneringen in het verhaal dienen als een voorbode, een waarschuwing voor de lezer: let op, dit is belangrijk, klinkt het tussen de regels door. Samen vormen heden en verleden een handleiding voor het verklaren van Lena’s persoonlijkheid. Ook Lena zelf doet af en toe een duit in het zakje en maakt duidelijk dat de gebeurtenissen zich al voltrokken hebben, dat zij erop terugkijkt en meer inzicht heeft in de situatie dan ze had op het moment van de gebeurtenis zelf. ‘Spot, vuur, ironie, tederheid, het hing van mijn stemming af wat ik erin zag,’ nuanceert Lena de gevoelens van haar jeugdige zelf. 

    Losbreken

    Het ontbreken van een veilige basis, een thuisfront waarop ze kan terugvallen, de zoektocht naar een solide voorbeeldrol, de constante worsteling met zichzelf, haar zelfreflectie en het ontbreken van zelfvertrouwen waardoor ze constant op zoek is naar goedkeuring van anderen, zorgen ervoor dat Lena nooit volledig tot haar recht komt als actrice. De korte momenten dat dit wel lukt zijn de momenten waarop ze al haar remmingen vergeet, loslaat en er gewoon is. ‘Ik begreep wel hoe weinig ervoor nodig is om een gekooid dier op te jutten en te tergen. […] simpelweg dat iemand op het moment suprême niet thuis geeft, kan al voldoende zijn: het lont in een kruitvat. En dan, nog voor je met je ogen hebt geknipperd, drijft de razernij je naar het randje van de redelijkheid. Je valt, of nog beter: springt in een roes. Je doet wat je, vind je nu, al die tijd al had moeten doen. Eenmaal bevrijd slaat de draak zijn vleugels uit, mept met zijn staart tegen de verwachtingen waaraan hij niet kan voldoen, spuugt naar de man die hem klein hield, poept op de regels, trapt op wat hem lief is of wás […] en brult tegen zijn schaduw dat ‘we’ ‘ze’ eens alle hoeken van de kamer laten zien!’     

    Lena kan afstand nemen van de gebeurtenissen in haar leven door ze te vertellen. Heden en verleden treffen elkaar wederom op het einde waarin Entius alle losse eindjes mooi oppakt en samenbindt. Maar eigenlijk doet ze dit al zo goed door de hele roman heen dat het zonde is dat ze er op het einde voor kiest om Lena minutieus uit de doeken te laten doen hoe haar verliefdheid op Dimitri verweven is met het beeld dat zij van mannen heeft, en de daaropvolgende teleurstelling in mannen die haar vader al vanaf het prilste begin teweeg heeft gebracht. Het clichébeeld van een weggegooide (tastbare) herinnering in de vorm van een brief, doet concluderen dat de reis die Lena doormaakt in Niet ik interessanter is dan de ontknoping.

     

  • Oogst week 46

    Bakvis

    In de oogst van deze week twee verhalen van Yolanda Entius, een leesautobiografie in essays van Daniel Rovers, Zeeuwse verhalen van Carolijn Visser en een historisch boek over 300 jaar Nederlandse walvisvaarders.

    Wat je leest ben je zelf, of: wat je leest wordt je zelf. Bakvis is een verzameling essays van Daniël Rovers over boeken die hem vanaf zijn jongste jeugd hebben gevormd en tot schrijver hebben gemaakt. Te beginnen met Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidts, de jeugdromans van Thea Beckman, De vijf van Enyd Blyton, Dagboek van Anne Frank en verder opgroeiend met Franz Kafka, Penelope Fitzgerald, Nanne Tepper en David Foster Wallace. Door deze auteurs te lezen leerde hij spreken en schrijven over verlangens en gevoelens.
    Bakvis gaat daarnaast over de meest eenvoudige en tegelijk fundamentele vragen in de literatuur. Waarom geldt het als diepzinnig om cynische boeken te schrijven? Zijn tv-series werkelijk de romans van nu? Wat is eigenlijk het verschil tussen een gedicht en een geheim dagboek? De conclusie die je uit Rovers essays zou kunnen afleiden is dat als je iets van je leven wilt maken, je aan het lezen moet slaan.

    Bakvis
    Auteur: Daniël Rovers
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny

    De titel Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny vult het voorplat met tekst, daar tussendoor kruipen verschillende soorten slakken over de letters heen. Twee verhalen, met de lengte van een novelle over eenzame en zonderlinge figuren. Het verhaal van Benito Benin gaat over de vriendschap tussen het eenzame meisje Lieke en de slak Benito. Beiden zijn niet tevreden met hun leven, eerlijk gezegd zijn ze nogal ongelukkig. Vooruit dan, de eerste zin uit Het verhaal van Benito Benin luidt: ‘Dat hij verre van gelukkig was, met zichzelf en met zijn huis, ontdekte Benito toen hij op een ochtend in april voor het eerst van zijn leven in de spiegel keek.’

    In het tweede verhaal En dat van Fanny, volgen we de ontwikkeling van iemand die het leven ternauwernood aan kan, naar iemand die de grip op haar leven volledig verliest. Ze ontwikkelt in haar eenzaamheid een obsessie voor de beroemde Alma Hendriks, van wie zij alles volgt. Ze wordt geregeld opgenomen en haar zus is de enige die haar bijstaat.
    Ook hiervan de eerste zin: ‘Ze had met alles rekening gehouden: een gorsje, fluitend in een riethaag; een puttertje, happend in de pluizen van een paardenbloem; een vleermuis, hangend in een hoek van haar kamer; een gewone muis of mol – die nagels!’ Beide openingszinnen nodigen zeker uit om er meer van te willen weten.
    Yolanda Entius vond voor dit tweeluik inspiratie bij actuele thematiek, die ze met toegankelijke toon tot persoonlijke en ontroerende verhalen wist te smeden.

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny
    Auteur: Yolanda Entius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Zeeuws geluk

    Wereldreizigster en schrijfster Carolijn Visser heeft inmiddels twintig titels op haar naam staan. Voor Zeeuws geluk hoefde ze niet ver te reizen. Op uitnodiging van een Zeeuwse zorgorganisatie logeerde ze op Walcheren en Noord-Beveland in woonoorden waar ouderen met dementie leven. Zij sprak met de bewoners en hun familie, met zorgmedewerkers en vrijwilligers over de watersnoodramp, klederdracht, de Duitse badgasten en de strenge kerk. Maar ook over de weidse landschappen, het silhouet van Veere en de levendige dorpscafés. De verhalen voerden haar terug naar haar eigen verleden, waarin ze op de fiets over Walcheren zwierf, waar ze vrienden maakte, en ruzie met een leraar kreeg en uiteindelijk vertrok.
    Ze sprak, at en wandelde met de bejaarden en tekende hun verhalen op. Met actuele landschapsgezichten en historische foto’s van de eerste helft van de 20ste eeuw.

    Carolijn Visser (1956) won vorig jaar de Libris Geschiedenis Prijs en de Zeeuwse Boekenprijs met ‘Selma’, over het dramatische leven van een Nederlandse vrouw in het China van Mao. In 2013 werd haar boek ‘Argentijnse avonden’ bekroond met de VPRO Bob den Uylprijs.

    Zeeuws geluk
    Auteur: Carolijn Visser
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Walvissen groot en vet

    Sinds 1986 is de jacht op walvissen verboden, maar daarvoor was het eeuwenlang een avontuurlijke maar ook risicovolle onderneming. Meer dan driehonderd jaar voeren Nederlanders ter walvisvaart naar het Hoge Noorden. Walvissen groot en vet is een bloemlezing waarin aan de hand van authentieke bronnen beschreven is hoe de jacht op de walvissen in het tijdperk van de arctische walvisvaart in z’n werk ging. In ijzige zeewateren speelden zich avonturen en rampzalige gebeurtenissen af. De teksten zijn veelal van opvarenden die het harde leven aan boord hebben meegemaakt en zijn hertaald door Hans Beelen en Ingrid Biesheuvel.
    Met afbeeldingen die het beeld bij de verhalen compleet maakt. Uit Walvissen groot en vet blijkt de historische betekenis van de walvis en de walvisvaart voor de Nederlandse economie, wetenschap en cultuur.
    Volgens de uitgever: ‘Een boek vol spannende en relevante verhalen!’

    Walvissen groot en vet
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Reconstructie van een familie

    De angst dat je net als je moeder niet in staat bent een ander gelukkig te maken. Of dat je net zo’n dictator bent als je vader, omdat je moeder eens gezegd heeft: ‘Je bent net je vader.’ Die angst zorgt ervoor dat je struikelend door het leven gaat. Omdat het verleden je niet met rust laat. Tijd dus om op onderzoek te gaan naar de achtergrond van de familie waar je uit voortkomt.

    Wat is er met de zonnebril van Kobe gebeurd? Waarom keerde haar moeder zich tegen haar dochters toen die eenmaal uit huis waren? Wat is er gebeurd met Wurm, het eerste kind van Kobe en Muis? En waarom werden de dochters niet ingelicht toen Kobe gestorven was. Dit zijn een paar van de vragen die zich aan Mees – vanuit haar perspectief wordt het verhaal verteld – opdringen wanneer haar leven lijkt te ontsporen.

    In 2005 debuteerde Yolanda Entius met de roman Rakelings. Daarna volgden Alleen voor Helden (2008) en De gelukkigen (2010) en met Het kabinet van de familie Staal publiceert ze haar vierde roman. Het moet gezegd – ondanks de drama’s die zich in haar boeken op huiselijk niveau afspelen – bevatten al haar boeken een prettig enthousiaste en liefdevolle toon, die (hoe complex het verhaal ook is), de lezer bij het verhaal houdt. Ook met haar nieuwste roman is dit het geval. Hiermee kan gezegd worden dat er sprake is van een onmiskenbare Entius-stijl. Het kabinet van de familie Staal is – zonder overdrijving – het verschrikkelijke relaas van een  huwelijk. Entius is erin geslaagd – zonder te psychologiseren –  het verhaal achter deze familie op een verteerbare manier aan het licht te brengen.

    Familie van staal
    Kobe (de vader) heeft geen losse handjes of een kwade dronk die doorgaans oorzaak is van veel huiselijk leed. Hij gaat er juist prat op dat hij niet drinkt, niet rookt en niet naar de hoeren gaat. Een eerbaar man zou je denken. Niets is minder waar. Het is een miezerig mannetje die de wereld om hem heen regeert als een dictator. Hij is klein van stuk heeft een oog dat niet goed functioneert (draagt altijd een zonnebril) maar denkt toch piloot te kunnen worden. Een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Of zoals Mees in de beginregels van het boek haar vader neerzet:  ’(…) een kleine man, die dacht dat hij groot was, imposant, wijs, beter. (…), beter dan zijn vader die een slapjanus was (…), beter dan een arbeider die per definitie dom was (…) en beter dan zijn vrouw, die hij naar zijn zeggen uit de goot had gehaald.’
    Kobe en Muis hebben drie dochters: Do, Ilse en Mees (Pimpelmees). Kobe oefent een strenge controle uit over Muis en hun dochters. Hun eerste kind – Wurm – is gestikt in zijn wiegje, later heet dat ‘wiegendood’. Kobe was op dat moment alleen met de baby. Er rust een verdenking op hem die niet wordt uitgesproken. Maar als lezer weet je genoeg. Vooral omdat Muis steeds haar gedachten moet wegstoppen, om het ergste wat gebeurd is niet onder ogen te hoeven zien. ‘ Daarbij voedde de latere uitspraak van Muis over Kobe: ‘Jij weet niet waartoe hij allemaal in staat is,’ de onzekere gedachte bij Mees, dat er met Kobe meer aan de hand was dan ze wisten.

    Het is direct duidelijk dat Kobe geen gevoelens kan tonen en dit van anderen ook niet verwacht. Hij praat nergens over maar scheldt daarentegen Muis voor rot als ze het waagt te treuren om de dood van haar kind. Voor Muis wordt het een taak van levensbelang om de lieve vrede te bewaren in huize Staal. Wanneer Kobe overdag weg is voor zijn werk, kunnen de meisjes in de kamer spelen. Maar zo gauw het geluid van zijn auto in de straat klinkt moet alles snel worden weggeruimd en moeten de kinderen naar boven. Alleen als er visite is, maakt hij goede sier met de schoolresultaten van zijn jongste dochter. Dat die visite op den duur weg blijft is het gevolg van een teveel aan eigendunk bij Kobe.

    Feiten en fictie
    Mees verlaat als zestienjarige de ouderlijke woning. Do is getrouwd en heeft twee dochtertjes en dan nog Ilse – die van de ene psychose in de andere valt. Mees ontwikkelt zich als kunstenares en leeft met Kowalski. Ze hebben het goed samen. Tot Mees op eenenveertigjarige leeftijd zwanger wordt. Ze weet niet of ze dit wel wil. Ze krijgt steeds meer last van het verleden en besluit haar ouders – van wie ze zich de gezichten niet meer voor de geest kan halen – op te zoeken. Tijdens haar zoektocht komt ze tot de verrassende ontdekking dat Muis op haar verjaardag bloemen ontvangt met de felicitaties van Wurm. En betrapt ze Kobe zonder zonnebril op zijn balkon terwijl hij haar niet opmerkt. Ze blijken een leven te leiden waaruit het bestaan van hun drie dochters is weggesneden. Dit is zo schrijnend dat Mees in haar fantasie een constructie maakt van hoe het er bij hen vroeger aan toe ging, gespeeld door Do, Ilse en zij zelf. Op de vraag van de meisjes waarom er zo zwaar en onderdrukt geademd wordt in huize Staal, geeft Mees het antwoord: ‘Ik denk dat het is omdat we er zijn,’ (…). We mogen er niet zijn.’

    Entius legt met bedrieglijk gemak verbindingen tussen feiten en fictie, die je als lezer al snel doen geloven dat alles is gegaan zoals het verteld wordt. Maar schijn bedriegt. Stukje bij beetje komen we aan de weet hoe het eraan toe ging bij de familie Staal. De feiten vergaart Mees door familieleden te ondervragen en in haar eigen herinneringen te duiken. Dat levert zo weinig op dat er nog een flinke dosis fantasie voor nodig is om er iets van te maken zodat Mees verder kan met haar leven. Ze bezoekt  haar overleden oudere broer. Wurm is uitgegroeid tot Luuk en bevindt zich in het overgangsgebied van gestorven baby’s en abortussen. Een gebied dat zich laat verbeelden als een berglandschap. Waarom hij gestorven is, vraagt Mees. Waarop Luuk zegt dat hij de hooggespannen verwachtingen van Kobe nooit had kunnen waarmaken. Zulke uitspraken geven het – soms verstikkende verhaal – telkens weer een luchtigheid mee die je even op adem laat komen. Zo ook rond de dood van Wurm, alles daar omheen is met grote beklemming beschreven. Dan ontvangt Muis  een kaart van een oud collega: ‘Ze schreef iets over Onze Lieve Heer en dat Wurm in goede handen was nu. Dan waren de mijne zeker fout, dacht Muis.’ Door zo’n gedachte wordt ze even boven zichzelf uitgetild.

    Het kabinet
    Het boek is als een ‘kantelvertelling’: het verhaal scheert rakelings langs verzonnen handelingen (het spel dat de drie zussen op volwassen leeftijd voor Kobe en Muis opvoeren met de bedoeling hen een spiegel voor te houden en dus niet plaatsvond) en verborgen feiten (Muis bewaarde liever geen grote messen in de keukenla) brengt al draaiend en buitelend een fantastisch verhaal aan het licht dat te gek lijkt voor woorden. Maar daar is Yolanda Entius dus goed in: het onzegbare met woorden verbeelden. Hierbij maakt ze ook gebruik  van de tekeningen die Mees voor haar eerste tentoonstelling als kunstenaar maakte. De titel van het boek is afgeleid van deze tentoonstelling die gewijd was aan de familie Staal, getiteld: Het kabinet. De ‘tweedee’ (tweedimensionale) tekeningen zoals Mees ze noemt, vormen tezamen een  kijkdoos waarin de geschiedenis van de familie Staal is vastgelegd. Indringend verhaal, zeer goed geschreven.

     

     

     

  • ‘Eén glaasje dan, dacht ze’

    ‘Eén glaasje dan, dacht ze’

    De Gelukkigen is het derde boek van Yolanda Entius. Het is een overweldigend rijk gevulde roman, qua personages en thema’s, maar een plezier om te lezen. Evenals haar debuutroman Rakelings, die in 2006 bekroond werd met de Selexyz Debuutprijs, is ook haar nieuwe roman een staaltje van filmische vertelkunst en een caleidoscopische weergave van haar personages. Niet zo vreemd, met haar achtergrond als filmmaker. Ze noemde De Gelukkigen, in een interview met Lotje IJzermans in het VPRO radioprogramma De Avonden van 29 november 2009, het tweelingzusje van haar  debuut Rakelings.  Personages uit haar eerste roman spelen ook een rol in deze roman. Beide romans zijn gebaseerd op een krantenbericht.

    Het verhaal begint en eindigt met een fragment uit het leven van René die door een bizar ongeluk vanaf zijn middel verlamd is. Hij ‘beklimt’ met zijn zoon Stijn een berg. Het is 23 augustus 2008 en zijn zoon duwt hem in zijn rolstoel de berg op. René prijst zich gelukkig dat zijn zoon nog leeft en gaat terug naar die vrijdagavond in het voorjaar van 2002, wanneer hij onderweg in een taxi hoort dat in de Italiaanse Alpen een bus met jonge voetballers van de weg is geraakt. Zijn zoontje zit in die bus.
    René is getrouwd met Sofie, die in 1982 als dertienjarige in Broekmeer komt wonen. Op haar eerste ontdekkingstocht door de buitenvelden van de nieuwbouwwijk komt ze de achttien jarige René tegen die op het land werkt. Een serieuze jongen die haar verrast gadeslaat. Sofie stelt zich voor als import en hij als ‘Ik ben van hier’, en na een ‘houdoe’ van haar kant gaat ze verder.

    Els is de dochter van de plaatselijke drogist en ontfermt zich in de zomer van 1982 over Sofie. Ze zijn onafscheidelijk totdat Nina, de beste vriendin van Els terugkomt van vakantie.  Nina en Sofie worden vriendinnen en Els heeft het nakijken. Els was verliefd op René maar trouwt met de goedmoedige Willem. Nina trouwt met Frank uit de dichtstbijzijnde stad D. Ze krijgen een jongenstweeling, die ook in de bus zit, en een meisje. Ze is in verwachting van de vierde. In Nina manifesteren zich alle angsten waar ouders na ‘11/09’ en ‘Dutroux’ mee te maken kregen. Wanneer het noodlot echt toeslaat negeert ze dit. ‘Nina nam op. Het was Olga. Olga van de Poldervogels en ze zei iets over de jongens en de bus, maar ze kon het niet goed verstaan. Eén glaasje dan, dacht ze, ik neem één glaasje. Glimlachend verbrak ze de verbinding en schonk in.’

    Mounir en Miriam horen er niet echt bij. Mounir doet flink zijn best om gezien te worden door te investeren in de nieuwe kleedkamers van de voetbalvereniging. Hij krijgt het idee om voor een voetbaltraining met de F’jes naar Turijn te gaan. Miriam bezit een groot talent zich te conformeren aan haar omgeving. Wanneer ze samen met Nina en Frank een borrel drinken bij Els en Willem, begint Miriam over dit plan. Aanvankelijk had ze zelf hier ook zo haar twijfels over, maar  in het licht van het gezelschap grijpt ze het aan om Mounir ‘een punt te laten maken’. ‘En zo groeide een idee diezelfde avond nog uit tot een volwaardig plan. Een plan waar, behalve Mounir, niemand echt warm voor liep.’ (…) ‘Mounir zag het wel, die aarzelende reactie, de koele hoofdknikjes, het beleefde lachen, maar hij zag het voor iets Hollands aan. Hollandse zuinigheid, één koekje bij de thee, Hollandse schaamte, nooit eens royaal doen en dat weten, en je dan maar verschuilen achter rede en recht’.

    Dan breekt de fatale nacht aan. De ouders van de jongens verzamelen zich in de voetbalkantine nadat ze van het busongeluk gehoord hebben. Er is één dodelijk slachtoffer te betreuren, niemand weet om wie het gaat.
    ‘Daar staan we, ouders, exen, bijna exen; en allemaal onwetend, dertien in totaal, veertien met Sofie erbij. Ze zit thuis, SOFIE. Nadat ik haar gebeld heb, is ze op de bank voor het huis gaan zitten, zoals ze me later vertelde, naast de klimroos die bijna bloeit.’

    Het verhaal leest als een drieluik waarvan het middenstuk de fatale nacht weergeeft. Alles wat zich voor en na die nacht afspeelt en de personages beweegt, komt in het middenstuk bijeen.
    Al lezende raakte ik gefascineerd door de thema’s en subthema’s die Entius erbij haalt en die nodig blijken om tot een compleet beeld te komen.

    Het boek de associatie zich aan me op van een fotoserie, in M van het NRC  van april 2009 van het fotografen duo WassinkLundgren, waarbij zij ieder vanuit een andere hoek dezelfde situatie fotograferen om deze vervolgens naast elkaar af te drukken. Het ongeziene wordt hierdoor zichtbaar en levert verrassende beelden op. Zo belicht Yolanda Entius haar personages ook vanuit verschillende hoeken. Wat voor de een zichtbaar is, blijft voor de ander verborgen. Het verhaal springt door de tijd waardoor je als lezer je ‘kop’ er goed bij moet houden. Voor wie haar debuut niet gelezen heeft, doe dit alsnog.