• Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Nachtwoud is geen toegankelijk boek. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt, maar ook de vertaler niet, zoals vertaler Engels-Nederlands Erik Bindervoet in het begin van zijn ‘nachtwoord’ (dus geen ‘nawoord’) stelt. Een beetje zelfingenomen wel die constatering, en tikje valse bescheidenheid maar geloofwaardig is het ook.

    Nachtwoud van de Amerikaanse bohémien journaliste en auteur Djuna Barnes (1892-1982) is een boek dat je enerzijds niet loslaat maar anderzijds ook moeilijk te volgen is. Het vertelt het verhaal van een aantal zoekende, ontwortelde mensen in het kosmopolitische Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw tijdens hun vooral nachtelijke belevenissen en ontmoetingen. De kern van het boek, de hoofdthese, is de mythe van de romantische liefde. In het boek ‘de vleesgeworden leugen van ons tijdsgewricht’ genoemd, ‘de liefste leugen van ons allemaal’. Het dichtstbij komt nog de liefde tussen vrouwen, maar ook die schiet in de ogen van Barnes uiteindelijk tekort.

    ‘De liefde, dat erge ding!’

    Uit een – uiteraard nachtelijke –  scène in een rijtuig van drie personen, hoofdpersoon Robin, een vrouw die zoekt naar liefde maar ook gezocht wordt, met Jenny en de (mannelijke) dokter; ‘Ach zei hij, de liefde, dat erge ding!’. Ze (Jenny) begon op de kussens in te beuken met haar dubbele vuist. ‘Wat weet jij daar nou van? Mannen weten er nooit iets van, waarom zouden ze ook? Maar een vrouw moet er wel van weten – zij zijn fijngevoeliger, heiliger, mijn liefde is heilig en mijn liefde is groots!’. Maar hoofdpersoon Robin maakt er korte metten mee: ’Hou je mond, zei Robin en legde haar hand op haar knie. ‘Hou je mond, je weet niet waar je het over hebt. Je praat de hele tijd en je weet nooit iets. Dat is zo’n afschuwelijke zwakte van je. Jezelf identificeren met God, hou ermee op!’. De scène eindigt in een gevecht tussen de twee vrouwen, waarna Robin uit het rijtuig springt, kort daarna gevolgd – toch – door Jenny. De twee vrouwen vertrekken daarna per boot naar Amerika. Hun relatie, een groot woord voor een ingewikkelde omgang met elkaar, eindigt met een hysterische Jenny. Robin trekt nu weer naar een van de andere vrouwelijke hoofdpersonen, Nora, maar ook dat loopt niet goed af. Een gewelddadige nachtelijke scène in en bij een kapel buiten New York waarbij èn Nora èn een hond het leven laten is het einde van het boek.

    Op zoek naar de liefde

    Nachtwoud
    laat zich niet of nauwelijks lineair navertellen, je moet je erin onderdompelen zonder dat je je voortdurend afvraagt wat er gebeurt, wie waarom handelt en wat de preciese uitkomst is van de nachtelijke voorvallen. Het verhaal meandert rond een handjevol hoofdpersonen die allen nogal bijzonder zijn. Wat hen bindt is een gevecht rond hun identiteit, ze zijn uitgestoten, en proberen via de ander zichzelf beter te leren kennen. Dat lukt steeds niet en dan is de enige remedie daartegen gewoon maar verder leven en zonodig een verleden ‘stelen’.  Een ‘wandelende Jood’ Felix Volkbein, de echtgenoot (op afstand) van Robin, dokter Matthew O’Connor, en de al genoemde vrouwen, hoofdpersoon Robin, en Nora en Jenny; ze zwerven door de nacht, op zoek naar elkaar, maar de echte liefde is onbereikbaar. Ze zoeken allen vooral naar de liefde van Robin, de meest identiteitsloze in het boek. Maar bij dat zoeken naar de liefde van Robin, zoeken en dienen ze vooral zichzelf. Nora: ‘Mijn God, wat is liefde? De mens op zoek naar zijn eigen hoofd?’

    Proza

    Intussen geniet je wel van het uiterst knappe en beeldende proza van Barnes. Zoals over het huis van Jenny, ‘volgepropt met tweedehands transacties met het leven’. Ze draagt de trouwring van een ander om haar vinger, vult haar bibliotheek met door anderen gekozen boeken en haar woorden ‘leken haar te zijn uitgeleend’. Nog een voorbeeld, ook over Jenny. De verteller (in het tweede deel van het boek de dokter, in het eerste deel is er een soort voice-over) zegt over haar: ‘Zij heeft de kracht van een onvolledig ongeluk – je wacht de hele tijd op de rest, op de laatste vuiligheid om het geheel af te maken; ze werd geboren op het randje van de dood, maar helaas zal ze niet bejaard worden als jongere – wat een ernstige vergissing van de natuur is’. Nog een voorbeeld, exemplarisch voor het hele boek. Felix (Volkbein) is in gesprek met de dokter. ‘Bent u bekend met Wenen informeerde Felix. “Wenen,” zei de dokter, “het bed waar het gewone volk in klimt, tam van de arbeid, en waar de adel zich uitgooit, wild van waardigheid”’. Niet echt makkelijk leesbaar, zeer barok, maar beeldend en ook wel unheimisch. De plaatsen waar de hoofdpersonen elkaar ontmoeten zijn ook bijzonder, een circus en een groot bed, beide dus weer nachtelijke plekken. Het circus wordt beeldend beschreven, maar ook nogal abstract. Felix komt er regelmatig. ‘De emotionele spiraal van het circus, ontsprongen aan de gigantische ontluistering van het publiek, afgeketst van zijn onbegrensbare hoop, bracht in Felix verlangen en onrust teweeg. Het circus was een geliefd object dat hij nooit kon aanraken, derhalve nooit kon kennen’.

    Djuna Barnes

    Deze zoektocht naar de ander en naar de liefde is misschien wel exemplarisch voor het leven van de schrijfster, Djuna Barnes. Zij groeide tijdens de overgang van de 19e naar de 20e eeuw op in upstate New York in een onsamenhangend gezin (voorwoord Xandra Schute: ‘een kakelbont gezin’). In 1912 vestigde zij zich als journaliste in de stad New York, met in haar vak en haar leven een fascinatie voor het ontuchtige, vreemde en bizarre. Daaronder het circus. Ze was een, zeker voor die tijd, onafhankelijke, geëmancipeerde vrouw met een toen nieuwe stijl van schrijven, die van de participerende journalistiek. Het leven in Parijs in de jaren twintig, de stad van Hemingway, Gertrud Stein en vele andere Amerikaanse bohémiens/kunstenaars paste haar. Daar stopte ze met de opdracht journalistiek voor bladen als McCalls en ging schrijven, poëzie, korte verhalen, toneelstukken, een lesbische sleutel-almanak, en uiteindelijk in 1936, en inmiddels verhuisd naar Engeland, Nachtwoud. Daarbij geholpen door T.S. Eliot, eindredacteur bij uitgeverij Faber & Faber, die veel zag in dit boek. Hij suggereerde een andere, ook wel passende, titel: Bow down, the Anatomy of Night. Vertaler Erik Bindervoet tekent nog aan dat de uiteindelijke titel Nightwood wel eens zou kunnen slaan op de grote liefde van Djuna Barnes, Thelma Wood: ’Nigh T Wood’, bijna T. Wood. Barnes ontkende dit en sprak van ‘night-shade, poison and night and forest. Nachtschaduw, vergif en nachtelijk woud. Bijzonder om nog te vermelden is dat zij het boek schreef in het Engelse landhuis van de toen jonge beroemde Amerikaanse kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. In 1940 ontvluchtte ze het brandende Europa, terug naar de VS, waar ze tot 1982 een kluizenaarsbestaan leidde, vaak ziek en veelal verslaafd aan de alcohol. Bijna niemand liet ze nog toe in haar leven.

    Als poëzie

    Het is mooi dat dit cultboek over nachtelijke dromen drinken in het artistieke Parijs van de jaren twintig in een nieuwe, sprankelende vertaling is verschenen. De vorige dateert uit 1963, herzien in 1979. Bindervoet heeft als vertaler zijn sporen verdiend tot en met de Beatles. Aan Nachtwoud wordt nu, anno 2025, wel de term ‘Queerklassieker’ gehangen. Dat is het ook wel met die nadruk op de homoseksuele liefde, maar het is vooral een boek dat over je heen golft en dat je het beste als poëzie kunt ondergaan. Advies: lees het in één keer uit, en raadpleeg daarna vooral het nawoord van Xandra Schutte en het nachtwoord van vertaler Erik Bindervoet. Dat helpt enorm om het boek op de juiste waarde te schatten. Die waarde is groot, zeker als je het moment van verschijnen in 1936 in ogenschouw neemt. Nederland moest lang op een vertaling wachten, maar heeft nu een schitterende herkansing.

     

     

  • Vader-zoon gedoe

    Vader-zoon gedoe

    Het valt niet mee om man in de literatuur te zijn, althans volgens de bundel Jongens waren we, de problematische sekse in de literatuur, samengesteld door essayist en redacteur van de Groene Amsterdammer Jan Postma, uitgegeven door Das Mag. Het betreft een bundel essays. Een bespreking van Nescio’s Titaantjes door Rob van Essen waar deze uitgave zijn titel aan ontleent, ontbreekt uiteraard niet. Andere boeken die ter sprake komen zijn onder meer Brief aan mijn vader van Kafka door Xandra Schutte, Karakter van Bordewijk door Niña Weijers, Twee vrouwen van Harry Mulisch door Femke Essink, Rabbit Redux van Updike door Joost de Vries en Mijn Strijd van Knausgård door Mirjam Rasch.

    Veel vader-zoon gedoe. Vaak herkenbaar voor mij. Ik ben expert op dit gebied na een hard gekookte opvoeding door een tirannieke vader die beroepsmilitair was. Wie man wil worden, moet zich tot de vader verhouden. Dat zegt Xandra Schutte in haar essay over Brief aan mijn vader. Het is volgens haar het oerboek van de zoon die niet tegen de kracht van zijn vader op kan. En het is tevens een boek over een universeel conflict, namelijk dat de mens zich heeft te verhouden tot de maat der dingen, doorgaans opgelegd door ‘het gezag’.

    Niña Weijers beschrijft onder meer een scène uit Karakter waarin de zoon weigert de hand aan te nemen van een vader die hem al die jaren alleen maar heeft tegengewerkt. ‘Of meegewerkt,’ zegt de vader zachtjes. De suggestie dat de vader zijn zoon klein hield met de bedoeling hem groot te maken, is ook zo’n universeel gegeven. Wie kent niet het liedje ‘A boy named sue’ (Johnny Cash)? Dat liedje deelt volgens Weijers zijn thematiek met de Brief aan de Hebreeën uit de Bijbel; universeler kan het bijna niet.

    Behalve in de titel kent de bundel nog een parafrase op een beroemde eerste zin: ‘Alle gelukkige huwelijken lijken op elkaar, elk ongelukkig huwelijk daarentegen is een onuitputtelijke bron voor gelaagde bespiegelingen over de beproeving van de liefde’. Dit schrijft Margreet Fogteloo in haar essay over Huwelijksleven van de Russische schrijver David Vogel. In dit boek is het mannelijke hoofdpersonage geheel overgeleverd aan grillen van zijn Kenau-achtige vrouw die hem niet alleen afbreekt tot op het bot, maar hem zelfs verkracht. Het verhaal werkt als een spiegel van het noodlot dat doorgaans is weggelegd voor vrouwen en waartegen het feminisme al meer dan anderhalve eeuw strijd voert, schrijft Fogteloo. De slaafse houding van het slachtoffer maakt de dader nog wreder.

    Ik kreeg deze bundel, vormgegeven met twee eikeltjes op een roze (?!) kaft, begin maart van een vriendin. Het was ter ere van de presentatie van mijn eigen roman getiteld Starfighter, tevens de bijnaam van het gevechtsvliegtuig F 104 waar mijn illustere vader namens de Koninklijke Luchtmacht mee vloog. De geefster is psychotherapeut in ruste. Toeval kan het niet zijn dat ze me juist dit boek gaf – thuis uit te pakken.

     

     


    Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

  • Maxim Februari heeft Heldringprijs voor zijn columns ontvangen

    In het afgelopen weekend ontving schrijver, essayist en columnist Maxim Februari de Heldringprijs voor zijn columns in NRC. De prijs werd uitgereikt tijdens de Nacht van NRC in Rotterdam. Februari schrijft wekelijks een column voor de opiniepagina van NRC. Volgens de jury bespreekt Februari de grote thema’s van deze tijd. De jury roemt de columnist als ‘een origineel schrijver en denker en een geweldig stilist met een fijnzinnig gevoel voor humor.’

    Juryvoorzitter Xandra Schutte: ‘Februari schrijft op een literaire manier over actuele thema’s.’ Schutte tekende daarbij aan dat het bijzonder is waarop de columnist hiervoor de ik-vorm gebruikt: ‘Het is niet een alledaagse autobiografische “ik”, het is een literair stijlmiddel: op een persoonlijke manier nodigt hij de lezers uit om in zijn hoofd te komen om mee te lopen in een gedachtegang.’

    Maxim Februari (pseudoniem voor Max Drenth, Coevorden, 1963) schrijft naast columns ook romans. In 1989 debuteerde hij met de roman, De zonen van het uitzicht, waarvoor hij in 1990 de Multatuliprijs ontving. In 2007 volgde De Literaire Kring. Van 1999 tot juli 2010 schreef Februari columns voor de Volkskrant; in augustus 2010 stapte hij als columnist over naar NRC Handelsblad.  In 2013 kreeg hij veel aandacht voor zijn persoonlijk leven door het boek De maakbare man: Notities over transseksualiteit. In 2017 verscheen de goed ontvangen roman Klont (2017).

    De prijs is vernoemd naar de Nederlandse journalist en columnist Jérôme Louis Heldring (1917 – 2013). Hij was eerst columnist voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) en vervolgens voor NRC Handelsblad waar de NRC na een fusie met het Algemeen Handelsblad in opging. Heldring was een van de conservatieve denkers van Nederland. Zijn columns vormden een ijkpunt voor Nederlanders met belangstelling voor (internationale) politiek. Zijn laatste column verscheen op 5 april 2012. Sinds dat jaar reikt NRC elk jaar de Heldringprijs uit aan de beste journalistieke columnist van het afgelopen jaar.

    Overige genomineerden waren James Kennedy (Trouw), Frank Kalshoven (VK), Ariejan Korteweg (VK, Rob Hoogland (Telegraaf), Max van Weezel (VN), Luuk van Middelaar (NRC).

     

    I. v/d G.

    Foto: Wikipedia

  • Oogst week 20

    Queer

    De nieuwste van Adriaan van Dis, het debuut van een Chileense schrijver vertaald, verzamelde gedichten van R.A. Basart en een verzameling anderszijnde literatuur van na 1945.

    Queer komt van questioning. Queers bevragen zichzelf, hun anderszijn maar ook de samenleving; ze laten zich niet in een hokje duwen. Na de Tweede Wereldoorlog werd er in de Nederlandse literatuur, meer dan in enig ander land, geëxperimenteerd met de thema’s  homo-, bi- of transseksualiteit en het anders geaard zijn van personages. De bundel Queer bevat vierenveertig verhalen uit de naoorlogse literatuur van Nederland en Vlaanderen waarin LHBT (lesbienne, homo, biseksueel of transgender) een rol spelen. De neiging om buiten de gebaande paden te treden, om hokjes open te breken en grenzen te overschrijden is van alle tijden. Ook heden ten dage is er een generatie jonge schrijvers die de scheidslijnen tussen man – vrouw, homo – hetero, lust – liefde op inspirerende, soms confronterende wijze ter discussie stellen.  Queer is een overzicht en viering van de eigenaardigheid in de Nederlandse letteren. Met werk van onder andere Anna Blaman, Hanna Bervoets, Adriaan van Dis, Ellen Deckwitz, Frans Kellendonk, Saskia de Coster, Gerrit Komrij, Doeschka Meijsing, Tom Lanoye en Simon Vestdijk. En is samengesteld en ingeleid door Nienke van Leverink en Xandra Schutte.

    Queer
    Auteur: Xandra Schutte ; Nienke van Leverink ; (red.)
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Camanchaca

    Camanchaca is een coming of age (debuut)roman van de Chileense schrijver Diego Zúñiga (1987). Een korte roman over een jongen die de scheiding van zijn ouders niet heeft verwerkt en op zoek gaat naar de feiten achter de mysterieuze dood van zijn oom. Hij onderneemt daarvoor een lange rit door de Atacama-woestijn van Chili. Waarbij hij langzaam te weten komt wat zich in zijn jeugdjaren werkelijk heeft afgespeeld, alsof het verleden beetje bij beetje bloot komt te liggen en de pijnlijke relatie van de jongen met zijn gescheiden ouders verklaren zal. Maar helpt het hem werkelijk verder wanneer alles uit het verleden duidelijker wordt? Of is het zoals zijn moeder in het verhaal opmerkt, ‘soms is het beter om je niets te herinneren’.
    Camanchaca verwijst naar de laaghangende mist die de smalle Chileense landstrook tussen de Stille Oceaan en de Andes helemaal kan toedekken.

    De uitgever is het eens met de mening van de Spaanse criticus Alejandro Zambra: ‘Een onverwachte stem, een nieuw landschap. Een sober, riskant, verontrustend en verrassend boek’.

     

    Camanchaca
    Auteur: Diego Zúñiga
    Uitgeverij: Karaat

    In het buitengebied

    Adriaan van Dis behoeft geen aanbeveling maar elk nieuw boek van zijn hand trekt de aandacht van een groot lezerspubliek. In zijn nieuwste boek, dat zich afspeelt in een achteraf gelegen dorp aan een rivier, ontdekken we dat Van Dis daar niet gelukkig van wordt; dat geflirt met schrijvers en vooral schrijvers die als ‘nette heer’ te boek staan. Thomas van Veen schrijft vandaag in het NRC dat In het buitengebied Adriaan van Dis op z’n lelijkst is: hij laat zich in zijn poepgat kijken en vooral: hij is het zat dat bepaalde types (vrouwen) met hem weglopen, zijn bestaansrecht bepalen.

    Van Dis komt in elk boek-  vanaf zijn debuut Nathan Sid-  dichter bij de mens Adriaan van Dis in hoeverre die zich wil laten zien. Het is als de overbekende schillen van de ui die gepeld worden om tot de diepere kern te komen, zo pelt Van Dis met elk boek een laagje van zijn door afkomst opgebouwde identiteit af. En wat je dan met die kern aan moet, dat is de vraag. Dus toch weer: lees dit boek.

    In het buitengebied
    Auteur: Adriaan van Dis
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Zingend naar huis

    Van R.A. Basart (1946) kan niet gezegd worden dat hij een groot lezerspubliek heeft. Veel werk is er ook niet van hem verschenen want naast het schrijven werkte hij altijd als leraar Nederlands en was niet van plan dit op te geven voor een schrijverscarrière. Twee dichtbundels, Oranjebal (1975) en De gezonde apotheek (1977) publiceerde hij. Twintig jaar later verscheen een roman: De laatste lach (1997) en weer bijna twintig jaar later nog een roman, De verzoening (2016), die zeer goed ontvangen werd. Een bescheiden oeuvre dus maar wel een mooi oeuvre.
    Intussen dichtte Basart voort. Gedichten waarin het verhevene en het banale hand in hand gaan, en de alledaagsheid vrolijk wordt bezongen. Zijn poëzie wordt moeilijk te categoriseren geacht, maar doet denken aan Nijhoff en Eliot. In deze verzamelbundel is het beste bijeengebracht uit Oranjebal en De gezonde apotheek en aangevuld met een reeks nieuwe gedichten.

    Zingend naar huis
    Auteur: R.A. Basart
    Uitgeverij: Lebowski
  • Een leven lang lezen en schrijven

    Een leven lang lezen en schrijven

    Hoe verliefd is de lezer? luidt de titel van een reeks recensies, voordrachten, beschouwingen en andere losse stukken uit de nalatenschap van Doeschka Meijsing, vijf jaar na haar overlijden samengebracht door een van haar voormalige levensgezellinnen, Xandra Schutte. Op het omslag een foto van Sophia Loren, een van Meijsings idolen. Toepasselijk, Loren ligt op de bank een boek te lezen. ‘Het toppunt van vrouwelijk schoon’, aldus Meijsing in een beschouwing over de filmster. Die schoonheid was aan het begin van Lorens loopbaan nog niet vanzelfsprekend. ‘Ze had een te grote mond, een te dikke kont, iets teveel boezem om voor fatsoenlijk door te kunnen gaan (…) Ze straalde overspel uit en hartstocht en dat ze lak had aan alles en iedereen’, zegt Meijsing. De schrijfster wedt dat er maar één actrice bestaat die het heeft aangedurfd om op het witte doek pikzwarte voetzolen te laten zien. ‘Je weet dat je te maken hebt met een handelsmerk’, zegt Meijsing, ‘Sophia Loren met de vieze voeten’.

    In Meijsings werk wemelt het van verwijzingen naar films. Je vindt er ook een beschouwing over een van Lorens beroemdste tegenspelers: Marcello Mastroianni, de enige man die Meijsing ooit ten huwelijk heeft willen vragen. Zo bijzonder als Loren is, zo gewoontjes is Mastroianni: ‘niet zo mooi als Rudolph Valentino, niet zo veelbelovend als James Dean… hij was Mastroianni en wij waren allemaal Mastrioanni’. De fascinatie met film–maar ook toneel en opera–is terug te brengen op de kinderjaren van Meijsing. In haar momenten van slapeloosheid, een ‘godsgeschenk’, beleefde ze voor haar geestesoog geschiedenissen en avonturen, ‘met uitstekend beeldmateriaal’. Dat hebben veel kinderen, maar Meijsing heeft het haar hele leven vastgehouden. Bij dat beeldmateriaal altijd één terugkerend fenomeen: een jongen die eigenlijk een meisje was, of andersom. Is het mogelijk om iemand anders te worden? Niet echt, natuurlijk, maar als lezer en toeschouwer kun je je wel degelijk in iemand anders verplaatsen, betoogt Meijsing. Je weet dat wat je ziet niet echt is, maar tegelijkertijd wil je dat niet weten. Zoals in het geval van travestie. Ook dit is een terugkerend thema bij de schrijfster, ze herhaalt het in diverse artikelen, vaak in identieke bewoordingen.

    Maar Meijsing is niet alleen toeschouwer, haar fantasie vindt een schriftelijke uitweg. Van jongs af aan heeft ze schijfster willen worden, ze hield niet alleen dagboeken bij, maar schreef complete romans (met veel taalfouten). ‘Op vijfjarige leeftijd schreef ik de eerste indrukwekkende zinnen van mijn loopbaan’, zegt ze, ‘een aap, Jan, een aap. Kees een aap. Piet een aap. Jan, Piet, Kees, een aap, een aap, een aap in de bus’. Zo jong als ze was begreep ze dat ‘lettertekens dingen in werkelijkheid kunnen maken, veroorzaken’. Schrijven is haar wereld, haar bestaan, ‘even noodzakelijk als eten en drinken en ademhalen en liefhebben’, ‘essentiëler dat al het andere’. En schrijven is een ritueel, zoals Schutte beschrijft in het voorwoord: ‘Voor haar romans en verhalen zat ze aan haar brede witte bureau, met uitzicht op de tuin. Ze schreef dan met de hand, met vulpen, in zorgvuldig uitgekozen schriften’. Dat was het ‘echte schrijven’. Stukken als die waarmee Hoe verliefd is de lezer? zijn samengesteld, schreef ze op de computer, ‘in een kleine nis, op een spartaanse designstoel’. Dat soort stukken waren onderdeel van de ‘bijbaan’: haar werk als boekenredacteur bij Vrij Nederland of Elsevier, lezingen, bijdragen aan De Gids of  andere literaire tijdschriften.

    Meijsings wereld bestaat uit boeken, ze praat literatuur, ze denkt literatuur. Op het gymnasium verslond ze de schrijvers die haar de rest van haar leven hebben voorzien van een omvattend referentiekader: Nabokov, Waugh, Borges, Kafka, Shakespeare, Salinger. Misschien vooral Vestdijk, aan wie een fraai stuk in de bundel is gewijd. ‘Ik kan zeker zeggen dat ik vanaf mijn vijftiende voor een groot deel ben opgevoed door Vestdijk’, zegt Meijsing. Ze maakt zich boos over het feit dat haar favoriete schrijver inmiddels ‘niemandsland geworden is, waar geen jongere de weg meer weet’. Schuldige is volgens haar de Mammoetwet van de rooms-katholieke minister Cals, waarin geschiedenis in het middelbaar onderwijs werd gedegradeerd tot keuzevak, het literatuuronderwijs en de literatuur met zich meesleurend. Misschien, maar ook de literatuur kent beperkingen. Ondanks aardige invalshoeken en grappige vergelijkingen, lijkt Meijsings wereld soms hermetisch afgesloten. Ze mag alles van Vestdijk weten, maar wat heeft Vestdijk eigenlijk te melden over de maatschappelijke ontwikkelingen tijdens zijn leven? Worden we daar iets wijzer van? Daarover geen woord. In een korte passage over de verbeelding komen Mahler, Hamlet, Augustinus, Borges en Van het Reve ook even langs en verwijst Meijsing in één adem door naar zowel wetten, de tijd als de vrijheid. Aan Meijsings eruditie hoeft niet te worden getwijfeld, maar literatuur is méér dan alleen literatuur. Wat is, in het algemeen, de betrekking tussen literatuur en de sociale werkelijkheid? In Meijsings wereld heerst een scherpe hiërarchie: eerst heb je de literatuur en de fantasie, daarna komt pas het échte leven. Dat lijkt er niet veel toe te doen.

    Waren de vieze voeten van Sophia Loren werkelijk haar handelsmerk, of verzint Meijsing dat maar? De Italiaanse actrice heeft in vele tientallen films gespeeld. In opvallend veel films zie je de voeten van Loren. Mooie voeten, altijd schoon, net als die op het omslag van Meijsings bundel. Maar zelfs als ze vies waren geweest: wat maakt het eigenlijk uit?