• Een kamer voor jezelf en geld om te kunnen schrijven

    Een kamer voor jezelf en geld om te kunnen schrijven

     

    Fien Veldman (1990) studeerde literatuurwetenschappen en schreef meerdere essays over het thema klassenongelijkheid. In 2021 won ze de Joost Zwagerman Essayprijs met ‘Not really making it’. Een essay over een zedenzaak in een achterstandswijk in Leeuwarden waar zij zelf opgroeide. Deze zomer verscheen van haar het essay, ‘In onze maatschappij word je nooit een kwartje – hooguit een dubbeltje op een andere plek’ in het NRC.

    Als kind las Veldman van alles door elkaar. Vanaf haar twintigste, toen ze Literatuurwetenschappen ging studeren, kwamen de klassiekers aan de beurt. Aan het eind van haar studie begon ze te schrijven voor verhalenwedstrijden om wat geld te verdienen. Ze won verschillende prijzen en ontdekte dat schrijven ook een loopbaan kon zijn. Daarna won ze twee belangrijke essayprijzen, met een behoorlijke geldprijs waardoor ze tijd kon vrijmaken om te schrijven. 

    ‘Virginia Woolf schreef ‘A room of one’s own’, waarmee ze meer bedoelde dan alleen die kamer voor jezelf. Eigenlijk zei ze, je hebt een kamer én geld voor jezelf nodig. En dat besefte ik wel, dat ik geld nodig heb om te kunnen schrijven. De Elise Mathilde-prijs was een enorme gift [10.000 euro] waardoor ik ruimte zag om me met schrijven bezig te houden.’

    Dit jaar debuteerde Fien Veldman met de roman Xerox als prozaschrijver. Een roman over een jonge vrouw die van onderaf de maatschappelijke ladder beklimt. Komend vanuit een achterstandswijk valt dat nog niet mee. Ze werkt als klantenservicemedewerker bij een kantoor in een niet nader genoemde stad. Het motto in haar werk tot nu toe is dat opgroeien in een achterstandswijk je hele verdere leven op achterstand stelt. Een zwaar thema, maar luchtig en met humor verteld.


    Wat wilde je laten zien?

    ‘Ik wilde het kantoorleven laten zien door de ogen van iemand die zich niet naar de gangbare, gewone wereld kan voegen. Voor iemand die deel uitmaakt van de middenklasse, is het niet denkbaar dat een ander bepaalde omgangsvormen en codes niet begrijpt.’ 

    De naamloze jonge vrouw lijkt op het eerste gezicht het type ‘loser’, maar blijkt een scherp observeerder van het menselijk onvermogen en heeft een nogal kritische, soms ronduit botte mening over haar collega’s, maar sluit zonder bedenkingen vriendschap met een vuilnisman. Wat zij belangrijk vindt, zijn niet de behoeften van haar collega’s die tot de ‘havermelkelite’ gerekend kunnen worden. Ze is niet ambitieus en bekritiseert elke ambitie bij anderen. Haar printer is het enige waarmee ze communiceert. Daar is een heel hoofdstuk aan gewijd, aan de gedachten en meningen van de printer. Over haar baan denkt ze, ‘Wat als ik rijk was geweest? Dan had ik deze baan nooit gehad. Dan was het niet eens in me opgekomen dat dit werk bestond.’ Het besef dat de ene klasse niet voor de andere klasse bestaat hakt er dan wel in. 


    Wat is ze voor iemand?

    ‘Ze komt in een wereld terecht die ze niet begrijpt en die veel weg heeft van leeg consumentisme. Mensen die elkaar vertellen hoe belangrijk ze zijn op de werkvloer, maar inhoudelijk weinig te bieden hebben. Klassenmigratie betekent dat je je bewust bent van alles om je heen: dat je let op alle sociale regels die je niet van huis uit hebt meegekregen. Dat je je in het concertgebouw moet aanpassen aan de cultuur die daar heerst. Daar wordt op een stille manier gesproken, er wordt bepaalde kleding gedragen en het drankje is bij de toegangsprijs inbegrepen terwijl jij je consumptie wilt afrekenen. Kleine details waar je niets van weet. Niemand gaat het je leren, dus je wordt je er hyperbewust van hoe de anderen het doen. Dat geldt ook voor mensen uit een andere cultuur, er is een kloof die ze zelf moeten dichten.’ 

    Ze functioneert niet in haar baan, wordt op non-actief gesteld en uiteindelijk ontslagen. Dan gebeurt er iets waardoor het verhaal kantelt. Als ze op kantoor is geweest om haar ontslag te ondertekenen, besluit ze bij het verlaten van het pand haar printer mee te nemen. Ze zoekt hem in een opberghok. Ze sluipt door het gebouw en als ze bij het berghok is aangekomen, denkt ze: ‘Nog twee stappen, dan ben ik de Styx overgestoken.’ 


    Wat gebeurt daar?

    ‘Ze leeft erg in een onder- en bovenwereld, op de grens daarvan. Ze steekt de Styx over om in een ander universum te komen. Na haar ontslag denkt ze: dit is mijn transformatieve moment. Daar zit ook de beweging in dat ze actief moet meedoen en niet alles maar over zich heen moet laten komen.’ 


    In zowel het boek als het essay is er sprake van een verdwenen meisje, van seksueel misbruik. Is het boek ontstaan vanuit het essay ‘Not really making it’?

    ‘Het was eigenlijk andersom. In 2019 begon ik aantekeningen voor het boek te maken en in 2020 begon ik eraan te schrijven. Er zit wel eenzelfde thematiek in: sociale klasse en hoe je omgaat met je sociale achtergrond. Ik wilde het vooral hebben over hoe iemands sociale klasse doorwerkt in haar volwassen leven. 

    Ik wilde me niet verplicht voelen recht te moeten doen aan de waarheid, aan wat er echt gebeurd is in mijn eigen bestaan. Om scherper naar mijn personage te kunnen kijken, moest ik daarvan loskomen. Ik wilde geen autobiografisch verhaal schrijven, maar ik moest wel iets met dat verhaal om het uit mijn systeem te krijgen, dat het uit mijn schrijven zou verdwijnen. Zodat ik daarna helemaal op de fictieve toer kon gaan voor dit boek. Daarom schreef ik eerst het essay.’

    De personages zijn naamloos of worden genoemd naar hun functie, ‘marketing’, ‘sales’, ‘administratie’. Als iemand in het boek haar aanspreekt, staat er: ‘Hé [mijn naam].’ 


    Waarom wilde je het naamloos houden? 

    ‘Ik vond het belangrijk dat ze op een redelijk generieke manier beschreven wordt. Je weet ook niet hoe ze eruitziet, het zou eigenlijk iedereen kunnen zijn. Dat past wel bij de manier waarop zij zichzelf en de wereld ervaart. De wereld is vaag voor haar. Ze kan zich bijvoorbeeld ineens afvragen of het kantoor waar ze werkt wel echt bestaat. Alsof haar leven niet echt is.’ 

    Het boek opent met een citaat van Rilke: ‘Als er tussen de mensen en uzelf geen verbondenheid is, probeer dan de dingen nabij te zijn: zij zullen u niet in de steek laten.’ Het lijkt haar personage op het lijf geschreven.


    Kun je zeggen dat zij slachtoffer van haar eigen keuze is?

    ‘Ze staat wel heel ambivalent ten opzichte van de middenklasse omdat ze naar een wereld toe groeit die ze niet begrijpt. Ze is daardoor ook totaal niet ambitieus, waardoor ze geen aansluiting met haar collega’s vindt die wel willen opklimmen in hun werk. 


    Wat was je ingang tot het boek?

    ‘Het begon met de stem van het personage dat in mijn hoofd opkwam, haar innerlijk leven. Dat was de leidraad voor de rest van het verhaal. De manier waarop zij naar de wereld kijkt – ze is best arrogant, denkt alles beter door te hebben dan de rest – is een hele specifieke manier van kijken en daar had ik veel aan. Dat zorgde er ook voor dat het boek een bepaalde stijl heeft gekregen.’

    Op een dag wordt ze door een gemeentewerker met zijn vuilniswagentje aangereden. Het is een man zonder oordeel. Ze worden goede vrienden, hij is voor haar een soort heilige. ‘Ik had altijd al zo’n scène in mijn hoofd van een personage die langs een gracht loopt en wordt aangereden door een achteruitrijdend vuilniswagentje. Dat zag ik altijd al voor me – dat is een sleutelscène in iets wat ik ooit ga maken.’

    Er lopen verschillende verhaallijnen door het boek. De vriendschap met haar vriendin van vroeger, de buurt waar ze uit voortkomt, een printer als personage, een kwijtgeraakt pakketje, de vuilnisman. 


    Ontstonden die verhaallijnen tijdens het schrijven?

    ‘Gaandeweg ontdekte ik haar probleem door hoe ze tegen de printer praatte, dat was een teken dat ze sociaal niet meekomt. Dan wordt ze gediagnosticeerd met een burn-out en moet ze vrij nemen van haar baas. Ik volgde haar in hoe ze dacht en wat ze deed en daaruit volgden de scènes. Zoals de therapiesessies bij de bedrijfscoach die haar nogal voor de hand liggend advies geeft, maar haar niet echt helpt.’ 


    Is dat de huidige bedrijfsmentaliteit, een coach inhuren?

    ‘Startups met jonge mensen, millennialkantoren, hebben richting nodig en daar huren ze mensen voor in. Sommigen doen echt wel nuttig werk, maar vaak is het gewoon gebakken lucht, zijn het ervaringsdeskundigen die zelf weleens een burn-out hebben gehad. En dat er bij problemen altijd iemand moet worden ingehuurd om het geheel te begeleiden, is eigenlijk een trieste zaak, dat ze het niet intern kunnen oplossen.’


    Welke schrijvers hebben je geïnspireerd?

    ‘Tijdens het schrijven heb ik veel gelezen. Alle Faxen boeken van Mizee, om de manier waarop ze naar haar omgeving kijkt. Ook Het bureau van Voskuil heeft me geholpen bij het schrijven. En in de periode dat ik aantekeningen maakte voor het boek, las ik onder meer Jaag je ploeg over de botten van de doden van Olga Tokarczuk, met een geweldig personage dat zich heel anders tot de planten en dieren verhoudt dan de rest van de wereld.’ 


    Kreeg je uit je vroegere buurt reacties op je essay?

    ‘Er zijn vrienden uit die tijd die ik nog steeds zie. Ik heb het aan iedereen voorgelegd die erin voorkwamen en die ik nog kende, ze vonden het allemaal acceptabel dat ik ze erin schreef. Maar niet iedereen uit de buurt was er blij mee, sommige mensen zien het als een beledigend stuk. Het is natuurlijk ook geen rooskleurig beeld van de buurt, maar wel een realistisch beeld. Anderen vonden het juist heel goed dat ik zoiets aankaartte. Uiteindelijk is het in het belang van de kinderen die in zulke buurten opgroeien, je wilt ze net zoveel kansen geven als de kinderen die in Amsterdam-Zuid opgroeien.’ 

    ‘Ik had het nodig om een zo waar mogelijk verhaal te vertellen, terwijl veel mensen het fijner zouden vinden als ik dit verhaal in een positiever narratief zou gieten, dat ik mensen zou beschrijven als mensen met weinig kansen maar dat ze wél heel lief zijn voor hun kinderen, of de moeder van die en die was verslaafd aan alcohol, maar ze was wél heel leuk. Daar houd ik niet van, ik wil het zo eerlijk mogelijk vertellen.’

    ‘Mijn moeder heeft mijn boek twee keer gelezen. De eerste keer vond ze het grappig, maar bij de tweede lezing vond ze het eigenlijk een heel treurig verhaal.’

     

     

    Foto: Laila Cohen


     

     

     

     

     

     

     

    Xerox / Fien Veldman / 224 blz. / Atlas Contact

     

     

  • Oogst week 23 – 2023

    Kierkegaard – Een biografie

    Zelden is over een biografie van 800 pagina’s gezegd, dat ze soepeltjes wegleest. En helemaal als het gaat om een ‘voorloper van het existentialisme en postmodernisme’. Toch verdient Kierkegaard – Een biografie het predicaat pageturner. In gesprek met Filosofie Magazine zegt biograaf Joakim Garff: ‘Kierkegaard lezen is meer dan Kierkegaard begrijpen. Ik heb het gevoel door hém begrepen te worden!’ De theoloog móést het leven van de filosoof dus wel optekenen. Dit deed hij al in 2000, maar Uitgeverij Ten Have kwam recent met een heruitgave van de Nederlandse vertaling uit 2016.

    Oud zou Kierkegaard niet worden, slechts 42 jaar. In zijn relatief korte leven schreef hij enorm veel, terwijl hij tegelijk middenin de maatschappij stond. Hij nam zelfs dagelijks een mensenbad, zoals Garff dat noemt. In naburige kroegen zette Kierkegaard dan zijn voelsprieten uit om te zien wat er écht leefde onder de Kopenhaagse bevolking. Hij had een hekel aan alles en iedereen die in een ivoren toren zat, de Deense kerk voorop. Garff, als lector werkzaam in het Søren Kierkegaard Research Center, ziet deze biografie als zijn absolute eerbetoon. Hiermee wordt Kierkegaard namelijk net zo tastbaar als hij bij leven was.

     

    Kierkegaard - Een biografie
    Auteur: Joakim Garff
    Uitgeverij: Uitgeverij Ten Have

    Xerox

    Meerdere Nederlandse schrijvers zijn gek op kantoortaferelen. De dames van Toren C probeerden al The Office te kopiëren. Recente papieren voorbeelden zijn Uitrollen is het nieuwe doorpakken van Japke-d. Bouma en De verwarde cavia van Paulien Cornelisse. Hier komt een nieuwe roman bij: Xerox van debutant Fien Veldman (Leeuwarden, 1990). In 2021 won Veldman de Joost Zwagerman Essayprijs met Not really making it. Haar kritische beschouwing over de maatschappelijke ongelijkheid vanaf de basisschool, galmt na in Xerox.

    Het boek is vernoemd naar een bedrijf dat echt bestaat. Nu is het afwachten of de onderneming ook blij is met deze gratis reclame… Dat Veldman eveneens een korteverhalenwedstrijd won voor De Correspondent, is te merken in Xerox. Ze introduceert zelfs een geheel eigen stijloefening in haar roman: de monologue printérieure. De hoofdpersoon steekt ellenlange preken af tegen een kopieerapparaat. Afgaande op de eerste geluiden over dit boek, kan gelukkig gesteld worden dat Xerox in geen geval Japke d. Bouma of Paulien Cornelisse kopieert.

    Xerox
    Auteur: Fien Veldman
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het paard van mijn vader: miniaturen

    Jozef Deleu mag minder bekend zijn dan Hugo Claus, hij is minstens van hetzelfde kaliber. Deleu, in 1937 geboren te Roeselare, heeft zo’n beetje alle onderscheidingen van België bemachtigd die er te behalen zijn, zowel literair als maatschappelijk. Ook maakte hij zich hard voor een culturele uitwisseling en erfgoedbehoud van Vlaamse en Nederlandse taalschatten met onder meer Stichting Erfdeel. Talloze poëziebundels bulkten al van betrokkenheid, bondigheid en liefde voor de taal. Nu is daar Het paard van mijn vader: miniaturen. Deleu maakt beeldschone miniatuurversjes.

    Op alfabetische volgorde schrijft Deleu gedichten die slechts zeven regels bevatten. De fragmentarische verzen, waarin soms één woord slechts een regel beslaat, doen denken aan het vitalisme van Marsman. Vitaal is Deleu op 86-jarige leeftijd in elk geval nog altijd. De kleur van de kaft is bruin. Is dat omdat Het paard van mijn vader in de herfst van Deleus leven is geschreven? Waarschijnlijk niet. Gevoel voor melancholie en weemoed? Mogelijk. Toch is Deleu een te goede observator om de lezer te vermurwen met een vage zweem van romantiek. Sober, maar niet stil, aldus De Standaard.

    Het paard van mijn vader: miniaturen
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Poëziecentrum VZW